← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

De wondergrot.

Reading edition

Het was inderdaad Templar, dien Cyprianus bij zijn ontwaken voor zich zag. Het wederzien was van beide kanten uitermate liefderijk. Men zou gezegd hebben, dat het paard bijna evenveel genoegen smaakte als zijn berijder over de ontmoeting.

Cyprianus voelde zich sterk genoeg om na het ontbijt te paard te stijgen, ten einde dadelijk te vertrekken. Pharamond laadde al de bagage, die niet veel was, op het achterstel van Templar, greep het dier bij den teugel en aanvaardde de reis naar de hoofdstad van Tonaïa.

Onderweg verhaalde Cyprianus, thans evenwel in meerdere bijzonderheden, de voornaamste voorvallen van zijn tocht sedert zijn vertrek uit Grikwaland. Toen hij de laatste verdwijning van Makatit verteld had, wiens signalement hij beschreef, begon Pharamond te lachen.

“Kijk, kijk,” zei deze, “dat is aardig! Ik geloof, dat ik u tijdingen van den dief kan geven.”

“Hoe dat zoo?” vroeg Cyprianus verrast.

“Luister. Mijne Bassuto’s hebben nu zoo wat vier en twintig uren geleden een jongen Kaffer gevangen genomen, die in deze streken rondzwierf, en gebonden aan Tonaïa overgeleverd. Ik geloof wel, dat die voornemens was, hem van een leelijke kermis te huis te laten komen; want hij is erg bang voor verspieders, en de Kaffer, tot een vijandigen stam behoorende, kon van niets anders verdacht worden. Men heeft hem evenwel tot nu toe het leven gespaard. Tot zijn geluk kende de arme drommel eenige goochelaarstoeren, waardoor hij zich voor een toovenaar kon uitgeven....”

“O! een toovenaar,” riep Cyprianus [100] uit. “Nu is er geen twijfel meer, dat is Makatit.”

“Welnu, hij kan er op pochen, dat hij een fameusen dans ontsprongen is. Tonaïa heeft voor zijne vijanden een groote verscheidenheid van folteringen uitgevonden, die niets te wenschen overlaat. Maar, ik herhaal het, ge kunt tamelijk gerust over zijn lot zijn. Hij wordt door zijne hoedanigheid van toovenaar beschermd, en wij zullen hem heden avond nog gezond en wel aantreffen.”

Het zal wel niet noodig zijn er op te wijzen, dat die tijding Cyprianus aangenaam was. Zijn doel was dus bereikt; want hij twijfelde er niet aan of Makatit zou, wanner hij nog in het bezit van den diamant was, hem wel overgeven.

Zoo koutten de twee vrienden gedurende den geheelen dag, terwijl zij de vlakte overstaken, die Cyprianus eenige dagen te voren, op eene giraffe gezeten, doorsneden had.

Denzelfden avond kregen zij Tonaïa’s hoofdplaats in het gezicht. Zij was amphitheatersgewijs aangelegd op een terreinverhevenheid, die den gezichteinder in het noorden begrensde. Het was eene wezenlijke stad van tien tot vijftien duizend zielen, met goed aangelegde straten, met ruime en bijna bevallige hutten, waarin welvaart en vooruitgang te bespeuren waren. Het paleis des konings was omgeven door hooge palissaden en werd bewaakt door zwarte krijgslieden, met lansen gewapend. Dat gebouw besloeg alleen bijna het vierde gedeelte van de oppervlakte dier stad.

Toen Pharamond zich vertoonde, gingen alle poorten en barrièren voor hem open. Hij en Cyprianus werden dadelijk langs eene opeenvolging van uitgestrekte plaatsen en pleinen tot in de ceremoniezaal gevoerd, alwaar zich de onoverwinnelijke overheerscher ophield te midden van eene talrijke menigte, waaronder noch de wachters, noch de officieren ontbraken.

Tonaïa, kon zoo wat veertig jaren oud zijn. Hij was groot en krachtig van gestalte. Zijn voorhoofd was met een soort diadeem getooid, die van wilde-zwijnen-tanden vervaardigd was. Zijn kostuum bestond uit een overkleed dat den vorm eener tunika zonder mouwen had, en van roode stof vervaardigd was. Hij droeg een voorschoot van dezelfde kleur, dat rijkelijk met glazen kralen geborduurd was. Zijne armen en beenen waren met talrijke koperen braceletten getooid. Zijn gelaat teekende veel bevatting, maar ook sluwheid, en was daarenboven listig en niet innemend.

Hij ontving Pharamond Barthès, dien hij sedert verscheidene dagen niet gezien had, zeer goed, en ook Cyprianus, als den vriend van zijn getrouwen bondgenoot.

“De vrienden onzer vrienden zijn onze vrienden,” drukte hij zich uit, evenals een kruidenier uit de Marais, het meest burgerlijke kwartier van Parijs, zou gedaan hebben.

Toen hij evenwel vernam, dat zijn nieuwe gast lijdende was, deed hij hem de beste kamers van zijn paleis geven, en daarenboven een heerlijk avondmaal voordienen.

Volgens Pharamond’s meening was ’t het oogenblik nog niet om van Makatit te gewagen. Men zou dat tot den volgenden dag uitstellen.

Cyprianus was toen geheel hersteld en in staat om voor den koning te verschijnen. Het geheele hof was in de groote zaal van het paleis bijeen; Tonaïa en zijn beide gasten waren gezeten in het midden van den kring, door de hovelingen gevormd. Pharamond begon dadelijk in de landstaal, die hij vloeiend sprak, de onderhandeling:

“Mijne Bassuto’s hebben u onlangs een jongen Kaffer, dien zij gevangen genomen hadden, aangebracht. Nu is die Kaffer de dienaar van mijn makker, van den grooten, wijzen Cyprianus Méré, die hem van uwe edelmoedigheid terug verwacht. Ik, zijn vriend en tevens de uwe, ondersteun dat billijk verzoek.”

Reeds bij de eerste woorden had Tonaïa een zeer diplomatisch gezicht gezet.

“De groote, wijze blanke is welkom bij mij!” zei hij. “Maar wat biedt hij als losprijs voor mijne gevangene aan?”

“Een uitmuntend geweer, tienmaal tien patronen en een zakje met glazen kralen,” antwoordde Pharamond.

Een gemompel van goedkeuring liet de vergadering hooren. Zij was blijkbaar zeer ingenomen door de pracht van dat aanbod. Alleen Tonaïa bleef zijn strak staatkundig gezicht behouden, en gaf [101] geen blijk van ingenomenheid.

“Tonaïa is een groot vorst,” hernam hij, terwijl hij zich op zijn zitbankje rechtop zette, “en hij wordt door de Goden beschermd! Zij zonden hem een maand geleden Pharamond Barthès met zijne kloeke krijgslieden en zijne nimmer missende geweren, om hem te helpen zijne tegenstanders te overwinnen! Daarom zal ik op verlangen van Pharamond Barthès dien dienaar heelhuids aan zijn meester teruggeven.”

“En waar bevindt hij zich thans?” vroeg de jager.

“In de heilige grot, waar hij nacht en dag bewaakt wordt!” antwoordde Tonaïa met eene gelegenheids-hoogdravendheid, die den meest machtigen souverein van Kafferland zeer goed afging.

Pharamond vertaalde die antwoorden in het kort voor Cyprianus en vroeg aan den koning de gunst om met zijn makker den gevangene uit de heilige grot te mogen gaan halen.

Er werd op dat verzoek evenwel een afkeurend gemompel in de geheele vergadering vernomen. De eisch van die Europeanen scheen te ver gedreven. Nimmer was een vreemdeling in die geheimzinnige grot toegelaten. Een tot nu toe geëerbiedigde overlevering hield in, dat het rijk van Tonaïa in stof zoude ineenstorten, wanneer de blanken het geheim van die grot zouden kennen.

De koning hield er echter niet van, dat zijn hof zijne besluiten vooruitliep. Dat gemompel prikkelde dan ook zijn grillig alleen-heerschers-karakter, en bracht hem er toe, om toe te staan wat hij ongetwijfeld, zonder die uitbarsting van het algemeen gevoelen, geweigerd zoude hebben.

“Tonaïa heeft een bloedruil met zijn bondgenoot Pharamond Barthès aangegaan,” antwoordde hij op afdoenden toon, “hij houdt niets verborgen voor hem. Kunt gij en uw vriend een eed houden?”

Pharamond knikte bevestigend.

“Welnu,” hernam de negerkoning, “zweert dat gij niets zult aanraken van al hetgeen gij in die grot zien zult!.... Zweert, dat gij nimmer zult laten bemerken, dat gij het bestaan dier grot kent!.... Zweert, dat gij nimmer zult trachten om er andermaal in te dringen, of ook maar den ingang er van op te sporen!.... Zweert eindelijk, dat gij aan niemand mededeelen zult, wat gij gezien hebt!”

Pharamond en Cyprianus staken de hand uit en herhaalden woord voor woord het eedsformulier, dat hen voorgezegd werd. Tonaïa gaf dadelijk daarop met fluisterende stem bevelen. Zijn hofhouding stond op en zijn krijgslieden formeerden twee gelederen. Een paar dienaren brachten twee lappen van fijn linnen, waarmede de twee vreemdelingen geblinddoekt werden; daarna nam de koning tusschen hen beiden plaats in een grooten strooien palankijn, die door een paar dozijn Kaffers op hunne schouders genomen werd en die nu in optocht voortstapten.

De reis duurde vrij lang, minstens twee uren. Wanneer rekening gehouden werd met den aard der schokken, die de palankijn ondervond, moesten Pharamond en Cyprianus erkennen, dat zij door eene bergachtige streek vervoerd werden.

Daarna merkten zij een afkoeling der lucht op, terwijl het geluid der stappen van de lijfwacht en der dragers door de echo weerkaatst werd, alsof tusschen dicht bij elkander staande wanden gemarcheerd werd. Daaruit maakten zij op, dat men een onderaardsche gang binnengetreden was. Eindelijk trof een harsachtige rook hunne reukzenuwen, waaruit zij afleidden dat men fakkels ontstoken had om den optocht te verlichten.

De marsch duurde nog ongeveer een kwartier uurs, waarna de palankijn op den bodem neergezet werd. Tonaïa liet zijne gasten uitstappen en liet hun den blinddoek afnemen.

Onder den invloed van de flikkeringen, welke het oog gewoonlijk ondervindt, wanneer het, nadat zijn gezichtskracht voor een lange poos opgeheven is geweest, plotseling aan de inwerking van het licht blootgesteld wordt, verbeeldden Pharamond en Cyprianus zich eerst dat zij aan eene soort van geestverrukking onderworpen waren, zulk een prachtig en onverwacht schouwspel bood zich voor hunne oogen aan.

Beiden bevonden zich te midden van eene onmetelijke grot. De bodem was bezaaid met fijn zand, dat glinsterde van de gouden lovertjes, die er zich in bevonden. Het gewelf, hetwelk [102] zich als dat eener Gothische kathedraal verhief, verloor zich in eene voor den blik onpeilbare hoogte. De wanden van dat onderaardsche bouwgewrocht waren getooid met stalactiten, die eene groote verscheidenheid van kleuren en een ongehoorden rijkdom ten toon spreidden, en waarop de weerkaatsing van het licht der toortsen, stralenbundels te voorschijn tooverde, die met de kleuren van den regenboog prijkten, en met schitteringen vermengd waren, die aan gloeiovens, maar ook aan de pracht van noorderlicht deden denken. De meest verschillende kleuren flikkerden en smolten ineen, de meest grillige vormen, de meest onvoorziene hellingen kenmerkten die ontelbare kristalvormingen. Het waren niet, zooals in de meeste grotten voorkomen, eenvoudige legeringen van gedroppelde kwarts, welker vormen zich met eene wanhopige regelmaat en eentonigheid herhaalden. Hier had de natuur hare grillige luim geheel en al botgevierd. Zij scheen zich tot taak gesteld te hebben, al de combinatiën en schakeeringen der tinten, waartoe zich de glazuren der minerale rijkdommen zoo verwonderlijk leenen, effectvol te vertoonen.

Rotsen van amethist, wanden van sardonix, legeringen van robijnen, naalden van smaragd, die zuilenrijen als scheepsmasten van safier, ijsbergen getooid met zeealgen, girandollen van turkooizen, spiegels van opaal, aders van rooskleurige gips en van lapislazuli met goudaderen gemarmerd,—in één woord, alles wat de kristalwereld het meest schitterend kan aanbieden, was hier bijeengebracht om die wonderbaarlijke spitsbogen op te trekken. Meer nog dan dat: alle vormen, zelfs die uit de plantenwereld, schenen in beslag genomen te zijn voor dien arbeid, welke geheel en al buiten het menschelijke bevattingsvermogen viel. Tapijten van mineralische moskorsten, die zoo wollig waren als de fijnste graszoden, boomvormige kristallen, bloemen en vruchten in edelgesteenten, riepen bij wijlen die tooverachtige lusthoven en tuinen in het geheugen terug, die door de Japansche kunstenaars met zoo veel naïveteit weergegeven worden. Verder vertoonde zich een kunstmatig meer, door een diamant van twintig meters lang gevormd, die door het zand omlijst werd en eene geheel gereede baan was voor luchtige schaatsenrijders. Luchtkasteelen van witten agaatsteen, kiosken en torentjes van baryl of topazen, hoopten zich in ontelbare verdiepingen op, totdat het oog, vermoeid door zooveel pracht, eindelijk weigerde verder hen na te sporen. De straalbreking eindelijk, de ontleding der lichtbundels te midden der prisma’s, die schitterende vuurwerkvonken, die overal als het ware opspatten en in veelkleurige aren neervielen, riepen het meest verwonderlijke akkoord van licht en kleuren te voorschijn, waardoor een menschenoog ooit is verrast geworden.

Cyprianus Méré koesterde geen twijfel meer. Hij bevond zich plotseling vervoerd in een van die verwonderlijke vergaarplaatsen, waarvan hij sedert lang het bestaan gegist had en waarin de gierige natuur die legeringen heeft kunnen ophoopen en kristalliseeren, welke zij slechts noode, en dan nog maar in zeldzame en kleine stukken, aan den mensch in de meest begunstigde placers afstaat. Gedurende een kort oogenblik bekroop hem de twijfel omtrent de werkelijkheid van hetgeen hij onder de oogen had, maar het was voldoende geweest, terwijl hij langs een onmetelijke kristalbank voorbijging, haar te wrijven met den ring, dien hij aan den vinger droeg, om verzekerd te zijn dat zij het inkrassen weerstond. Zij bestond dus wel degelijk uit diamant, uit robijn en uit safier, en wel in zulke onmetelijke massa, dat hare waarde, naar den maatstaf, welken de menschen aan die mineralogische bestanddeelen hechten, aan iedere berekening moest ontsnappen.

Alleen de sterrenkundige cijfergetallen zouden eene benadering, weinig bevattelijk bovendien, hebben kunnen leveren. Inderdaad er lagen daar onbekend en improductief, trillioenen en quadrillioenen van milliarden aan waarde in den schoot der aarde verborgen.

Giste Tonaïa iets omtrent de onmetelijke rijkdommen, die hij daar ter zijner beschikking had? Dat was niet waarschijnlijk; want Pharamond Barthès, weinig op de hoogte van die zaken, scheen zelfs geen begrip hoegenaamd te hebben, dat die verwonderlijke kristallen, fijne edelgesteenten waren. De [103] negerkoning meende ongetwijfeld slechts de bewaker van een hoogst bijzondere grot te zijn, waarvan hem eene godsspraak of eenige andere bijgeloovigheid belette het geheim te openbaren.

Wat die opvatting bevestigde, was de opmerking, die Cyprianus weldra maakte, dat een groot aantal menschenbeenderen op sommige plaatsen in enkele hoeken van de grot opgehoopt lagen. Was zij dus eene begraafplaats van den stam, of—wat eene nog vreeselijker, maar toch meer waarschijnlijke vooronderstelling was—had zij gediend, en diende zij nog, om eenige afschuwelijke godsdienstplechtigheid te voltrekken, waarin menschenbloed vergoten werd, wellicht om aan kannibalische neigingen te kunnen voldoen?

Tot deze laatste meening helde Pharamond Barthès over, want hij zeide fluisterend tot zijn vriend:

“Tonaïa heeft mij toch verzekerd, dat sedert zijne troonsbestijging geene dergelijke plechtigheid heeft plaats gehad. Maar ik erken, dat het zien van die beenderen mijn vertrouwen zeer schokt!”

Hij wees daarbij op een hoop, die eerst sedert kort scheen opgericht en waarop de werking van het vuur, alsof die beenderen gekookt en gebraden waren, niet te miskennen was.

Die indruk werd eenige oogenblikken later geheel en al bevestigd.

De koning en zijn beide gasten waren in het achterste gedeelte van de grot voor eene opening aangekomen, die wel iets had van eene zijkapel, die in de lagere zijwaartsche gangen onzer basilieken uitgespaard zijn. Achter een hek van ijzerhout, dat er den toegang van afsloot, werd een gevangene ontwaard, die in eene houten kooi opgesloten zat, welke ternauwernood ruimte genoeg bezat om hem toe te staan, gehurkt er in te verwijlen. Blijkbaar was hij bestemd om vetgemest te worden, waarna hij het hoofdbestanddeel van een feestmaaltijd zou uitmaken.

Dat was Makatit.

“Gij!.... gij!.... vadertje!” riep de rampzalige Kaffer uit, toen hij Cyprianus herkende. “O, neem mij mede!—Verlos mij!.... Ik wil nog liever naar Grikwaland terugkeeren, al moest ik gehangen worden, dan hier in die kippenkooi te blijven verwijlen, in afwachting van de vreeselijke marteling, die de wreede Tonaïa mij zal laten ondergaan, alvorens mij op te peuzelen!”

Dat werd in het Fransch met eene zoo weemoedige stem geuit, dat Cyprianus er zeer door bewogen werd.

“Het zal geschieden, zooals gij wenscht Makatit,” antwoordde hij. “Ik kan uwe invrijheidsstelling bewerken, maar gij komt uit die kooi niet, alvorens den diamant teruggegeven te hebben.”

“De diamant, vadertje!” riep Makatit uit. “De diamant.... maar dien heb ik niet!.... Ik heb hem nooit gehad!.... Dat zweer ik.... ja, dat zweer ik!”

Hij zeide dat op zulk een toon van oprechtheid, dat Cyprianus zeer goed begreep, dat hij zijne eerlijkheid niet meer kon in twijfel trekken. Men weet het bovendien, het had hem steeds veel moeite gekost om Makatit voor den schuldige aan den gepleegden diefstal te houden.

“Maar,” vroeg hij hem, “als gij dien diamant niet gestolen hebt, waarom hebt ge dan de vlucht genomen?”

“Waarom, vadertje? Wel omdat men, toen mijne makkers de stokjesproef ondergingen, zeide dat niemand anders de dief kon zijn dan ik, dat ik listig te werk was gegaan om achterdocht te verijdelen. Nu weet gij zeer goed, dat in Grikwaland, wanneer het een Kaffer geldt, men veel spoediger met veroordeelen en hangen gereed is dan met onderzoeken en ondervragen!.... Toen ben ik beangst geworden en heb ik als een schuldige de vlucht genomen.”

“Wat die arme duivel daar zegt, komt mij zeer waarschijnlijk voor,” meende Pharamond Barthès.

“Ik twijfel er in het geheel niet meer aan,” antwoordde Cyprianus, “en waarlijk, ik kan hem geen ongelijk geven, dat hij gepoogd heeft zich aan de rechtsbedeeling in Grikwaland te onttrekken!” En zich tot Makatit wendende:

“Welnu, neen,” ging hij voort, “ik twijfel aan uwe onschuld niet meer ten opzichte van den diamant-diefstal. Maar men zal ons waarschijnlijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn niet gelooven wanneer wij uwe onschuld zullen betuigen. Wilt gij die kans loopen, en er terugkeeren?”

“Ja!.... ik wil alles wagen, alles doorstaan, om niet langer hier te blijven!” riep Makatit uit, die aan den [104] hevigsten angst ten prooi scheen.

“Wij zullen die zaak in behandeling nemen,” antwoordde Cyprianus, “en mijn vriend Pharamond Barthès zal haar ongetwijfeld wel tot een goed einde brengen!”

En inderdaad, de jager, die geen tijd verloren liet gaan was reeds met Tonaïa in onderhandeling.

“Spreek vrij uit!....” vroeg hij aan den negerkoning, “wat moet gij in ruil voor uwen gevangene hebben?”

“Ik moet vier geweren tien maal tien patronen voor elk wapen en vier zakjes met glazen kralen hebben.—Dat is niet te veel niet waar?”

“Dat is twintigmaal te veel; maar Pharamond Barthès is uw vriend en hij zal alles doen om u aangenaam te zijn. Luister, Tonaïa,” ging hij na een poos nadenkens voort, “gij zult de vier geweren, de vier honderd patronen en de vier zakjes met glazen kralen hebben. Maar gij van uwen kant zult ons een span ossen leveren, eene eerewacht met de noodige levensmiddelen, om mijn geheele gezelschap door de Transvaal te voeren.”

“Top!” antwoordde Tonaïa. Die zaak is beklonken!”

Daarop boog hij zich vertrouwvol tot Pharamond en fluisterde hem in het oor:

“De ossen zijn dadelijk gevonden. Het zijn die, welke mijne lieden ontmoet hebben, toen zij naar hunne stallen wilden terugkeeren en die zij naar mijne kraal gedreven hebben. Dat was geheel en al volgens het oorlogsgebruik, niet waar?”

De gevangene werd toen terstond ontslagen, en na nog een laatsten blik gewijd te hebben aan de pracht der grot, keerden Cyprianus, Pharamond en Makatit, na zich geduldig te hebben laten blinddoeken, naar het paleis van Tonaïa terug, waar een groot feestmaal gegeven werd, om het sluiten van het verdrag te vieren.

Eindelijk werd nog besloten dat Makatit niet dadelijk in de Vandergaart-Kopjes-mijn zoude verschijnen; dat hij in de omstreken zou verwijlen en dan eerst zijn dienst bij den jongen ingenieur zou hervatten, wanneer deze laatste verzekerd er van zoude zijn, dat zulks zonder gevaar kon geschieden. Zooals men wel zien zal, was dat geen noodelooze voorzorg.

Pharamond, Cyprianus en Makatit vertrokken dientengevolge den volgenden morgen met een flinke eskorte naar Grikwaland. Maar men kon zich thans geene illusiën meer scheppen! De Zuidster was onherroepelijk verloren en master Watkins zou haar niet kunnen laten schitteren in den Tower van Londen, te midden van de schoonste kroonjuweelen van Engeland!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings