Eene verrassing.
Reading edition
De dag waarop de proef eindelijk ten einde zoude loopen, kon een groote dag genoemd worden.
Het vuur werd sedert twee weken niet meer opgestookt, hetgeen ten gevolge had dat het geheele toestel langzamerhand was afgekoeld. Cyprianus oordeelde dat de kristalvorming van de koolstof, wanneer zij onder deze omstandigheden had kunnen plaats hebben, thans moest geschied zijn en ging er dan ook toe over om de laag klei, die om den oven een mantel vormde, weg te nemen. [45]
Die mantel moest met het pikhouweel afgebikt worden, want hij was als de baksteen in den oven van een steenbakker zoo hard geworden. Maar onder de ijverige krachtsinspanning van Makatit was hij weldra in zoover weggeruimd, dat het bovenste gedeelte van den oven—wat men het kapiteel noemt—zichtbaar was. Daarna kwam de geheele oven te voorschijn.
Het hart van den jeugdigen ingenieur bonsde hem in het lijf. Het telde zeker honderd-twintig slagen in de minuut op het oogenblik dat de jonge Kaffer en Li dat kapiteel afnamen.
Hij geloofde zelf niet aan het welslagen zijner pogingen, want hij was een dier menschen die steeds aan hunne eigen krachten twijfelen. Maar, alles goed bekeken, was het toch mogelijk! En wat vreugde zoude het zijn, wanneer dat zoo eens was! Was al zijne hoop op geluk, op roem, op vermogen niet in dien dikken zwarten cylinder besloten, die daar na weken wachtens weer voor zijn oog opdoemde?
O! ellende!.... Het kanon was gesprongen.
Ja, inderdaad, aan de vreeselijke drukking, door den waterdamp en door het moerasgas, die uitermate verhit waren geworden, uitgeoefend, had het staal zelfs geen weerstand kunnen bieden. De buiswand, hoewel die eene dikte van vijf centimeter had, was gebarsten alsof hij van glas geweest ware. Hij vertoonde ter zijde, zoowat op de helft zijner lengte, een gapenden barst, die zich als een breede zwarte muil voordeed, die door de vlammen aangezwart en verwrongen was en die den ontstelden geleerde boosaardig scheen uit te lachen.
Dat was wel ongelukkig! Zoo vele moeiten om dat ellendige resultaat te bereiken! Waarlijk, Cyprianus zou zich minder vernederd gevoeld hebben, wanneer zijn toestel, beter beschermd en beter verzekerd, die vuurproef had kunnen doorstaan! Dat er in den cylinder geen gekristalliseerde koolstof zou gevonden worden, zou hem minder gedeerd hebben, op die teleurstelling had hij zich herhaaldelijk voorbereid! Maar die oude rol staal, die thans slechts bij het oudroest kon geworpen worden, gedurende een maand verhit, afgekoeld, ja, laten wij gerust zeggen gekoesterd te hebben, zie, dat was spotternij van het noodlot. Waarachtig, hij zou die buis met zijn hiel de heuvelhelling hebben willen afschoppen, wanneer hare zwaarte zich niet tegen zulk eene behandeling verzet had!
Cyprianus wilde haar in den oven laten en maakte zich gansch bedroefd gereed om aan Alice dien ellendigen uitslag te gaan mededeelen, toen de weetgierigheid van den scheikundige weer boven kwam en hem er toe bracht een aangestoken lucifer bij de opening der buis te brengen om de binnenruimte te onderzoeken.
“Ongetwijfeld is de laag aarde, waarmede ik den binnenwand bestreken heb, in baksteen veranderd, evenals de buitenmantel van den oven.”
De veronderstelling was gegrond. Evenwel, door een uiterst zeldzaam verschijnsel, dat Cyprianus zich aanvankelijk niet verklaren kon, scheen een soort kleibal zich van die laag aarde afgescheiden te hebben en was afzonderlijk in de buis verhard.
Die bal had eene roode, zwartachtige kleur en omstreeks de doorsnede van een oranjeappel. Hij kon best door den barst van den cylinder heen. Cyprianus greep dien bal vrij onverschillig, om hem te onderzoeken. Hij bemerkte dat het een stuk van de leembrei was, die zich gedurende de verhitting van den cylinderwand kon afgescheiden hebben, en dat daardoor afzonderlijk gebakken was. Hij wilde het wegwerpen, toen hij bespeurde dat het hol klonk, evenals, een aarden pot.
Het geleek wel op eene kleine kruik zonder opening, waarin een soort zware knikker rammelde.
“Net een aarden kinderspaarpotje,” zei Cyprianus.
Indien hij evenwel op verbeurte van zijn leven den uitleg van dat geheimzinnige ding had moeten geven, dan was hij er gek aan toe geweest.
Hij wilde toch weten, wat er in dien bal zat. Hij greep dus een hamer en sloeg dien spaarpot stuk.
Ja waarlijk, het was een spaarpot, en nog wel een, die een onwaardeerbaren schat bevatte. Neen! waarachtig niet! men kon zich niet vergissen met betrekking tot den zwaren keisteen, dien de jeugdige ingenieur toen in de handen hield. Die keisteen was [46] een diamant, in zijne legering besloten evenals gewone diamanten; maar het was een diamant van kolossale afmetingen, van afmetingen die onwaarschijnlijk, en nimmer te voren gezien waren!
Dat de lezer oordeele! Die diamant was dikker dan een hoender-ei en had het uitzicht van een aardappel. Hij moest minstens driehonderd gram wegen. “Een diamant!.... Een kunstmatige diamant!....” herhaalde Cyprianus mompelend en met gedempte stem, want hij was letterlijk verplet. “Ik heb dus de oplossing van het vraagstuk omtrent deze fabriekmatige bereiding gevonden!.... En dat nog wel in weerwil van het ongeval aan de buis overkomen!.... Ik ben dus rijk.... Ik! rijk!!.... En Alice, mijn dierbare Alice, behoort mij dus!”
Maar dan begon hij zijne oogen weer te wantrouwen. Hij geloofde niet wat hij zag.
“Maar dat is onmogelijk!.... Dat is een droombeeld!.... eene zinsbegoocheling!” herhaalde hij, terwijl de duivel des twijfels hem aan het hart knaagde.
En zonder zich den tijd te gunnen om zijn hoed op te zetten, buiten zich zelven, waanzinnig van vreugde, zooals Archimedes moet geweest zijn, toen hij bij het verlaten van zijn bad zijn beroemd grondbeginsel vond en zijn “Eureka” uitgalmde, vloog Cyprianus, eerder dan hij liep, met ongekende vaart, in één rek door naar de woning van Jacobus Vandergaart en viel bij den oude als een bom binnen.
Hij vond den ouden diamantslijper bezig met steenen te onderzoeken, die de makelaar Nathan hem gebracht had om geslepen te worden.
“O! mijnheer Nathan, gij komt juist van pas!” riep Cyprianus uit. “Kijk!.... en gij ook, mijnheer Vandergaart, kijk wat ik u daar breng en zeg mij wat dat is.”
Hij legde daarbij zijn keisteen op de tafel en kruiste zich de armen over de borst.
Nathan nam ’t eerst den steen en verbleekte van verbazing, en gaf hem daarna met opengesperde oogen en geopenden mond aan Jacobus Vandergaart over. Deze bracht het voorwerp ter hoogte van zijne oogen onder het daglicht, dat door zijne vensters binnenviel, en beschouwde het op zijne beurt door zijn bril. Daarna legde hij het op de tafel neer en zei tot Cyprianus met uiterst bedaarde stem:
“Dat, dat is de grootste diamant, die ter wereld bestaat!”
“Ja!.... de grootste,” herhaalde Nathan. “Hij is twee of drie malen grooter dan de Kohinoor, de Berg van Licht, de prachtigste van de Engelsche kroonjuweelen, die honderd negen en zeventig karaten weegt!”
“Hij is twee of driemaal grooter dan de Groote Mogol, de grootste bekende diamant, die twee honderd en tachtig karaten weegt!” hernam de oude diamantslijper.
“Hij is vier of vijfmaal grooter dan de diamant van den Czaar, die honderd drie en negentig karaten weegt,” voegde Nathan er geheel verbouwereerd aan toe.
“Zeven of achtmaal grooter dan de Regent, die honderd zes en dertig karaten weegt,” ging Jacobus Vandergaart voort.
“Twintig of dertigmaal grooter dan de diamant van Dresden, die er slechts een en dertig weegt!” riep Nathan.
En hij voegde er aan toe:
“Ik reken dat deze, na geslepen te zijn, nog vier honderd karaten zal wegen! Maar hoe kan men zich aan eene taxeering van zoo’n steen als deze wagen? Die ontsnapt aan iedere berekening!”
“Waarom zou men hem niet kunnen taxeeren?” vroeg Jacobus Vandergaart, die het kalmste van alles gebleven was. “De waarde van den Kohinoor is op vijftien millioen gulden geschat; die van den Grooten Mogol op zes millioen; die van den diamant van den Czaar op vier millioen; die van den Regent op drie millioen!.... Welnu, deze moet voorzeker op zijn minst gerekend vijftig millioen waard zijn!”
“Ho, ho! dat hangt van zijn kleur en van zijn kwaliteit af!” hernam Nathan, die zijne kalmte herkreeg en de voorbereidende maatregelen reeds meende te moeten nemen met het vooruitzicht op een mogelijken koop van dien steen. “Wanneer hij geheel kleurloos en zonder gebreken is, ja, dan, ja, dan is de waarde onschatbaar! Maar is hij geelachtig getint, zooals de meeste diamanten van Grikwaland, [47] dan zal de waarde minder zijn!.... Maar ik weet niet of ik voor een steen van dezen omvang niet eene fraaie saffierblauwachtige schakeering zou verkiezen, zooals de diamant van Hope, of rooskleurig zooals de Groote Mogol, of zelfs smaragdgroen zooals de diamant van Dresden.”
“Waarachtig niet.... neen!...... neen!” riep de oude diamantslijper met vuur uit. “Ik stel niets boven de kleurlooze steenen!.... Spreek mij van den Kohinoor of van den Regent! Dat is edelgesteente! Daarbij vergeleken zijn de andere maar fantasie-steenen!”
Cyprianus hoorde reeds niet meer.
“Mijne heeren, gij zult mij verontschuldigen,” sprak hij haastig, “maar ik ben verplicht heen te gaan.”
En na zijn steen weer bij zich gestoken te hebben, sloeg hij met de grootst mogelijke haast den weg naar de hoeve in.
Zonder er zelfs aan te denken om aan te kloppen, deed hij de deur der spreekkamer open en hij bevond zich terstond tegenover Alice, die hij, zonder over de onbetamelijkheid van zijn gedrag na te denken, in zijne armen sloot en op beide wangen zoende.
“Welnu, wat heeft dat te beduiden?” riep John Watkins geërgerd over dat onverwacht gedrag uit.
Hij zat aan tafel tegenover Hannibal Pantalucci en was bezig met dien akeligen grappemaker een partij piket te spelen.
“Vergeef mij, miss Watkins!” stamelde Cyprianus, geheel uit het veld geslagen door zijne onbetamelijke daad, hoewel hij van vreugde straalde. “Ik voel mij gelukkig! Ik ben krankzinnig van geluk! Kijk.... wat ik u breng!”
En hij wierp zijn diamant, meer dan hij hem legde, op de tafel tusschen de beide spelers.
Evenals Nathan en Jacobus Vandergaart, begrepen deze beide mannen dadelijk wat er gaande was. John Watkins, die nog maar zeer weinig gin gebruikt had, was buitengewoon helder van geest.
“Gij hebt dien gevonden.... gij zelf.... in uwen claim?” vroeg hij met buitengewone levendigheid.
“Gevonden?.... dezen?” antwoordde Cyprianus met zegevierende stem. “Ik heb beter dan dat gedaan!.... Ik heb hem zooals hij daar ligt, zelf vervaardigd!.... O! mijnheer Watkins, wat is de scheikunde, goed beschouwd, toch eene prachtige wetenschap!”
En hij lachte en hij drukte de fijne vingertjes van Alice in zijne handen, die geheel bedremmeld was over die hartstochtelijke uitingen, maar toch ook verrukt over het geluk van haren vriend. Een bekoorlijk lieve glimlach zweefde om hare lippen.
“O! u ben ik die ontdekking verschuldigd, juffrouw Alice!” hernam de gelukkige Cyprianus. “Wie heeft mij geraden om de scheikunde weer ter hand te nemen? Wie heeft gevorderd, dat ik mij zoude toeleggen op het zoeken naar de vervaardiging van den kunstmatigen diamant? Niemand anders dan uwe bekoorlijke, uwe aanbiddenswaardige dochter, mijnheer Watkins!.... O! ik kan haar mijn eerbied betoonen, zooals de dapperen van vroegere tijden aan hunne dame brachten, en ik kan overal verkondigen dat haar, haar alleen de geheele verdienste dezer ontdekking toekomt!.... Zou ik zonder haar aan zoo iets gedacht hebben?”
John Watkins en Hannibal Pantalucci bekeken den diamant, wierpen elkander een blik toe en schudden het hoofd. Zij waren ten zeerste ontsteld.
“Gij zegt, dat gij dezen vervaardigd hebt.... gij zelf?” hernam eindelijk John Watkins. “Het is dus een valsche steen?”
“Een valsche steen!” riep Cyprianus uit. “Welnu ja!.... een valsche steen!.... Maar Jacobus Vandergaart en de makelaar Nathan schatten hem op een waarde van minstens vijftig millioen, misschien wel meer. Indien het slechts een kunstmatige diamant is, dien ik door eene wijze van bewerking, waarvan ik de uitvinder ben verkregen heb, dan is hij toch behoorlijk authentiek en in niets van een natuurlijken te onderscheiden!.... Ziet zelf, er ontbreekt niets aan.... zelfs de steenlegering niet, waarin de natuurlijke besloten is!”
“En neemt gij op u andere dergelijke diamanten te vervaardigen?” vroeg John Watkins met aandrang.
“Of ik dat op mij neem, mijnheer Watkins! Voorzeker. Ik zal u diamanten leveren in zoo grooten getale dat gij [48] ze met een schop zult kunnen opscheppen!.... Ik zal er u een vervaardigen, die tienmaal, honderdmaal zwaarder zijn dan deze, als gij dat verlangt!.... Ik zal er in zoo groote menigte maken, dat gij uw terras daarmede bevloeren, de wegen van Grikwaland bestraten kunt, als gij dat zult willen!.... De eerste proef is bij zulke zaken de moeilijkste, en de eerste steen eenmaal verkregen, kan het overige als bijzaak beschouwd worden, niets anders dan het regelen van eenige technische bijzonderheden!”
“Maar als dat zoo is,” hernam de Engelschman, die bleek geworden was, “dan zal dat de ondergang der mijnbezitters zijn, zoowel voor mij als voor geheel Grikwaland!”
“Klaarblijkelijk!” riep Cyprianus uit. “Welk belang zal iemand nog hebben om in den grond te wroeten, om kleine bijna waardelooze diamanten te vinden, van het oogenblik af dat het even gemakkelijk zal zijn om door de nijverheid diamanten van alle afmetingen te vervaardigen als een brood van vier pond te bakken!”
“Maar dat is monsterachtig!....” hernam John Watkins. “Maar dat is infaam!.... dat is afgrijselijk!.... Wanneer, wat gij zegt, waar is, wanneer gij werkelijk dat geheim bezit....”
Hij bleef half verstikt in zijne woorden steken.
“Gij ziet,” sprak Cyprianus kalm, “ik vertel geen bakersprookjes. Ik heb hier mijn eerste fabrikaat medegebracht, en ik denk, dat het fraai genoeg is om u te overtuigen!”
“Welnu,” hernam eindelijk John Watkins, nadat hij weer bij adem gekomen was, “welnu, wanneer het waar is.... dan moest men u oogenblikkelijk doodschieten op den grooten weg bij het kamp!.... Ziedaar mijn gevoelen, mijnheer Méré!”
“En het mijne ook!” meende Hannibal Pantalucci met een gebaar van bedreiging er bij te moeten voegen.
Miss Watkins was doodsbleek van haren stoel opgesprongen.
“Mij doodschieten, omdat ik een vraagstuk opgelost heb, dat sedert vijftig jaren ongeveer gesteld is?” vroeg de jeugdige ingenieur, terwijl hij onverschillig de schouders optrok. “Drommels, dat zou toch een beetje al te kras zijn!”
“Er valt niet te lachen, of de schouders op te halen,” hernam de pachter woedend. “Hebt gij wel eens over de gevolgen van uwe zoogenaamde ontdekking nagedacht?.... Aan den gestoorden mijnarbeid.... aan Grikwaland, dat gij van zijne voornaamste nijverheid berooft.... aan mij dien gij tot den bedelstaf brengt?”
“Drommels, ik erken gaarne, dat ik daaraan niet gedacht heb,” antwoordde Cyprianus zeer openhartig, “maar dat zijn de onvermijdelijke gevolgen van den vooruitgang in de nijverheidszaken, en daaromtrent heeft de zuivere wetenschap zich niet te bekreunen!.... Daarenboven, gij persoonlijk hebt u daaromtrent niet te bekommeren, mijnheer Watkins. Weest gij zonder vrees! Wat mij toebehoort is het uwe, en gij kent zeer goed de beweegreden van mijn arbeid in die richting!”
John Watkins begreep eensklaps hoeveel partij hij trekken kon van de ontdekking van den jeugdigen ingenieur. Wat dan ook de Napolitaan er van denken mocht, hij aarzelde geen oogenblik om van meening te veranderen.
“Goed beschouwd,” hernam hij, “is het mogelijk, dat gij gelijk hebt, en gij spreekt als een degelijke, brave kerel, die gij ook zijt, mijnheer Méré! Ja!.... als ik de zaak goed overdenk komt het mij voor, dat wij ons wel verstaan zullen. Waarom zoudt gij eene buitensporige menigte diamanten maken? Dat zou uwe uitvinding verkleinen, onder den voet brengen! Ware het niet wijzer het geheim daarvan te bewaren en er een matig gebruik van te maken, door bij voorbeeld slechts een of twee dergelijke steenen te vervaardigen, of zelfs het bij dit welslagen te laten, daar hij u op eens een aanmerkelijken schat verschaft en u den rijksten man van het geheele land maakt!.... Zoodoende zal iedereen tevreden zijn: de zaken kunnen haar gang gaan, zooals zij tot heden deden, en gij zult de meest eerbiedwaardige belangen niet gedwarsboomd hebben.”
Dat was waarlijk een nieuw gezichtspunt van de kwestie, waaraan Cyprianus nog niet gedacht had; maar het dilemma stelde zich daar plotseling voor zijne oogen, in zijne onvermurwbare gestrengheid: [49] òf het geheim der uitvinding voor zich behouden, de wereld er onkundig van laten en er misbruik van maken, om zich te verrijken, òf wel, zooals John Watkins met recht bemerkte, al de diamanten, de natuurlijke zoowel als de kunstmatige, in waarde te doen verminderen en bijgevolg de fortuin af te wijzen om wat te doen?.... om al de mijnwerkers van Grikwaland, van Brazilië, van Indië en van Borneo ten gronde te richten!
Op dien tweesprong geplaatst, aarzelde Cyprianus een oogenblik, maar ook slechts één enkel. En toch, hij begreep dat wanneer hij partij koos voor de eer, voor de oprechtheid, voor de getrouwheid aan de wetenschap, hij zich daarna onherroepelijk den weg afsloot tot de hoop, die de voornaamste aanleiding was van zijne ontdekking!
De smart was bitter, was knagend, vooral omdat zij hem onverwacht overviel. Zoo’n fraaie droom, en.... zoo neer te storten!
“Mijnheer Watkins,” zei hij ernstig, “indien ik het geheim van mijne ontdekking voor mij hield, dan zou ik slechts een falsaris zijn. Ik zou gelijkstaan, met hem, die met vervalscht gewicht verkoopt; ik zou het publiek omtrent de koopwaar bedriegen! De ontdekkingen door een geleerde gedaan, zijn zijn eigendom niet! Zij maken deel uit van het bezit van allen. Zich eene ontdekking toeëigenen uit eene baatzuchtige beweegreden, zou zich schuldig maken zijn aan de verachtelijkste daad, die een mensch bedrijven kan. Dat zal ik nooit doen!.... Neen! waarachtig niet!.... Ik zal geen week, geen dag wachten om de formule, welke het toeval mij, geholpen door een weinig nadenken, mededeelde, tot publiek domein te maken. Mijne eenige bedenking is hierbij, dat ik het billijk en betamelijk vind, die formule het eerst aan mijn vaderland te doen kennen, aan Frankrijk, dat mij in staat stelde het te kunnen dienen!.... Morgen reeds zal ik het geheim mijner bewerking aan de Academie van Wetenschappen aanbieden. Vaarwel, mijnheer, ik ben u dankbaar mij mijn plicht zoo scherp begrensd onder het oog te hebben gebracht. Ik erken, dat ik aan dien plicht niet gedacht heb!.... Miss Watkins, ik heb een fraaien droom gedroomd!.... Helaas, ik moet er afstand van doen!”
En nog vóór het jonge meisje eene beweging had kunnen doen, om hem in de armen te vliegen, had Cyprianus zijn diamant gegrepen, een buiging voor miss Watkins gemaakt, en was naar buiten geijld.