← Table of contents
De Zuidster, het land der diamanten

De Zuidster.

Reading edition

Het nieuwtje van den terugkeer van Jacobus Vandergaart had zich bliksemsnel verspreid. Een menigte bezoekers stroomde dan ook naar de hoeve, om het wonder van de Kopjes-mijn te bewonderen. Men vernam weldra dat de diamant aan miss Watkins toebehoorde, maar dat haar vader meer dan zij zelve daar de bezitter van was. Daardoor ontstond eene algemeene nieuwsgierigheid ten opzichte van dien diamant, die niet door de natuur, maar door een menschenhand gemaakt was.

Wij moeten hier evenwel doen opmerken, dat nog niets uitgelekt was omtrent den kunstmatigen oorsprong van den diamant in kwestie. Van den eenen kant waren de mijnwerkers van Grikwaland, die met dien oorsprong bekend waren, niet dwaas genoeg geweest, om een geheim rond te kraaien, dat hun onmiddellijken ondergang kon bewerken. Van zijn kant had Cyprianus, die van het toeval niet afhankelijk wilde zijn, ook gezwegen en besloten zijne memorie betreffende de Zuidster niet te verzenden, alvorens zijn welslagen bevestigd te hebben gezien door een tweede proef. Hij wilde zeker zijn datgene, wat hij eens vervaardigd had, ook een tweede maal te kunnen voortbrengen.

Aller nieuwsgierigheid was dan ook ten hoogste gespannen en John Watkins [57] had onmogelijk een gevoeglijke reden kunnen uitdenken, om aan die nieuwsgierigheid niet te voldoen, te meer niet daar zij zijne ijdelheid zeer streelde. Hij plaatste dus de Zuidster op een kussen van watten op eene kleine wit marmeren kolom, die midden op den schoorsteen zijner spreekkamer prijkte en den geheelen dag bleef hij daar op wacht, gezeten in zijn grooten armstoel, om het onvergelijkelijk kleinood zorgvuldig in het oog te houden en het aan het publiek te vertoonen.

James Hilton was de eerste persoon, die hem op het gevaarlijke van zulk eene handelwijze opmerkzaam maakte. Hield hij wel rekening met de gevaren, die hij als het ware over zijn hoofd uitlokte, door de overgroote waarde, welke hij in zijne woning huisvestte, zoo voor aller blikken ten toon te stellen? Het was volgens Hilton volstrekt noodzakelijk, om van Kimberley eene speciale wacht van politieagenten te ontbieden; deed hij dat niet, dan zou de eerstvolgende nacht niet zonder noodlottige gebeurtenissen voorbijgaan.

John Watkins, uiterst verschrikt over dat vooruitzicht, haastte zich dien welgemeenden raad van zijn gast op te volgen en was niet eerder gerust dan toen hij tegen den avond een troep bereden politiedienaren zag aankomen. Die vijf en twintig man werden in de bijgebouwen van de hoeve gehuisvest.

De toevloed van nieuwsgierigen bleef de volgende dagen steeds aangroeien en de faam van de Zuidster had weldra de grenzen van het mijndistrict overschreden om zich tot de meest verwijderde streken uit te strekken. De dagbladen in de kolonie wijdden artikel op artikel aan de beschrijving van den omvang, van den vorm, van de kleur en van den glans van den bewonderenswaardigen diamant. Langs den telegraafkabel werden al die bijzonderheden over Zanzibar en Aden eerst naar Azië en Europa, vervolgens naar Noord- en Zuid Amerika en Australië overgeseind. Photografen smeekten om de eer, van den prachtigen steen eene afbeelding te mogen nemen. Speciale teekenaars kwamen uit naam der geïllustreerde tijdschriften er eene schets van maken. In één woord, die diamant stelde een wereldgebeurtenis daar.

De legende werd er zelfs mede gemoeid. Er werden in de vereenigingen der mijnwerkers fantastische verhalen gefluisterd over de geheimzinnige eigenschappen welke men dien steen toeschreef. Men zei met gedempte stem, dat een zwarte diamant niet anders dan ongeluk kon aanbrengen! Ervaringsvolle lieden schudden het hoofd en verklaarden volmondig, dat zij dien duivelssteen liever bij Watkins aan huis dan bij zich zagen. In het kort, het kwaadspreken en zelfs de laster, die aan iedere beroemdheid als het ware kleven, ontbraken ook aan de Zuidster niet, die er zich natuurlijk niets van aantrok; maar:

Geheele bundels prachtvolle lichtstralen

Op die lasteraars liet nederdalen!

Anders was het evenwel met John Watkins gesteld, die over die oude-wijven-praatjes verwoed was. Het was hem te moede, alsof al dat geklets iets van de waarde van dien steen ontnam en hij werd er door aangedaan als door persoonlijke beleedigingen. Sedert dat de gouverneur der kolonie, de officieren der naburige garnizoensplaatsen, al de magistraten, de beambten, de geconstitueerde lichamen en firma’s hunne hulde hadden komen bewijzen aan zijn kleinood, zag hij eene heiligschennis schier in iedere vrije gedachtenwisseling die er over gevoerd werd.

Om dan ook een tegenwicht tegenover al dat gezwets te stellen, en ook om aan zijne zucht tot lekkerbekken te voldoen, besloot hij een groot diner ter eere van dien lieven diamant te geven, dien hij hoopte, in weerwil van wat Cyprianus er van denken mocht, en wat ook de wensen zijner dochter, om hem in den diamantvorm te behouden, mocht zijn, weldra tegen klinkende munt verwisseld te zien.

Helaas! zoodanig is in den regel de invloed van de maag op de meeningen van het meerendeel der menschen, dat de aankondiging van het diner voldoende was om de uitgesproken openbare meening in het kamp van de Vandergaart-Kopjesmijn van den eenen dag tot den anderen geheel te wijzigen. Men hoorde toen lieden, die de meest boosaardige taal ten opzichte van de Zuidster uitgeslagen hadden, plotseling een geheel anderen toon aanslaan en beweren, dat die steen geheel onschuldig [58] was aan den boozen invloed, die hem toegeschreven werd, waardoor zij eene uitnoodiging van John Watkins hoopten te verwerven.

O, men zal nog lang van dat feestmaal in het bekken van de Vaalrivier gewagen! Dien dag zaten tachtig gasten aan de tafel, die gedekt was onder eene tent, welke opgeslagen was langs de lange zijde van de spreekkamer, welker buitenmuur men voor die gelegenheid omver gehaald had. Een “koninklijke baron”, zoo werd een kolossaal braadstuk genoemd, dat uit de geheele ruggestreng van een os bestond, besloeg het midden der tafel. Dat braadstuk werd door heele gebraden schapen en door allerhande soorten wild van die streek geflankeerd. Bergen van groenten en vruchten, alsmede geheele tonnen bier en geheele vaten wijn, die opengeslagen en op gelijke onderlinge afstanden geplaatst waren, completeerden het samenstel van dit diner, hetwelk op kolossale verhoudingen kon bogen.

De Zuidster, op haar voetstuk geplaatst en door brandende waskaarsen omgeven, prijkte achter John Watkins en presideerde eigenlijk dat diner, hetwelk ter harer eere gegeven werd.

De bediening aan tafel geschiedde door een twintigtal kaffers, die voor deze gelegenheid ingehuurd waren. Zij stonden onder opzicht van Makatit, die zich, na daartoe verlof van zijn baas bekomen te hebben, aangeboden had om hen te leiden en aan te voeren.

Er waren daar genoodigd, behalve de brigade politiedienaren, waaraan John Watkins dank voor hunne waakzaamheid verschuldigd was, al de voornaamste personen van het kamp en zijne omstreken. Zoo waren daar Matthijs Pretorius, Nathan, James Hilton, Hannibal Pantalucci, Friedel, Thomas Staal en vijftig anderen.

Zelfs de dieren van de hoeve: de ossen, de honden, maar vooral de struisvogels van miss Watkins trachtten hun deel van het feest te krijgen en kwamen om de kliekjes en den afval bedelen.

Alice had aan het uiteinde der tafel vlak tegenover haren vader plaats genomen en hield de eer des huizes met hare gewone bevalligheid op. Zij was evenwel heimelijk bedroefd, omdat noch Cyprianus Méré, noch Jacobus Vandergaart dat diner bijwoonden; ook omdat zij de redenen van die terughouding begreep.

De jeugdige ingenieur had steeds, zooveel hem maar mogelijk was, het gezelschap der Friedels, der Pantalucci’s en soortgelijke vermeden. Hij droeg bovendien kennis van hunne weinig welwillende stemming jegens hem, sedert hij zijn grootste ontdekking gedaan had en had meermalen hunne bedreigingen gehoord jegens den uitvinder van die kunstmatige vervaardiging, die hen geheel en al ten gronde kon richten. Hij had dus geen aanleiding gevonden, om dien maaltijd bij te wonen. Wat Jakobus Vandergaart betreft, bij wien John Watkins ijverige pogingen had laten aanwenden, om eene verzoening te bewerken, deze had iedere toenadering met trots van de hand gewezen.

Het maal liep op zijn einde. De grootste orde had daarbij geheerscht, maar dat was te danken aan de tegenwoordigheid van miss Watkins, die een voldoend dekorum aan de meest woeste mijnwerkers had opgelegd, hoewel zij niet had kunnen verhoeden dat Matthijs Pretorius zooals altijd, ten doelwit had gestaan aan de zoutelooze snakerijen van Hannibal Pantalucci. Deze liet den ongelukkigen Boer de dolste uien slikken. Zoo zou er een vuurwerk onder tafel afgestoken worden!.... Zoo werd er slechts gewacht, dat miss Watkins zich zou verwijderd hebben, om den diksten man van het gezelschap te noodzaken achter elkander twaalf flesschen jenever uit te drinken!.... Zoo zou ook uitgemaakt zijn, dat na het diner het feest zou bekroond worden met een algemeen vuistgevecht, terwijl men eindelijk elkander met revolverpistolen zou beschieten!

Gelukkig werd aan al die akelige grappen een einde gemaakt door John Watkins, die in zijne hoedanigheid van president van het feest, met het hecht van zijn mes op de tafel sloeg, om de traditioneele heildronken aan te kondigen.

Toen er genoegzame stilte ingetreden was, verhief de gastheer zijn lange gestalte, leunde met zijne beide duimen op het tafellaken en begon zijne toespraak met eenigszins dubbelslaande tong, ten gevolge van te veel in zijn glas gekeken te hebben. [59]

Hij verzekerde, dat die dag de grootste herinneringsdag van zijn leven als mijnwerker en als landbouwer zou zijn. Na al de beproevingen, die hij sedert zijne jeugd doorstaan had, zag hij zich thans in het rijke Grikwaland gevestigd en was hij thans omringd door tachtig vrienden, om met hem feest te vieren over het bezit van den grootsten diamant der wereld. Zoo iets verschaft eene onvergetelijke vreugde!.... Het is waar, dat een der eerzame mijnwerkers, die thans om hem gezeten waren, morgen een nog grooteren steen kon vinden!.... Maar dat was juist het pikante en de dichterlijke zijde van het mijnwerkersleven!.... (Levendige toejuiching). Dat geluk wenschte hij zijne gasten van harte toe!.... (Gelach en handgeklap). Hij meende evenwel te kunnen verzekeren, dat hij slechts moeielijk te voldoen was, die met zoo’n diamant niet tevreden was!.... Om kort te gaan, hij noodigde zijne gasten om te drinken op Grikwalands welvaren, op de bestendigheid der marktprijzen van de diamanten, welke mededinging zij ook te duchten mogen hebben,—eindelijk op de goede reis, welke de Zuidster ging ondernemen, om eerst in de Kaapstad en vervolgens in Engeland in alle hare heerlijkheid te gaan schitteren!

“Maar,” zei Thomas Staal, “is het niet gevaarlijk een steen van die waarde naar de Kaapstad te verzenden?”

“O! hij zal goed geëskorteerd worden!....” antwoordde John Watkins. “Veel, zeer veel diamanten hebben onder die omstandigheden de reis gemaakt en de veilige haven bereikt.”

“Zelfs de diamant van den heer Durieux de Sancey,” zei Alice, “en toch zonder de toewijding en opoffering van zijn knecht....”

“Hé! wat is er dan toch buitengewoons gebeurd met dien diamant?” vroeg James Wilton.

“Ziehier het verhaal van het gebeurde” antwoordde Alice zonder zich te laten bidden:

“Mijnheer de Sancey was een Fransch-edelman, tot de hofhouding van Hendrik III behoorende. Hij bezat een beroemden diamant, die thans nog zijn naam draagt. Die diamant—het zij hier tusschen twee haakjes gezegd,—had reeds talrijke avonturen beleefd. Zoo had hij bij voorbeeld aan Karel den Stouten toebehoord, die hem bij zich droeg, toen hij onder de wallen van Nancy gedood werd. Een Zwitsersch soldaat vond den steen op het lijk van den hertog van Bourgondië en verkocht hem voor een gulden aan een armen priester, die hem voor vijf of zes gulden aan een jood overdeed. Ten tijde dat hij in het bezit was van den heer de Sancey, verkeerde de Koninklijke Schatkist in groote ongelegenheden. Toen stemde de heer de Sancey er in toe, om zijn diamant in onderpand te geven om de waarde daarvan aan den Koning voor te schieten. De geldschieter bevond zich te Metz. Men moest dus het kleinood aan een dienaar toevertrouwen om het over te brengen.

“Vreest gij niet dat die man met zijn schat naar Duitschland zal ontvluchten?”” vroeg men den heer de Sancey.

“Neen, ik stel ten volle vertrouwen in hem.”

“Toch kwam in weerwil van dat vertrouwen, noch de man, noch de diamant ter gewenschte plaats aan. Het geheele hof lachte den heer de Sancey hardop uit.

““Toch blijft mijn vertrouwen in mijn bediende ongeschokt,”” antwoordde deze. ““Hij moet ergens vermoord zijn.””

“En inderdaad, toen men zocht en goed zocht, vond men het lijk in een sloot langs den weg.

““Snijd hem open,”” zei de heer de Sancey, ““de diamant moet zich in zijn maag bevinden.””

“Men voldeed aan zijn verlangen en zijn vermoeden werd volkomen bevestigd. De nederige held, wiens naam hem zelfs niet overleefd had, was zijnen plicht en der eer tot in den dood getrouw gebleven. “Hij overvleugelde door zijne schitterende daad het kleinood, dat hij droeg,” verzekerde een oude kroniekschrijver uit die dagen.

“Het zou mij zeer bevreemden,” voegde Alice tot slot van haar verhaal er bij, “wanneer de Zuidster bij voorkomende gelegenheid gedurende hare reis niet eene dergelijke toewijding zou opwekken.”

Een algemene kreet van instemming begroette die woorden van miss Watkins. Tachtig handen hieven tachtig glazen omhoog en aller oogen wendden [60] zich instinctmatig naar den schoorsteen, om daadwerkelijk hulde te brengen aan den onvergelijkelijken diamant.

Maar.... de Zuidster was niet meer op haar voetstuk, waarop zij zoo even nog achter John Watkins prijkte.

De verbazing, op tachtig aangezichten uitgedrukt, was zoo duidelijk, dat de gastheer zich plotseling omkeerde, om er de oorzaak van te ontdekken.

Nauwelijks had hij die ontwaard, of hij viel verlamd op zijn leuningstoel neer, als ware hij door den bliksem getroffen.

Men vloog naar hem toe, men maakte zijn das los, men wierp hem water op het hoofd.... Eindelijk ontwaakte hij uit zijne bezwijming.

“De diamant!....” bulderde hij met donderende stem. “De diamant!.... Wie heeft den diamant genomen?”

“Heeren, dat niemand het vertrek verlate!” zei de chef der politie-brigade, terwijl hij al de uitgangen deed bezetten.

Al de gasten keken elkander met verlegenheid aan en wisselden hunne meeningen al fluisterend. Het was nog geen vijf minuten geleden, dat allen den diamant nog gezien of gemeend hadden hem te zien. Maar men moest zijne oogen wel gelooven: de diamant was weg.

“Ik verlang dat alle hier tegenwoordige personen aan den lijve worden onderzocht, alvorens zij het vertrek verlaten!” stelde Thomas Staal met zijne gewone rondborstigheid voor.

“Ja!.... ja!”.... antwoordde de vergadering, met eene zoo het scheen eenparige stem.

Dat voorstel liet een glimp van hoop voor John Watkins schemeren.

De politie-beambte deed diensvolgens al de gasten langs een der zijden van de zaal op eene rij plaats nemen en begon zich het eerst aan de geëischte behandeling te onderwerpen. Hij keerde zijne zakken het binnenste buiten, hij deed zijne schoenen uit en liet zijne kleederen bevoelen en betasten door wien maar wilde. Vervolgens onderwierp hij ieder zijner ondergeschikten aan hetzelfde onderzoek. Eindelijk kwamen de gasten een voor een voor en ondergingen opvolgend het meest nauwkeurige onderzoek.

Helaas! dat alles gaf niets!

Al de hoekjes en gaatjes van de feestzaal werden met de meeste zorg doorgesnuffeld.... men vond zelfs geen spoor van den diamant!

“Nu de Kaffers, die met het bedienen der tafel belast waren!” zei de politiebeambte, die de zaak nog niet wilde opgeven.

“Dat’s juist!.... De Kaffers zijn de schuldigen!” kreeg hij tot antwoord. “Zij zijn diefachtig van aard genoeg, om dat schelmstuk uitgevoerd te hebben!

De arme drommels hadden evenwel het vertrek reeds verlaten, vóór dat John Watkins zijn toast uitbracht, daar hunne diensten niet meer benoodigd waren. Zij zaten buiten neergehurkt rondom een groot vuur, dat in de open lucht ontstoken was. Zij hadden lekkertjes gesmuld van de kliekjes vleeschspijzen, die van het feestmaal waren overgeschoten en waren juist op het punt een echt Kaffersch concert te beginnen. Zij hadden reeds hunne guitaren gegrepen, die van een kalabas vervaardigd waren, hunne fluiten, waarin zij met de neusgaten bliezen, hunne schelklinkende tamtams, van verschillende grootte, en waren reeds begonnen dat helsch rumoer te laten hooren, hetwelk iedere muziekuitvoering der inboorlingen van Zuid-Afrika voorafgaat.

Die Kaffers begrepen waarachtig niet volkomen, wat men van hen verlangde, toen men hen naar binnen riep om hen te betasten en hunne spaarzame kleedingstukken te onderzoeken. Zij kwamen eindelijk op de hoogte, dat het den diefstal van een diamant van groote waarde gold.

Evenals de voorgaande onderzoekingen waren deze ook nutteloos en vruchteloos.

“Wanneer de dief onder de Kaffers schuilt—wat voor mij aan geen twijfel onderhevig is”—zei een der gasten “dan heeft hij tienmaal meer tijd gehad dan noodig is, om het gestolene op eene veilige plaats te bergen!”

“Dat’s buiten eenige twijfel,” zei de politiebeambte, “en er is maar één middel om hen te noodzaken zich zelven te verraden, en dat is om zich tot een toovenaar of waarzegger van hun ras te wenden. Die lokt soms verrassende uitkomsten uit.”

“Als gij het toestaat,” zei Makatit, die zich nog bij zijne reisgenooten bevond, “dan kan ik de proef leiden!” [61]

Dit aanbod werd terstond aangenomen. De gasten rangschikten zich aaneengesloten rondom de Kaffers, waarop Makatit, die in de rol van toovenaar geheel en al te huis was, zijne voorbereidselen trof, om zijn onderzoek te beginnen.

Vooraf nam hij twee of drie snuifjes fijne tabak uit een hoornen snuifdoos, die hij steeds bij zich droeg, en snoof die krachtig op.

“Ik zal thans de proef met de stokjes nemen!” zei hij toen dat snuiven afgeloopen was.

Hij ging bij een naburigen struik een twintigtal stokken afhakken, die hij nauwkeurig afmat en op gelijke grootte, namelijk van twaalf Engelsche duimen sneed. Toen deelde hij die aan de Kaffers uit, die op een gelid gerangschikt stonden en behield er een voor zich.

“Gij kunt u gedurende een kwartier uurs verwijderen, waarheen gij wilt,” zeide hij op plechtigen toon tegen zijne makkers, “maar gij moet terugkomen, wanneer gij den tam-tam hoort weêrklinken! Wanneer de dief onder u schuilt, dan zal zijn stokje drie vingers langer geworden zijn.”

De Kaffers, zeer onthutst door die toespraak, verspreidden zich, maar gevoelden zich niet op hun gemak, daar zij zeer goed wisten, dat met de korte en afdoende rechtspleging in Grikwaland iemand al heel spoedig als verdacht opgepakt, maar nog sneller gehangen werd.

De gasten van John Watkins, die de bijzonderheden van dat comediespel met alle aandacht gadegeslagen hadden, deelden elkander natuurlijk hunne gevoelens mede.

“De dief, wanneer hij zich onder die menschen bevindt, zal zich wel wachten terug te keeren,” zei de een.

“Welnu, dat zou hem juist verraden!” antwoordde de ander.

“Bah! Hij zal slimmer zijn dan Makatit en zal zich vergenoegen met drie vingerlengten van zijn stokje af te snijden, om de gevreesde verlenging te bezweren!”

“Dat is het waarschijnlijk juist wat de toovenaar hoopt. Want die onhandige verkorting zou genoegzaam den schuldige aanwijzen.”

Toen de vijftien minuten verloopen waren, sloeg Makatit plotseling op den tam-tam om zijne rechtsonderhoorigen terug te roepen.

Zij kwamen allen tot den laatste toe terug, rangschikten zich voor hem en reikten hem hunne stokjes over.

Makatit nam ze, vormde er een bundel van en bevond dat ze allen even lang waren. Hij wilde ze reeds weggooien en verklaren dat de proef afdoende de eerlijkheid zijner landgenooten had aangetoond, toen hij van gedachte veranderende, de stokjes, die men hem aangereikt had met dat hetwelk hij behield, vergeleek.

Allen waren drie vingeren korter.

De arme drommels hadden het voorzichtig geoordeeld, dien voorzorgsmaatregel te nemen tegen eene verlenging, die volgens hun bijgeloovig verstand, zeer goed plaats kon grijpen. Dat duidde nu wel op geen volmaakt zuiver geweten, en waarschijnlijk had ieder hunner in den loop van den dag den een of anderen diamant gestolen.

Een schaterlach begroette die onverwachte uitkomst. Makatit sloeg de oogen neer en scheen geheel ter neergeslagen en vernederd, dat een middel, hetwelk hem in zijne kraal zoo dikwerf bijzonder goed gediend had, nu in het beschaafde leven geheel waardeloos gebleken was.

“Mijnheer, er blijft ons niets over dan onze onmacht te bekennen!” zei toen de politiebeambte met een beleefden groet tot John Watkins, die op zijn leuningstoel in zijn wanhoop verdiept, was blijven zitten. Misschien zullen wij morgen gelukkiger zijn, wanneer wij eene groote belooning zullen uitloven aan hem die ons op het spoor van den dief zal brengen!”

“De dief,” riep Hannibal Pantalucci eensklaps uit. “Maar waarom zal hij dat niet zijn, wien gij opgedragen hadt zijne gelijken te beoordeelen?”

“Wat wilt gij daarmee zeggen?” vroeg de officier van politie.

“Welnu.... die Makatit, die daar de rol van toovenaar op zich nam, heeft kunnen hopen alle verdenking van zich af te wenden!”

Wie in dat oogenblik aandachtig op Makatit gelet had, zou hem een leelijk gezicht hebben zien trekken, en hem de zaal hebben zien verlaten om op een drafje naar zijne hut te snellen.

“Ja,” hernam de Napolitaan, “hij [62] was steeds bij diegenen zijner makkers die den dienst binnenskamers verrichten!.... Hij liep heen en weer!.... Dat is een schurk, een schoft, wien mijnheer Méré zeer genegen is, men weet waarachtig niet waarom.”

“Makatit is eerlijk! Daar durf ik voor instaan!” riep miss Watkins uit, die gereed was voor den bediende van Cyprianus in de bres te springen.

“Wat weet jij er van?” grauwde John Watkins zijne dochter ruw toe. “Ja....! hij is in staat om den diamant gestolen te hebben!”

“Hij kan niet heel ver zijn,” hernam de politiebeambte. “Binnen weinige oogenblikken zullen wij hem doorzocht hebben. Als de Zuidster in zijn bezit gevonden wordt, dan zal hij net zooveel zweepslagen ontvangen, als zij karaten zwaar is en als hij vóór dien tijd nog niet bezweken is, zal hij na den vierhonderd twee en dertigsten slag opgeknoopt worden!”

Miss Watkins ijsde bij het vernemen van die wreede taal. Al die half wilde mannen klapten in de handen bij het hooren van die afschuwelijke uitspraak van den politiebeambte. Maar wat te doen tegenover die woeste naturen, die geen wroeging noch medelijden kenden?

John Watkins bevond zich met zijne gasten een oogenblik later voor de hut van Makatit en zij braken de deur open.

Makatit was er niet en te vergeefs wachtte men hem gedurende den geheelen nacht op.

Den volgenden morgen was hij nog niet terug. Men moest toen wel erkennen dat hij de Vandergaart-Kopjesmijn verlaten had.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings