← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

Venetiaansche gerechtigheid.

Reading edition

Gedurende de volgende dagen hield [110] Cyprianus zich ijverig bezig met de verschillende tijdperken aandachtig te volgen van zijne nieuwe proef. Tengevolge van eenige verbeteringen in den weerkaatsing-oven aangebracht, waardoor een betere luchtaanvoer mogelijk was, zou de diamant-vervaardiging, zoo hoopte hij tenminste, in veel minder tijd plaats vinden dan bij de eerste proef.

Er zal niet behoeven verteld te worden, dat miss Watkins die tweede poging, waar zij de bezieling van was, met alle belangstelling volgde. Zij vergezelde den jeugdigen ingenieur dan ook herhaalde malen bij zijn gang naar den oven, dien hij verscheidene malen per dag bezocht, en daar vond zij er een genoegen in, om door de kijkgaten, die in het metselwerk uitgespaard waren, de hevigheid van het vuur, dat in het innerlijke van dien oven brulde, waar te nemen.

John Watkins stelde niet minder belang dan zijne dochter in die proef. Hij was ongeduldig om andermaal weer in het bezit van een steen te komen, welks waarde bij millioenen berekend kon worden. Zijn eenige vrees was, dat die tweede proef niet als de eerste gelukken zou, waarbij het toeval een aanmerkelijke rol kon hebben gespeeld.

Maar indien de Engelschman en zijne dochter den jongen scheikundige aanmoedigden bij zijn werk, zoo kon dat niet van de andere mijnwerkers van Grikwaland gezegd worden. Hoewel Hannibal Pantalucci, James Hilton en Herr Friedel niet meer op deze wereld waren, zoo dachten toch hunne makkers aangaande de diamant-vervaardiging evenals zij. Geheime bijeenkomsten, die door den jood Nathan ontworpen waren, brachten het hunne er toe bij, om de eigenaars van claims tegen den jongen ingenieur op te hitsen. Want als die kunstmatige vervaardiging gelukte, dan was dat de ondergang van de diamantdelvers aan de Kaap en op andere plaatsen.

Dat was reeds lang als uitgemaakt beschouwd, maar thans werd dat met meer bitterheid, met meer woestheid dan voorheen besproken. Er werden samenkomsten gehouden, die niet veel goeds voorspelden, maar Cyprianus toch niet bevreesd maakten. Hij was vastbesloten zijn werk ten einde te brengen, wat men er ook van zeggen of wat men ook doen wilde.

Miss Watkins was evenwel bij dat alles niet gerust. Zij was op de hoogte van al de gesprekken, en zij begon voor Cyprianus te vreezen. Zij verweet zich, dat zij hem op dien weg gevoerd had. Zij kon op de politie van Grikwaland niet rekenen, en een slechte daad was ras bedreven. Zij deelde hem hare onrust mede. Hij dankte haar voor die belangstelling, want hij zag daarin de uiting van een teeder gevoel, dat trouwens geen geheim meer voor hem was.

“Wat ik verricht, is voor ons beiden arbeiden,” zei hij.

Maar miss Watkins, die vernam wat in de claims besproken werd, leefde thans in gestadige onrust. En dat was niet zonder reden. Er begon een soort haat jegens Cyprianus te heerschen, die weldra niet meer bij schelden en bij schimpscheuten bleef, maar zich zelfs door bedreigingen uitte.

Werkelijk op een avond, toen Cyprianus zijn oven wenschte te bezoeken, vond hij hem geheel verwoest. Gedurende eene afwezigheid van Bardik was een troep mannen gekomen, die van de duisternis gebruik hadden gemaakt, om den arbeid van lange dagen in weinige minuten te vernielen. Het gebouwtje was afgebroken, de oven was verbrijzeld, de vuren waren uitgedoofd, de werktuigen verbroken en weggeworpen. Er bleef niets meer van het materieel over, dat aan Cyprianus zoo veel zorgen en moeite gekost had. Alles moest weer opnieuw begonnen worden, òf hij moest de plaats ruimen.

“Neen,” riep hij uit. “Ik zal niet toegeven. Ik zal eene klacht tegen de ellendelingen inbrengen, die mijn goed vernield hebben. Ik zal zien of er in Grikwaland geene gerechtigheid meer is.”

Ja, er was eene gerechtigheid, maar niet eene zoodanige, als waarop de ingenieur rekende.

Zonder iets aan iemand te zeggen, zonder zelfs miss Watkins iets te vertellen, omtrent hetgeen voorgevallen was, uit vrees haar nieuwen angst aan te jagen, was Cyprianus naar zijne hut wedergekeerd en weldra in slaap gevallen.

Hij kon zoo omstreeks twee of drie uren geslapen hebben, toen het openen van eene deur hem met schrik deed [111] wakker worden. Vijf mannen met zwarte maskers voor het gelaat en met revolvers en geweren gewapend, drongen zijne kamer binnen. Zij droegen een soort dievenlantaarn en plaatsten zich rondom het bed.

Het kwam bij Cyprianus volstrekt niet op, dat geheele tooneel als ernst te beschouwen. Hij geloofde aan eene grap en begon dan ook al dadelijk te lachen, hoewel hij er niet veel lust toe had, daar hij de klucht zouteloos vond.

Maar een brutale hand daalde op zijn schouder neer, terwijl een der gemaskerde mannen een papier ontvouwde, dat hij in de hand hield, en begon voor te lezen met eene stem, die niets grappigs had:

“Cyprianus Méré. Hierbij wordt u aangekondigd, dat de geheime rechtbank van het Kamp in de Vandergaart-Kopjes-mijn, die ten getale van twee en twintig leden zitting heeft genomen en uit naam van het algemeen welzijn handelt, u heden, juist op het middernachtuur, met algemeene stemmen ter dood veroordeeld heeft.

“Gij zijt beschuldigd en overtuigd van door eene ontijdige en deloyale uitvinding al de mannen van Grikwaland, die belang bij het vinden, het kloven, het slijpen en het verkoopen van diamanten hebben, in hun bestaan, in hun leven, in hunne gezinnen te hebben aangetast.

“De rechtbank heeft in hare wijsheid uitspraak gedaan, dat eene dergelijke uitvinding vernietigd moet worden en dat de dood van een enkele niet opweegt tegen den dood en de ellende van duizenden menschenlevens.

“Zij heeft bevolen, dat u tien minuten gelaten zullen worden om u tot den dood voor te bereiden; dat de keuze van de wijze waarop gij sterven zult, aan u zal worden overgelaten; dat al uwe papieren verbrand zullen worden, behalve eene zoodanige geopende mededeeling die gij noodig zult achten voor uwe nabestaanden, en eindelijk dat uwe woning met den grond gelijk zal gemaakt worden!

“Zoo zal het iederen verrader gaan!”

Toen hij zich zoo hoorde veroordeelen, begon Cyprianus in zijn geloof aan eene grap wel te wankelen, en vroeg hij zich af of die vertooning, in aanmerking genomen de ruwe zeden van de bewoners van dat land, niet ernstiger was dan hij eerst gemeend had.

De man, die hem bij den schouder gegrepen had, zou zijne laatste twijfelingen verdrijven.

“Sta dadelijk op!” zei hij ruwweg. “Wij hebben geen tijd te verliezen!”

“Maar dat is sluipmoord,” antwoordde Cyprianus, die van zijn bed sprong om eenige kleederen aan te trekken.

Hij was meer verontwaardigd dan ontroerd, en spande al de kracht zijner zinnen op hetgeen met hem voorviel, evenwel met de koelbloedigheid van iemand, die bezig was een zeker vraagstuk op te lossen. Wie waren die mannen? Dat kon hij niet raden. Hij herkende zelfs den toon hunner stem niet. Ongetwijfeld zwegen zij voorzichtig, die hem persoonlijk bekend waren, wanneer die zich onder de aanvallers bevonden.

“Hebt gij eene keus gedaan omtrent de wijze van sterven?....” vroeg een der gemaskerden.

“Ik heb geen keus te doen. Ik kan slechts protesteeren tegen de afschuwelijke misdaad, die gij gaat bedrijven!” antwoordde Cyprianus met vaste stem.

“Protesteer! dat zal u niet baten. Gij zult toch gehangen worden. Hebt gij eenige beschikking te maken?”

“Niets, wat ik aan sluipmoordenaars zou wenschen toe te vertrouwen.”

“Vooruit dan maar,” beval het opperhoofd van den troep.

Twee mannen plaatsten zich ter weerszijden van den ingenieur en de optocht stelde zich in beweging.

Maar op dit oogenblik had een onverwacht voorval plaats. Te midden van die scherprechters van de Vandergaart-Kopjes-mijn was een man met één sprong gevlogen. Dat was Makatit, de jonge Kaffer, die des nachts gewoonlijk rond het kamp omdoolde en die er uit instinct toe overgegaan was die gemaskerde mannen te volgen, juist toen zij zich naar de woning van den ingenieur begaven. Daar had hij alles gehoord wat er gezegd was geworden, en had het gevaar begrepen, waaraan zijn baas blootgesteld was. Dadelijk, zonder aarzeling, wat er ook met hem gebeuren mocht, had hij de mijnwerkers op zij gedrongen en zich aan de voeten van Cyprianus geworpen.

“Vadertje, waarom willen die mannen je dooden?” vroeg hij, terwijl hij zich [112] aan zijn baas vastklemde.

“Omdat ik een kunstmatigen diamant vervaardigd heb,” antwoordde Cyprianus die de handen van Makatit met ontroering drukte.

“O! vadertje, wat voel ik mij ongelukkig, en wat ben ik beschaamd over wat ik gedaan heb!” herhaalde de Kaffer al weenende.

“Wat wilt ge daarmeê zeggen?” riep Cyprianus uit.

“Ja, ik zal alles bekennen, daar men u ter dood wil brengen,” kreet Makatit. “Ja.... ik moet sterven! want ik ben het, die den grooten diamant in den oven gedaan heb.”

“Smijt dien schreeuwer op zijde!” beval het hoofd van de bende.

“Ik herhaal, dat ik den diamant in het toestel gelegd heb!” herhaalde Makatit, zich verzettende. “Ja, ik heb vadertje bedrogen!.... Ik heb hem willen doen gelooven, dat zijne bewerking geslaagd was!....”

Hij sprak zoo overtuigend, dat men hem eindelijk gehoor verleende.

“Spreekt ge waarheid?” vroeg Cyprianus, tegelijkertijd verbaasd en teleurgesteld over hetgeen hij vernam.

“Ja! honderdmaal ja!.... ik spreek de waarheid!”

Hij zat thans neergehurkt op den grond en allen hoorden hem aan; want wat hij zeide, zou den gang van zaken zeer veranderen.

“Op den dag van de groote aardstorting, toen ik levend begraven werd onder het puin, had ik juist een grooten diamant gevonden. Ik hield hem in de hand en ik dacht er aan om hem te verbergen, toen de wand der mijn instortte en mij bedolf, om mij te straffen voor die misdadige gedachte. Toen ik tot het bewustzijn wederkeerde, vond ik dien steen in het bed terug, waarin vadertje mij had doen uitstrekken. Ik heb toen dien diamant willen teruggeven, maar ik was te beschaamd om te bekennen, dat ik eigenlijk een dief was en heb ik eene gunstige gelegenheid afgewacht!.... Juist wilde vadertje eenigen tijd later beproeven om een diamant te vervaardigen en droeg hij mij op om op het vuur te passen. Maar ziet op den tweeden dag, terwijl ik alleen in de werkplaats was, is het toestel met een vreeselijken knal gebarsten, en het heeft weinig gescheeld of ik was op de plaats gedood. Toen dacht ik dat vadertje bedroefd zoude zijn, dat zijne proef mislukt was. Ik heb den diamant toen in een laag klei gewikkeld en door den barst in het kanon geplaatst. Ik heb daarop alles zoo goed mogelijk hersteld, opdat vadertje niets zoude merken!.... Ik heb vervolgens zonder iets te zeggen gewacht en toen vadertje den diamant gevonden heeft, was hij zeer verheugd en ik ook!”

Een uitbarsting van uitbundig gelach, dat die vijf mannen niet konden weerhouden, volgde op de laatste woorden van Makatit. Cyprianus lachte in het geheel niet, maar beet zich op de lippen van kwaadaardigheid. Want het was onmogelijk de woorden van den Kaffer verkeerd te verstaan. Die geschiedenis was klaarblijkelijk waar. Cyprianus zocht tevergeefs naar redenen om aan hare werkelijkheid te kunnen twijfelen. Hij poogde haar te weerspreken en zei tot zich zelven:

“Een natuurlijke diamant, die aan zulk een temperatuur ware blootgesteld, zou voorzeker vergaan zijn.”

Maar het gezond verstand zei hem ook, dat de steen, door een korst van leem of klei beschermd, aan de werking van de warmte ontsnapt was of haar slechts gedeeltelijk ondergaan had. Misschien was de steen wel zijn zwarte kleur aan die verhitting verschuldigd. Misschien was hij ook vervluchtigd, maar in zijne schaal andermaal gekristalliseerd.

Al die gedachten doorkruisten bliksemsnel het brein van den ingenieur.

“Ik herinner mij nog zeer goed dien aardbrok, dien de Kaffer in de hand geklemd hield op den dag der aardstorting,” merkte een der mannen op, toen de lachbui een weinig bedaard was. “Hij klemde hem zelfs zoo stevig in zijne samengeknepen vingeren, dat men er van moest afzien om hem los te laten.”

“Er is geen twijfel meer!” sprak een andere. “Is het mogelijk diamant te vervaardigen? Waarlijk, wij waren wel gek, toen wij dat geloofden! Men kan even goed pogen een ster te maken!”

En allen begonnen weer te lachen.

Cyprianus leed voorzeker meer door die vroolijkheid, dan hij geleden had tengevolge van hunne ruwheid.

Nadat die vijf mannen elkander [113] met zachte stem geraadpleegd hadden, hernam hun hoofd het woord.

“Wij zijn van gevoelen,” zei hij, “dat er redenen zijn om de uitvoering van het vonnis te schorsen. Gij zult vrij zijn, Cyprianus Méré. Maar bedenk dat dit vonnis steeds op u drukt. Een woord, een teeken slechts om de politie te waarschuwen, kost u het leven. Een goed verstaander heeft slechts één woord noodig.”

Daarop vertrokken hij en zijn makkers, terwijl het vertrek in het donker gedompeld bleef. Cyprianus had kunnen gelooven, dat hij slechts akelig gedroomd had, maar het snikken van Makatit, die op den grond uitgestrekt lag en hardop huilde, liet niet toe dat hij aan de wezenlijkheid van het afgespeelde tooneel twijfelde. Het was dus waar! Hij was aan den dood ontsnapt, maar ten koste van een bloedige vernedering! Hij, mijn-ingenieur! hij, leerling van de Polytechnische school, uitstekend scheikundige, beroemd geoloog, hij was door de list van een ellendigen Kaffer gefopt geworden! Of beter, hij was dat alles verschuldigd aan zijn eigen ijdelheid, aan zijn zelfoverschatting. Ja, daaraan had hij dien vreeselijken bok te wijten.

Hij had zich door verblinding zoover laten vervoeren, dat hij zelfs eene stelling voor die kristalvorming opgebouwd had!.... Het kon niet bespottelijker!.... Was het dan de natuur alleen niet, die in staat is, om met der eeuwen hulp zulke meesterstukken te vervaardigen?.... Maar wie zou door den schijn niet bedrogen zijn? Hij had op een welslagen gehoopt, hij had alles voorbereid om dat te bereiken en moest dus logisch gelooven, dat hij geslaagd was. De buitengewone afmetingen zelfs van den diamant leidden er toe om hem in die meening te stijven!.... Een Despretz zou haar gedeeld hebben!.... Gebeuren zulke vergissingen niet dagelijks?.... Ziet men niet de meest ervaren muntkundigen vaak valsche medailles voor echte aannemen?

Cyprianus beproefde zich zoo moed in te spreken. Maar plotseling deed hem een gedachte verstijven.

“En mijne memorie voor de Akademie! Als die fielten die maar niet meegenomen hebben!”

Hij stak eene kaars aan. Goddank, neen! dat stuk lag daar nog. Niemand had het gezien. Hij ademde eerst gerust, toen hij het verbrand had.

Het verdriet van Makatit was zoo hartverscheurend, dat zijn baas er wel toe overgaan moest het te stillen. Dat was zoo moeielijk niet. Bij de eerste welwillende woorden, die vadertje sprak, scheen de arme jongen tot het leven weer te keeren. Maar al vergaf hem Cyprianus volgaarne zijne misleiding, dan was dat toch op voorwaarde, dat hij het niet weer zou doen. Makatit beloofde dat plechtig, waarna beiden gingen slapen.

Zoo besloot dat tooneel, dat in den aanvang een meer tragisch einde in het verschiet toonde.

Voor Makatit zou het einde toch iets anders wezen.

Toen men den volgenden dag in het kamp vernam, dat de Zuidster niets minder dan een natuurlijke diamant door den Kaffer gevonden was, die er de volle waarde van kende, toen ontstond al de verdenking jegens hem opnieuw en thans met nog meerder kracht. John Watkins schreeuwde het hardst. Die Makatit kon niet anders dan de dief zijn van dien onschatbaren steen. Hij had hem zich een eerste maal willen toeëigenen—had hij dat zelf niet bekend?—dus luidde de gevolgtrekking, was hij het, die hem ook uit de feestzaal gestolen had.

Cyprianus had goed protesteeren en zich tot borg voor de eerlijkheid van den Kaffer stellen. Men luisterde niet naar hem. Dit bewees ten overvloede hoezeer Makatit, die zijne onschuld bezwoer, honderd malen gelijk had gehad met te ontvluchten en hoezeer hij honderd malen ongelijk had met in Grikwaland terug te keeren.

Maar toen deed de ingenieur, die het niet opgaf, een argument hooren, waarop men geenszins verdacht was en dat volgens zijne meening Makatit redden moest.

“Ik geloof aan de onschuld van den Kaffer,” zei hij tot John Watkins, “en daarenboven het geheele geval gaat mij slechts aan! Natuurlijk of kunstmatig, de diamant behoorde mij toe, vóór dat ik hem mejuffrouw Alice aanbood....”

“O zoo, hij hoorde u toe?” vroeg master Watkins op spottenden toon. [114]

“Ongetwijfeld,” hernam Cyprianus. “Is hij niet op mijn claim gevonden, door Makatit, die in mijn dienst was?”

“Voorzeker, dat is waar,” antwoordde de Engelschman, “en dus behoort hij mij toe, daar ons contract luidt dat de eerste drie diamanten, die op uwen gepachten grond gevonden worden, mijn eigendom zijn.”

Daarop wist de onthutste Cyprianus niets te antwoorden.

“Is mijne bewering juist?” vroeg master Watkins.

“Zeer juist,” antwoordde Cyprianus.

“Gij zult mij dus zeer verplichten, wanneer gij mijn recht schriftelijk zult erkennen, voor het geval dat wij er toe komen dien ellendeling te noodzaken den diamant, dien hij zoo onbeschaamd gestolen heeft, terug te geven.”

Cyprianus nam een vel wit papier en schreef:

“Ik erken dat de diamant, op mijn claim door een Kaffer in mijnen dienst gevonden, volgens contract het eigendom is van Master John Stapleton Watkins.

Cyprianus Méré.”

Helaas! dat was eene omstandigheid, die al de fraaie droomen van den ingenieur verwoestte. Want inderdaad, als de diamant ooit teruggevonden werd, dan zou hij niet als een ontvangen geschenk, maar volgens contract toebehooren aan John Watkins, waardoor eene nieuwe klove, die slechts door zoo en zooveel millioenen aan te vullen zoude zijn, tusschen Alice en Cyprianus zou ontstaan.

Maar was de eisch van den Engelschman nadeelig voor de belangen der twee verliefden, hij was dat nog veel meer voor Makatit! Het was nu aan John Watkins, dat hij nadeel had toegebracht. En John Watkins was er de man niet naar, om werkeloos te blijven, wanneer hij meende overtuigd te zijn, dat hij den dief te pakken had.

De arme drommel werd dan ook gearresteerd, gevangen gezet en nauwelijks waren twaalf uren verloopen of hij werd veroordeeld, en alles wat men op de vertoogen van Cyprianus ten zijnen gunste doen wilde, was dat hij gehangen zoude worden, wanneer hij er niet toe besloot de Zuidster terug te geven.

Maar daar hij haar niet kon teruggeven, omdat hij haar nooit gestolen had, zoo stond zijn zaak slecht, en Cyprianus wist niet meer wat te doen om het leven van den ongelukkige te redden, dien hij in weerwil van alles voor onschuldig hield.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings