← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

Ten noorden van de Limpopo-Rivier.

Reading edition

Er waren drie dagen van onderzoekingen en loodingen noodig om eene waadbare plaats dwars door de bedding van de Limpopo te vinden. En het was nog maar zeer twijfelachtig, of men haar gevonden zou hebben, wanneer niet eenige Macalaccasche Kaffers, die daar bij den oever der rivier rondzwierven, waren aangetroffen en zich hadden bereid verklaard om de karavaan tot gidsen te verstrekken.

De Kaffers van dat ras zijn arme domme duivels, die door de meer ontwikkelde Betjuanen in eene afzichtelijke dienstbaarheid gehouden worden. Zij worden, zonder op eenige belooning uitzicht te hebben, tot den meest zwaren arbeid gedwongen, en daarbij met hardheid en ruwheid behandeld. Wat meer zeggen wil: het is hun op straffe des doods verboden vleeschspijzen te eten. De rampzalige Macalaccassen kunnen zooveel wild dooden, als zij op hun pad ontmoeten, op voorwaarde dat zij het bij hunne heeren en meesters te huis brengen. En die laten hun niets anders dan de ingewanden over, zooals de Europeesche jagers ongeveer met hunne jachthonden handelen.

Een Macalaccasche Kaffer bezit niets in eigendom, zelfs de ellendige hut, niet, die hij bewoont, zelfs de kalabas niet, waaruit hij drinkt. Hij loopt nagenoeg naakt rond, is mager en zonder vleesch, en draagt buffeldarmen over den schouder, die men op eenigen afstand voor ellenlange zwarte worsten zoude kunnen houden en die in werkelijkheid niets anders zijn dan zeer oorspronkelijke ontvangers, waarin hij zijn voorraad water met zich voert. [74]

De handelsgeest van Bardik openbaarde zich weldra in het volleerde kunststukje, waardoor hij die ongelukkigen tot bekentenis wist te brengen, dat zij in weerwil van hunne ellende eenige struisveeren bezaten, die zij zorgvuldig in naburige struiken verborgen hadden. Hij deed hen onmiddellijk den voorslag om ze te koopen, waartoe hij met hen des avonds op eene bepaalde plaats zou samenkomen.

“Gij hebt dus geld om hen in ruil daarvoor te geven?” vroeg Cyprianus tamelijk verwonderd.

Bardik haalde al lachende een handvol koperen knoopen te voorschijn, die hij sedert een paar maanden opgezameld had en die hij in een linnen zakje bij zich droeg.

“Dat’s gekheid!” zeide Cyprianus. “Dat is geen gangbare munt, en ik mag niet toestaan, dat die arme drommels met eenige dozijnen knoopen gefopt worden!”

Hij had mooi praten; het was onmogelijk Bardik te doen begrijpen, dan in zoo’n handel iets berispelijks gelegen was.

“Wanneer de Macalaccassen mijne knoopen tegen hunne struisveeren willen inruilen,” antwoordde hij in allen ernst, “wie zal er dan wat tegen te zeggen hebben? Gij weet zeer goed, dat de inzameling van die veêren hen niets gekost heeft. Zij hebben zelfs het recht niet om die te bezitten; zij durven ze slechts ter sluiks vertoonen! Een knoop daarentegen is een nuttig voorwerp, veel nuttiger dan een veer van een struisvogel! Waarom zou het mij dan verboden zijn hen een of twee dozijn van die nuttige knoopen in ruil voor een gelijk aantal veeren aan te bieden?”

Die redeneering was wel spitsvondig, maar toch niet eerlijk. Wat de Kaffer niet inzag was, dat de Macalaccassen zijne knoopen zouden aannemen niet zoozeer voor het gebruik, dat zij er van zouden kunnen maken, daar zij bijna geen kledingstukken aan het lijf droegen, maar wel voor de veronderstelde waarde, die zij aan die metalen schijfjes, welke zoozeer op muntstukken geleken, toekenden. Zoo beschouwd, was die ruil werkelijk bedrog.

Toch moest Cyprianus tot de erkenning komen, dat zijne redeneering te hoog was voor het begrip van dien wilde, die op het gebied van warenomzetting een ruim geweten had. Hij liet hem dus handelen zooals hij wilde.

De handelsoperatie van Bardik werd des avonds met fakkellicht volvoerd. De Macalaccassen waren klaarblijkelijk zeer bevreesd door hun opkooper bedrogen te worden. Zij vergenoegden zich dan ook niet met de lichten, die de blanken ontstoken hadden, maar zij brachten elk een bos maïs-stengels mede, die zij in den grond plantten en daarna aanstaken.

Vervolgens haalden die inboorlingen hunne struisveeren voor den dag en beijverden zich om de knoopen van Bardik te bezichtigen.

Toen begonnen zij onder een oorverdoovend geschreeuw, gepaard met buitensporige gebaren, een redetwist over den aard en de waarde van die metalen schijfjes.

Niemand verstond een woord van hetgeen zij in hunne snelsprakige taal vertelden, maar het was voldoende om hunne met bloed beloopen oogen, hunne welsprekende gebaren en hunnen toorn te zien, om te begrijpen, dat de woordentwist over een hoogst belangrijk vraagstuk voor hen liep.

Dit hartstochtelijke gekakel werd plotseling door eene onverwachte verschijning afgebroken.

Een neger van hooge gestalte, die zich waardiglijk in een leelijken mantel van rood katoen gewikkeld had en wiens voorhoofd getooid was met een soort van diadeem, die door de Kaffersche krijgslieden wordt gedragen en van schapendarmen vervaardigd is, trad uit het struikgewas te voorschijn, in welker nabijheid het loven en bieden geschiedde. Hij sloeg woest met den steel zijner lans op de Macalaccassen, die op heeter daad betrapt waren, zich met verboden handelszaken in te laten.

“Lopepo!...... Lopepo!......” schreeuwden de ongelukkige wilden, terwijl zij uit elkaar stoven als een troep overvallen ratten.

Een kring van zwarte krijgslieden kwam evenwel uit al de omliggende struiken te voorschijn en omgaf de schuldigen, die natuurlijk in hunne vlucht weerhouden werden.

Toen deed Lopepo zich al de knoopen overhandigen. Hij bekeek ze zeer [75] zorgvuldig bij het schijnsel der toortsen en borg ze met een lach van vergenoegen in zijn leeren tasch. Daarna trad hij op Bardik toe, nam hem de reeds geleverde struisveêren uit de handen en eigende zich die ook toe, zooals hij met de knoopen gedaan had.

De blanken waren lijdzame toeschouwers van dat geheele tooneel gebleven. zij wisten niet, wat zij doen zouden, òf lijdzaam blijven òf tusschenbeiden komen. Lopepo hakte den knoop door. Hij trad hen te gemoet, en op eenige passen afstand van hen gekomen, maakte hij halt en hield eene aanspraak op zeer bevelenden toon, die voor allen, op een na, geheel onverstaanbaar was.

James Hilton evenwel, die eenige woorden van de Betjuanen-taal verstond, slaagde er in om den algemeenen zin van die redevoering te vatten en vertaalde haar voor zijn makkers. De grondtoon van die toespraak was, dat het Kaffer-opperhoofd er zich over beklaagde, dat men Bardik veroorloofd had handel te drijven met de Macalaccassen, die niets in eigendom mochten bezitten. De neger verklaarde bij het slot van zijn gebabbel, dat hij de verboden koopwaren benaderde, en vroeg of de blanken daartegen iets hadden in te brengen.

De meening van dezen omtrent de te kiezen partij was verdeeld. Hannibal Pantalucci was van oordeel, dat men dadelijk moest toegeven, om niet in twist met het Betjuanen-opperhoofd te geraken. James Hilton en Cyprianus erkenden wel, dat er iets goeds in die opvatting was, maar vreesden, dat wanneer men zich te meegaande in die zaak toonde; Lopepo daardoor overmoedig zoude worden en dan wellicht eischen zoude stellen, die tot eene onherroepelijke vredebreuk konden leiden.

Men hield spoedig raad met gedempte stem, waarin overeengekomen werd, dat men de knoopen aan de Betjuanen zou laten, maar dat zij de struisveeren moesten teruggeven.

James Hilton had alle moeite om dat door middel van gebaren en van eenige Kafferwoorden verstaanbaar te maken. Eerst vermeende Lopepo eene staatkundige houding te moeten aannemen en van aarzeling te doen blijken. Hij ontwaarde evenwel het glinsteren van de loopen der geweren in handen van de Europeanen; dat gaf den doorslag, zoodat hij de veeren teruggaf.

Maar van stonde af aan bleek dat opperhoofd, dat inderdaad zeer slim was, meer meegaande te zijn. Hij bood aan de drie blanken, aan Bardik en Li een snuifje uit zijne groote snuifdoos, en nam vervolgens in het bivouac plaats. De Napolitaan bood hem een glas brandewijn aan, hetgeen hem goed gemutst maakte. Eindelijk stond hij op, na daar anderhalf uur stom als een visch gezeten te hebben, en noodigde de karavaan uit om hem den volgenden dag een bezoek in zijne kraal te brengen.

Men deed hem de verlangde belofte, waarop hij vervolgens, na met allen een handdruk gewisseld te hebben, met deftigen stap heen ging.

Iedereen ging na zijn vertrek slapen, behalve Cyprianus, die, na zich in zijne dekens gewikkeld te hebben, bij het beschouwen der sterren wakend droomde. Het was nieuwe maan, maar de nacht was overheerlijk helder door het groot aantal sterren, dat zichtbaar was. Het wachtvuur was uitgegaan zonder dat de jeugdige ingenieur er op gelet had.

Hij dacht aan zijne verwanten, die waarlijk niet konden gissen dat hij in dit oogenblik door een zoodanig avontuur als hem voortjoeg, in de volle woestijn van Zuid-Afrika getrokken was; hij dacht aan de bekoorlijke Alice, die op hare beurt thans ook misschien naar de sterren keek; hij dacht, in één woord, aan al de wezens, die hem dierbaar waren. En zich door die zachte droomerijen latende vervoeren, welke door de stilte van die onmetelijke vlakten in een dichterlijk waas gehuld werden, was hij op het punt van in te dommelen, toen een hoefgetrappel, een zonderling leven, komende van den kant, waar de trekossen voor den nacht gestald waren, hem wakker maakte en hem deed opspringen.

Cyprianus meende toen in het duister eene gedaante te onderscheiden, die minder hoog en meer ineengedrongen was dan die der ossen en die al dat spektakel veroorzaakte.

Zonder zich recht rekenschap te geven, wat die gedaante eigenlijk was, greep Cyprianus eene zweep, die voor de hand lag, en schreed voorzichtig [76] naar de plek, waar de ossen gestald waren.

Hij had zich niet vergist: er was daar in de nabijheid der trekdieren een vreemd beest, dat hun slaap gestoord had.

Nog niet geheel wakker, en zonder na te denken over hetgeen hij uitvoerde, hief Cyprianus zijne zweep omhoog en striemde den muil van den ongenoodigden gast met een fermen zweepslag.

Een verschrikkelijk gebrul was het antwoord op dien aanval!.... Het was waarachtig een leeuw, die door den jongen ingenieur als een stouten poedel behandeld was!

Onze Franschman had nauwelijks den tijd om een der revolvers ter hand te nemen, die hij steeds aan zijn gordel droeg, en om een zijsprong uit te voeren, toen het dier op hem toesprong zonder hem te bereiken, zich omwendde en andermaal op hem toevloog en zijn arm greep.

Cyprianus voelde de scherpe klauwen zijn vleesch verscheuren. Door den schok viel hij omver en rolde in het stof met het schrikkelijke wilde dier. Een schot knalde eensklaps! Het lichaam van den leeuw trilde onder eene laatste stuiptrekking, rekte zich uit en bleef bewegingloos liggen.

Cyprianus, die niets van zijne koelbloedigheid verloren had, had met de hand, die nog vrij gebleven was, den loop van de revolver in het oor van het monster geplaatst, wiens schedel door een ontplofbaren kogel verbrijzeld werd.

De slapende makkers van den ingenieur, door het gebrul van den leeuw en door den knal van het revolverschot gewekt, stonden naar het gevecht te zien. Men bevrijdde Cyprianus, die half verpletterd onder het gewicht van het overgroote dier lag; men onderzocht zijne wonden, die niets te beduiden hadden. Li verbond ze met eenige zwachtels met brandewijn bevochtigd; daarna werd de beste plaats in den wagen voor den dappere ingeruimd, en weldra was de geheele karavaan weer ingeslapen onder de hoede van Bardik, die tot het aanbreken van den dag wilde waken.

De dageraad vertoonde zich nauwelijks aan den hemel, toen de stem van James Hilton weerklonk, die zijne makkers smeekte hem te hulp te komen, en aldus een nieuw onheil aankondigde. James Hilton had zich geheel gekleed op het voorgedeelte van den wagen te slapen gelegd. Thans verried zijne stem den vreeselijksten angst, terwijl hij geene beweging durfde maken.

“Eene slang heeft zich rondom mijn rechterknie onder mijn broek gerold,” zeide hij. “Beweegt u niet, of ik ben verloren! Wat moet er toch gedaan worden?”

Zijne oogen puilden uit hunne kassen van angst; zijn gelaat was met eene lijkkleur overtogen. Men ontwaarde inderdaad ter hoogte van zijn rechterknie, onder het blauwe linnen van zijn broek, de tegenwoordigheid van een vreemd lichaam—een soort kabel, die rondom het been gewikkeld was.

De toestand was ernstig. Zooals James Hilton zelf zeer te recht opmerkte, bij de eerste beweging, die hij deed, zou de slang niet nalaten hem te bijten!

Maar te midden van de algemeene verslagenheid nam Bardik op zich om te handelen.

Na het jachtmes van zijn meester, zonder gedruisch te maken, uit de scheede getrokken te hebben, naderde hij James Hilton met eene bijna onmerkbare beweging. Hij schoof vooruit als ware hij een worm. Toen bracht hij zijne oogen ter hoogte van de slang en onderzocht gedurende eenige seconden nauwkeurig de ligging van het gevaarlijke dier. Ongetwijfeld zocht hij zich rekenschap te geven van de plaats, waar de kop der slang zich bevond.

Plotseling richtte hij zich met eene snelle beweging op; daarop bracht hij zijn arm bliksemsnel omlaag, en het staal van het mes drong met een droog en kort geluid ter hoogte van de knie van James Hilton door het linnen zijner broek.

“Gij kunt de slang afschudden!.... Zij is dood!” zei Bardik, terwijl hij glimlachende al zijne tanden liet zien.

James Hilton gehoorzaamde werktuiglijk en schudde het been.... De slang viel voor zijne voeten.

Het was een adder met zwarten kop van slechts een duim middellijn, maar welks beet voldoende zoude geweest zijn om een schrikkelijken dood te veroorzaken. De jeugdige Kaffer had haar met eene bewonderenswaardige juistheid onthoofd. De broek van James Hilton vertoonde een snee van nauwelijks [77] zes centimeters, en de huid van den Amerikaan was niet geraakt.

Eene afschuwelijke omstandigheid, die Cyprianus diep verontwaardigde, was dat James Hilton er zelfs niet aan scheen te denken om zijn redder te bedanken. Nu hij uit den knel was, vond hij zijne tusschenkomst heel natuurlijk. Het denkbeeld kon niet bij hem opkomen, om de zwarte hand van den Kaffer in de zijne te nemen en hem toe te voegen: ik ben u het leven verschuldigd.

“Dat mes is waarachtig zeer scherp,” merkte hij eenvoudig op, terwijl Bardik het afwischte en in de scheede stak, zonder zelf groote beteekenis te hechten aan hetgeen hij verricht had.

Het ontbijt bracht verstrooiing aan en wischte weldra de indrukken van dien bewogen nacht uit. Dat ontbijt bestond dien morgen uit slechts één struisvogel-ei, dat met boter gekookt was en voldoende bleek om den eetlust der vijf gasten te verzadigen.

Cyprianus had een lichten aanval van koorts, ter gevolge van zijne wonden die wel ietwat pijnlijk waren. Hij drong er evenwel op aan om Hannibal Pantalucci en James Hilton naar de kraal van Lopepo te vergezellen. Het kamp werd bijgevolg onder de hoede van Bardik en van Li achtergelaten. Deze twee hadden op zich genomen den dooden leeuw te villen. Het was inderdaad een monster van de soort die “hondenbek” geheeten wordt.

De drie ruiters togen alleen op weg.

Het Betjuaansche opperhoofd wachtte hen bij den ingang van zijne kraal op en was door al zijn krijgers omringd. Achter dezen hadden zich de vrouwen en kinderen uit nieuwsgierigheid opgesteld, om de vreemdelingen te zien. Toch speelden sommige van die huismoedertjes de onverschilligen. Voor hunne halfronde hutten gezeten, hielden zij zich ongedwongen met hun huiselijken arbeid bezig.

Eenigen knoopten netten van lang vezelig gras, hetwelk zij als touw draaiden.

Het algemeene uiterlijk was ellendig, hoewel de hutten zeer goed gebouwd waren. Die van Lopepo was veel ruimer dan de anderen, was daarenboven van binnen met stroomatten bekleed en stond in het midden van de kraal.

Het opperhoofd geleidde zijne gasten naar binnen, wees hun drie bankjes aan en zette zich op zijne beurt voor hen neder, terwijl zijne eerewacht zich achter hem in een kring schaarde.

Men begon met de gebruikelijke plichtplegingen te betrachten, die zich gewoonlijk bepalen tot het drinken van een kom gegisten drank, die in de keuken van den gastheer vervaardigd werd. Om evenwel te bewijzen, dat deze geene trouwelooze voornemens koesterde, begon hij met de kom aan zijne lippen te brengen, alvorens haar aan de vreemde gasten aan te bieden. Het zou een doodelijke beleediging zijn, wanneer de drank na die beleefde uitnoodiging geweigerd werd. De drie blanken slikten dus dat Kafferbrouwsel, evenwel niet zonder dat Hannibal Pantalucci afschuwelijk leelijke gezichten getrokken had, terwijl hij ter zijde mompelde dat hij de voorkeur zoude gegeven hebben aan een glas Lacryma-Christi boven dit walgelijk Betjuaansch apothekersdrankje.

Daarna begon men over zaken te kouten. Lopepo verlangde een geweer te koopen. Dat was evenwel een wensch, die niet ingewilligd kon worden, hoewel hij in ruil aanbood een tamelijk bruikbaar paard en honderd vijftig ponden ivoor. Op dit punt zijn de koloniale verordeningen zeer streng. Zij verbieden de Europeanen wapentuig aan de grenskaffers over te doen, behalve wanneer zij daartoe speciale vergunning van den gouverneur hebben. Om het opperhoofd evenwel tevreden te stellen, hadden de drie gasten van Lopepo voor hem medegebracht een flanellen hemd, een stalen ketting en eene flesch rum, hetgeen een vorstelijk geschenk mocht heeten en hem zichtbaar veel genoegen deed.

Het gevolg daarvan was dan ook, dat het Betjuanen-opperhoofd zich uiterst goed gestemd toonde om al de inlichtingen te verschaffen, die van hem verlangd werden en die, om begrepen te worden, door tusschenkomst van James Hilton verkregen moesten worden.

Vooreerst kreeg men te weten dat een reiziger, die geheel en al aan de beschrijving van Makatit voldeed, de kraal vijf dagen vroeger voorbijgetrokken was. Dat was de eerste tijding, die men sedert weldra twee weken van [78] den vluchteling inwon. Zij was dan ook heel aangenaam en werd dankbaar opgenomen. De jeugdige Kaffer had blijkbaar een paar dagen zoek gebracht met naar de waadbare plaats in de Limpopo te zoeken, en trok thans naar het bergland in het noorden.

Of dat bergland nog ver was? En hoeveel marschdagen die afstand nog bedroeg?

O, slechts zeven of acht.

Of Lopepo in vriendschappelijke verhouding stond met den souvereinen gebieder van het land, waarin Cyprianus en zijne makkers trekken wilden?

Ja zeker, daar stelde Lopepo een eer in! Daarenboven, wie zou niet vriendschappelijk gestemd jegens en den trouwen bondgenoot willen zijn van Tonaïa den Grooten, den onoverwinnelijken overheerscher van de Kafferlanden?

Ontving Tonaïa de Groote de blanken voorkomend?

Ja, omdat hij bij ervaring wist, dat de blanken steeds eene beleediging aan een hunner aangedaan wreken. Waarom met de blanken in oneenigheid te leven? Zijn zij niet de sterksten, dank zij hunne geweren, die zichzelven laden? Neen, het was het beste in vrede met hen te leven, hen goed te ontvangen en eerlijk handel met hunne kooplieden te drijven.

Dat waren de inlichtingen, die Lopepo verschafte. De voornaamste daarvan was verreweg dat Makatit verscheidene marschdagen verloren had, alvorens de rivier te kunnen oversteken, ook dat men nog steeds op zijn spoor was.

Toen Cyprianus, Hannibal Pantalucci en James Hilton in hunne legerplaats terugkeerden, vonden zij Bardik en Li geheel en al overstuur.

Zij hadden, zooals zij verhaalden, een bezoek gekregen van een bende Kaffersche krijgslieden van een anderen stam dan waartoe Lopepo behoorde. Dezen hadden hen eerst omsingeld en daarna aan eene nauwkeurige ondervraging onderworpen. Wat kwamen zij in dit land uitvoeren? Was het niet om de Betjuanen te bespionneeren, om berichten in te winnen, om hunne getalsterkte, hunne krijgsmacht en hunne bewapening te leeren kennen? De vreemdelingen handelden niet wel, wanneer zij zich met zoo’n bedrijf afgaven. Het is waar, hun koning Tonaïa had niets in te brengen, zoolang zij zijne grenzen niet overschreden hadden; maar de zaken veranderden geheel van gedaante, wanneer zij zijn grondgebied zouden binnen dringen.

Dat was de slotsom geweest van hunne gesprekken. De Chinees toonde zich niet erg bewogen; maar Bardik, die gewoonlijk zoo kalm, steeds zoo koelbloedig was, scheen thans uitermate beangst te zijn en wel zoodanig dat Cyprianus zich dat moeilijk verklaren kon.

“Zeer boosaardige krijgslieden!” zei hij, terwijl hij groote verschrikte oogen rolde, “krijgslieden die de blanken haten en hen “kouïk” doen zeggen.

Die uitdrukking beteekende bij de half ontbolsterde Kaffers iemand een gewelddadigen dood doen ondergaan.

Wat nu te doen? Zou men groote waarde aan die mededeeling moeten hechten? Ongetwijfeld neen. Want die krijgslieden hadden, hoewel zij, volgens de medegedeelde berichten, ruim dertig man sterk waren, Bardik en Li, die ongewapend waren, geen kwaad gedaan en hadden geene neiging tot stelen of plunderen aan den dag gelegd. Hunne bedreigingen waren slechts ijdele praatjes, zooals wilden gewoon zijn tegenover vreemdelingen te bezigen. Het zou voldoende zijn het groote opperhoofd Tonaïa eenige beleefdheden te bewijzen en eene openhartige mededeeling te doen omtrent het doel, dat de blanken in zijn land bracht. Dat zou wel allen achterdocht verdrijven en hen eene goede ontvangst verzekeren.

Het werd dan ook afgesproken, dat men de reis voortzetten zou. De hoop van Makatit in te halen en hem den gestolen diamant afhandig te maken, deed iedere andere beschouwing of hinderpaal vergeten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings