← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

Een nieuwe soort mijn.

Reading edition

Miss Watkins had intusschen alles vernomen, wat voorgevallen was, zoowel het tooneel der gemaskerde mannen als de teleurstelling, die den ingenieur overkomen was.

“Och, mijnheer Cyprianus,” zei zij, toen deze haar alles verteld had, “is uw leven niet meer waard dan alle diamanten ter wereld?”

“Waarde Alice....”

“Laten wij dat alles maar trachten te vergeten en denk er voortaan niet meer aan zulke proeven te nemen!”

“Gij beveelt het?”.... vroeg Cyprianus.

“Ja zeker,” antwoordde het jonge meisje. “Ik beveel u om op te houden, zooals ik u bevolen had om te beginnen.... daar gij wel bevelen van mij wilt ontvangen.”

“O, ik zal ze allen uitvoeren!” antwoordde Cyprianus, terwijl hij de hand greep, die miss Watkins hem toestak.

Maar toen de ingenieur haar het vonnis mededeelde, waartoe Makatit veroordeeld was, voelde zij zich verpletterd, vooral door het aandeel dat haar vader daaraan genomen had.

Zij ook geloofde niet aan de schuld van den armen Kaffer. Zij ook zou alles hebben willen aanwenden om hem te redden en was daarin geheel eenstemmig met Cyprianus. Maar hoe dat aan te leggen? En vooral hoe moest John Watkins tot hun gevoelen overgehaald worden, hij de onhandelbare aanklager in die zaak? Hoe hem gunstig te stemmen voor een ongelukkige, dien hij zelf zoo met onbillijke beschuldigingen overladen had?

Er moet bij gevoegd worden, dat de Engelschman nog geen enkele bekentenis uit Makatit had kunnen verkrijgen, hoewel hij hem levensbehoud en genade [115] in het uitzicht stelde, wanneer hij bekende. Hij was dus genoodzaakt de hoop op te geven de Zuidster ooit terug te vinden en was daardoor dan ook in een verschrikkelijk booze luim. Intusschen wilde zijne dochter nog eene laatste poging bij hem wagen.

Daags na de veroordeeling had master Watkins een weinig minder last dan gewoonlijk van het pootje en had hij van die verademing gebruik gemaakt om zijne papieren in orde te brengen. Gezeten voor een schrijftafel van zwart ebbenhout, die met gele versierselen ingelegd was,—een antiek stuk uit den oud Hollandschen tijd, dat daar in Grikwaland na tal van wederwaardigheden was komen aanlanden,—bezag hij een voor een zijne verschillende eigendomsbewijzen, zijne contracten en zijne correspondentiën.

Alice zat achter hem over haar borduurraam gebogen en hield zich bezig met haar werk, zonder veel op haren struisvogel Dada te letten. Dit dier kwam en ging door de zaal met zijnen gewonen ernst, keek nu eens door het venster en sloeg dan weer eens den blik op de bewegingen van master Watkins en van zijne dochter.

Plotseling uitte de Engelschman een kreet, die zijne dochter deed schrikken.

“Dat dier is onverdragelijk,” zei hij. “Daar heeft het waarachtig een mijner dokumenten gepakt.... Dada!.... hier!.... Geef dat dadelijk terug!”

Maar die woorden waren nauwelijks uitgesproken of daar volgde een stroom verwenschingen op.

“O, dat vreeselijke dier heeft het ingeslikt!.... Een zeer belangrijk document!.... Het origineel van het besluit, waarbij mij de ontginning der Kopjes-mijn is toegewezen....! Maar dat kan zoo niet!.... Ik zal dat stuk terug hebben—al moest ik het dier verworgen!”

John Watkins was rood van kwaadheid en geheel en al buiten zich zelven. Hij sprong plotseling op en liep den struisvogel achterna, die een paar malen rond het vertrek liep en toen het raam uitwipte, dat met den grond gelijkvloers was.

“Vader,” zei Alice, die de nieuwe misdaad van haren gunsteling betreurde, “vader, wees bedaard! Luister naar mij!.... Gij zult u eene ziekte berokkenen!”

Maar de woede van John Watkins was ten top gestegen. Die vlucht van den vogel gaf er den doorslag aan.

“Neen!” riep hij met bevende stem, “dat is me te sterk!.... Daar moet een einde aan komen!.... Ik kan zoo niet mijn meest belangrijk eigendomsbewijs prijs geven. Een flinke kogel in zijn kop zal dat verwenschte dier dien streek wel betaald zetten. Ik zal mijn perkament terug hebben! Dat beloof ik je!”

Alice volgde hem met betraande oogen.

“Ik smeek u vader,” zei ze, “spaar dat arme dier. Is dat papier wel zoo belangrijk? Kan men er geen duplikaat van bekomen?.... Zoudt gij mij het verdriet willen aandoen mijn arme Dada voor zoo’n gering vergrijp voor mijne oogen te willen dooden?”

Maar John Watkins wilde naar niets hooren, hij keek overal naar zijn slachtoffer om. Hij bespeurde den vogel eindelijk op het oogenblik, toen hij zich in de nabijheid van de hut van Cyprianus trachtte te verschuilen. De Engelschman bracht dadelijk zijn geweer in die richting; maar alsof Dada dat noodlottige plan jegens haar gesmeed, raadde, nauwelijks zag zij die beweging of zij kroop achter het huis.

“Wacht, Wacht maar! Ik zal je toch vinden, verwenscht beest!” riep John Watkins, terwijl hij zich naar de hut begaf.

Alice, al meer en meer beangst, volgde hem om een laatste poging bij hem aan te wenden. Beiden kwamen zoo voor het huis van den ingenieur en gingen er achter kijken. Maar geen struisvogel meer! Dada was onzichtbaar. Het was toch onmogelijk dat zij den heuvel afgerend was, dan had men haar moeten zien. Zij had dus eene toevlucht in de hut moeten zoeken langs een der deuren, die van achteren toegang verleenden. Zoo dacht althans John Watkins. Hij schreed dan ook dadelijk naar de voordeur en klopte aan. Het was Cyprianus zelf, die hem open deed.

“Mijnheer Watkins!.... Juffrouw Watkins!.... Verrukt om u in mijne nederige stulp te zien!” zei hij beteuterd.

De Engelschman was buiten adem en vol woede. Met horten en stooten deelde hij den ingenieur mede, wat er gebeurd was.

“Welnu, wij zullen den schuldige [116] zoeken!” zei Cyprianus, John Watkins en Alice uitnoodigende zijne woning binnen te treden.

“Ik verzeker u, dat hare rekening gauw opgemaakt zal zijn!” antwoordde John Watkins, terwijl hij zijn geweer als een strijdbijl zwaaide.

In hetzelfde oogenblik openbaarde aan Cyprianus een smeekende blik van het jonge meisje al den afschuw, dien zij voor dat wreede plan koesterde. Zijn voornemen was dan ook spoedig opgevat. Het was eenvoudig genoeg, hij besloot den struisvogel niet te vinden.

“Li,” riep hij den Chinees, die pas binnengetreden was, in het Fransch toe. “Ik vermeen, dat de struisvogel in uw kamer is. Zoek hem en tracht hem behendig te doen ontsnappen, terwijl ik mijnheer Watkins langs den anderen kant rondleid.”

Ongelukkig moest dit plan falen; want de struisvogel had juist eene toevlucht gezocht in het eerste vertrek, waar de nasporingen begonnen. Dada had daar, zeer ineengedrongen om zich onzichtbaar te maken, het hoofd onder een stoel verborgen, maar was overigens zoo duidelijk te zien als de zon op vollen middag.

“O, schurk! jou rekening is gemaakt!” riep master Watkins, terwijl hij zijn geweer aan den schouder bracht. Toch, hoe verwoed hij ook was, deinsde hij terug voor die daad van geweld: een geweerschot te lossen in een huis, dat toch het zijne niet was. Alice had het hoofd omgekeerd, om van den gruwel niets te zien. Toen bracht hare smart een schitterend denkbeeld in het brein van den ingenieur te weeg.

“Mijnheer Watkins,” zei hij eensklaps, “het is u slechts te doen om uw document terug te hebben, niet waar? Welnu, het is volstrekt noodeloos Dada daarvoor te dooden. Het is voldoende haar den krop te openen, dien het perkament nog niet voorbij kan zijn. Wilt gij mij toestaan de bewerking uit te voeren? Ik heb het in Museum te Parijs een cursus in de dierkunde bijgewoond en ik geloof dat ik die heelkundige bewerking tot een goed einde zal brengen.”

Hetzij dat een vooruitzicht van zulk een proef op het levende dier den wraakzuchtigen Engelschman streelde, hetzij dat zijne woede begon te verminderen, hetzij eindelijk dat hij zijns ondanks getroffen was door het verdriet zijner dochter, hij liet zich vermurven en stemde in dien middenweg toe.

“Maar ik wil mijn document niet kwijt zijn,” zeide hij. “Bevindt het zich niet in den krop, welnu, dan moet het maar in de maag of in de andere ingewanden gezocht worden! Ik moet het terug hebben, het koste wat het wil!”

De bewerking was niet zoo gemakkelijk, als men wel gemeend had, toen men de onderworpen houding van de arme Dada zag; want een struisvogel, al is het er ook een van slechts kleine gestalte, bezit een verbazende spierkracht. Nauwelijks zou de huid van den vogel door het mes van den nieuwbakken heelkundige aangetast zijn, of, daarvan was Cyprianus zeker, Dada zou weerstand bieden, in woede ontsteken, en zich met razernij verdedigen. Li en Bardik werden dan ook geroepen om als assistenten dienst te doen.

Men kwam overeen dat de struisvogel vooraf gebonden zou worden. Daartoe had Li steeds touw genoeg bij de hand. Weldra waren de pooten, de vlerken en de bek van de ongelukkige Dada stevig omwoeld en was zij in de onmogelijkheid gesteld om weerstand te bieden. Maar Cyprianus liet het daar niet bij. Om de gevoeligheid van miss Watkins te ontzien, wilde hij haren struisvogel ieder lijden sparen. Hij omwikkelde het hoofd van den vogel dus ook met een doek, dien hij vooraf met cloroform gedrenkt had. Daarna eerst ging hij over tot de bewerking, hoewel hij er niet geheel zonder ongerustheid over was. Alice had doodsbleek een toevlucht in het daarnaast gelegen vertrek gezocht.

Cyprianus begon met den hals van het dier met de hand te betasten, om de ligging van den krop goed te bepalen. Dat was niet moeielijk; want die krop vormde bij het bovengedeelte van de kliermaag een aanmerkelijke dikte, die hard was en door de vingers zeer duidelijk te midden der weekere deelen, die hem omsloten, waargenomen kon worden. In de huid van den hals, die wijd en week was als de huid van een kalkoen en met een grijs dons bedekt, dat gemakkelijk verwijderd kon worden, [117] werd toen met een pennemes eene insnijding gemaakt. Er had daarbij slechts weinig verbloeding plaats, die nog gemakkelijk met eene natte spons verwijderd kon worden. Cyprianus verkende nu aandachtig de ligging van twee of drie belangrijke aderen, die hij zorgvuldig met behulp van haakjes van ijzerdraad, die hij door Bardik liet vasthouden, ter zijde schoof. Daarna zette hij het mes in een wit paarlmoerachtig weefsel, dat eene uitgestrekte holte boven de sleutelbeenderen afsloot, en had weldra den krop van den struisvogel blootgelegd.

Als men zich den krop van een hoen voorstelt, die honderdmaal in omvang, in dikte en in gewicht toegenomen is, dan zal men een vrij juist denkbeeld hebben van het bekken, wat thans zichtbaar was.

Dada’s krop vertoonde zich als een bruine zak, die door de vreemde lichamen, welke het vraatzuchtige dier op dien dag en ook al vroeger ingeslikt had, zeer uitgerekt was. Het gezicht van dat vleeschachtige orgaan, dat zich krachtig en gezond voordeed, was alleen voldoende, om te doen begrijpen, dat er geen gevaar bestond door er eene insnijding in te maken. Cyprianus nam dan ook zonder aarzelen het jachtmes, dat Li hem aanreikte na het eerst goed aangescherpt te hebben, en maakte een diepe snede in die massa. Het was daarna zeer gemakkelijk de hand door die spleet tot onder in den krop te brengen. Al dadelijk werd het zoozeer verlangde document te voorschijn gebracht. Het was als in een bal samengerold, zeer gekreukeld, maar overigens ongedeerd.

“Er zit nog wat anders in,” zei Cyprianus, die de hand andermaal in de holte gebracht had en ditmaal een ivoren bal te voorschijn bracht. “De maasbal van miss Watkins!” riep hij uit. “Men bedenke, dat het vijf maanden geleden is, dat die vermist is. Bepaald heeft die de beneden-opening van den krop niet voorbij kunnen komen!”

Na dien maasbal aan Bardik overgereikt te hebben, vervolgde hij zijne nasporingen in dien vreemdsoortigen zak, zooals een oudheidkundige in een pas opgedolven Romeinsch kamp zoude gedaan hebben.

“Een koperen blaker!” riep hij verrast uit, terwijl hij een van die nederige huishoudelijke voorwerpen te voorschijn bracht, dat er gedeukt, platgedrukt uitzag en vol kopergroen, maar toch nog volkomen herkenbaar was.

Het lachen van Bardik en Li daarover was zoo aanstekelijk, dat Alice zelf, die intusschen het vertrek weer binnengetreden was, moest meedoen.

“Muntstukken!.... Een sleutel!.... Een hoornen kam!....” vervolgde Cyprianus, terwijl hij voortging den inventaris van den inhoud van dien krop op te maken.

Hij verbleekte plotseling. Zijne vingers beroerden thans een voorwerp van niet alledaagschen vorm!.... Neen, hij kon zich niet vergissen omtrent den aard van hetgeen hij daar in dien zak betastte.... En toch.... aan zoo’n toeval kon hij niet gelooven!

Hij trok eindelijk zijne hand uit de holte terug en vertoonde het voorwerp, hetwelk hij gegrepen had....

Maar welke kreet ontsnapte aan den mond van John Watkins!

“De Zuidster!” gilde hij.

Ja, de beroemde diamant was gaaf en wel teruggevonden. Hij had niets van zijn glans verloren en hij schitterde onder het daglicht, dat door het venster binnenviel, als eene ster van de eerste grootte!

Maar zonderling en opmerkenswaardig was het feit, dat alle getuigen van dat tooneel dadelijk opviel. De diamant was van kleur veranderd. De Zuidster was van zwart, zooals zij vroeger was, rooskleurig geworden, van dat bevallige roséachtige, hetwelk, als het mogelijk ware, hare helderheid en pracht nog vermeerderde.

“Denkt ge niet dat dit hare waarde vermindert?” vroeg John Watkins, zoodra hij weer spreken kon, met levendige stem. De verrassing en de vreugde hadden hem waarachtig den adem benomen.

“Volstrekt niet!” antwoordde Cyprianus. “Het is integendeel eene merkwaardigheid te meer, die dezen steen tot de zoo zeldzamen groep van de “cameleon-diamanten” doet behooren!.... Drommels!.... het schijnt dat het niet koud in den krop van Dada is; want die verandering van tint bij de gekleurde diamanten geschiedt gewoonlijk niet dan tengevolge van eene [118] plotselinge en aanmerkelijke temperatuursafwisseling. Zoo is tenminste het oordeel der geleerden.”

“Oh!.... Goddank!.... dat ik u teruggevonden heb, mijne schoone!” herhaalde master Watkins, terwijl hij den diamant met angstvalligheid in zijne handen besloot, alsof hij zich verzekeren wilde, dat hij niet droomde. “God, wat hebt ge mij zorg en verdriet berokkend door uw uitstapje, o, ondankbare ster! Maar ik zal oppassen, dat gij mij niet weer ontsnapt!”

Hij bracht den steen daarbij ter hoogte zijner oogen, streelde hem met den blik en zou waarlijk haast het voorbeeld van Dada gevolgd hebben door hem op te slikken, zoo bang was hij hem andermaal kwijt te raken!

Onderwijl liet Cyprianus zich door Bardik een naald, voorzien van een dikken, stevigen draad, aanreiken, waarmede hij den krop van den struisvogel zorgvuldig dichtnaaide. Daarna sloot hij de wondvlakken aan den hals met hechtpleister en ontdeed het dier van zijne banden, die het tot machteloosheid doemden.

Dada scheen zeer afgemat en terneergeslagen; zij boog het hoofd en legde geen neiging aan den dag om weg te loopen.

“Zal zij er van opkomen, mijnheer Cyprianus?” vroeg Alice, die meer begaan was met het lijden van hare gunstelinge dan dat zij ingenomen was met het terugvinden van den diamant.

“Of zij er van zal opkomen, miss Watkins?” antwoordde Cyprianus. “Zoudt gij dan kunnen denken, dat ik de bewerking ondernomen had, wanneer ik daarvan niet zeker was?.... Geloof mij, over drie dagen zal er van die snede niets meer te bespeuren zijn, en over drie uren zal Dada weer neiging aan den dag leggen, dien zonderlingen zak, dien ik daar geledigd heb, andermaal te vullen!”

Door die woorden gerustgesteld, schonk Alice den jeugdigen ingenieur een dankbaren blik, die hem voor al zijne moeiten ruimschoots beloonde.

Eindelijk was John Watkins er in geslaagd tot de overtuiging te geraken, dat hij zijn gezond verstand had, en dat hij weer in het bezit was van zijn bewonderenswaardige ster. Hij verliet het venster en zich tot Cyprianus wendende:

“Mijnheer Méré,” sprak hij op statigen toon, “gij hebt mij daar een grooten dienst bewezen en ik weet niet hoe ik dien ooit zal kunnen vergelden.”

Vergelden!.... O! John Watkins had daartoe een zeer eenvoudig middel! Zou het hem zoo moeilijk vallen zijn belofte te houden, namelijk den jongen man de hand zijner dochter te schenken? Hij had die hand toch beloofd aan hem, die de Zuidster zou terugbrengen. En waarlijk, was het niet alsof Cyprianus den diamant van uit het binnenste der Transvaal had aangebracht?

Ziedaar wat de verliefde in zich zelven prevelde; maar hij was te fier om die gedachte met luider stem voor te dragen. Hij meende daarenboven zeker te zijn, dat die gedachte van zelf in het brein van den Engelschman zou opwellen.

Maar John Watkins repte daarvan geen woord. Hij wenkte zijne dochter om hem te volgen en verdween in zijne woning.

Het is bijna onnoodig te vertellen, dat weinige oogenblikken later Makatit zijne vrijheid herkreeg. Maar het had toch weinig gescheeld of de arme drommel had de slokkerigheid van Dada met zijn leven betaald. Hij moest zich zelf bekennen, dat hij den dans ter nauwernood ontsprongen was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings