← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

Toebereidselen tot vertrek.

Reading edition

Toen Cyprianus den volgenden morgen al heel vroeg vernam, wat den vorigen avond gedurende het diner plaats gegrepen had, was zijne eerste daad om dadelijk te protesteeren tegen de zware beschuldiging, die tegen zijn bediende ingebracht was. Hij kon onmogelijk aannemen dat Makatit zulken diefstal zoude gepleegd hebben, en Alice deelde dien twijfel volkomen met hem. Hij zou eerder Hannibal Pantalucci, Herr Friedel, Nathan of ieder ander van die wezens, die voor hem slechts menschen van twijfelachtig allooi waren, verdacht hebben!

Het was evenwel zeer onwaarschijnlijk dat een Europeaan zich aan dien diefstal had schuldig gemaakt. Voor allen, die met den oorsprong van de Zuidster onbekend waren, was zij een natuurlijke diamant, en bezat bijgevolg eene waarde, die het zeer moeilijk moest maken, hem van de hand te zetten.

“En toch,” herhaalde Cyprianus bij zich zelven, “is het niet mogelijk, dat Makatit de dader is!”

Maar dan kwam toch weer twijfel bij hem op; dan herinnerde hij zich enkele kleine diefstallen, waaraan de Kaffer zich in zijn dienst had schuldig gemaakt. In weerwil van de vermaningen zijns meesters, had hij, zijner geaardheid getrouw—die omtrent het mijn en het dijn zeer zonderlinge en zeer ruime opvattingen had—, zich nimmer van die ergerlijke gewoonte kunnen ontdoen. Het gold destijds, wel is waar, slechts kleinigheden, min kostbare zaken, maar dat was toch voldoende om de eerlijkheid van Makatit niet geheel en al boven iedere verdenking verheven te achten.

Daarenboven kwam er nog bij, dat de tegenwoordigheid van den Kaffer in de feestzaal overeenstemde met het verdwijnen van den diamant als bij tooverslag; dan nog die zonderlinge omstandigheid, dat hij weinige oogenblikken later in zijn hut niet meer te vinden was geweest; eindelijke zijne vlucht—want weg was hij, dat was duidelijk, die toch hare redenen meest hebben.

Cyprianus wachtte inderdaad den geheelen morgen op Makatit, terwijl hij nog steeds iedere gedachte aan de schuld van zijn bediende verwierp. Maar deze kwam niet terug. Hij moest zelfs erkennen, dat de zak, waarin deze zijne spaarpenningen, zijn gereedschappen, zoo onmisbaar voor iemand, die de woeste streken van Zuid-Afrika wil doorreizen, geborgen had, uit de hut verdwenen was. Ja, toen was geen twijfel meer mogelijk.

Zoo omstreeks tegen tien uur begaf [63] de jeugdige ingenieur, die eigenlijk meer bedroefd was over het gedrag van Makatit, dan over het verlies van den diamant, zich naar de hoeve van John Watkins.

Hij vond daar den bewoner der hoeve, Hannibal Pantalucci, James Hilton en Friedel in een druk gesprek gewikkeld. Alice, die hem had zien komen, trad met hem de zaal binnen, waarin haar vader en zijne drie makkers met heftigheid zaten te redetwisten over de maatregelen, die genomen moesten worden, om weer in het bezit van den diamant te geraken.

“Men moet dien Makatit nazetten, men moet hem achterhalen!” riep John Watkins met hevige woestheid uit. “En wanneer men den diamant niet bij hem vindt, dan moet men hem den buik opensnijden, om te zien of hij hem niet ingeslikt heeft!.... O! mijn dochter, wat hebt ge goed gedaan met ons gisteren die geschiedenis te verhalen!.... Men zal dien diamant tot in de ingewanden van dien schoft zoeken!”

“Maar,.... maar....” antwoordde Cyprianus op spottenden toon, die den Engelschman volstrekt niet beviel, “om een steen van die dikte te kunnen inslikken, zou Makatit een struisvogelmaag moeten bezitten!”

“Is een Kaffermaag niet tot alles in staat.... mijnheer Méré?” vroeg John Watkins. “En vindt gij het gepast in dit oogenblik en over dat onderwerp te lachen en te spotten?”

“Ik lach of spot niet, mijnheer Watkins,” antwoordde Cyprianus op hoog ernstigen toon. “Wanneer ik evenwel het verlies van dien diamant betreur, dan is het alleen, omdat gij mij toegestaan hadt hem aan juffrouw Alice aan te bieden....”

“En ik ben er u dankbaar voor, mijnheer Cyprianus,” zei miss Watkins, “even dankbaar alsof ik hem nog in mijn bezit had.”

“Daar heb je nu een staaltje van het vrouwenverstand!” riep Watkins uit. “Even dankbaar alsof zij hem nog in haar bezit had, een diamant, die zijn weerga in deze wereld niet heeft!....”

“Inderdaad, dat is niet geheel en al hetzelfde, miss Watkins!” merkte James Hilton op.

“Neen, waarachtig niet!” vulde Friedel aan.

“Jawel, het is volkomen hetzelfde!” antwoordde Cyprianus, “daar ik, nu ik dezen diamant vervaardigd heb, wel weer een andere zal kunnen maken!”

“O mijnheer de ingenieur,” sprak Hannibal Pantalucci met eene bedreigingsvolle stem, “ik geloof dat gij wèl zult doen wanneer gij uwe proeven staakt.... wèl in het belang van Grikwaland.... voorzichtig in uw eigen belang!”

“Waarlijk, mijnheer!” antwoordde Cyprianus, “mijne meening is, dat ik u dienaangaande geen verlof te vragen heb!”

“Het oogenblik is bij mijne ziel goed gekozen om daarover te twisten,” riep John Watkins uit. “Is mijnheer Méré ook wel verzekerd van bij eene tweede proefneming te zullen slagen? Zou de tweede diamant, die in zijne werkplaats zou ontstaan, dezelfde kleur, hetzelfde gewicht en derhalve dezelfde waarde als de eerste hebben? Kan hij zelfs verzekeren geen anderen steen te kunnen vervaardigen, al ware het ook een van mindere waarde? Zou hij durven beweren dat het niet een groot toeval, louter toeval is geweest?”

Wat John Watkins daar sprak, was te redelijk om niet de gedachten van den jeugdigen ingenieur te treffen! Dat kwam daarenboven geheel en al overeen met de tegenwerpingen, die hij zich zelven meermalen gemaakt had. Zijne wijze van werken kwam voorzeker geheel en al overeen met de gegevens, die hij uit de nieuwere scheikunde geput had; maar was het toeval hem niet bovenal behulpzaam geweest bij dat eerste welslagen? En was hij verzekerd, dat hij bij een tweede poging andermaal slagen zou?

Onder die omstandigheden was het noodzakelijk, dat de dief, maar wat nog beter zou zijn, het gestolene achterhaald werd.

“Heeft men geen spoor van Makatit gevonden?” vroeg John Watkins.

“Geen enkel,” antwoordde Cyprianus.

“Heeft men al de omstreken van het kamp doorzocht?”

“Ja, en goed doorzocht ook,” zei Friedel. “De schurk is waarschijnlijk gedurende den nacht verdwenen en het zal moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn, te bepalen waarheen hij gevlucht is!”

“Heeft de politiebeambte zijne hut [64] doorzocht?”

“Ja,” antwoordde Cyprianus; “maar hij heeft niets ontdekt, wat hem op het spoor van den vluchteling kon brengen.”

“O!” riep John Watkins uit, “ik zou vijfhonderd, ik zou duizend pond sterling willen geven, wanneer men den schoft vatte.”

“Dat geloof ik wel, mijnheer Watkins,” zei Hannibal Pantalucci. “Ik vrees echter dat gij uwen diamant en ook den dief nimmer wederziet!”

“Waarom dat?”

“Omdat Makatit, eenmaal aan het loopen, zoo dom niet zal zijn om onderweg op te houden! Hij zal de Limpopo-rivier oversteken, hij zal de woestijn doortrekken, hij zal naar Zambessa of naar het meer Tanganayki, of naar de Boschjesmannen gaan, als hij dat noodig oordeelen zal.”

Deelde de spitsvondige Napolitaan, door zoo te spreken, openhartig zijne gedachten mede? Of poogde hij aldus te beletten dat men de vervolging van Makatit ondernam, om die zorg later zelf op zich te nemen? Die vraag stelde Cyprianus zich, terwijl hij hem aandachtig waarnam.

Maar John Watkins was de man niet om eene onderneming op te geven eenig en alleen omdat zij moeilijk in de uitvoering was. Hij zou werkelijk zijn geheel vermogen opgeofferd hebben om weer in het bezit van den onvergelijkelijken steen te geraken, en door het geopende raam boorden zijne woedende blikken ongeduldig tot bij de groenende zomen der Vaalrivier, alsof hij hoop had daar bij dien boschrand den vluchteling te ontdekken.

“Neen!” riep hij, “dat kan zoo niet toegaan!.... Ik moet mijn diamant terug hebben!.... Die schoft moet achterhaald worden!.... O! als ik maar niet aan het pootje leed, dan zou dat spoedig genoeg geschied zijn, dat verzeker ik!”

“Vaderlief!....” kwam Alice tusschenbeide, om hem tot kalmte te stemmen.

“Kom, wie belast er zich mede?” riep John Watkins uit, terwijl hij den blik rondom zich liet waren. “Wie wil zich met de vervolging van den Kaffer belasten? De belooning zal flink zijn, daarop geef ik mijn woord!”

En daar niemand antwoordde:

“Kijk heeren,” hernam hij, “gij zijt alle vier jonge mannen, die naar de hand mijner dochter dingen! Welnu, brengt mij den dief met mijn diamant terug”—hij zei thans reeds “mijn diamant”—“en op de eer van een Watkins, hij die mij den steen terugbrengt, zal mijne dochter krijgen!”

“Aangenomen!” riep James Hilton.

“Ik doe meê!” verklaarde Friedel.

“Wie zou niet trachten een zoo kostbaren prijs te winnen!” mompelde Hannibal Pantalucci met een akeligen grijnslach om de lippen.

Alice’s gelaat was hoogrood van schaamte; zij gevoelde zich uiterst vernederd, zich zoo tot inzet van zulk eene partij gesteld te zien, en dat nog wel in tegenwoordigheid van den jongen ingenieur. Zij trachtte te vergeefs hare verlegenheid te verbergen.

“Miss Watkins!” fluisterde haar Cyprianus toe, terwijl hij zich eerbiedig voor haar boog, “ik zou mij wel als mededinger willen opdoen, maar mag, kan ik dat zonder uwe toestemming?”

“Die hebt gij, mijnheer Cyprianus,” antwoordde zij levendig, “en ik voeg er mijne beste wenschen bij.”

“Dan ben ik bereid om naar het uiteinde der wereld te reizen,” zei hij terwijl hij zich tot John Watkins wendde.

“Bij mijne ziel, waarschijnlijk zult gij niet ver van de wijs zijn”, meende Hannibal Pantalucci, “en ik geloof dat die Makatit ons een aardig eindje ver zal voeren. Als hij goed doorgeloopen heeft, kan hij morgen te Potchefstroom zijn en zal hij de bovenlanden bereikt hebben, alvorens wij onze woningen zullen hebben verlaten!”

“Maar, wat belet ons om heden nog.... om dadelijk te vertrekken?” vroeg Cyprianus.

“O, ik waarachtig niet, als gij daarin trek hebt!” antwoordde de Napolitaan. “Maar, wat mij betreft, ik scheep mij nooit in zonder mondvoorraad. Een degelijke wagen met een dozijn ossen bespannen en twee rijpaarden, dat is wel het allerminst wat noodig kan geacht worden voor een tocht als deze. En dat alles is slechts te Potchefstroom te verkrijgen.”

Nogmaals, sprak Hannibal Pantalucci ernstig? Of was het hem alleen te doen [65] om zijne mededingers te doen terugdeinzen? De bevestiging daarvan kon aan twijfel onderhevig zijn. Wat evenwel niet twijfelachtig kon genoemd worden, was dat hij volkomen gelijk had. Zonder zulke vervoermiddelen, zonder dien mondvoorraad zou het volslagen dwaasheid zijn in het noorden van Grikwaland te gaan reizen.

Evenwel, een span ossen—dat wist Cyprianus wel—kostte vier of vijf duizend gulden, en wat hem betrof, hij bezat er geen twee duizend.

“Een goede inval!” zei plotseling James Hilton, die, in zijne hoedanigheid van geboren Afrikaan van Schotschen oorsprong, zeer zuinig van aard was, “waarom zouden wij met ons vieren geen vennootschap aangaan? Iedere kans zou dezelfde blijven, en de onkosten zouden veel minder wezen, daar zij door allen gedragen werden!”

“Dat komt mij zeer juist voor,” zei Friedel.

“Top, dat neem ik aan,” antwoordde Cyprianus zonder aarzeling.

“In dat geval,” meende Hannibal Pantalucci te moeten opmerken, “zullen wij moeten overeenkomen, dat ieder onzer zijne onafhankelijkheid blijft behouden, en dat hij vrij zal wezen zijne makkers te verlaten, wanneer hij dit nuttig en doelmatig zal achten om den vluchteling te achterhalen!”

“Dat spreekt van zelf,” antwoordde James Hilton. “Wij vormen eene maatschap tot aankoop van een wagen, van ossen en levensvoorraad, maar ieder onzer kan heengaan wanneer hij zulks oorbaar of passend zal achten! En des te beter voor hem die het eerste het doel bereikt!”

“Aangenomen!” zeiden Cyprianus, Hannibal, Pantalucci en Friedel.

“En wanneer vertrekt gij?” vroeg John Watkins ongeduldig, daar die overeenkomst zijne kansen, om weer in het bezit van den beroemden diamant te geraken, vervierdubbelde.

“Morgen met den postwagen van Potchefstroom,” antwoordde Friedel.

“Er valt niet aan te denken om vóór dat voertuig aan te komen.”

“Aangenomen!”

Alice had middelerwijl Cyprianus ter zijde genomen en vroeg hem of hij waarlijk geloofde dat Makatit zulk een diefstal zoude bedreven hebben?

“Miss Watkins,” antwoordde de jeugdige ingenieur, “ik ben verplicht te erkennen, dat alle omstandigheden tegen hem pleiten, doordat hij de vlucht genomen heeft. Maar wat mij zeker voorkomt, dat is dat die Hannibal Pantalucci mij geheel den indruk heeft gegeven, dat hij meer van de verdwijning van den diamant afweet, dan hij wel zal willen bekennen. Wat een galgentronie heeft die man.... en welken schitterenden vennoot zal ik in hem aantreffen!... Maar bah! men moet roeien met de riemen die men heeft! Het is, alles goed beschouwd, toch nog beter dien man in de nabijheid te hebben, om zijne bewegingen te kunnen gadeslaan, dan dat hij alleen en volgens zijn eigen goedvinden kon handelen.”

De drie mededingers namen weldra afscheid van John Watkins en van zijne dochter. Wat in de gegeven omstandigheden zeer natuurlijk bevonden moest worden, is dat het afscheidnemen uiterst kort geschiedde en zich bepaalde tot het wisselen van een handdruk. Wat zouden die ijverzuchtige mededingers, die te zamen vertrokken en elkander naar den duivel wenschten, ook te vertellen hebben gehad, wat de anderen niet mochten hooren?

Toen Cyprianus te huis kwam, vond hij daar Li en Bardik. Die jonge Kaffer had zich, sedert hij bij den Franschman in dienst getreden was, zeer ijverig betoond. De Chinees stond met hem op den deurdrempel te babbelen. De jonge ingenieur deelde hen mede, dat hij ging vertrekken in gezelschap van Friedel, van James Hilton en van Hannibal Pantalucci, om jacht op Makatit te maken.

Beiden wisselden toen een blik, een enkelen slechts; naderden elkander, en zonder in het minst hunne meening omtrent den vluchteling uit te spreken, zeiden zij :

“Vadertje, neem ons mede met u; wij smeeken er u dringend om!”

“U meenemen?.... Om wat te doen, asjeblieft?”

“Om uwe koffie te zetten en uwe maaltijden gereed te maken,” zei Bardik.

“Om uw linnengoed te wasschen,” vulde Li aan.

“En om de kwaadwilligen te beletten u te schaden,” hernamen beiden te [66] zamen, alsof zij zulks vooraf afgesproken hadden.

Cyprianus gunde hun een dankbaren blik.

“Goed!” antwoordde hij, “op uw verlangen neem ik u beiden mede!”

Daarop ging hij afscheid nemen van den ouden Jacobus Vandergaart, die, zonder goed- of af te keuren dat Cyprianus aan dien tocht deelnam hem hartelijk de hand drukte en hem een goede en voorspoedige reis toewenschte.

Toen de jeugdige ingenieur zich den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag, gevolgd door zijne twee getrouwen, naar het kampement Vandergaart begaf om den postwagen van Potchefstroom te bereiken, wierp hij in het voorbijgaan een blik op de hoeve van John Watkins, waar alles zoo het scheen nog in slaap gedompeld was.

Was het verbeelding? Of een droombeeld? Hij meende achter het witte mousseline van een der vensters een lichte gedaante te herkennen, die op het oogenblik dat hij voorbijstapte hem een gebaar van vaarwel toewenkte.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings