Dwars door de Transvaal.
Reading edition
Toen de vier reizigers te Potchefstroom aankwamen, vernamen zij dat een jonge Kaffer—wiens signalement geheel en al overeenkwam met den persoon van Makatit—den vorigen dag door de stad getrokken was. Dit werd als een gunstig voorteeken voor de kans van welslagen der onderneming beschouwd. Maar het vooruitzicht werd tevens geopend, dat de vervolging waarschijnlijk zeer langdurig zoude zijn, daar de reizigers vernamen, dat de vluchteling zich daar een lichte karikel had aangeschaft, met een struisvogel bespannen, zoodat het moeilijk werd hem in te halen.
En inderdaad, er bestaan geen betere loopers ter wereld dan die dieren, die volharding aan snelheid paren. Wij moeten er hier bijvoegen, dat trekstruisvogels zelfs in Grikwaland uiterst zeldzaam zijn, omdat zij zoo moeilijk zijn af te richten. Daarom kon noch Cyprianus noch zijne makkers zich te Potchefstroom die dieren aanschaffen.
Nu moet betuigd worden, dat Makatit in die omstandigheden naar het noorden trok met een zeer snel vervoermiddel, terwijl tien postpaarden, al werden zij ook geregeld verwisseld, zich bek-af zouden geloopen hebben.
Er bleef dus niets anders over dan te trachten den vluchteling zoo spoedig mogelijk te volgen. Het is waar, deze had, behalve een grooten voorsprong, ook nog het voordeel van over eene grootere snelheid te kunnen beschikken dan het vervoermiddel, dat zijne vervolgers bezigen moesten. Maar.... maar de krachten van een struisvogel hebben ook hare grenzen. Makatit zou wel genoodzaakt worden ergens op te houden, en dat zou tijdverlies voor hem zijn. Op het ongunstigste gerekend, zoude men hem op het einde zijner reis inhalen.
Cyprianus kwam weldra in het geval, zich geluk te kunnen wenschen dat hij Li en Bardik medegenomen had, vooral toen het er op aankwam om zich voor den tocht uit te rusten. Dat was geen gering werk om in zulke omstandigheden met juistheid en beleid die voorwerpen te kiezen, die werkelijk nut zouden opleveren. Dienaangaande kon niets tegen de ondervinding, in de woestijn opgedaan, opwegen. Al was Cyprianus ook al een bovenste beste, een matador in de differentiaal- en integraalrekeningen, zoo was hij toch onwetend als een zuigeling in het abc-boek van woestijnbestaan, in het “trek“leven, waardoor daar ginds de wetenschap aangeduid wordt om “het spoor van de raderen van een wagen te kunnen volgen.” Daar kwam nu nog bij dat zijne makkers niet alleen geen zucht aan den dag legden om hem met raad en daad te willen helpen, maar integendeel eene neiging vertoonden om hem in dwaling te brengen.
De zaken gingen vrij wel, wat den wagen, die met eene voor het water ondoordringbare huif moest overdekt zijn, de spannen ossen en de verschillende voorraadsmiddelen betrof. Het algemeene belang noodzaakte gebiedend om die oordeelkundig uit te kiezen en aan te schaffen. Die taak nam James Hilton op zich, en hij voerde ze naar wensch uit. Maar zoo werd niet te werk gegaan met al hetgeen aan ieders individueel initiatief werd overgelaten, [67] bij voorbeeld bij den aankoop van een paard.
Cyprianus had op de markt reeds het oog geslagen op een zeer fraai, vurig veulen van drie jaren oud, dat men hem voor een matigen prijs aanbood. Hij had het bij wijze van proef bereden en zeer gedresseerd bevonden en hij stond reeds gereed den koopman de gevraagde som uit te betalen, toen Bardik hem ter zijde nam en vroeg:
“Hoe is het, vadertje, gaat ge dat paard koopen?”
“Voorzeker, Bardik, het is het schoonste dat ooit voor een dusdanigen prijs te verkrijgen zal zijn.”
“Gij moet het niet nemen, al wou men het u te geef opdringen,” antwoordde de jeugdige Kaffer. “Dat paard zal geen acht dagen de vermoeienissen van een reis in de Transvaal volhouden!”
“Wat meent ge?” vroeg Cyprianus. “Wilt ge ook bij geval tegenover mij de rol van waarzegger op u nemen!”
“Geenszins, vadertje; maar Bardik kent de woestijn en waarschuwt u, dat dit paard niet “van zouten” is.”
““Van zouten?” Wil je mij dan een gekuipt paard doen koopen?”
“Neen, vadertje; maar die uitdrukking wil zeggen, dat dit paard de landziekte nog niet gehad heeft, dat het die weldra ondergaan zal, en dat, wanneer het er niet aan sterft, het voor u niettemin nutteloos zal zijn.”
“Zoo!” zei Cyprianus, zeer opmerkzaam gemaakt door die waarschuwing van zijn bediende. “En wat is dat voor eene ziekte?”
“Dat’s een hevige koorts, met hoesten gepaard,” antwoordde Bardik. “Het is onontbeerlijk bij zoo’n reis slechts paarden aan te schaffen, die de ziekte reeds gehad hebben,—hetgeen aan hun uiterlijk gemakkelijk te zien is—, omdat, wanneer zij aan den dood ontsnapt zijn, het zeer zeldzaam is, dat zij een tweede maal aangetast worden.”
Tegenover zulk eene gebeurlijkheid mocht niet geaarzeld worden. Cyprianus brak iedere verdere onderhandeling af en ging op kondschap uit. Iedereen, dien hij sprak, bevestigde Bardik’s raadgeving. Die zaak was zoo bekend in het land, dat men er zelfs niet over sprak.
Zoo tegen zijne onervarenheid gewaarschuwd, ging de ingenieur met meer voorzichtigheid te werk en riep den raad in van een veearts te Potchefstroom.
Dank zij de tusschenkomst van dien deskundige, werd het hem mogelijk zich binnen weinige uren een zoodanig rijpaard aan te schaffen, als voor die reis geschikt was. Het was een grijs paard, dat slechts vel en beenderen scheen te hebben en slechts een stuk staart in eigendom bezat. Maar het was hem bij onderzoek duidelijk aan te zien, dat die “van zouten” was, dat al had hij ook al een onaangenamen draf, hij beter was dan hij er uitzag. Templar—zoo heette hij—genoot in het geheele land een zekere vermaardheid wegens zijne onvermoeibaarheid. Bardik, die wel met recht mocht geraadpleegd worden, verklaarde ook dat dit paard hem volkomen voldeed.
Bardik zelf zou in het bijzonder met de leiding van den wagen en van de ossenspannen belast, en daarin door zijn makker Li bijgestaan worden.
Cyprianus behoefde zich dus niet om rijpaarden voor hen te bekommeren. Het zou hem ook onmogelijk geweest zijn, die aan te schaffen, wegens de kolossaal hooge prijzen, die hij er voor zou hebben moeten besteden.
De keuze der wapens was niet minder moeilijk. Cyprianus had wel ettelijke vuurwapenen uitgekozen, b.v. een uitmuntend getrokken geweer van het stelsel Martini-Henri en een Remmington-karabijn, die niet door fraaie bewerking uitblonken, maar die juist schoten en spoedig geladen konden worden. Maar, waaraan hij nimmer gedacht zou hebben, wanneer Li de Chinees hem er het denkbeeld niet van had ingefluisterd, was om zich te voorzien van een zeker getal patronen met ontplofbaren kogel. Hij meende ook dat hij genoeg munitie zou hebben, wanneer hij voor vijf of zes honderd schoten kruit en lood zou bezitten, en was zeer verbaasd toen hij vernam, dat vierduizend schoten, per geweer gerekend, een minimum-voorraad was, die door de voorzichtigheid in dat land van wilde dieren en van inboorlingen, die niet minder zeer te duchten waren, geboden werd.
Cyprianus schafte zich ook twee revolvers aan, en patronen daarvoor, [68] ook met ontplofbaren kogel, en voltooide zijne bewapening met den inkoop van een prachtig jachtmes, dat al sedert vijf jaren in de uitstalling van den zwaardveger te Potchefstroom geprijkt had, zonder dat ooit iemand een zucht om het te koopen getoond had.
Het was ook weer Li, die op dien inkoop aangedrongen en daarbij verzekerd had, dat dit mes zeer nuttig bevonden zoude worden. De zorg daarenboven, die de Chinees wijdde aan het onderhoud en aan de scherpte en den onbevlekten glans van dat korte en breede lemmer, hetwelk veel op eene sabel-bajonet van de Fransche infanterie geleek, toonde genoegzaam welk vertrouwen hij in de blanke wapens stelde, vertrouwen dat door alle mannen van zijn ras gedeeld wordt.
Er moet nog vermeld worden, dat de reeds vermelde roode koffer den voorzichtigen Chinees steeds vergezelde. Hij stopte er, bij eene menigte doozen en doosjes met geheimzinnigen inhoud, ongeveer zestig meter dun en lenig touw in, stevig gevlochten, van dat soort hetwelk de matrozen “kabelgaren” noemen. Toen men hem vroeg wat hij daarmede wilde uitvoeren, antwoordde hij ontwijkend:
“Moet ik de wasch in de woestijn niet even goed ophangen als elders?”
Alle inkoopen waren binnen twaalf uren volbracht. Ondoordringbare huiven, wollen dekens, keukengereedschap, overvloedige mondvoorraad in dichtgesoldeerde blikken bussen, jukken voor de ossen, kettingen, verwisseltuigen, ledergoed, dat alles vulde in het achtergedeelte van den wagen het algemeene magazijn. Het voorste gedeelte, overvloedig met stroo gevuld, zou tot slaapplaats dienen, zoowel voor Cyprianus als voor zijne reismakkers.
James Hilton had zich opperbest van zijne taak gekweten en scheen alles zeer behendig en doelmatig gekozen en aangeschaft te hebben, wat voor de vennootschap op reis noodig zou voorkomen. Hij was zeer ijdel, en op zijne ervaring als volkplanter liet hij zich veel voorstaan. Zoo zou hij waarachtig er toe overgegaan zijn om zijn makker volledig omtrent de gebruiken in de Transvaal in te lichten, niet zoozeer uit kameraadschappelijken aandrang als om zijne meerderheid te toonen en zijne ijdelheid bot te vieren.
Maar dan kwam Hannibal Pantalucci steeds tusschen beiden om hem in de rede te vallen.
“Waartoe dient het den Franschman uwe wetenschap en uwe ondervinding op te dringen?” vroeg hij dan fluisterend. “Zijt gij er op gesteld, dat hij den prijs van den wedren wint? Als ik in uwe plaats was, zou ik al die bijzonderheden voor mij houden en er geen woord over kikken!”
James Hilton keek dan den Napolitaan met bewondering aan en antwoordde:
“Het is sterk en slim wat gij daar zegt. Zeer sterk en zeer slim!.... Waarachtig, dat denkbeeld zou niet bij mij opgekomen zijn!”
Cyprianus had evenwel geen oogenblik geaarzeld om Friedel ridderlijk te waarschuwen en hem openhartig mede te deelen, wat hij omtrent de paarden in dit land vernomen had; maar hij stootte zich gevoelig tegen eene grenzelooze zelfgenoegzaamheid en stijfhoofdigheid. De Duitscher wilde naar niets hooren en verlangde te handelen zooals hij verkoos. Hij kocht dus het jongste en het vurigste paard, hetwelk hij vinden kon—juist hetzelfde dier dat Cyprianus geweigerd had—en maakte er bijzonder werk van om zich vischgereedschap aan te schaffen. Hij beweerde dat hij al heel spoedig beu van het wildbraad zoude zijn.
Toen al die voorbereidende maatregelen eindelijk getroffen waren, kon men zich op weg begeven, waartoe de karavaan zich in de volgorde rangschikte, zooals wij mededeelen zullen.
De wagen werd getrokken door twaalf ossen, die rosachtig en zwart gevlekt waren en die door Bardik gemend werden. Deze liep nu eens met de zweep in de hand naast de stevige dieren, of wel sprong om uit te rusten op den disselboom achter het laatste span. Dan, dicht bij den bok gezeten, gaf hij zich aan het geschommel en gehots van het voertuig over zonder zich verder om iets te bekommeren, en scheen uitermate ingenomen met dat soort van vervoermiddel. De vier ruiters reden in front en maakten de achterhoede uit. Zoodanig zou de marschvorm [69] gedurende de lange dagen geregeld blijven, en slechts om eene patrijs te schieten, hetzij om eene verkenning uit te voeren, mocht deze of gene het gelid verlaten.
Na een vluchtige beraadslaging werd besloten, dat men zich regelrecht naar de bronnen van de Limpopo zoude begeven. Alle inlichtingen, die men ingewonnen had, toonden aan dat Makatit zich hoogstwaarschijnlijk derwaarts begeven had. En inderdaad, hij kon geen anderen weg ingeslagen hebben, wanneer het althans zijne meening was, om zich spoedig buiten de grenspalen der Engelsche bezittingen te begeven. Het voordeel, dat de Kaffer op zijne vervolgers vooruit had, was vooreerst zijne uitmuntende kennis met de streek, en dan de lichtheid van zijn voertuig. Van den eenen kant wist hij waarheen hij trok, en kon hij den naasten weg inslaan; van den anderen kant was hij verzekerd, dank zij zijne kennissen en betrekkingen in het noordergedeelte van het land, dat hij overal hulp en bescherming, voeding en onderkomen—zelfs bondgenooten, als die noodig zouden zijn, zoude vinden. Daarenboven kon men verzekerd zijn dat hij van zijn invloed op de inboorlingen zoude gebruik maken om hen te gemoet te treden, die hem vervolgden, en dan desnoods gewapenderhand te doen aanvallen. Cyprianus en zijne makkers beseften dus al meer en meer de noodzakelijkheid om gezamenlijk te marcheeren, ten einde elkander te ondersteunen, wilden zij ten minste dat een hunner de vruchten hunner pogingen plukte.
De Transvaal, die van het zuiden naar het noorden doorreisd zoude worden, is die uitgestrekte landstreek van Zuidelijk Afrika—ongeveer dertigduizend hektaren groot—welker oppervlakte zich uitstrekt tusschen de Vaalrivier en de Limpopo, ten westen van den Drakenbergketen, van de Engelsche kolonie Natal, van het Zoeloeland en van de Portugeesche bezittingen gelegen.
Het is een van de meest schilderachtige, een van de vruchtbaarste streken van Afrika, maar ook een van de gezondste, en dat verklaart, zonder haar evenwel te rechtvaardigen, de aantrekkingskracht, welke zij op hare geduchte buurvrouw uitoefent. De goudmijnen, die er kort geleden ontdekt werden, zijn niet zonder invloed gebleven op de politieke gedragslijn van Engeland ten opzichte van de Transvaal.
Op geografisch gebied verdeelt men gewoonlijk dit land, en ook de Boeren, die het bewonen, in drie hoofdstreken, te weten: het hooge land of het Hooge Veld, het heuvelland of het Banken-Veld, en het struikenland of het Bosch-Veld.
Het hooge land is het meest zuidelijk gelegen. Het wordt door de bergketen gevormd, die van den Drakenberg naar het westen en naar het zuiden vertakken. Dat is het Transvaalsche mijndistrict, waar de dampkring koud en droog is, evenals in het Berner Oberland. Het Banken-Veld is het landbouwdistrict bij uitnemendheid. Het strekt zich ten noorden van het Hooge Veld uit en herbergt in zijne diepe dalen, die door flinke stroomen besproeid en door steeds groenende boomen beschaduwd worden, het grootste gedeelte der Hollandsche bevolking.
Het Bosch-Veld eindelijk of het struikenland is voornamelijk de jachtstreek. Die strekt zich in onmetelijke vlakten noordwaarts tot aan de oevers van de Limpopo, en westwaarts tot aan het land der Betjuanen-Kaffers uit.
Onze reizigers, die van den Potchefstroom, in het Banken-Veld gelegen, vertrokken waren, moesten het grootste gedeelte van die streek diagonaalsgewijs doortrekken, voor dat zij het Bosch-Veld bereiken konden, om zich [70] verder noordwaarts naar de boorden der Limpopo te begeven.
Dit eerste gedeelte der reis door de Transvaal was natuurlijk het gemakkelijkste. Men bevond zich toen nog in een half beschaafd land. De grootste ongevallen, die den reizigers overkomen konden, bepaalden zich tot een rad, hetwelk in het modderige wagenspoor van den weg wegzonk, of tot een zieken os. De wilde eenden, de patrijzen, de reeën werden langs het pad overvloedig aangetroffen en vormden iederen dag den grondslag van het ontbijt of van het middagmaal. De nacht werd gewoonlijk in de een of andere hoeve doorgebracht, welker bewoners, gedurende drie vierden van het jaar van het overige gedeelte der schepping afgesloten, de gasten, die bij hen aanklopten, met eene waarachtige vreugde welkom heetten.
De Boeren werden overal van hetzelfde karakter aangetroffen, dat wil zeggen: dat zij gastvrij, voorkomend en belangeloos waren.
’s Lands gebruik eischt wel is waar, dat hun eene vergoeding wordt aangeboden voor het onderkomen, dat zij aan menschen en dieren verleenen; maar zij weigeren die vergoeding immer. Daarentegen dringen zij bij de reizigers aan, wanneer het op vertrekken aankomt, om meel, oranje-appelen en gedroogde perziken aan te nemen. En laat men hen in ruil eenig uitrustingstuk, of jachtinstrument, eene zweep, kruithoorn of iets dergelijks, dan zijn zij verrukt, al is de waarde van het ontvangen voorwerp ook nog zoo gering.
Die brave lieden leiden te midden van hunne uitgestrekte eenzame streken, een vrij rustig bestaan; zij en hunne familie leven zonder veel moeite van de opbrengst hunner kudden en bebouwen met behulp van Hottentotten of Kaffers slechts zooveel grond, om jaarlijks voldoenden voorraad granen en groenten te gewinnen.
Hunne woningen zijn eenvoudig uit leem omgetrokken en met een dik stroodak gedekt. Wanneer de regen hunne muren in bres legt—wat niet zelden gebeurt,—dan hebben zij het geneesmiddel dicht bij de hand. De geheele familie houdt zich dan onledig, leem met water te kneden, en hebben zij daarvan een goeden voorraad vervaardigd, dan grijpen jongens en meisjes geheele handvollen van die pap en bombardeeren daarmede de opening totdat zij gedicht is.
In het innerlijke dier woningen worden ter nauwernood eenige meubelen aangetroffen; bij voorbeeld houten banken, ruwe tafels, bedden voor de groote personen, terwijl de kinderen zich met schapenvachten vergenoegen.
En toch vindt de kunst eene gereede plaats te midden van dat oorspronkelijk bestaan. Bijna alle Boeren beoefenen de muziek; zij krassen op de viool of spelen op de fluit. Zij zijn dol op het dansvermaak, en kennen noch hinderpalen noch vermoeienis, wanneer het geldt om soms van twintig mijlen in de rondte te zamen te komen ten einde aan hunnen hartstocht voor het dansen te voldoen.
Hunne dochters zijn zedig en zien er vaak zeer schoon uit in den eenvoudigen tooi der Hollandsche boerinnen. Zij huwen jong, brengen haren aanstaande slechts een bruidschat van een dozijn ossen of geiten, alsook een wagen of eenig ander weeldestuk van dien aard mede. De echtgenoot beijvert zich om een huis te bouwen, om in den omtrek eenige bunders land te ontginnen, en daarmede is het huisgezin op gang geholpen.
De boeren leven lang en worden zeer oud. Nergens ter wereld worden zooveel honderdjarigen aangetroffen als in de Transvaal.
Een zonderling verschijnsel, hetwelk evenwel nog niet voldoende verklaard is, valt op te merken in de zwaarlijvigheid waarmede bijna allen op rijperen leeftijd behept worden en die bij hen een verbazenden omvang bereikt. Overigens zijn zij hoog van gestalte, en die kenmerken worden zoowel bij de kolonisten van Franschen en Duitschen als van zuiver Hollandschen oorsprong aangetroffen.
Intusschen werd de reis, zonder bijzondere voorvallen te ontmoeten, voortgezet. Het was zelden, dat de expeditie niet in hoeven, waar zij iederen avond halt maakte, inlichtingen omtrent Makatit kon inwinnen. Overal had men hem zien voorbijstuiven, met spoed voortgetrokken door zijnen struisvogel, eerst met een voorsprong van twee of drie dagen, later met een van vijf of zes, [71] eindelijk met een van zeven of acht. Men was hem klaarblijkelijk op het spoor, maar tevens kwam daarbij helder uit, dat hij het in vlugheid won op hen, die hem vervolgden.
De vier menschenjagers schenen evenwel zeker van hun welslagen te zijn. De vluchteling zou toch eindelijk genoodzaakt zijn om halt te maken. Zijne vangst was dus slechts eene kwestie van tijd.
Cyprianus en zijne makkers vatten hunne taak dan ook van de gemakkelijkste zijde op. Langzamerhand begonnen zij zich aan hunne lievelingsgenoegens over te geven. De jonge ingenieur verzamelde rotssoorten; Friedel herbariseerde en beweerde de eigenschappen der planten, die hij verzamelde, te herkennen aan hun uiterlijke kenteekenen; Hannibal Pantalucci plaagde of mishandelde hetzij Bardik, hetzij Li, en verwierf slechts genade van zijne reisgenooten voor zijne ongure grappen, door op de pleisterplaatsen een schotel overheerlijke macaroni te bereiden; James Hilton hield zich onledig met de karavaan van wildbraad te voorzien. Er gingen weinige dagen voorbij, waarin hij niet eenige dozijnen patrijzen, een overvloed van kwartels, soms een wild zwijn of een antiloop schoot.
Zoo den eenen dag vóór, den andere nà voorttrekkende, bereikte men eindelijk het Bosch-Veld. De hoeven werden weldra al meer en meer zeldzaam en werden later niet meer ontmoet. Men had de uiterste grenzen der beschaafde wereld bereikt.
Men moest van dat tijdstip af iederen avond kampeeren, groote vuren ontsteken, waaromheen menschen en dieren zich onder de hoede van een waakzame wacht konden ter ruste leggen.
De landstreek had een uiterst woest uitzicht aangenomen. Vlakten van geelachtig zand, boschjes van doornachtige struiken, hier en daar een beek, die door eene moerassige strook kronkelde, hadden het lachende groene landschap van het Banken-Veld afgewisseld. Soms moest er een aanmerkelijke omweg gemaakt worden om een wezenlijk woud van thorn trees of doornboomen te ontwijken. Dat zijn boompjes van drie tot vijf meters hoog, die eene groote menigte horizontaal uitgestrekte takken dragen, gewapend met doornen van twee tot vier duim lang, zeer hard en scherp als een dolkmes.
Deze grensstrook van het Bosch-Veld wordt gewoonlijk Lion Veld of Leeuwen Veld genoemd; maar zij schijnt die schrikwekkende benaming niet te rechtvaardigen, want na drie dagen reizens had men nog geen van die wilde dieren gezien.
“Die naam zal slechts bij overlevering bestaan,” mompelde Cyprianus bij zich zelven. “De leeuwen zullen meer naar den kant der woestijn getrokken zijn!”
Toen hij evenwel die meening in tegenwoordigheid van James Hilton uitte, begon deze luidkeels te lachen.
“Gij gelooft dus dat er geen leeuwen zijn?” vroeg hij, toen zijne lachbui over was. “Dat komt daar vandaan, dat gij er niet op geoefend zijt om ze te zien.”
“Mooi zoo! Een leeuw te midden van die kale vlakte niet zien!” antwoordde Cyprianus op spottenden toon.
“Welnu, ik wed om tien pond,” zei James Hilton, “dat vóór wij een uur verder zijn, ik er u een zal wijzen, dien gij niet opgemerkt zult hebben!”
“Uit beginsel wed ik nooit,” antwoordde Cyprianus; “toch vraag ik niet beter dan door de ondervinding geleerd te worden.”
Men trok nog gedurende vijf en twintig of dertig minuten voort, en niemand dacht meer aan leeuwen, toen James Hilton eensklaps uitriep:
“Heeren, kijkt toch dat mierennest, hetwelk daar ter rechterzijde wordt ontwaard!”
“Wat is daaraan te zien?” vroeg Friedel. “Sedert twee of drie dagen zien wij niets anders.”
Inderdaad, niets komt in het Bosch-Veld meer menigvuldig voor dan die groote gele aardhoopen, die door ontelbare mieren opgeworpen zijn, en die van tijd tot tijd alleen met eenige doornstruiken of boschjes van magere mimosa’s eenige afwisseling in de vreeselijke eentonigheid van de zich rondom uitstrekkende vlakte aanbrengen.
James Hilton lachte, maar stil en geheel voor zich.
“Mijnheer Méré,” hernam hij, “laat uw paard een harden galop aannemen, tot in de nabijheid van die mierennesten.—Kijk dan in de richting van mijn vinger.—Ik beloof u dat gij zien zult [72] wat gij verlangt te zien. Kom er evenwel niet te dicht bij, of het zou u kunnen berouwen.”
Cyprianus gaf zijn paard de sporen, en reed naar de plek, die door James Hilton een mierennest genoemd werd.
“Het is een leeuwenfamilie, die daar gelegerd is!” zei de Duitscher, zoodra Cyprianus zich verwijderd had. “Ik durf tien tegen een wedden, dat die gele hoopen, die gij daar ziet, en die gij voor mierennesten aanziet, niets anders zijn!”
”Per Bacco!” riep Hannibal Pantalucci uit. “Gij hadt wel noodig om hem aan te bevelen er niet te dicht bij te komen!”
Maar bemerkende dat Bardik en Li naar hem luisterden, hernam hij, terwijl hij een draai aan zijne uitgedrukte gedachten gaf:
“De Franschman zou aardig verschrikt geworden zijn en wij zouden eens hartelijk gelachen hebben.”
De Napolitaan vergiste zich. Cyprianus was er de man niet naar om zich te laten verschrikken, zooals hij zeide.
Toen deze op tweehonderd passen gekomen was van het doel, dat hem aangewezen was, herkende hij met welk schrikkelijk mierennest hij te doen had. Er waren daar een kolossale leeuw met zijne leeuwin en drie welpen, die in elkaar gerold op den grond lagen als katten, en gerust in de zon sliepen.
Toen het geluid van den hoefslag van Templar zijn oor bereikte, opende de leeuw zijne oogen, hief zijn overgroot hoofd op en geeuwde terwijl hij tusschen twee rijen vreeselijke tanden een afgrond liet ontwaren, waarin een kind van tien jaren met huid en haar kon verdwijnen. Toen keek hij den ruiter aan, die op twintig passen afstands zijn paard tot staan had gebracht.
Het wilde dier had gelukkig geen honger, anders had hij zich zoo onverschillig niet gedragen.
Cyprianus wachtte met de karabijn in de hand gedurende twee of drie minuten wat de leeuw zou gelieven te doen. Maar toen hij bemerkte, dat deze niet van zins was de vijandelijkheden te beginnen, had hij den moed niet om het vreedzame geluk van dat belangwekkende gezin te storen. Hij wendde zijn paard en kwam in een korten draf bij zijne makkers terug.
Dezen, verplicht om hem hulde te brengen wegens zijne koelbloedigheid en dapperheid, ontvingen hem met juichkreten.
“Ik zou de weddenschap verloren hebben, mijnheer Hilton,” zei Cyprianus in allen eenvoud.
Dienzelfden avond kwam men bij den rechteroever der Limpopo aan, alwaar halt gemaakt werd. Friedel wilde van de gelegenheid gebruik maken om een vischzootje in die rivier te vangen. Hij zette dat plan, in weerwil van de waarschuwingen van James Hilton, stijfhoofdig door.
“Dat is zeer ongezond, kameraad,” zeide deze. “Ik waarschuw u. In het Bosch-Veld moet men na zonsondergang noch langs de rivieroevers verwijlen, noch....”
“Kom, kom! Ik heb in mijn leven wel want anders bijgewoond!” antwoordde de Duitscher met de stijfhoofdigheid aan zijn natie eigen.
“Juist,” riep Hannibal Pantalucci uit; “wat zou er daarenboven ongezonds in gelegen zijn, om gedurende een uur of twee op den oever der rivier te verwijlen? Het is mij wel gebeurd, dat ik, terwijl ik op de eendenjacht was, er halve en heele dagen doorbracht en ik daarbij tot aan de schouders nat was!”
“Maar dat is volstrekt niet hetzelfde,” hernam James Hilton. “Pas op, Friedel!”
“Praatjes allemaal!” antwoordde de Napolitaan. “Mijn waarde Hilton, gij zoudt beter doen de bus met geraspte kaas op te zoeken om mijne macaroni klaar te kunnen maken, dan te pogen onze makkers te beletten een schotel visch machtig te worden. Drommels, die zou eene aangename afwisseling in onzen maaltijd brengen.”
Friedel stapte op, zonder naar goeden raad te willen luisteren. Hij vermaakte zich zoodanig met hengelen, dat het stikdonkere nacht was, toen hij in de legerplaats terugkeerde.
Daar gebruikte de hartstochtelijke hengelaar zijn maaltijd met den meesten eetlust en deed van allen wel de grootste eer aan de visschen die hij zelf gevangen had. Toen hij evenwel zich in den wagen bij zijne makkers te slapen legde, klaagde hij over hevige huiveringen, die hem overvielen. [73]
Toen den volgenden morgen de dag aanbrak en men opstond om te vertrekken, had Friedel eene hevige koorts en bevond hij zich in de volslagen onmogelijkheid om te paard te stijgen. Hij verlangde evenwel, dat men opbreken en de reis voortzetten zoude, verzekerende dat hij zeer goed op het stroo in den wagen lag. Men deed, zooals hij begeerde. Tegen het middaguur ijlde hij.
Toen het drie uur was, was hij dood.
Zijne ziekte was het gevolg van een bloedbederfkoorts van de ergste soort.
Bij dat plotselinge uiteinde kon Cyprianus de gedachte niet verbannen, dat Hannibal Pantalucci, door zijne slechte raadgevingen, in die gebeurtenis eene groote verantwoordelijkheid op zich geladen had. Maar niemand anders dan de Franschman dacht er aan, die opmerking te maken.
“Gij ziet nu, dat ik gelijk had toen ik gisteren beweerde, dat men bij het vallen van den avond niet op den oever eener rivier moet verwijlen,” vergenoegde zich James Hilton op wijsgeerigen toon te herhalen.
Men stond gedurende eenigen tijd stil om het lijk te begraven, dat men toch niet ten prooi aan de wilde dieren kon laten.
Het was het lijk van een medeminnaar, van een vijand bijna, en toch gevoelde zich Cyprianus bij die laatste plechtigheid innig bewogen. Het gezicht van den dood, overal zoo treffend en zoo aangrijpend, scheen in de woestijn nog des te meer indruk te maken. In het aangezicht slechts van de natuur schijnt de mensch beter te begrijpen, dat de dood de onvermijdelijke eindpaal is van alles wat leeft. Verre van zijne verwanten, verre van allen, die hij liefhad, vlogen zijne gedachten in dit sombere uur met weemoed naar hen heen. Hij zei tot zich zelven, dat hij morgen wellicht op de onmetelijke vlakte zou neervallen om niet meer op te staan, dat hij dan ook onder een voet zand zou gestopt worden, dat ook boven zijn lijk een naakte steen zou gerold worden, en dat noch de tranen eener zuster of moeder, noch de weeklachten van een vriend hem tot bij zijne eenzame groeve zouden vergezellen. En een weinig van het medelijden, dat hem het lot van zijn makker inboezemde, op zijn eigen toestand overbrengende, was het hem, alsof een gedeelte van zijn eigen ik in dat graf besloten werd.
Daags na die treurige plechtigheid werd het paard van Friedel, dat vastgemaakt aan den wagen volgde, door de Veld-ziekte aangetast. Men moest het achterlaten en afmaken.
Het arme dier had zijn baas slechts weinige uren overleefd.