XX.
Reading edition
„Van geslacht tot geslacht.”
In opgewekte stemming wandelde Gerrit Beukman op Zondag den 7en April 1839 's middags te twaalf uur, naar huis. Hij had de morgen-godsdienstoefening ten huize van den visscher W. Hartog, bijgewoond, die—zeldzaam geval!—zonder eenige stoornis afgeloopen was.
De frissche lentelucht deed hem ruim ademhalen; de knoppen aan de kastanjeboomen, rood-geel-groen gezwollen, barstten de windselen uit; de lammetjes in de wei huppelden aan de zijde hunner moeders; de zon begon reeds goed kracht te krijgen en overgoot het gansche landschap met glans en vroolijkheid. Alles getuigde en jubelde van jong leven: „Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.”
Vroolijk en met snelle schreden ging de jonge Beukman alleen verder; vroolijk omdat hij alleen was. Want Jannetje was thuisgebleven; heel blij omdat ze niet kon meegaan. Zij wachtte in de slaapkamer haar echtgenoot af met een jong leven in de armen, dat rijker en kostbaarder was dan al de heerlijkheid der natuur daarbuiten! Zij drukte met moederweelde haar, verleden Maandag geboren, zuigeling aan het hart.
[182]
De kamerdeur ging open; langzaam, voorzichtig. Zoo zacht mogelijk kwam de jonge vader binnen.
„Neen, ik slaap niet, hoor!” Een zilveren lach klonk hem uit de bedstede tegemoet.
„Dag schat! Hoe maak je het?”
„Best! Kijk onzen jongen eens!”
Rustig lag de kleine te slapen; aan elke zij van het kopje een kleine rozenroode vuist. „Ben je niet rijk?”
„Dubbel rijk: een beste vrouw en een flinke stamhouder!”
„Ja hè.... Loof den Heere, mijne ziel! En vertel nu eens: hoe heb je 't gehad?”
„Heel goed, en we zijn van begin tot eind ongestoord samen geweest!”
„Wat je zegt! Hoe kwam dàt zoo?”
„De schildwacht telde nauwkeurig, maar met Hartog en z'n gezin mee waren er slechts negentien menschen, want de twintigste....”
.... „had ik anders moeten zijn,” vulde Jannetje den zin aan. „Van morgen was ik liever hier hoor!”
„En ik breng goed nieuws voor je mee. Raad eens!”
„Neen, Gerrit, zeg het maar gauw. Je weet wel dat ik me nog niet mag vermoeien. En als ik nu lang over het raadsel lag te surfen, zou het jouw schuld zijn....”
„Zeker! Zeker! Als je meer zulke gewichtige vermaningen uitdeelt, zal ik je voortaan Ernestine inplaats van Jannetje noemen! Nu dan.... vandaag over veertien dagen hoopt dominee Scholte hier te prediken.”
„Heerlijk!” riep Jannetje; „dan kan meteen onze kleine Gerrit gedoopt worden!”
„Ja.... tenminste als je sterk genoeg bent! We moeten[183] er altijd aan denken dat het geen gewone kerkgang is als vroeger. Je moet dus instaat zijn om eenigen schrik te doorstaan, voor het geval dat we vervolgd worden.”
„Lieve man, ik ben nu reeds zóó wel, en de Heere zal mijn sterkte zijn! Wij gaan hoor!”
Veertien dagen later, den 21en April 1839, was de gemeente, voorzoover de wet dat toestond, vergaderd ten huize van W. Hartog, dat geregeld door den bewoner voor de samenkomsten afgestaan werd. Niet meer dan twintig personen waren aanwezig, Jannetje's zuigeling medegerekend. Zoowel de schildwacht voor de deur als de soldaat in het vertrek had goed geteld.
De dienst begon met de bediening van den heiligen doop, elk oogenblik kon men gestoord, ja met levensgevaar verjaagd worden, zoodat men terecht begreep dat vóór alles zooveel doenlijk gezorgd behoorde te worden, dat de doopeling niet vergeefs binnengebracht was en het teeder leven er niet bij inschoot.
In zulke omstandigheden werd door de ouders het gebed vóór den doop niet aangehoord, maar meegebeden. De psalmen zijn door de heiligen des Ouden Verbonds uit het hart van al Gods kinderen gezongen. Maar evenzeer gevoelen Gods kinderen—verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde—dat de formulieren der Gereformeerde Kerk belijdenissen zijn van „medegenooten in de verdrukking en in het koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus”, en opgeschreven werden bij den gloed der brandstapels. Voor Gerrit en Jannetje kwamen de heerlijke woorden thans eerst waarlijk tot hun recht: „o Almachtige, eeuwige God.... wij bidden u door uwe[184] grondelooze barmhartigheid, dat gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien, en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inlijven, opdat zij met hem in zijnen dood begraven worden en met hem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis, hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen mogen, hem aanhangen met een waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde; dat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil getroost verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, uwen Zoon zonder verschrikken mogen verschijnen, door denzelven onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met u en den Heiligen Geest een eenig God leeft en regeert in eeuwigheid, Amen.”
Het heilige water was op het hoofd van het kindeken gesprengd; het nagebed was opgezonden, een gedeelte van Gods Woord werd gelezen.
Daar vloog de deur open; zekere luitenant Steenbergen, vergezeld van den veldwachter, drong binnen.
„Ik kom even op last van den burgemeester de neuzen tellen,” riep hij.
Twintig bleef twintig, zoodat de luitenant tot zijn leedwezen onverrichter zake weer vertrekken moest; toen hij in een der zijmuren een kleine opening ontdekte. Het belendend perceel was met dat van Hartog onder één dak gebouwd. Het behoorde aan een zekeren Malestijn, een Godvreezend man, die Hervormd gebleven was. De kamer naast het huis van Hartog werd bewoond door onzen bekenden Jan Verlinden. Die kamer had door een kleine opening in den wand wel geen gemeenschap met[185] het huis van Hartog, maar zoo men het luikje opendeed, kon daar alles verstaan worden wat in het vertrek van den buurman gesproken werd. Natuurlijk werd dikwijls van die gelegenheid gebruik gemaakt om nog eenige vrienden aan de godsdienstoefeningen te doen deelnemen.
Dat was goed gegaan tot er onverwacht den 24en Maart van dat jaar door den burgemeester proces-verbaal opgemaakt was. De zaak had den 17en April voor de Rechtbank te Amersfoort gediend. Bij vonnis, dien dag gewezen, was Verlinden vrijgesproken; de Rechtbank zag daarin geen overtreding der wet. Zeker van zijn zaak, had Verlinden dien morgen twee vrienden in zijn kamer toegelaten; hij zelf was in de vergadering.
De luitenant liep naar de opening, keek er door en riep „Ha, ha! Daar zijn er twee. Dus twee en twintig! Jullie moet er uit!”
„Mijnheer,” zei Verlinden, „dat is een ander huis. Dat is mijn woonkamer.”
„Praatjes! Alles is onder één dak!”
„Die zaak is reeds beslist;” antwoordde Verlinden. „Verleden Woensdag heeft de Rechtbank te Amersfoort uitgemaakt, dat hier geen wetsovertreding bestaat. U hebt dus wèl toe te zien wat u doet.”
De luitenant vertrok met de woorden: „Wacht maar even! Dat maak ik wel gauw in orde!”
Zoodra hij de deur uit was, oordeelde men algemeen het veiliger voor de jonge moeder en haar kindje, dat zij naar huis zou gaan. Maar daarvan wilde ze niets hooren. In het voorstel van Verlinden, dat ze met haar man én kind naar zijn kamer zou gaan, stemde ze echter toe. [186] Zij begaven zich dus, natuurlijk buiten om, naar het huis van hun vriend Malestijn.
Nog juist bijtijds! Geen vijf minuten later kwam de luitenant met zijn onmisbare militairen, maar nu in gezelschap van den burgemeester, terug.
„Och Verlinden,” sprak de burgemeester ongewoon vriendelijk; „mag ik je even buiten spreken?”
Deze voldeed dadelijk aan dat verzoek.
„Wees zoo goed,” zei de burgemeester zoodra ze buiten waren, „en laat die vier menschen met dat kind vertrekken.”
„Burgemeester, aan dat verzoek kan ik niet voldoen. Het vonnis van verleden Woensdag heeft uitgemaakt, dat de wet mij volkomen in het gelijk stelt. En bovendien is me door u gezegd, dat u in de uitspraak van de Rechtbank berust.”
„Dat doe ik ook; maar je weet: ik moet de bevelen van den gouverneur uitvoeren, en die heeft me geschreven dat ik den toegang tot deze woning weren moet. Wanneer je nu die menschen laat weggaan, zal ik er den gouverneur nader over schrijven en vragen of ik den toegang weer, evenals vroeger, mag vergunnen.”
„Indien de burgemeester mij bewijzen wil dat de gouverneur dat geschreven heeft, zal ik aan zijn verzoek voldoen.”
„Dus je gelooft me niet!” riep de burgemeester toornig, maar voltooide den zin niet, keerde zich om en ging weg.
Verlinden zag geen reden om langer buiten te blijven staan en voegde zich weer bij zijn vrienden.
[187]
De dienst werd voortgezet; de gemeente zong Psalm 68:8.
„Godts bergh die is seer wonderbaer, Gelijck Basan den bergh voorwaer Staet hij hoogh onbesweken. Wat is 't dat gy bergen rebel, Met al uwe....”
„Stilte!” riep plotseling met donderende stem de burgemeester, die weer met den luitenant en den veldwachter binnengekomen was.
De gemeente hield op met zingen.
„Verlinden!” ging de burgemeester voort: „ik gebied je in naam des konings, de vergadering te laten uiteengaan!”
„Burgemeester; ik heb hier niets te zeggen; we zijn in het huis van Hartog.”
„Ook goed: Hartog, ik gebied je in naam des konings de vergadering te laten uiteengaan!”
„Burgemeester,” antwoordde Hartog; „hier zijn zeventien menschen. Ik behoef dat dus niet te doen.”
„Daar zijn er nog zes, dus...”
„Dat is mijn huis!” viel Verlinden den burgemeester in de rede. „Indien de burgemeester dáár iets te zeggen heeft, zal ik meegaan.”
De beide mannen gingen naar Verlinden's kamer; de luitenant bleef buiten wachten.
De burgemeester en Verlinden namen ieder een stoel en gingen zitten.
„Nu, wat heb je nu te zeggen?” vroeg de burgervader.
[188]
„Wat vraagt de burgemeester?” antwoordde Verlinden.
„Dat je deze menschen laat vertrekken!”
„Waarom, burgemeester? Ze zijn ver beneden de twintig!”
„Omdat...” Maar verder kwam de burgemeester niet. De gemeente, die begreep dat ze zóó wel den ganschen dag tot speelbal van kleinzielige willekeur kon dienen, hief Psalm 68:14 aan:
„Israël, Godt geeft u dat gy Syn Koninckryck aenschouwet vrij, Hij regeert al u wercken; Wilt doch, Heer, gij die ons bemint, 't Werck dat gij nu in ons.....”
Maar verder kwam de gemeente op haar beurt niet!
De luitenant stoof—zonder burgemeester, maar met militairen—vloekend en razend naar binnen. Met de blanke sabel sloeg hij naar de vergaderden; zijn manschappen dreven met gevelde bajonetten de weerloozen naar buiten. Overhaast moesten dezen elkaar verdringen om het aanrichten van een bloedbad te ontgaan. Een meisje raakte onder den voet, en moest als gevolg van den doorgestanen schrik eenige dagen het bed houden.
Enkele minuten later kwam Verlinden met gehavende kleeding zijn kamer binnen.
„Je hebt er alles van gezien, meester,” zei hij. „Gelukkig dat we bijtijds er aan dachten uw vrouw en uw kind hier te bergen!”
„Ja, 't zijn wel droevige tijden,” sprak een van de andere vrienden, die in het vertrek waren. „Waar moet dat alles nog op uitloopen!”
[189]
„Toch kan ik er mij in verheugen,” zei Jannetje, „hoe vreemd je 't misschien vinden zult, dat onze jongen onder zulke omstandigheden in de gemeente des Heeren ingelijfd is.”
„U meent,” hernam de vriend; „omdat hij als hij mag opgroeien, daar zijn heele leven aan denken kan!”
„En,” zei de jonge moeder, „omdat het hem herinneren kan aan de dure, heilige verplichting, die op hem rust om een goed krijgsknecht van Jezus Christus te zijn.”
„We zullen het,” zei Gerrit Beukman, „in korte woorden vóór in den familiebijbel opschrijven. Die zal toch eens naar we hopen, voor onzen eerstgeborene zijn.”
„Dat is goed!” riep Jannetje, „en een toepasselijken tekst uit het Woord Gods er onder!”
„Daar zou je voor kunnen nemen Mattheus 2:16,” merkte Verlinden op: „Herodes, eenigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder.”
„Neen!” viel Gerrit hem in de rede; „bij den doop wat anders! Wie weet wat onze jongen nog beleeft! Wie zal zeggen wat zijn kinderen, als het Gode behaagt hem die te schenken, nog zullen moeten doormaken! Aan deze vervolging zal wel een einde komen, maar even zeker zal ze de laatste niet zijn... ook in ons goede land niet. Onze kinderen moeten voorzien worden van de wapenrusting Gods.”
„Wat zet je er dan onder, Gerrit?” vroeg zijn vrouw.
Gerrit Beukman nam den bijbel en sloeg Psalm 22 op: „Dit lieve vrouw!”
[190]
„Het Koninkrijk is des Heeren, en hij heerscht onder de heidenen.
Alle vetten op aarde zullen eten en aanbidden; allen die in het stof nederdalen zullen voor zijn aangezicht nederbukken, en die zijne ziel bij het leven niet kan houden.
Het zaad zal hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten.
Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat hij het gedaan heeft!”
Einde.
[191]
INHOUD.
I.Staatsmisdaad 1
II.Tweestrijd 7
III.Het doel gemist 15
IV.Goede buurschap 20
V.Rechtloos 26
VI.Kerstfeest in Nederland 35
VII.Het nieuwste nieuws 42
VIII.Zware kerkgang 53
IX.Een „schip der Kerk”62
X.„Postwinkel” 70
XI.Hoog en laag gemeen 77
XII.Van „hooger hand” 89
XIII.De ondermeester 95
XIV.Jannetjes besluit 106
XV.Diakonale armenzorg 119
XVI.Toegestemd 129
XVII.Dubbel ontslagen 144
XVIII.„Onder het kruis” 154
XIX.Nieuwe vrienden 167
XX.„Van geslacht tot geslacht” 181
[192]
[Achterkant]
Uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering van Christelijke Lectuur