← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

John Watkins peinst.

Reading edition

Toen Cyprianus met gebroken hart heengegaan was, vastbesloten om zooals hij dat noemde, zijnen ambtsplicht te vervullen, begaf hij zich andermaal naar Jacobus Vandergaart. Hij vond hem thans alleen. De makelaar Nathan had zich gehaast de eerste te zijn, om in het kamp het nieuws te verbreiden, waarin alle mijnwerkers zoozeer belang stellen moesten.

En dat nieuws baarde veel opzien, hoewel men nog niet wist, dat de overgroote diamant van den “monsieur”, zooals men Cyprianus noemde een kunstmatige was. Maar de “monsieur” stoorde zich hoegenaamd niets aan de oudewijvenpraatjes van de Kopjes-mijn! Hij had haast om met den ouden Vandergaart de kwaliteit en de kleur van den steen te onderzoeken, ten einde zijn rapport nauwkeurig te kunnen opmaken. Daarom maakte hij zooveel haast.

“Mijn waarde Jacobus,” zei hij, terwijl hij naast den juwelier plaats nam, “wees zoo vriendelijk daar op dien bult een facet te slijpen, om te kunnen oordeelen, wat onder die steenlegering verborgen zit.”

“Niets is gemakkelijker dan dat,” antwoordde de oude diamantslijper, terwijl hij den steen uit de hand van zijn jongen vriend aannam. “Gij hebt waarachtig een goede plek gekozen,” ging hij voort, terwijl hij op eene kleine dikte aan een der zijden van den steen wees, die bijna overigens volmaakt eirond was. “Wij wagen er niets bij, om aan dien kant te slijpen.”

Jacobus Vandergaart ging zonder dralen aan het werk, en na uit zijne verzameling een ruwen steen van vier of vijf karaten gezocht te hebben, [50] bevestigde hij dien aan het uiteinde eener spil en begon hij de beide uitwendige schillen der twee steenen af te slijpen.

“Ik zou eerder klaar zijn, wanneer ik den steen kon kloven,” zei hij. “Maar wie zou een hamerslag op een steen van dien prijs durven toebrengen?”

De arbeid was zeer lang en zeer eentonig en vorderde niet minder dan twee uren. Toen de facet ruim genoeg was om over den aard van den steen te kunnen oordeelen, moest hij op de draaischijf gepolijst worden, hetgeen ook veel tijd vorderde.

Het was evenwel nog volle dag, toen die werkzaamheden afgeloopen waren. Cyprianus en Jacobus Vandergaart gaven toen aan hunne nieuwsgierigheid toe en bekeken den steen om den uitslag van die slijping en polijsting waar te nemen.

Een fraaie facet, gitzwart van kleur, evenwel van eenen onvergelijkelijk schitterenden glans, vertoonde zich aan hunne oogen.

De diamant was zwart. Eene schier eenige of ten minste hoogst zeldzame bijzonderheid, die de waarde van den steen zoo mogelijk nog verhoogde.

De handen van Jacobus Vandergaart beefden van aandoening, terwijl hij het prachtstuk in het zonlicht liet flikkeren.

“Dat is de meest merkwaardige en schoonste diamant, die ooit te zien is geweest,” zei hij met een zweem van godsdienstigen eerbied. “Wat zal het wel zijn, wanneer hij de lichtstralen zal kunnen weerkaatsen, wanneer hij aan alle kanten geslepen zal zijn!”

“Wilt gij dien arbeid ondernemen?” vroeg Cyprianus levendig.

“Gaarne, mijn waarde vriend! Dat zou de eer en de bekroning van mijn lange loopbaan zijn!.... Maar wellicht doet gij beter een jeugdiger en vaster hand dan de mijne voor dat werk te kiezen.”

“Neen,” antwoordde Cyprianus liefderijk; “niemand, daar ben ik verzekerd van, zal dat werk met meer zorg en niet meer handigheid verrichten dan gij. Houd dien diamant, mijn waarde Jacobus, en slijp hem op uw gemak en naar uwen smaak. Gij zult er een kunststuk van maken! Dat is eene afgedane zaak!”

De grijsaard rolde en draaide den steen tusschen zijne vingers en aarzelde om zijne gedachten mede te deelen.

“Eéne zaak verontrust mij,” zeide hij ten slotte. “Ik kan mij zoo moeilijk over de gedachte heenzetten, dat ik onder mijn dak een kleinood van zooveel waarde zal bergen! Dit is op zijn minst vijf-en-twintig millioen, en misschien wel meer, die ik daar in de palm mijner hand berg! Het is niet zeer voorzichtig, zulk eene verantwoordelijkheid te aanvaarden!”

“Niemand zal er iets van weten, mijnheer Vandergaart, als gij het niet vertelt; en wat mij aangaat, ik verzeker u dat ik zwijgen zal!”

“Hm! men zal gissen! Men kan u gevolgd hebben, toen gij hier heen gingt.... Men zal veronderstellingen maken omtrent hetgeen men niet met zekerheid weet! Het is zoo’n raar volk in dit mijndistrict!.... Neen, ik zou niet gerust slapen!”

“Misschien hebt ge gelijk,” antwoordde Cyprianus, die de aarzeling van den grijsaard wel begreep. “Maar wat dan te doen?”

“Daar peins ik juist over,” hernam Jacobus Vandergaart, die gedurende eenige minuten stilzwijgend bleef zitten.

“Luister,” zei hij eindelijk. “Wat ik u voor te stellen heb, is kiesch en gaat van de veronderstelling uit, dat gij in mij een volkomen vertrouwen stelt. Maar gij kent mij genoegzaam, om niet vreemd te vinden, dat de gedachte van mij uitgaat, om zooveel voorzorgsmaatregelen te nemen!.... Ik moet dadelijk met dezen steen en mijne gereedschappen vertrekken, om ergens eene toevlucht te zoeken in het een of andere hoekje, waar niemand mij kent—te Bloemfontein of te Hope-town bij voorbeeld. Ik zal een bescheiden vertrek huren, ik zal mij daar opsluiten om in het grootste geheim te arbeiden, en ik zal eerst terugkomen, wanneer ik mijne taak zal volbracht hebben. Misschien gelukt het mij zoo, de boosdoeners van het spoor te brengen!.... Maar ik herhaal het: ik ben bijna verlegen om een zoodanig plan te berde te brengen!”

“En toch vind ik het goed ontworpen,” antwoordde Cyprianus; “en ik kan u slechts aansporen om het te verwezenlijken!”

“Reken er op dat het lang zal duren. [51] Ik zal minstens een maand noodig hebben, en onderweg kan mij eenig ongeval overkomen.”

“Om het even, als gij meent dat dit het beste is, wat wij doen kunnen, mijnheer Vandergaart. En alles wel beschouwd, het ongeluk zou zoo groot niet zijn, wanneer de diamant verloren ging.”

Vandergaart keek zijn jeugdigen vriend met schrik aan.

“Zou hem dat onmetelijk vermogen naar het hoofd geslagen zijn?” vroeg hij zich af.

Cyprianus begreep zijn gedachtengang en glimlachte. Hij legde hem de herkomst van dien diamant uit en hoedanig hij er later meerdere kon vervaardigen zooveel als hij slechts verkoos. Maar hetzij dat de oude diamantslijper slechts weinig geloof aan dat verhaal schonk, hetzij hij eene persoonlijke reden had om niet alleen met een steen van wellicht vijftig millioen in zijn hut te blijven, hij drong er op aan om dadelijk te vertrekken.

Daarom verzamelde dan ook Jacobus Vandergaart al zijne gereedschappen en zijne schamele plunje in een ouden lederen zak, hing aan de deur een lei: waarop geschreven stond: afwezig voor zaken, stak den sleutel in zijn zak, den diamant in zijn vestzakje en vertrok.

Cyprianus begeleidde hem gedurende twee of drie mijlen langs den weg naar Bloemfontein en verliet den oude eerst toen deze daarom herhaaldelijk verzocht had.

De nacht was reeds gevallen, en het was pikdonker toen de jeugdige ingenieur te huis kwam. Hij dacht toen meer aan miss Watkins dan aan zijne grootsche ontdekking.

Zonder zich den tijd te gunnen zijn maaltijd, door Makatit bereid, te gebruiken, nam hij plaats aan zijn werktafel en begon met de memorie-opstelling, die hij met de eerste postgelegenheid aan den secretaris van de Academie van Wetenschappen hoopte te verzenden. Dit was eene nauwkeurige en volledige beschrijving van zijne handeling met betrekking tot den vervaardigden diamant, waarop hij een zeer schrander uitgedrukt theoretisch stelsel liet volgen omtrent de reactie, die tot de vorming van dat prachtige stuk gekristalliseerde koolstof had aanleiding gegeven.

“Het meest opmerkenswaardige karakter onder anderen van dat product is,” schreef hij, “zijne volledige overeenkomst met den natuurlijken diamant, vooral door de aanwezigheid van de uitwendige steenlegering, waarin diamant besloten is.”

Inderdaad, Cyprianus aarzelde geen oogenblik, om die zoo zonderlinge uitwerking toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij zijne buis van binnen met eene brei van aarde bestreken had, die hij met alle zorg in de Vandergaart-Kopjesmijn uitgezocht had. De wijze, waarop een gedeelte van die aarde van de omwanding losgelaten had, om rondom het kristal een werkelijken notenbast te vormen, was niet gemakkelijk uit te leggen, en dat was een punt, waaromtrent latere proeven ongetwijfeld meer licht zouden verschaffen. Men kon wellicht veronderstellen, dat men hier met eene soort van scheikundige aantrekkingskracht of overeenkomst te doen had, waarvan onze jonge man vast besloot eene gezette studie te maken. Hij was niet zoo verwaand om al dadelijk bij een eerste optreden, de volledige en onherroepelijk vastgestelde theorie van zijne ontdekking aan te geven. Wat hij thans wilde, dat was haar zonder verwijl mededeelen aan de wereld der geleerden, dat was haar Frankrijk aanbieden, dat was de hulp zijner collega’s inroepen om nog meer licht over menig onverklaarbaar feit te erlangen.

Toen de memorie begonnen was en hij zoo aan zijn geweten als geleerde voldoening had verschaft, dacht hij er aan om wat te eten en te gaan slapen. Hij zou dat wetenschappelijk stuk later met menige nieuwe opmerking verrijken en het daarna beëindigen om het te verzenden daar waar het behoorde.

Cyprianus verliet den volgenden morgen al heel vroeg zijne woning en maakte geheel in gedachten verzonken eene wandeling op de verschillende mijn-terreinen. Zekere blikken, die niets sympathieks hadden, werden hem in het voorbijgaan toegeworpen. Hij merkte er niets van, want hij had al de gevolgen van zijn groote ontdekking vergeten. Toch waren die gevolgen hem door John Watkins genoegzaam aan het verstand gebracht, en die bestonden in [52] den ondergang, na korteren of langeren tijd, van de mijnwerkers van geheel Grikwaland.

Zoo iets was wel geschikt om de gemoederen te verontrusten in een land van half-wilden, waar men geenszins aarzelt om zijn eigen rechter te zijn en het beulsbaantje met eigen handen uit te oefenen; waar de veiligheid van den arbeid, en bij gevolg ook van den handel, die er uit voortspruit, de eenige, de hoogste wet is. Werd de vervaardiging van den kunstmatigen diamant werkelijk als practische nijverheid mogelijk, dan waren alle millioenen in de mijnen van Brazilië, zoowel als die in Zuid-Afrika, ongerekend de vele menschenlevens daaraan verbonden, onherroepelijk verloren. De jeugdige ingenieur zou ongetwijfeld zijne ontdekking geheim kunnen houden, maar dienaangaande was zijne verklaring zoo duidelijk mogelijk geweest. Dat zou hij niet doen!

Van de andere zijde had de vader van Alice gedurende den langen nacht, waarin hij nu eens droomde van onmogelijk groote diamanten, vertegenwoordigende een waarde van verscheidene milliarden, dan weer zich slapeloos op zijne legerstede heen en weer wentelende, ernstig nagedacht en het volgende overwogen. Dat Hannibal Pantalucci en de andere mijnwerkers met ongerustheid en ook met woede de omwenteling beschouwden, die door de ontdekking van Cyprianus zou worden te weeg gebracht met betrekking tot de diamanthoudende gronden, was zeer natuurlijk, daar zij die gronden ontgonnen voor eigen rekening. Maar de toestand van hem, eenvoudig eigenaar van de hoeve Watkins, was niet dezelfde. Ongetwijfeld, wanneer de claims ten gevolge van de waardevermindering der diamanten verlaten werden, wanneer die mijnwerkersbevolking Grikwaland den rug toekeerde en heentoog, dan zou de waarde van zijn hoeve aanmerkelijk verminderen, zijne voortbrengselen zouden geen zoo gereeden aftrek meer hebben, zijne huizen en zijne hutten zouden wegens gebrek aan huurders leeg blijven staan, en wellicht zou hij zelf het land moeten verlaten, omdat er geen zaken meer te doen waren.

“Maar jawel,” mompelde John Watkins bij zich zelven, “maar zoover zijn wij nog niet. Om daartoe te geraken zullen nog wel ettelijke jaren voorbijgaan. De vervaardiging van kunstmatige diamanten is nog niet practisch mogelijk, zelfs niet met de wijze van werken van mijnheer Méré! Misschien bestaat er heel veel toeval in zijn zaak. Maar toeval of niet, hij heeft toch een steen van onmetelijke waarde vervaardigd, die als natuurlijke diamant ongetwijfeld vijftig millioen waard zou zijn, en nu hij kunstmatig verkregen is, toch nog verscheidene millioenen waard is. Ja, ik moet dien jongen man in het oog houden. Hij moet in mijne nabijheid blijven, het koste wat het wil. Althans gedurende eenigen tijd. Ik moet hem beletten zijne ontdekking uit te bazuinen. Die fraaie steen moet het bezit der familie Watkins worden en mag die familie niet verlaten dan tegen een eerbiedwaardig aantal millioenen. Wat betreft het hier houden van den maker van dien steen, dat is gemakkelijk genoeg—zelfs zonder zich onherroepelijk te verbinden. Ik heb Alice bij de hand, en door middel van Alice zal ik hem wel beletten naar Europa te vertrekken!.... Ja, al moest ik hem hare hand beloven!.... al moest ik hem mijn dochter ten huwelijk schenken!....”

Waarachtig, John Watkins, door zijne onverzadelijke hebzucht gedreven, zou zelfs daartoe in staat zijn. In die geheele zaak zag hij slechts zijn eigen ik, dacht hij slechts aan zijn eigen persoon. En dacht de oude zelfzuchtige ook al een enkele maal aan zijne dochter, dan was het slechts om in zichzelven te mompelen:

“Welnu, al gebeurde dat ook, dan zou Alice zich niet te beklagen hebben! Die jeugdige dwaze geleerde ziet er vrij goed uit! Hij bemint haar, en heb ik het wel, dan is zij tegenover die liefde niet gevoelloos gebleven.”

“Nu, wat valt er inderdaad beter te doen dan twee harten, die voor elkander geschapen schijnen, te verbinden.... of ten minste hun die vereeniging te laten hopen, tot het oogenblik gekomen zal zijn, dat ik helder in die zaak zien kan.... Welnu, bij Sint John, mijn schutspatroon, de duivel hale Hannibal Pantalucci en zijne makkers. Hier in Grikwaland vooral geldt het: ieder voor zich!”

Zoo redeneerde John Watkins, terwijl [53] hij die denkbeeldige weegschaal hanteerde, waarin hij tusschen de toekomst zijner dochter en een eenvoudig stuk gekristalliseerde koolstof evenwicht trachtte te verkrijgen, en hij zich uiterst gelukkig gevoelde, toen hij vermeende, dat de beide schalen in hetzelfde vlak, of beter, op dezelfde horizontale lijn bengelden.

Zijn besluit was dan ook reeds den volgenden ochtend genomen: hij zou niet overijld handelen, hij zou op zien komen spelen, de zaken zachtjes hun gang laten gaan, zeker als hij was van den loop dien zij zouden nemen.

Maar vooreerst stelde hij er belang in om zijn huurder weer te zien,—wat vrij gemakkelijk was, daar de jeugdige ingenieur dagelijks op de hoeve kwam—; maar hij wilde ook den fraaien diamant weer zien, die in zijne droomen kolossale afmetingen aangenomen had.

John Watkins begaf zich dan ook naar de hut van Cyprianus, die, daar het vroeg in den morgen was, nog thuis was.

“Welnu, mijn jonge vriend,” zei hij op een zekeren toon van opgeruimdheid. “Hoe hebt gij dezen nacht doorgebracht.... dien eersten nacht na uwe grootsche ontdekking?”

“Wel, zeer goed, mijnheer Watkins, zeer goed!” antwoordde de jonkman koeltjes.

“Wat? Hebt gij kunnen slapen?”

“Zoo als gewoonlijk! Waarom niet?”

“Al die millioenen, die uit dat fornuis daar te voorschijn getreden zijn,” hernam Mr. Watkins, “hebben dus uwen slaap niet gestoord?”

“Waarachtig niet,” antwoordde Cyprianus, “in geenen deele. Begrijp dan toch goed, mijnheer Watkins, die diamant zou slechts millioenen waard zijn, wanneer hij door de natuur en niet door een scheikundige voortgebracht ware.”

“Jawel.... jawel.... mijnheer Méré! Maar zijt gij overtuigd een anderen of meer anderen te kunnen vervaardigen? Zoudt gij dat durven verzekeren?”

Cyprianus aarzelde. Hij begreep beter dan iemand hoeveel teleurstellingen bij een arbeid als deze kunnen ondervonden worden.

“Gij ziet het!” hernam John Watkins! “Gij durft het niet bevestigen. Dus zal die diamant, totdat gij bij eene volgende proef geslaagd zult zijn, zijne overgroote waarde behouden!”.... En dat aangenomen, waarom zoudt gij dan gaan vertellen, althans voorshands, dat het een kunstmatige steen is?”

“Ik herhaal, wat ik u vroeger reeds gezegd heb,” antwoordde Cyprianus; “dat ik de oplossing van zoo’n belangrijk vraagstuk wetenschappelijk niet geheim kan houden.”

“Jawel!.... jawel!.... ik begrijp dat,” hernam John Watkins terwijl hij den jonkman met een gebaar tot zwijgen uitnoodigde, alsof hij bevreesd ware, dat hun gesprek buiten gehoord kon worden. “Jawel!.... jawel!.... wij zullen daarover later wel praten!.... Maak u evenwel niet ongerust over Pantalucci en de overigen!.... Zij zullen omtrent uwe ontdekking niets vertellen, dewijl hun belang medebrengt dat zij daarover zwijgen!.... Geloof, mij.... wacht!.... en denk er wel om dat mijne dochter en ik zeer gelukkig zijn over uwe ontdekking!.... Ja, zeker, zeer gelukkig!.... Maar, zou ik dien prachtigen diamant nog eens mogen zien?.... Ik heb gisteren ternauwernood tijd gehad om hem aandachtig te bekijken!.... Wilt gij mij dus andermaal veroorloven....”

“Ik heb hem niet meer!” antwoordde Cyprianus.

“Gij hebt hem naar Frankrijk gezonden?” riep John Watkins uit, die alleen door de gedachte daaraan zich vernietigd gevoelde.

“Neen.... nog niet!.... In zijn ruwen toestand kon niet over zijne schoonheid geoordeeld worden. Dus gij kunt gerust zijn.”

“Aan wien hebt gij hem dan ter hand gesteld? Bij alle heiligen van Engeland, aan wien?”

“Aan Jacobus Vandergaart, om hem te slijpen. Ik weet niet of hij hem heeft medegenomen.”

“Gij hebt zoo’n diamant aan dien ouden gek toevertrouwd?” riep John Watkins woedend uit. “Maar dat is waanzin, mijnheer! Inderdaad waanzin!”

“Bah!” antwoordde Cyprianus. “Wat wilt gij dat Jacobus of wie ook ter wereld met zoo’n diamant, wiens waarde voor hen, die met zijne afkomst onbekend zijn, op minstens vijftig millioenen geschat moet worden, zal uitvoeren? [54] Zoudt ge denken dat het gemakkelijk zou zijn hem heimelijk aan den man te brengen?”

John Watkins scheen getroffen door dat argument. Neen! een diamant van die waarde zou niet gemakkelijk van de hand te doen zijn. Toch was de pachter niet gerust, en had veel willen geven, ja zeer veel, indien Cyprianus hem niet aan den ouden diamantslijper had toevertrouwd.... of tenminste dat de oude diamantslijper reeds in Grikwaland teruggekeerd ware met dien kostbaren steen!

Maar Jacobus Vandergaart had een maand tijd bedongen, en hoe ongeduldig John Watkins ook was, hij was wel verplicht te wachten.

Het was buiten kijf dat zijne gewone huisbezoekers, als Hannibal Pantalucci, Herr Friedel, de jood Nathan niet nalieten den doodeerlijken diamantslijper te belasteren. Bij afwezigheid van Cyprianus spraken zij veel over hem en merkten dan steeds op, dat de tijd voorbijvlood en dat Jacobus Vandergaart niet terugkwam.

“En waarom zou hij in Grikwaland terugkeeren?” vroeg Friedel, “daar het hem zoo gemakkelijk is dien diamant, die zoo’n overgroote waarde heeft en welker fabriekmatige afkomst nog nergens bekend is, voor zich te behouden?”

“Omdat hij geen kooper er voor zal vinden!” antwoordde John Watkins, die hetzelfde argument van den jeugdigen ingenieur te berde bracht, dat hem evenwel volstrekt niet gerust stelde.

“Een mooie reden!” grinnikte Nathan.

“Ja, waarachtig! een mooie reden,” vulde Hannibal Pantalucci aan. “Geloof mij, die oude kaaiman is reeds ver op dit oogenblik! Wat is er gemakkelijker, vooral voor hem, dan dien steen geheel onherkenbaar te maken? Gij kent zijne kleur zelfs niet! Wie zal hem beletten dien zwaren diamant in vier of zes deelen te verdeelen, waardoor er door kloving verscheidene steenen bekomen worden, die toch nog een eerbiedwaardige afmeting zullen hebben?”

Die gesprekken verontrustten het gemoed van John Watkins zeer. Hij begon ook te gelooven, dat Jacobus Vandergaart zich niet meer zou laten zien.

Cyprianus alleen was stellig overtuigd omtrent de eerlijkheid van den oudere diamantslijper. Hij verkondigde openlijk, dat de oude op den gestelden dag tegenwoordig zou zijn, en hij had gelijk.

Jacobus Vandergaart kwam zelfs tweemaal vier en twintig uren vroeger terug. Hij had zich zoodanig gehaast en zoo veel ijver bij den arbeid betoond, dat hij den diamant in zeven en twintig dagen geslepen had. Hij keerde tegen den avond terug om hem op de schijf te polijsten, zoodat de grijsaard zich in den morgen van den negen en twintigsten dag bij Cyprianus vervoegen kon:

“Hier is de steen,” zei hij op eenvoudigen toon, terwijl hij een kleine houten doos op de tafel plaatste.

Cyprianus opende de doos en werd verblind.

Op een kussentje van witte katoenvlokken vertoonde zich een overgroote zwarte kristal met ruitvormige twaalfvlakken, die zulke prismatische lichtbundels uitstraalde, dat het geheele laboratorium verlicht scheen.

Die combinatie van eene gitzwarte kleur met eene uiterst volmaakte diamantachtige doorzichtigheid en met een weergaloos straalbrekingsvermogen, bracht het meest wonderlijke en meest verrassende effect te weeg. Men gevoelde zich tegenover dien diamant als tegenover een waarlijk eenig verschijnsel, dat als een speling der natuur kon beschouwd worden, dat zijne wederga niet had. Zelfs als men ieder denkbeeld aan waarde ter zijde stelde, dan nog blonk de heerlijkheid van dat kleinood ten volle uit.

“Het is niet alleen de zwaarste diamant, die er op de wereld bestaat,” zei Jacobus Vandergaart hoogst ernstig en met een soort van vaderlijken trots; “maar het is ook de fraaiste. Hij weegt vier honderd twee en dertig karaten! Gij kunt u vleien, mijne jonge vriend een kunststuk uitgevoerd te hebben. Uw proefstuk is een meesterstuk.”

Cyprianus had op die complimenten van den ouden diamantslijper niets geantwoord. Wat hem betreft, hij beschouwde zich als de uitvinder van eene zeldzame aardigheid, niets meer, niets minder. Vele anderen hadden zich beijverd de oplossing van het vraagstuk te vinden, zonder te slagen. Het was hem gelukt op dat terrein der anorganische scheikunde de bestaande moeielijkheden [55] te overwinnen. Maar welke nuttige gevolgen zou de menschheid uit de vervaardiging van kunstmatigen diamant trekken? Zij zou ontwijfelbaar al diegenen ten gronde richten, die van den handel in edelgesteenten leefden, zonder iemand te verrijken of ook maar te bevoordeelen.

Die beschouwing verdreef wel ietwat de droombeelden, waaraan de jonge ingenieur zich in de eerste dagen na zijn ontdekking had overgegeven. Ja, nu verscheen hem die diamant, hoe bewonderenswaardig hij ook genoemd moest worden, nadat hij uit de handen van Jacobus Vandergaart gekomen was, slechts als een waardelooze keisteen, die niet eens de zinsbegoocheling der zeldzaamheid bezat.

Cyprianus greep het doosje, waarin de onvergelijkelijke steen bevat was, drukte den grijzen diamantslijper de hand en begaf zich naar de woning van John Watkins.

De pachter bevond zich in zijn benedenvertrek. Hij was steeds ongerust over de terugkomst van Jacobus Vandergaart. die hem als zeer onwaarschijnlijk voorkwam. Zijne dochter was bij hem en trachtte hem zooveel mogelijk gerust te stellen.

Cyprianus opende de deur en bleef een oogenblik op den drempel staan.

“Welnu?”.... vroeg John Watkins met levendige stem, terwijl hij vlug van zijn stoel opsprong.

“Welnu, de trouwhartige Jacobus Vandergaart is heden ochtend aangekomen,” antwoordde Cyprianus.

“Met den diamant?”

“Ja, met den diamant, dien hij bewonderenswaardig geslepen heeft. Deze weegt nog vier honderd twee en dertig karaten.”

“Vier honderd twee en dertig karaten!” riep John Watkins uit, “En gij hebt hem bij u?”

“Hier is hij.”

De pachter greep het doosje, deed het open en bekeek den diamant met oogen, die bijna evenzeer fonkelden als het edelgesteente zelf. Hij was als met stomheid geslagen en had het uiterlijk van een verrukte!

Vervolgens, toen het hem vergund was, om de kolossale waarde, die de diamant vertegenwoordigde, onder dien tegelijkertijd lichten, draagbaren, kostbaren en schitterenden vorm tusschen de vingers te mogen houden, toen verkreeg zijn verrukking een graad van overdrijving, die hem uiterst bespottelijk maakte.

John Watkins had tranen in de oogen en sprak den diamant aan alsof het een bezield wezen ware geweest.

“O! die schoone, die prachtige, die schitterende steen!....” riep hij uit. “Gij zijt dus teruggekomen, mijn liefste!.... Wat zijt ge schitterend!.... Wat zijt ge zwaar!.... Hoevele klinkende schijven zult ge wel waard zijn?.... En wat zal men met u aanvangen, mijn overschoone?.... O, eerst wordt ge naar de Kaapstad, later naar Londen gezonden, om daar gezien en bewonderd te worden!.... Maar wie zal rijk genoeg zijn om u te koopen? De Koningin zelve kan zich zulk eene weelde niet veroorloven!.... Haar geheele inkomen van twee of drie jaren zou daarmee heengaan!.... Er zal een votum van het Parlement noodig zijn, of beter nog een nationale inschrijving!.... O! men zal die in het leven roepen, wees daaromtrent gerust.... En gij zult rusten in Londen’s Toren naast den Koh-i-noor, die zich slechts als een klein kind naast u zal vertoonen!.... Wat zoudt gij wel waard zijn, mijn hartedief?”

En na een oogenblik in stilte berekend te hebben, vervolgde hij:

“De diamant van den Czaar is door Katharina II met een millioen roebels comptant betaald geworden, terwijl daarenboven nog eene jaarlijksche lijfrente van acht en veertig duizend gulden aan den verkooper verleend werd. Er zal niets overdrevens in gevonden worden, wanneer voor dezen steen een millioen pond sterling gevraagd wordt en eene eeuwigdurende rente van twee honderd vijftig duizend gulden!”

En plotseling door een invallende gedachte getroffen:

“Mijnheer Méré,” vroeg hij, “zoudt gij niet denken dat men den eigenaar van een zoodanigen steen tot het pairschap zoude verheffen? Alle soorten van verdiensten hebben recht om in de pairskamer zitting te nemen, niet waar? En zoo’n diamant van zulken omvang te bezitten, zou geen geringe verdienste zijn!.... Kijk dan toch, mijn dochter, kijk!.... Men heeft aan [56] zijne twee oogen niet genoeg, om zoo’n steen te bewonderen!....”

Miss Watkins bekeek voor de eerste maal van haar leven een diamant met eenige belangstelling.

“Hij is waarlijk zeer schoon! Hij glinstert als een stuk kool, wat hij ook is, maar als een gloeiende kool!” zeide zij, terwijl zij den diamant voorzichtig van zijn leger van watten nam.

Vervolgens naderde zij met instinctmatige beweging, die ieder jong meisje in hare plaats ondervonden zou hebben, den spiegel, die boven den schoorsteen prijkte, en plaatste het bewonderenswaardige kleinood op haar voorhoofd te midden van haren rijken blonden haardos.

“Eene ster in goud gevat!” zei Cyprianus galant en liet zich daarbij tegen zijne gewoonte tot het zeggen van eene geestigheid verleiden.

“Dat ’s waar!.... Waarlijk, men zou zeggen eene ster!” riep Alice uit, terwijl zij vroolijk in de handen klapte. “Welnu, die diamant moet dien naam behouden. Laten wij hem de Zuidster doopen!.... Wilt ge, mijnheer Cyprianus? Is onze ster niet zwart als de inlandsche schoonen van dit land en is zij niet schitterend als het prachtig gesternte van onzen Zuidelijken hemel?”

“Goed! de Zuidster!” zei John Watkins, die aan den naam slechts luttel hechtte. “Maar pas op, laat hem niet vallen!” hernam hij met schrik, toen het jonge meisje een plotseling beweging maakte. “Hij zou als glas breken!”

“Waarlijk?.... Is zoo’n steen zoo bros?” antwoordde Alice, terwijl zij den diamant met vrij wat geringschatting in zijn doosje legde. “Arme ster, gij zijt dus eene valsche ster, niets anders dan de stop eener karaf.”

“De stop eener karaf!” riep John Watkins woedend uit. “De kinderen eerbiedigen niets meer!”....

“Juffrouw Alice,” hernam toen de jeugdige ingenieur, “gij zijt het, die mij aangemoedigd hebt om de kunstmatige vervaardiging van het diamant te zoeken! Aan u is deze steen zijn bestaan verschuldigd!”

”.... In mijn oogen evenwel is dat een kleinood, dat zoodra men zijne herkomst zal kennen, geene handelswaarde hoegenaamd meer zal bezitten!.... Uw vader zal mij dan ook ongetwijfeld veroorloven, u dien steen aan te bieden als eene herinnering aan uwen gezegenden invloed op mijne werkzaamheden!”

“Hé! wat!” riep John Watkins uit, die onmogelijk in dit oogenblik kon bemantelen, wat in zijn binnenste omging bij die.... onverwachte aanbieding.

“Juffrouw Alice,” hernam Cyprianus, “die diamant behoort u!.... Ik bied u hem aan, ik geef hem u!”

Miss Watkins antwoordde niet, maar zij reikte den jonkman hare hand, die deze teederlijk in de zijne drukte.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings