← Table of contents
De Vurige Oven

IX.

Reading edition

Een „schip der Kerk.”

De aankomst te Loosdrecht van het rijtuig, waaruit twee dames, een smoushondje en een man met driekanten hoed tevoorschijn kwamen, was niet bijzonder geschikt om de voorgenomen vergadering geheim te houden. Natuurlijk wist binnen vijftien minuten ieder het belangrijk nieuws.

Nauwelijks hadden dan ook den volgenden morgen de leden der gemeente in het aangewezen lokaal hun plaatsen ingenomen of de deur werd opengestooten en naar gewoonte traden vier artilleristen binnen, die korte metten maakten. Binnen enkele minuten stonden alle aanwezigen op straat. Gewillig hadden ze op de eerste aanmaning zich verwijderd, maar dat belette niet dat de soldaten hen met duwen en slagen voortdreven. Den dominee werd de tromp van een geweer voorgehouden met de verzekering dat het geladen was en bij het minste verzet stellig gebruikt worden zou.

Men was reeds van zins ieder naar zijn eigen huis te gaan, toen de diaken Nicolaas Pos, een van de verdreven vrienden, uitriep: „Broeders en zusters, gaat maar met mij mee!”

[63]

Allen volgden hun vriend, die den weg insloeg naar de Loosdrechtsche plassen. Ook mevrouw Karper en haar juffrouw gingen mee.

Daar lag aan den oever het schip van den diaken. Hij was op de gedachte gekomen om dat voor kerk te gebruiken. Wat van zoo stoute daad ook de gevolgen mochten zijn, men kon in elk geval zeker wezen van een paar rustige uren.

Spoedig liepen allen de plank over. Zoodra de laatste aan boord was, staken de eigenaar met zijn knecht en geestverwant van wal.

Het was niet gemakkelijk om in de kleine kajuit allen plaats te vinden, maar „waar een wil is, is een weg.” Het benauwde vertrekje was voor de opeengepakte vervolgden, die bijna op elkanders knieën zaten, een voorportaal des hemels. Dominee Waterman kon zich uitnemend in zoo'n toestand schikken; het eenige wat hem hinderde was dat hij zijn stem zoo moest inbinden.

In machtelooze woede stond de sergeant aan den oever te vloeken op het gespuis, dat hem zoo slim ontkomen was. Zijn gemoedstoestand werd er niet beter op, toen hij na een korte poos lustig en krachtig over het water hoorde weergalmen: (Ps. 68:5.)

Gy verquickt uw volck goedertier, En maekt dat een yegelick dier Daar woont sonder verderven; Uwen kindren deelt gy uw goet, In 't kruys geeft gij hen goeden moet, Sonder troost sy niet sterven; Gij hebt, na uwe goedigheyt Den reynen jonckvrouwen bereyt [64] Een oorsaeck, soo 't mag blijcken, Om te singen in 't gantsche lant, Als onze vijanden met schant Veltvluchtig moeten wijcken.

Toen de dienst afgeloopen was, werden aanstalten gemaakt om weer aan land te gaan.

„Geliefden!” vroeg dominee Waterman; „hebben wij het hier niet goed? Gaat het ons niet gelijk de psalmist zegt in Psalm 84:5.

Heer, tot wien wij in den noot vlien, Wilt uwen Gesalfden aansien; Want veel beter is slechts een ure In u huys, dan elders, dit 's klaer, Duysent sijn: beter is oock daer Een wachter te sijn aan de deure, Dan 't is in den palleysen soet Der godtloosen met overvloet.”

„Dát hebben we! Dàt is waar!” was het eenparig antwoord.

„En waarom,” vroeg de voorganger, „zouden we dan niet samenblijven voor de middag-godsdienstoefening?”

Dat woord was uit aller hart gegrepen.

Veel mondvoorraad was er niet aan boord; een flink stuk brood en eenige beschuiten, een handvol koffieboonen en een tamelijke hoeveelheid water in het vat. De eigenaar van het scheepje achtte het een eere en voorrecht dien geringen voorraad onder de aanwezige geloofsgenooten te verdeelen, en was slechts met moeite er toe te bewegen om zijn gerechte portie te nemen. Doch deze menschen, die gewoon waren aan het uitschrijven van vastendagen, hadden niet veel behoeften.

[65]

Het was geen brood der bedruktheid, dat deze volgelingen huns Heeren thans spijzigde. Ze hielden een liefdemaal met zooveel verheffing des harten, dat het kleine groene klaptafeltje met rooden rand in de kajuit hun in een feestdisch veranderd werd.

Binnen enkele weken zou de dag komen, waarop dit tafeltje nog hooger historische beteekenis verkrijgen zou; de dag waarop het, met een wit laken bedekt, de beide sacramenten der Christelijke Kerk zou dragen. Dan zou in het nietige kajuitje de predikant Scholte aan twee zuigelingen den heiligen Doop bedienen, en de kleine gemeente daar onder zijn leiding „den dood des Heeren verkondigen totdat hij komt.”

„Totdat hij komt!” Is het vreemd dat het vervolgde kuddeke met opgestoken hoofde vroeg: „Hoe lang nog, Heere?”

„Nu mogen we nog wel eens een versje samen zingen,” zei mevrouw Karper, die altijd zorgde dat de lofzang niet te lang zweeg.

Uit volle borst weerklonk Psalm 138:4:

„Als ick door anghst en tegenspoet Ben in kleynmoet, Gij mij verquicket; Oock tegen myn wreetste vyant U rechter hant My hulp toeschicket. Gij zult myn kruys eyndigen hier; Want goedertier Zijt gy gestadigh: Het werck uwer handen sult gy Volvoeren vry, o Heer, genadigh.”

[66]

„Ja,” sprak een der aanwezigen; „wij mogen hier nog ongestoord en van alles wat we noodig hebben voorzien samen nederzitten, en hebben nog niet zooveel van de vervolgingen te lijden;[1] maar ons gebed mag wel dag en nacht opgaan voor de broeders en zusters, die zwaarder beproefd worden. Als je bijvoorbeeld hoort hoe het nu acht dagen vóór Kersttijd in Oosterwolde toegegaan is...!”

„Wat is daar gebeurd?” vroegen enkelen.

„Daar was,” ging de eerste spreker voort: „door dominee Brummelkamp doop en avondmaal bediend; en onderwijl kwam een veldwachter uit naam van den burgemeester eischen dat allen vertrekken zouden. Maar ze bleven waar ze waren. En 's middags was er weer dienst, die ongestoord kon afloopen. Maar 's avonds kwam een troep militairen het dorp binnenrukken van een officier, vier onderofficieren en zes en twintig mannen. En die werden alle een en dertig ingekwartierd bij mijn neef Klaas Smit, die zijn huis voor de twee godsdienstoefeningen[67] had gegeven. Ze zijn er langer dan twee weken gebleven, en alle schadevergoeding, waarop hij toch volgens de wet aanspraak had, is geweigerd.”

„En wanneer het dan rechtstreeks in het dagelijksch brood voor vrouw en kinderen ingrijpt,” zei daarop moeder Beukman; „dan kan het wel eens donker worden voor de ziel. Daar hebben wij door Gods genade nog geen ondervinding van, maar mijn mans neef Moorhoff te Middelburg heeft dat moeten ondergaan. Die is uit zijn brood gestooten. Hij heeft een certificaat gekregen waar het in ronde woorden in staat. Ik heb hier een afschrift er van, dat hij ons zond. Daar staat: „Ik ondergeteekende verklaar, dat ik mij ten allen tijde bereid houde om ten aanzien van E. Moorhoff, tuinbaas in mijne dienst, de beste getuigenis af te leggen, zoowel ten opzigte van zijne bekwaamheid als van zijn gedrag, en dat hij in die betrekking gedurende 14 jaren bij mijn ouders en 6 jaren bij mij is werkzaam geweest, en dat de reden van zijn vertrek alleenlijk daarin bestaat, dat hij zich van het kerkbestuur heeft afgescheiden.

Middelburg, 2 January 1837.

J. C. Schorer van de Souburgen.””

De verbazing der vrienden was niet zoo groot als hun verontwaardiging. De meesten hunner wisten zelf reeds dergelijke staaltjes van verdraagzaamheid; maar men was niet gewend aan zulke ruiterlijke verklaringen van de vijandschap. Mevrouw Karper nam zich voor deze zaak niet te vergeten. Ze vroeg aan vrouw Beukman eenige nadere bijzonderheden, en vernam toen ook dat Klaas[68] Beukman denkelijk eerstdaags in Amsterdam zou moeten zijn, omdat hij in hooger beroep was gekomen over hem opgelegde boete. Mevrouw rustte niet voordat haar nieuwe vriendin beloofd had, dat haar man op zijn weg daarheen bij mevrouw zou aankomen.

Dominee Waterman was er juist de man naar om van de omstandigheden waarin hij zich bevond, zooveel mogelijk partij te trekken. Daarvoor had hij geen wèl-overdachte en nauwkeurig uitgewerkte leerredenen noodig. Hij hield dus de preek, welke voor dien middag bestemd was, achterwege. Zijn ruwe welsprekendheid kon beter tot haar kracht komen door een voor de vuist uitgesproken leerrede over een tekst, die hij thans meer gepast oordeelde.

Onmiddellijk na het voorgebed boeide hij zijn hoorders door als zijn onderwerp op te geven Lukas 8:22-25: „Ende het geschiedde in een van die dagen, dat hij in een schip ginck, ende syne discipelen met hem, ende hij seide tot haer, laet ons overvaren aan d' ander syde des meyrs. Ende sij staken af.

Ende als sij voeren, viel hij in slaep: ende daer quam een storm van windt op het meyr: ende sij wierden vol waters, ende waren in noodt.

Ende sij gingen tot hem, ende weckten hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaen. Ende hij opgestaen sijnde bestrafte den windt ende de watergolven, ende sij hielden op ende daer wiert stilte.

Ende hij seide tot haer: waer is uw geloove? maer sij bevreest sijnde verwonderden haer, seggende tot malkanderen: wie is toch dese, dat hij oock de winden ende het water gebiet, ende sij sijn hem gehoorzaem.”

[69]

Met gemak en vuur sprak hij langer dan anderhalf uur over dit onderwerp, dat hem zoo rijke stof gaf. Voor zijn hoorders duurde de dienst echter veel te kort.

Toen eindelijk het gezelschap weer aan land kwam, stond de veldwachter hen op te wachten. Van allen werden de namen genoteerd; voor ieder hunner zou beboeting volgen. Toch had geen van allen een tittel of jota van de wet overtreden, alleen had dominee gehandeld tegen de uitlegging, welke het laatste koninklijk besluit van de grondwet gaf.

Nog denzelfden avond maakte mevrouw Karper kennis met Klaas Beukman, dien ze in zijn huis ging bezoeken.

De afspraak, met moeder Grietje gemaakt, werd bekrachtigd. Alleen merkte Klaas op dat misschien een jong vriendinnetje onder zijn geleide naar Amsterdam zou meegaan. Des te aangenamer voor mevrouw, die nooit genoeg gezelschap had naar haar zin.

Wèl-voldaan over haar uitstapje keerde ze den volgenden morgen huiswaarts.

[70]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings