← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

Een vallende ster.

Reading edition

Dit aanzoek van den jeugdigen ingenieur veroorzaakte werkelijk eene buitengewone verrassing. Hoe gretig de gevoeligheid van hunne half wilde natuur ook was, zoo konden toch al de gasten van John Watkins niet nalaten het luidruchtig toe te juichen. Zoo veel belangeloosheid moest hen treffen.

Alice zat daar met neergeslagen oogen en met kloppend hart, misschien als de eenige, die niet verwonderd scheen over des jonkmans stap, in alle stilte naast haren vader.

De ongelukkige Engelschman was nog ter neergebogen onder den vreeselijken slag, die hem getroffen had. Op die woorden verhief hij het hoofd. En inderdaad, hij kende Cyprianus genoegzaam om te weten, wanneer hij hem de hand zijner dochter schonk, dat hij de toekomst en het geluk van Alice verzekerde; hij wilde evenwel nog niet, zelfs niet met een teeken aanduiden, dat hij tegen dat huwelijk geene tegenwerping meer te maken had.

Cyprianus, thans verlegen over den stap, waartoe zijne liefde hem verleid had, voelde er ook de vreemdheid van en begon zich reeds te verwijten, dat [122] hij zich zelven niet meester gebleven was.

Te midden van de algemeene en zoo licht te begrijpen verlegenheid, deed Jakobus Vandergaart een pas voorwaarts naar den Engelschman.

“John Watkins,” zei hij, “ik houd er niet van om van mijne overwinning misbruik te maken; ook behoor ik niet tot dezulken, die een gevelden vijand onder den voet halen! Wanneer ik op mijn recht sta, dan doe ik dat, omdat ieder mannenhart zulks betaamt en moet doen. Maar ik weet bij ondervinding, wat mijn advokaat steeds herhaalde, namelijk, dat het stiptste recht soms de onbillijkheid zeer nabij is. Ik zou niet willen dat onschuldigen den last van feilen moeten dragen, die zij niet begingen!.... Daarenboven, ik ben alleen op de wereld en het graf reeds nabij. Waartoe zou mij zooveel rijkdom dienen, wanneer ik niemand had om hem mede te deelen?.... John Watkins, wanneer gij uwe toestemming tot de vereeniging van die twee kinderen geeft, dan verzoek ik hen die Zuidster, die mij tot niets dienstig zoude zijn, als huwelijksgift aan te nemen.... Ik verbind mij daarenboven om hen tot mijne erfgenamen te benoemen en herstel dus binnen de grenzen der mogelijkheid de onwillekeurige nadeelen, die ik uwe bekoorlijke dochter berokken!”

Er ontstond bij die woorden onder de toeschouwers, wat men in de verslagen van Kamerzittingen zoude noemen: “eene levendige beweging van belangstelling en van sympathie.” Aller blikken vestigden zich op John Watkins. Zijne oogen waren plotseling vochtig geworden; hij bedekte ze daarom met zijne bevende handen.

“Jakobus Vandergaart!....” riep hij eindelijk uit, de stormachtige gevoelens, die hem bewogen, niet meer kunnende onderdrukken. “Ja!.... gij zijt een braaf man en gij neemt, door het geluk van die twee kinderen te bewerken, een edele wraak over al het kwaad en al het leed, dat ik u berokkend heb!”

Noch Alice, noch Cyprianus waren in staat te antwoorden. Daartoe weigerde hunne stem den dienst, maar hunne blikken spraken voor hen. De grijsaard reikte zijnen tegenstander de hand, die John Watkins met vuur greep. De oogen van alle omstanders waren vochtig, zelfs die van den ouden konstabel met grijze haren, die er toch zoo droog uitzag als eene scheepsbeschuit door de Engelsche admiraliteit geleverd. Wat John Watkins aangaat, die was geheel veranderd. Zijn gelaat vertoonde thans welwillendheid en zijne trekken zooveel zachtheid als zij vroeger hardheid en boosheid te kennen gaven. Het ernstige gelaat van Jakobus Vandergaart had zijne gewone plooi, die van eene onverstoorbare zachtzinnigheid, hernomen.

“Laat ons alles vergeten,” riep hij uit, “en laten wij met den wijn, waarop beslag gelegd is, op het welzijn en op het geluk van deze kinderen drinken—wanneer, wel te verstaan, mijnheer de officier van den Sherif zulks veroorloven zal.”

“Een officier van den Sherif heeft soms tot plicht om zich tegen den verkoop van dranken te moeten verzetten, waarop beslag gelegd is,” antwoordde de magistraat met een glimlach, “maar nimmer zal hij zich tegen hunne verorbering aankanten!”

Op die woorden, die van welwillendheid getuigden, gingen de flesschen rond en heerschte weldra weder de meest gulle hartelijkheid in de eetzaal.

Jakobus Vandergaart had plaats naast John Watkins genomen en beraamde thans plannen voor de toekomst met hem.

“Wij zullen hier alles verkoopen,” zei hij, “en wij zullen de kinderen naar Europa volgen! Wij zullen ons buiten in hunne nabijheid vestigen en dan zullen ons nog fraaie dagen beschoren zijn.”

Alice en Cyprianus, die naast elkaar gezeten waren, hadden een fluisterend gesprek in het Fransch begonnen, dat niet minder belangwekkend was, wanneer men ten minste mocht afgaan op de levendigheid van gebaren der beide partijen.

De warmte was al meer en meer toegenomen. Eene zwaarwichtige en drukkende hitte verdroogde de lippen bij den rand der glazen en vervormde al de gasten in electrische werktuigen, die gereed waren vonken van zich af te geven. Het was tevergeefs dat vensters en deuren opengezet werden. Niet de minste zucht van frissche lucht deed de vlam der waskaarsen heen of weer bewegen.

Een ieder gevoelde dat slechts eene oplossing bij zoo’n luchtdruk mogelijk [123] was, namelijk door een van die onweders, welke, vergezeld van donder, bliksem en stortregens, in Afrika op eene samenzwering van al de elementen der natuur gelijken. Men verwachtte dat onweder, men hoopte er op.

Plotseling verlichtte een bliksemstraal alle gezichten met een groenachtigen weerschijn, terwijl tegelijkertijd het geratel van den donder, die over de vlakte rolde, aankondigde dat het concert ging beginnen. Op dit oogenblik overviel eene plotselinge windvlaag de zaal en doofde alle lichten uit. Daarop openden zich zonder overgang alle sluizen des hemels en begon de zondvloed.

“Hebt gij dadelijk na dien donderslag een klein droog geluid niet gehoord, alsof er iets brak?” vroeg Thomas Staal, terwijl men zich beijverde de ramen en deuren te sluiten en de waskaarsen aan te steken. “Men zou gezegd hebben dat een glazen bol uit elkaar sprong.”

Alice’s blikken richtten zich onwillekeurig naar de Zuidster....

De diamant was weg. Toch waren èn de kooi van ijzerdraad èn de glazen stolp, die hem overdekt hadden onbeschadigd en niet van hun plaats geweest. Het was klaarblijkelijk onmogelijk dat iemand er aan geraakt had. Het was alsof er tooverij gebeurd was. Cyprianus, die zich snel voorovergebogen had, bespeurde een soort grijs poeder, dat op het kussen van blauw fluweel lag, op de plaats straks door den diamant ingenomen. Hij kon een kreet van verrassing niet onderdrukken en beduidde met een korten volzin, wat er voorgevallen was.

“De Zuidster is uit elkaar gesprongen!” zei hij.

Iedereen in Grikwaland weet, dat dit eene bijzondere ziekte of beter een gebrek is, aan de diamanten van het land eigen. Men spreekt er niet over, omdat het hunne waarde zeer vermindert, maar het feit bestaat, dat, tengevolge van eene tot nog toe onverklaarbare moleculaire werking, die meest kostbare steenen uit elkander springen als waren het eenvoudige voetzoekers. In dat geval blijft er niets anders van over dan een weinig stof, dat hoogstens bij industrieële bewerkingen gebezigd kan worden. De jeugdige ingenieur had veel meer het brein vervuld met het beschouwen van den wetenschappelijken kant van het ongeluk, dan wel dat hij acht gaf op het overgroot verlies dat hem dit berokkende.

“Wat zonderling is,” zei hij te midden van de algemeene verbazing, “dat is, niet dat de steen uit elkander gesprongen is, maar dat hij tot heden daarmede gewacht heeft; dat is merkwaardig. Gewoonlijk gebeurt dat met die diamanten veel vroeger, meestal binnen de tien dagen nadat zij geslepen zijn. Is dat niet zoo, mijnheer Vandergaart?”

“Volmaakt juist,” antwoordde de oude diamantslijper met een zucht, “en dit is de eerste maal in mijn leven, dat een diamant uit elkander springt, nadat hij drie maanden geslepen is. Kom.... het was door hooger macht besloten, dat de Zuidster niemand zou toebehooren. En als ik bedenk, dat een dun laagje vet dat ongeluk voorkomen zou hebben, dan....”

“Waarlijk,” riep Cyprianus uit met de voldoening van iemand, die eindelijk een moeilijk raadsel opgelost ziet. “In dat geval wordt alles verklaard. De breekbare ster heeft voorzeker aan den krop van Dada de beschermende laag vet ontleend en die heeft haar tot heden bewaard. Waarlijk, zij had beter gedaan met vier maanden vroeger uit elkander te springen, dat zou ons het reisje door de Transvaal uitgespaard hebben!”

Men lette thans op John Watkins, die zich ongeduldig in zijn leuningstoel heen en weer bewoog.

“Hoe kunt gij zoo’n ramp zoo licht opnemen?” zei hij eindelijk, terwijl hij rood van verontwaardiging was. “Gij zit daar allen over die vijftig millioenen, die in rook verdwenen zijn, te wauwelen, alsof het eene eenvoudige cigarette gold.”

“Dat bewijst u, dat wij wijsgeeren zijn,” antwoordde Cyprianus. “Waarachtig, het is nu wel tijd om de wijsbegeerte te beoefenen, nu wij niet anders kunnen.”

“Wijsgeer zooveel ge wilt!” pruttelde de Engelschman, “maar vijftig millioenen zijn vijftig millioenen en die vindt men niet onder den hoef van een paard!.... Kijk, Jacobus, gij hebt mij heden waarlijk een grooten dienst bewezen, zonder het evenwel te weten. Ik geloof, dat ook ik uit elkander zou gesprongen zijn als een kastanje in de heete asch, wanneer de Zuidster [124] mijn eigendom ware gebleven!”....

“Om het even,” viel Cyprianus hem in de rede, terwijl hij daarbij met een liefdevollen blik het frissche gelaat van miss Watkins, die naast hem zat, aankeek, “ik heb heden avond een zoo kostbaren diamant veroverd, dat het verlies van elken andere mij geheel onverschillig laat en mij niet kan deren!”

Zoo eindigde plotseling, als eene verwisseling van dekoratief op een tooneel, het veel bewogen maar korte bestaan van den grootsten geslepen diamant, die ooit op de wereld aanwezig was. Een zoodanig einde bracht, zooals men wel begrijpen kan, niet weinig het zijne er toe bij, om de bijgeloovige meeningen, die op zijne rekening in omloop waren, te bevestigen en te bestendigen. Meer dan ooit waren èn de Kaffers, èn de mijnwerkers van meening, dat zulke groote diamanten slechts ongeluk aanbrengen.

Jakobus Vandergaart, die hem geslepen had, en Cyprianus, die het plan gevormd had om hem aan het museum van de Mijnschool aan te bieden, ondervonden meer spijt over dat onverwachte verdwijnen van den steen, als zij wel wilden bekennen. Maar in weerwil daarvan bleef de wereld toch hare baan ongestoord vervolgen en niemand kan verklaren, dat zij bij het verdwijnen van de Zuidster veel verloren heeft.

Alle die gebeurtenissen, die opeenvolging van pijnlijke aandoeningen, het verlies van zijn vermogen, gevolgd door het verlies van de Zuidster, misten hunne uitwerking op John Watkins niet. Zijne gezondheid was zeer ondermijnd. Hij werd bedlegerig, kwijnde gedurende eenige dagen en ging als eene kaars uit. Noch de zorgen vol toewijding zijner dochter, noch die van Cyprianus, noch de mannelijke vermaningen van Jakobus Vandergaart konden baten. De oude Engelschman voelde zich getroffen in zijn hoogmoed, in zijne eigenaars-voorliefde, in zijne zelfzucht, in alle zijne gewoonten. Neen, hij gevoelde dat hij verloren was. Op een avond trok hij Alice en Cyprianus tot zich, legde hunne handen in elkander en blies zonder een woord te spreken, den laatsten adem uit. Hij had zijne geliefde Zuidster geen veertien dagen overleefd.

Weinige weken later werd het huwelijk van Cyprianus Méré met Alice Watkins op de meest eenvoudige wijze voltrokken. Alice was thans de echtgenoote van Cyprianus!.... Wat kon zij, wat kon hij meer verlangen?

Maar al was het vermogen van John Watkins verdwenen, toch was de ingenieur rijker dan zijne jonge vrouw kon vooronderstellen, rijker dan hij zelf wist. Tengevolge van de vondst van de Zuidster was zijn claim toch buitengewoon in waarde gestegen. Gedurende zijne reis naar de Transvaal had Thomas Staal de ontginning voortgezet en daarbij veel geluk gehad. De aanbiedingen stroomden Cyprianus dan ook toe om zijn gedeelte te verkoopen. Hij verkocht dat dan ook vóór zijn vertrek naar Europa voor vijftigduizend gulden.

Nu draalden Alice en Cyprianus niet meer om Grikwaland te verlaten, teneinde naar Frankrijk terug te keeren. Zij volvoerden dat plan evenwel niet dan nadat zij de toekomst van Li, van Bardik en van Makatit verzekerd hadden. Jacobus Vandergaart bracht daartoe het zijne bij.

De oude diamantslijper had toch de Kopjes-mijn verkocht aan eene vennootschap, die door den ex-makelaar Nathan bestuurd werd. Toen die likwidatie afgeloopen was, vertrok hij naar Frankrijk, om bij zijne aangenomen kinderen te leven.

Deze vonden het geluk in hun wederzijdsch bezit. Cyprianus verwierf evenwel, dank zij zijne werkkracht, zijne algemeen erkende verdiensten en de waardeering, die hij van wege de geleerde wereld ondervond, een onafhankelijk vermogen.

Thomas Staal keerde naar Lancashire terug met een kapitaaltje van ongeveer twee en een halve ton. Hij is daar getrouwd, neemt als een gentleman trouw aan de vossenjacht deel en drinkt alle avonden zijn flesch Portwijn leeg.

Dit laatste mag niet als het fraaiste van zijn geschiedenis beschouwd worden.

De Vandergaart-Kopjes-mijn is nog niet uitgeput. Zij levert nog steeds ongeveer het vijfde gedeelte van de diamanten, die van de Kaapstad uitgevoerd worden; maar niemand heeft meer het goede of kwade gesternte gehad,—zooals men wil,—om andermaal eene Zuidster te vinden.

Einde.

[125]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings