Eene verschijning.
Reading edition
De gelukkige John Watkins, die thans de rijkste inwoner van Grikwaland was, kon niet anders, na vroeger een maaltijd aangericht te hebben om de geboorte van de Zuidster te herdenken, dan een tweede te geven om hare wedergeboorte te vieren. Maar dezen keer zouden de voorzorgsmaatregelen voldoende getroffen worden, om te voorkomen, dat zij niet ten tweeden male verdween, terwijl thans Dada niet uitgenoodigd werd.
Het feestmaal was dan ook in den namiddag van den volgenden dag reeds in vollen gang.
John Watkins had reeds vroeg in den morgen zijne gewone genoodigden [119] om zich verzameld en had bij de slagers van het distrikt vleeschstukken besteld, die voldoende zouden geweest zijn om eene geheele kompagnie infanterie te voeden; hij had zijne keukens met levensmiddelen, zoowel versche als verduurzaamde, en met zooveel wijnen en vreemde likeuren gevuld als de leveranciers in den omtrek slechts hadden kunnen bijbrengen.
Tegen vier uur was de tafel in de groote zaal gedekt, stonden de flesschen behoorlijk gerangschikt op het buffet en staken de stukken ossen- en schapenvleesch aan het spit en waren flink aan het braden.
De genoodigden verschenen te zes uur, natuurlijk in hunne schoonste kleederen gedost. Tegen zeven uur had de toonladder van de spraakzaamheid der gasten reeds zulk een hoogte bereikt, dat een trompetter met moeite dat geschreeuw met zijn instrument zou hebben kunnen overstemmen. Matthijs Pretorius, die sedert hij de akelige grappen van Hannibal Pantalucci niet meer te verduren had, veel geruster van inborst was geworden, zat daar aan met Thomas Staal, die van gezondheid en kracht straalde, met den makelaar Nathan, met andere pachters, mijnwerkers en kommissarissen van politie.
Cyprianus, zich gedragende volgens een bevel van Alice, had niet kunnen weigeren dat feest bij te wonen, daar het jonge meisje ook genoodzaakt was tegenwoordig te zijn. Maar beiden waren wel droevig gestemd, want—het viel niet te ontkennen—de bezitter van ruim vijftig millioenen kon er niet aan denken de hand zijner dochter te geven aan een eenvoudigen ingenieur, “die niet eens diamanten kon vervaardigen”. Ja, de zelfzuchtige behandelde zoo reeds den jeugdigen geleerde, waaraan hij in werkelijkheid zijn nieuw vermogen te danken had.
Het diner had zijn voortgang te midden van de zeker niet gematigde geestdrift van de gasten.
Vóór den gelukkigen Engelschman—en volstrekt niet achter hem, zooals vroeger—lag de Zuidster op een klein kussen van blauw fluweel, beschut door een traliewerk van metaaldraden en door eene glazen stolp, en schitterde met vollen glans bij het licht der waskaarsen.
Er heerschte toen eene drukkende hitte.
Miss Watkins zat als in zich zelve gekeerd aan dien disch en scheen niets te hooren. Zij had den blik op Cyprianus gericht, die even mistroostig was als zij. De tranen stonden haar in de oogen.
Drie slagen, die luidruchtig op de deur klonken, braken plotseling de gesprekken en het gerinkinkel der glazen af.
“Binnen!” riep John Watkins met schorre stem. “Wie gij ook zijn moogt, gij komt ter rechter tijd, wanneer gij dorst hebt!”
De deur ging open. De lange en magere gestalte van Jakobus Vandergaart verscheen op de drempel.
De gasten keken elkander verwonderd aan over die onverwachte verschijning. Iedereen kende zoo goed de oorzaken van de vijandschap tusschen John Watkins en Jakobus Vandergaart, dat een dof gemompel vernomen werd. Iedereen verwachtte iets ernstigs.
Een diepe stilte was daarna ingetreden. Aller oogen waren op den ouden diamantslijper met zijne witte haren gevestigd. Deze stond recht overeind, met gekruiste armen en met den hoed op het hoofd, in zijn lange Zondagsjas gehuld. Hij scheen het spook der wraak te zijn. John Watkins voelde eene onbestemde vrees opkomen. Hij rilde en verbleekte onder het vermiljoenrood, dat het alcoholmisbruik onuitwischbaar op zijne hoekige jukbeenderen geverfd had. Toch poogde hij zich tegen dat onverklaarbare gevoel te verzetten.
“He, he!” zei hij, terwijl hij het eerst het woord tot Jakobus richtte, “het is langen tijd geleden, buurman Vandergaart, dat gij mij het genoegen geschonken hebt u hier ten mijnent te vertoonen! Welk goed gesternte voert u herwaarts?”
“Het gesternte der gerechtigheid, buurman Watkins!” antwoordde de grijsaard koel. “Ik kom u mededeelen dat het recht eindelijk gaat zegepralen en, na zeven jaren lang verscholen te zijn geweest, te voorschijn gaat treden. Ik kom u aankondigen, dat het uur der vergelding geslagen heeft, dat ik in het bezit van mijn eigendom zal geraken, en dat de Kopjes-mijn, die steeds mijn naam gedragen heeft, voortaan mij wettig toebehoort, zooals zij mij volgens [120] de billijkheidswetten steeds toebehoord heeft! Heden zijt gij het, dien de wet het bezitrecht ontneemt en veroordeelt om mij terug te geven, wat mij ontnomen is!”
Al had John Watkins zich ook, bij de plotselinge verschijning van Jakobus Vandergaart en door het nevelachtige gevaar, dat zij scheen aan te kondigen, aanvankelijk verstijfd gevoeld, zoo bracht zijn bloedrijk gestel en ontembaar karakter hem er toe om een direct en afgebakend gevaar stout onder de oogen te zien. Hij wierp zich dan ook tegen de leuning van zijn stoel en lachte op de meest smadelijke wijze.
“De oude vent is gek!” zeide hij, zich tot zijne gasten wendende. “Ik heb altijd gedacht dat er een streep door liep; het schijnt in den laatsten tijd erger te worden!”
Iedereen lachte om die grofheid. Jakobus Vandergaart bleef kalm en knipoogde zelfs niet.
“Wie het laatst lacht, lacht het best!” zei hij ernstig, terwijl hij een papier uit den zak haalde. “John Watkins, gij weet dat een eindvonnis, dat in appèl bevestigd werd en dat zelfs de Koningin niet meer zou kunnen vernietigen, u in dit district de terreinen toegewezen heeft, die westwaarts van den vijf-en-twintigsten lengtegraad ten oosten van den meridiaan liggen?”
“Volmaakt juist, waardige wauwelaar!” riep John Watkins uit. “En daarom zoudt ge beter doen met naar bed te gaan, wanneer ge ziek zijt, dan eerlijke lieden te komen storen, die bezig zijn met dineeren en niemand iets verschuldigd zijn.”
Jakobus Vandergaart had zijn papier ontvouwd.
“Hier,” zeide hij, “is eene verklaring van het Kadastrale Comité, welke door den Gouverneur gewaarmerkt en eergisteren te Victoria geregistreerd is. Dat stuk constateert eene feitelijke vergissing, welke tot heden in al de terreinopnamen van Grikwaland geslopen is. Die vergissing, welke tien jaren geleden door de landmeters begaan is, die met de opmeting van het district belast waren, en die geen rekening gehouden hebben met de magnetische afwijking van de kompasnaald met het ware noorden, die vergissing vernietigt alle opnemingen, die deze dwaling tot grondslag hebben. Ten gevolge van de verbetering, die plaats gehad heeft, bevindt zich thans de vijf-en-twintigste graad oosterlengte van Greenwich drie mijlen meer westelijk. Die verbetering herstelt mij dus in het bezit van de Kopjes-mijn, die u toegewezen was, want volgens het advies van al de rechtsgeleerden en van den chief-justice in persoon, kan de letter en de geest van het geslagen vonnis niets van deszelfs kracht verliezen. Ziedaar, John Watkins, wat ik u kom vertellen.”
Het zij dat de Engelschman hem niet dan onvolkomen begrepen had, hetzij hij voorbedachtelijk weigerde te begrijpen, wie zal dat uitmaken? Hij beantwoordde den ouden diamantslijper nogmaals met een hoonend gelach. Maar die lach klonk valsch en vond geen steun bij de gasten. Deze hielden allen verwonderd den blik op Jakobus Vandergaart gevestigd en schenen getroffen door diens ernst, door de vrijmoedigheid zijner verklaring en door de onwrikbare zekerheid, die uit zijne woorden, uit zijne geheele houding straalde.
De makelaar Nathan maakte zich tot tolk van het algemeen gevoelen, toen hij sprak:
“Wat mijnheer Vandergaart daar zegt, bevat volgens mij niets, dat voor dwaas kan uitgekreten worden. Die vergissing met dien lengtegraad kan zeer goed geschied zijn. Mij dunkt dat nadere inlichtingen moeten afgewacht worden, alvorens ons gevoelen uit te spreken.”
“Inlichtingen afwachten?” riep John Watkins uit, terwijl hij met de vuist krachtig op de tafel sloeg. “Ik heb met uwe inlichtingen niets te maken!.... Ik lach om uwe inlichtingen!.... Ben ik hier op mijn eigendom, ja of neen?.... Is mij de Kopjes-mijn bij een eindvonnis, welks kracht die oude kaaiman zelf erkent, toegewezen, ja of neen?.... Welnu, wat kan mij de rest schelen?.... Wanneer men het mij nog omtrent het rustige bezit van mijn eigendom lastig maakt, dan zal ik doen wat ik reeds gedaan heb: ik zal mij tot de gerechtshoven wenden en wij zullen zien wie gelijk heeft!”
“De competentie van de gerechtshoven is ten einde,” antwoordde Jakobus Vandergaart met opzettelijke kalmte. “Alles bepaalt zich thans tot [121] de daadzaak, tot de vraag: ligt de Kopjes-mijn rechts of links van den vijf-en-twintigsten lengtegraad? En daar het nu officiëel uitgemaakt is, dat een vergissing heeft plaats gehad, zoo is de onvermijdelijke gevolgtrekking daarvan, dat die mijn tot mijn bezit wederkeert.”
Terwijl hij dat zeide, toonde Jacobus Vandergaart het officiëele dokument, dat van de vereischte handteekeningen en zegels voorzien was.
John Watkins was niet op zijn gemak. Hij bewoog en draaide op zijn stoel. Hij trachtte te spotten; maar dat ging hem slecht af. Zijn blik viel in dat oogenblik op de Zuidster. Dat gezicht scheen hem het zelfvertrouwen, dat hem begon te verlaten, te hergeven.
“Als alles nu eens zoo was,” riep hij uit, “als ik waarlijk tegen alle recht en billijkheid in, dit eigendom, dat mij wettiglijk toegewezen is en dat ik sedert zeven jaren bezeten heb, moest afstaan, wat zou mij dat alles goed en wel beschouwd kunnen schelen? Bezit ik niet meer dan genoeg om mij te troosten, al was het maar alleen met dat juweel, dat ik in mijn vestzak kan meenemen en mij tegen alle ongeval kan behoeden?”
“Dat’s ook een dwaling, John Watkins,” hernam Jacobus Vandergaart op kort afgemeten toon. “De Zuidster is mijn eigendom evenals alle voortbrengselen, die uit de Kopjes-mijn gewonnen zijn en bij u teruggevonden worden, evenals het meubilair van dit huis, evenals de wijn in die flesschen, evenals dat gebraden vleesch op dien schotel. Alles, alles behoort mij; omdat alles voortspruit uit het onrecht, dat mij aangedaan is!.... En vlei u niet,” vervolgde hij, “mijne maatregelen zijn goed genomen.”
Jacobus Vandergaart sloeg in zijn magere handen. Dadelijk verschenen eenige konstabels op den drempel van de deur. Zij werden gevolgd door een officier van den Sherif, die binnentrad en met de hand op een stoel klopte, terwijl hij uitriep:
“In naam der wet leg ik voorloopig beslag op al de voorwerpen, meubelen en waarden van welken aard ook, die zich hier in dit huis bevinden!”
Iedereen was opgestaan, behalve John Watkins. De Engelschman lag vernietigd in zijn leuningstoel uitgestrekt en scheen door den bliksem getroffen. Alice sloeg hare armen om zijn hals en zocht hem met lieftallige toesprekingen op te beuren.
Jakobus Vandergaart verloor hem evenwel niet uit het oog. Hij beschouwde hem meer met mededoogen dan wel met haat; maar waakte daarbij over de Zuidster, die te midden van die ramp even luisterrijk glinsterde.
“Verloren!.... Geruïneerd!....”
Die woorden ontsnapten slechts aan de trillende lippen van John Watkins. In dat oogenblik stond Cyprianus evenwel op en sprak op ernstigen toon:
“Mijnheer Watkins, daar uwe welvaart met een onherstelbaren ondergang bedreigd wordt, zult gij mij vergunnen daarin slechts de mogelijkheid te zien, mejuffrouw uwe dochter in stand meer nabij te komen!.... Ik heb de eer u de hand van miss Alice Watkins te vragen.”