Een komplot.
Reading edition
Na eene week reizens was de karavaan in een streek aangekomen, die in geenen deele geleek op eenig land dat onze spoorzoekers doorreisd hadden, sedert zij Grikwaland verlieten. Men naderde thans het bergland, hetwelk Makatit [79] zich volgens alle ingewonnen berichten waarschijnlijk tot einddoel zijner reis gesteld had. Het hooge land, dat men nader kwam, werd genoegzaam aangekondigd door de vele bergstroomen, die van de hellingen afdaalden, en door eene planten- en dierenwereld, geheel verschillend van die der vlakte.
Een der eerste valleien, die zich voor hunne oogen opdeed, leverde hun bij zons-ondergang een buitengewoon frisch en lachend schouwspel.
Eene rivier, welker water zoo helder was, dat men overal de bedding zien kon, kronkelde tusschen twee smaragd-groene grasvelden. Talrijke vruchtboomen met hun rijk geschakeerden bladerdos tooiden de hellingen der heuvels, die dit bekken omsloten. Op dien bodem, die gedeeltelijk door de zon nog beschenen, gedeeltelijk door de kolossale broodboomen beschaduwd werd, graasden vreedzaam talrijke kudden van roode antilopen, van zebra’s of van buffels. Iets verder schreed een rhinoceros met loggen tred door eene breede open plek en begaf zich naar den rivieroever en knorde reeds van blijdschap bij de gedachte, dat hij die heldere wateren troebel zou maken door er zijne vleeschachtige massa in te plompen. Hier en daar vernam men het gegeeuw van eenig wild dier, dat zich onder het struikgewas verveelde. Men zag er een wilden ezel die balkte, terwijl boven hem geheele troepen apen in de boomen dartelden en elkander nazaten als kwajongens.
Cyprianus en zijne beide makkers hadden boven op een heuvel halt gemaakt, om dat voor hen zoo nieuwe tooneel op hun gemak te kunnen genieten. Zij waren eindelijk in een van de oerstreken aangekomen, waar het wilde dier als onbetwiste heerscher van den grond, zoo gelukkig en zoo vrij leefde, dat het zelfs het bestaan van eenig gevaar niet giste. Wat vooral opmerkenswaardig genoemd kon worden, was niet alleen de talrijkheid en de rustige aard van die dieren, maar ook de bewonderenswaardige verscheidenheid van het dierenrijk, hetwelk zij in dit gedeelte van Afrika vertegenwoordigden. Men zou waarlijk geloofd hebben een van die vreemdsoortige schilderijen onder de oogen te hebben, waarop de schilder zich tot taak schijnt gesteld te hebben, binnen een engen kring al de voornaamste typen van het dierenrijk te vereenigen.
Weinig menschelijke bewoners werden evenwel aangetroffen. De Kaffers, wel is waar, konden slechts te midden van de onmetelijke streken zeer dun gezaaid zijn op deze oppervlakten. Het was nog niet de woestijn, maar veel scheelde het niet.
Cyprianus in zijne neigingen van geleerde en van kunstenaar geprikkeld, was er niet verre van af te gelooven, dat hij in den voorhistorischen tijd, waarin het megatherum en andere voorzondvloedlijke dieren leefden, terug gebracht was.
“Er ontbreken hier nog maar olifanten,” sprak hij, “om het feest volkomen te maken!”
Hij werd evenwel als op zijn woord bediend. Li strekte den arm uit en toonde hem te midden van eene uitgestrekte vlakte, verscheidene grijsachtige massa’s. Van uit de verte gezien, was het alsof het zooveel rotsen waren en men zou in die meening gestijfd zijn zoowel door hunne onbeweeglijkheid als door hunne kleur. Inderdaad, het was eene kudde olifanten. Het grasveld was er mede gevlekt over eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen.
“Je hebt dus ook verstand van olifanten?” vroeg Cyprianus aan den Chinees, terwijl men aanstalten maakte om het nachtelijke verblijf in gereedheid te brengen.
Li knipte met zijne kleine scheefstaande oogen.
“Ik heb twee jaar op Ceylon gewoond en daar als helper ijverig aan de drijfjachten deelgenomen,” antwoordde hij met die geheimzinnige terughouding, die bij hem steeds waar te nemen was, wanneer het zijne levensgeschiedenis gold.
“Ik wilde wel, dat wij een paar van die monsters konden neerleggen,” sprak James Hilton. “O! dat is zoo’n prettige jacht!”
“Ja,” vulde Hannibal Pantalucci aan, “en eene jacht, waarbij het wild waarachtig het schot kruit wel waard is. Bij voorbeeld twee olifantstanden kunnen een’ aanzienlijken buit genoemd worden en wij zouden in het achtergedeelte van onzen wagen wel ruimte vinden om drie of vier dozijn van die [80] tanden te bergen!.... Beseft ge wel, makkers, dat niet meer noodig ware om de kosten van onze reis te dekken?”
“Maar, dat is een denkbeeld—en een uitmuntend zelfs,” riep James Hilton uit. “Waarom zouden wij morgen niet reeds die jacht beproeven, voor dat wij de reis voortzetten?”
Men besprak het voorstel en eindelijk werd besloten, dat men bij het krieken van den dag het kamp zoude opbreken en dat men het geluk zou gaan beproeven, naar den kant van de vallei, waar olifanten bespeurd waren.
Nadat die beslissing genomen en het middagmaal zoo haastig mogelijk verorberd was, kroop ieder onder de huif van den wagen, behalve James Hilton, die de wacht had, en derhalve dien nacht bij het vuur moest waken.
Hij had zoo omstreeks twee uren in de eenzaamheid doorgebracht, en hij begon reeds in te dutten, toen hij zich zachtkens tegen den elleboog voelde stooten. Hij opende de oogen en zag dat Hannibal Pantalucci naast hem gezeten was.
“Ik kan niet slapen,” zei de Napolitaan, “en in dat geval denk ik, dat ik even goed bij u kan komen zitten.”
“Dat is zeer vriendelijk van u,” antwoordde James Hilton, terwijl hij zich uitrekte, “mij zouden eenige uren slapens niet onwelkom zijn. Als gij zoudt willen, zouden wij het met elkander kunnen vinden! Ik zou onder de huif uwe plaats kunnen gaan innemen en gij de mijne hier?”
“Neen!.... blijf! Ik heb met u te praten!” hernam Hannibal Pantalucci met gedempte stem.
Hij keek rond om zich te overtuigen, of zij wel alleen waren, en hernam daarna:
“Hebt gij ooit een olifantsjacht bijgewoond?”
“Ja, twee malen,” antwoordde James Hilton.
“Welnu, dan weet gij, dat het eene gevaarlijke jacht is. De olifant is zeer verstandig, zeer slim en zeer goed gewapend. Het is zelden, dat de mensch bij een strijd tegen dat dier niet het onderspit moet delven.”
“Jawel, dat is zoo, als gij van de onhandigen spreekt!” antwoordde James Hilton. “Met een goede karabijn evenwel, die met ontplofbare kogels geladen is, is het gevaar nul en valt er niet veel te vreezen!”
“Zoo dacht ik er ook over,” hernam de Napolitaan. “Er kunnen evenwel ongelukken gebeuren!.... Veronderstel eens, dat er morgen den Franschman een overkomt, dan zou het een ramp voor de wetenschap zijn!”
“Een ware ramp!” herhaalde James Hilton.
Hij lachte evenwel daarbij met een boosaardigen lach.
“Voor ons zou die ramp zoo heel groot niet zijn,” hernam Hannibal Pantalucci, aangemoedigd door den lach van zijn makker. “Wij zouden dan slechts twee zijn om Makatit en zijn diamant na te zetten!.... Nu kan men zich met zijn tweeën beter verstaan dan....”
Beide mannen bleven het stilzwijgen bewaren, met de oogen op de brandende takken gericht en de gedachten vervuld met hunne misdadige ontwerpen.
“Ja, zeker.... met zijn tweeën verstaat men elkander beter,” herhaalde de Napolitaan. “Met zijn drieën is dat moeielijker!”
Weer trad een oogenblik van stilte in.
Hannibal Pantalucci hief eensklaps het hoofd op en peilde den donkeren nacht, die hem omgaf.
“Hebt gij niets gehoord?” vroeg hij zacht fluisterend. “Ik meende eene schaduw achter dien broodboom te zien.”
James Hilton keek op zijne beurt uit, maar al was zijn oog ook nog zoo scherp, hij ontwaarde niets verdachts in den omtrek der legerplaats.
“Ik zie niets!” zei hij. “Wellicht heeft het linnen, dat de Chinees in den nachtdauw te bleeken heeft gelegd, uw oog getrokken.”
Het gesprek werd weldra tusschen de twee medeplichtigen hervat, maar fluisterend ditmaal:
“Ik zou de patronen van zijn geweer kunnen aftrekken, zonder dat hij zulks merkte,” zei Hannibal Pantalucci. “Ik zou vervolgens bij het aanvallen van een olifant een schot achter hem kunnen lossen, zoodat het dier hem dan moest bespeuren.... Nu, dan zou het niet lang meer duren!....”
“Jongens, dat is niet van gewicht ontbloot, wat ge daar zegt,” antwoordde James Hilton ontwijkend. [81]
“Kom, laat mij begaan, en gij zult zien dat de geheele zaak van een leien dakje zal glijden,” hernam de Napolitaan.
Toen Hannibal Pantalucci zijne plaats onder de huif een uur later weer innam, stak hij voorzichtig een lucifer aan om zich te overtuigen dat niemand zich verroerd had. Deze voorzorg veroorloofde hem zich te overtuigen dat Cyprianus, Bardik en de Chinees Li in diepen slaap gedompeld waren.
Zij hadden er ten minste al het uiterlijke van. Als de Napolitaan er evenwel op verdacht was geweest, dan had hij wellicht opgemerkt dat het luide gesnurk van Li eenigszins kunstmatig klonk.
Bij het aanbreken van den dag was iedereen op de been. Hannibal Pantalucci wist van een oogenblik gebruik te maken, toen Cyprianus zich naar de bijgelegen beek begeven had om zijn morgenwasschingen te verrichten, om de patronen van diens geweer af te trekken. Dat was snel genoeg verricht en vereischte niet eens twintig seconden. Hij bevond zich geheel alleen. Bardik zette koffie en Li was bezig met zijn linnen te verzamelen, dat hij in den nachtdauw op zijn berucht touw, dat hij tusschen twee takken gespannen had, uitgehangen had. Er viel niet aan te twijfelen, niemand had iets gezien.
Toen de koffie gedronken en het ontbijt genuttigd was, vertrokken de jagers te paard, den wagen en de trekossen onder de hoede van Bardik achterlatende.
Li had verzocht de ruiters te mogen volgen en had als eenig wapen het jachtmes zijns meesters medegenomen. De jagers kwamen binnen een half uur op hetzelfde punt aan, waar zij den vorigen avond de olifanten bespeurd hadden. Maar dien dag moest men een weinig verder trekken om hen op te sporen en eene open vlakte bereiken, die zich tusschen den voet van het gebergte en den rechter-oever der rivier uitstrekte.
Een geheele kudde olifanten, twee of drie honderd op zijn minst, waren bezig, terwijl zij in de heldere lucht, die door de opkomende zon nog schitterender was, scherp uitkwamen, hun ontbijt te genieten op het tapijt eener onmetelijke vlakte, die met fijn gras nog bepareld met dauwdroppels, overdekt was. De kleinen sprongen en dartelden allerdwaast rond om hunne moeders of zogen in stilte. De grooten verorberden met voorovergebukten kop en met regelmatig slingerende slurven, het dichte gras van het weiland. Bijna allen waaiden zich versche lucht toe met hunne breede ooren, die, aan lederen mantels gelijk, als indiaansche punka’s bewogen werden.
Er was in de kalmte van dat huiselijk geluk zoo iets heiligs te ontwaren, dat Cyprianus zich diep bewogen gevoelde en aan zijne makkers vroeg om de jacht op te geven.
“Waarom die schuldelooze dieren te dooden?” zei hij. “Is het niet beter hen in vrede in hunne eenzaamheid te laten?”
Maar dit voorstel viel om meer dan ééne reden niet in den smaak van Hannibal Pantalucci.
“Waarom?” vroeg hij spottend. “Wel, om mijne beurs te vullen door ons een goeden voorraad ivoor te verschaffen. Jagen die dikke dieren u angst aan, mijnheer Méré?”
Cyprianus trok de schouders op, zonder die ongepaste vraag te beantwoorden. Toen hij den Napolitaan en zijn makkers zag voortschrijden naar de bedoelde vlakte, deed hij als zij en ging mede.
Alle drie waren thans tot op een afstand van ongeveer drie honderd meters van de olifanten genaderd. De redenen, waarom die slimme dieren met hun fijn gehoor, dat hen zoo spoedig waarschuwde, de nabijheid der jagers nog niet ontwaard hadden, lag daarin dat deze onder den wind naderden en bovendien beschermd waren door een dik boschgedeelte van broodboomen.
Toch begon een der olifanten teekenen van onrust te geven. Hij hief zijn snuit als een vraagteeken in de hoogte.
“Het oogenblik is gekomen,” zei Hannibal Pantalucci met fluisterende stem. “Als wij tot eenig resultaat willen geraken, moeten wij ons op eenigen afstand van elkander plaatsen en ieder ons doelwit kiezen, dan moeten wij te gelijker tijd op een afgesproken sein vuur geven. Dit moeten wij te eerder in acht nemen, daar de geheele kudde op het eerste schot de vlucht gaat nemen.”
Toen dat voorstel aangenomen was, [82] week James Hilton ter rechterzijde uit, terwijl Hannibal Pantalucci datzelfde te gelijkertijd ter linkerzijde deed, en Cyprianus Méré in het centrum der positie bleef voortgaan. Alle drie reden toen op het gemeenschappelijke doel, de open vlakte toe.
Cyprianus voelde op dit oogenblik tot zijne overgroote verwondering twee armen, die hem met bovenmatige kracht om het middel omstrengelden, terwijl Li’s stem hem in het oor fluisterde:
“Ik ben het!.... Ik ben op het achterstel van uw paard gesprongen!... Spreek geen woord!.... Gij zult straks mijne beweegredenen wel begrijpen!”
Cyprianus kwam toen juist bij den rand van het broodboomenboschje aan en was op niet meer dan dertig meters van de olifanten verwijderd. Hij maakte zijn geweer reeds vaardig om op iedere gebeurlijkheid voorbereid te zijn, toen de Chinees hem nog toefluisterde:
“Uw geweer is ontladen!.... Maar laat u dat niet ongerust maken!.... Alles gaat goed!.... Waarachtig alles gaat goed!”
Op hetzelfde oogenblik weerklonk de toon van een scherp fluitje, dat het teeken voor den algemeenen aanval moest zijn. Dadelijk daarop knalde een geweerschot—een enkel slechts—vlak achter Cyprianus.
Deze keerde zich onmiddellijk om en zag Hannibal Pantalucci, die zich achter een boomstam trachtte te verschuilen. Maar hij had geen tijd om daar lang zijne aandacht op te vestigen, want die werd elders geroepen.
Een der olifanten, door dat schot waarschijnlijk gekwetst en ten gevolge van zijne verwonding woedend gemaakt, stormde op hem los. De andere dieren namen, zooals de Napolitaan voorzien had, dadelijk de vlucht met een schrikkelijk getrappel, dat de grond over een omtrek van twee duizend meters deed dreunen.
“Nu zijn we er!” riep Li, die zich steeds aan Cyprianus vastgeklemd hield. “Zoodra het dier op het punt zal zijn om u te bereiken, moet gij Templar een zijsprong doen uitvoeren!.... Draai dan rondom dien struik daar en laat u door den olifant vervolgen.... Het overige neem ik op mij.”
Cyprianus had slechts den tijd om die aanwijzingen werktuigelijk uit te voeren, want de dikhuid stormde met den snuit hoog verheven, met bloed beloopen oogen, met open mond en met de voortanden vooruitstekend en daarbij eene ongeloofelijke snelheid ontwikkelend, op hem los.
Templar gedroeg zich in die omstandigheden als een oud krijger. Het edele dier gehoorzaamde met de meest bewonderenswaardige stiptheid aan de drukking der knieën en aan het aanleggen der beenen van zijnen berijder, en volvoerde juist op het gewilde oogenblik een hevigen zijsprong ter rechterzijde. De olifant, door de zwaartekracht voortgedreven, vloog het paard zonder het te raken voorbij ter zelfder plaats, die ruiter en paard ter nauwernood verlaten hadden.
Intusschen had de Chinees zich op den grond laten glijden, na zijn mes zonder een woord te spreken uit de scheede gehaald te hebben. Met een vluggen sprong wierp hij zich achter den struik, dien hij zijn baas getoond had.
“Daar!.... daar!.... wend nu om den struik en laat u vervolgen!” riep hij andermaal.
De olifant was omgekeerd en kwam nu op hem terug, dubbel verwoed, doordat hij bij zijn eersten aanslag niet geslaagd was. Cyprianus, alhoewel hij de door Li aangeduide beweging niet begreep, volvoerde haar toch stiptelijk. Hij draaide en wendde rondom den struik, door het woest ademende dier op de hielen vervolgd. Twee malen ontweek hij nog den schok door een plotselingen zijsprong van zijn paard. Maar zou die taktiek langen tijd slagen? Hoopte Li het dier zoo af te maken?
Die vragen stelde zich Cyprianus, zonder daarop een voldoend antwoord te kunnen geven, toen hij plotseling den olifant tot zijn groote verbazing op de knieën zag ineenzakken.
Li, met eene onvergelijkelijke behendigheid van het gunstige oogenblik gebruik makende, was door het gras voortgekropen tot onder de pooten van het dier en had met één enkelen houw van zijn jachtmes de spier van den hiel, die bij den mensch de Achillespees genoemd wordt, doorgesneden.
Zoo gaan de Hindoes bij hunne jachtondernemingen op den olifant te werk en de Chinees moest die handeling [83] meermalen op Ceylon beoefend hebben, af te leiden uit de juistheid en de koelbloedigheid, waarmede zij uitgevoerd was. Machteloos en op den grond uitgestrekt, bleef de olifant liggen, terwijl zijn kop in het dichte gras verborgen scheen. Een beek van bloed stroomde uit de wond en verzwakte hem klaarblijkelijk.
“Hoerah!.... Bravo....” riepen Hannibal Pantalucci en James Hilton, terwijl zij toen eerst op het tooneel van den strijd verschenen.
“Men moet hem met een kogelschot in het oog afmaken!” zei James Hilton, die een onbedwingbare behoefte ondervond, om in beweging te blijven en een rol in dit drama te spelen.
Daarop bracht hij den kolf van zijn geweer aan den schouder en gaf vuur.
Bijna ter zelfder tijd hoorde men in het lichaam van het reusachtige dier het springen van den ontplofbaren kogel. Het ondervond eene laatste stuiptrekking en bleef daarna onbeweeglijk liggen evenals eene grijsachtige rots langs de boorden van den weg.
“Het is uit met hem!” riep James Hilton, terwijl hij zijn paard vooruit dreef tot dicht bij het dier, om beter te kunnen zien.
“Wacht!.... wacht nog!....” scheen de sluwe blik van den Chinees tot zijn baas te zeggen.
Er viel niet lang naar het schrikkelijk, maar niet te vermijden uiteinde van dat tooneel te wachten.
Inderdaad, nauwelijks was James Hilton dicht bij den olifant gekomen en boog hij zich over zijn stijgbeugel om bij wijze van spotternij een van zijn groote ooren op te heffen, toen het dier eensklaps zijn snuit met eene onverwachte beweging op den onvoorzichtigen jager deed neerkomen, hem de wervelkolom brak en het hoofd verbrijzelde, voordat de toeschouwers van die schrikkelijke ontknooping den tijd hadden om tusschenbeide te treden, ten einde haar te voorkomen.
James Hilton kon slechts een laatsten gil doen hooren. In minder dan vier seconden bleef van hem niets anders meer over dan een bloedige vleeschklomp, waarop de olifant zich liet neervallen, om niet weer op te staan.
“Ik was er zeker van, dat hij zich slechts dood hield,” zei de Chinees met rustige stem, terwijl hij het hoofd schudde. “De olifanten handelen nooit anders, wanneer de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”
Dat was het eenige rouwbeklag van James Hilton. De jeugdige ingenieur, nog onder den indruk van de verraderlijke streek, waarvan hij bijna het slachtoffer was geworden, kon de gedachte aan eene rechtvaardige wedervergelding niet onderdrukken ten opzichte van een der ellendelingen, die hem weerloos aan de blinde woede van een zoo schrikkelijk dier had willen overleveren.
Wat de gedachten van den Napolitaan waren? Hij achtte het geraden ze voor zich te houden.
De Chinees was middelerwijl reeds met zijn jachtmes bezig om een kuil onder de graszoden van de vlakte te maken, waarin hij door Cyprianus geholpen, weldra de vormlooze overblijfselen van diens vijand ter aarde bestelde.
Dat alles deed eenigen tijd verloren gaan, en de zon stond reeds hoog boven den horizon, toen de drie jagers naar het kamp terugkeerden.
Toen zij daar evenwel aankwamen, was hunne verwondering groot!.... Want Bardik was er niet meer.