VIII.
Reading edition
Zware kerkgang.
Dik lag het donzig tapijt van de sneeuw over het landschap, en nog steeds sneeuwde het voort. De felle wind joeg de vlokken heen en weer om ze ten slotte grillig neer te werpen, totdat op sommige plaatsen zooveel opeengehoopt was, dat het verkeer er ernstig door bemoeilijkt werd.
Voor de deur van het ouderwetsche, degelijke heerenhuis op de groote, fraaie buitenplaats Postwinkel tusschen Abcoude en Baambrugge stond een logge, stevige koets gereed, bespannen met twee flinke bruine paarden. Dicht ingestopt zat de oude verweerde tuinman als koetsier op den bok. Hij had een langen tocht voor zich.
De huisdeur werd geopend om de reizigers uit te laten, die in dit weer een rit gingen maken. Een zonderling drietal trad naar buiten.
Voorop ging een dame van ongeveer zestigjarigen leeftijd; een tamelijk lange, stevig-gebouwde vrouw met forsch, bijna mannelijk gelaat, maar dat toch nog enkele sporen van vroegere eigenaardige schoonheid vertoonde. Ze was zeer ouderwetsch, maar deftig en zelfs kostbaar[54] gekleed. Toch zaten de kleeren niet sierlijk; zelfs niet net, en van onder den diepen hoed sprongen enkele lokken weerbarstig grijs haar tevoorschijn. Met de rechterhand steunde ze tamelijk zwaar op een sterken wandelstok. Ze was wel niet kreupel, maar liep toch min of meer moeilijk; evenwel zou ze er niet aan denken den arm van eenigen heer aan te nemen, al werd die haar hoffelijk aangeboden, of de hulp van haar gezelschapsjuffrouw in te roepen. Maar Piet, de oude koetsier, die van den bok geklauterd was, mocht haar familiaar onder den linkerarm steunen toen ze het rijtuig insteeg. Want de moeder van Piet was de min van mevrouw geweest, en Piet, die een jaar of zes ouder was dan zijne meesteres, wist zich nog best den tijd te herinneren toen hij haar altijd gewoonweg Jansje noemde. Dat was nu wel van Jansje jongejuffrouw, van jongejuffrouw juffrouw en van juffrouw mevrouw geworden, maar toch..... Piet zei wel eens tot zijn vertrouwde vrienden: „In den grond van de zaak is het toch eigenlijk Piet en Jans gebleven.” En in zekeren zin had hij geen ongelijk.
Vlak achter mevrouw Karper kwam een heel ander soort van mensch. Met veel gevoel van eigenwaarde, maar toch met betamelijke voorzichtigheid, omdat de stoep zoo glad was, stapte een man van middelbaren leeftijd naar buiten; een groote, beenige, grof-gespierde man met vierkant hoofd en breede gelaatstrekken. Dat hij geheel in het zwart gekleed was, kon men niet zien, want behalve het hoofd verdween de geheele persoon tot aan de hielen in een kolossale blauw-duffelsche jas, van de soort die kuitendekker of nog juister schanslooper genoemd[55] wordt. De steek, die door jarenlangen dienst van zwart rossig-roodbruin geworden was, kenmerkte hem als predikant. Zoodra hij ingestapt was ging hij zonder complimenten naast mevrouw zitten, waarbij de ruimte in zijn voordeel niet nauwkeurig in twee helften verdeeld werd. Doch de reiskoetsen van dien tijd waren breed genoeg.
De derde was een spichtige, magere juffrouw van omstreeks vijf en dertig jaar, die eenvoudig maar goed in 't pak zat en steeds bij mevrouw was, behalve 's nachts. Kamenier was ze niet, want mevrouw hielp altijd zichzelve; gezelschapsjuffrouw was ze evenmin, want mevrouw was bijna nooit zonder gezelschap en de jonge dame sprak zelden een paar woorden; dienstbode kon ze ook niet heeten, want zonder haar was het dienstpersoneel ruim compleet; vriendin was ze nog minder, want op dien voet ging mevrouw niet met haar om. Haar plaats in het gezin werd door mevrouw gewoonlijk aangeduid met de woorden: „zoo iemand om me heen;” en in die positie bewees ze haar meesteres van den morgen tot den avond allerlei diensten, die niet onder woorden te brengen maar voor iemand, die er aan gewend is, onmisbaar zijn. De juffrouw ging tegenover mevrouw zitten, maar had daar volstrekt niet het rijk alleen. Verreweg het grootste gedeelte van de voorbank werd ingenomen door pakjes van allerlei aard, een groote kalebas en een wit smoushondje met blauw lintje om den hals.
„Al klaar?” vroeg Piet, die als palfrenier dienst deed, op vertrouwelijken toon.
„Ja Piet,” antwoordde mevrouw; „en je weet waarheen.”
Piet knikte toestemmend, bonsde het portier dicht, besteeg[56] zijn verheven zitplaats en reed den weg op.
Het was Zaterdag, de 25e Februari 1837, namiddags om een uur of drie, toen dit gezelschap den tocht begon naar Loosdrecht, waarheen mevrouw Karper haar vriend dominee Waterman bracht. Deze had een paar dagen bij haar gelogeerd en zou morgen in Loosdrecht preeken. Dat wil zeggen hij zou, als er niets in den weg kwam, voorgaan in een gezelschap van minder dan twintig personen. Mevrouw Karper had besloten dien dienst bij te wonen en dus van Zaterdagavond tot Maandagmorgen te Loosdrecht te blijven. De „iemand om haar heen” werd ongevraagd en ongeweigerd meegenomen; of ze daar pleizier in had kwam niet in aanmerking. Mevrouw zag tegen geen kleinigheid op en was aan beboeting en dergelijke dingen reeds gewend. Daar ze zelve reeds een paar keeren vrijgesproken was door de Rechtbank te Amsterdam, besteedde zij haar rijkdom aan het betalen der boeten van geloofsgenooten, voorzoover ze daarvan te hooren kreeg en de vervolgden van haar tusschenkomst gediend waren, hetgeen lang niet bij allen het geval was. Meermalen was ze ook met inkwartiering gestraft; doch daar was geen aardigheid aan. Haar huis had vertrekken in overvloed, en zij had over schatten te beschikken, zoodat ze het niet in haar zak voelde. Veel praktischer was het om minvermogenden en armen op die wijze uit te zuigen en hun het leven ondragelijk te maken.
Mevrouw achtte het echter „een paal boven water” dat ieder die bij haar in huis was even weinig als zijzelf met vrees of zenuwachtigheid behebt was. Derhalve had ze tot juffrouw Rika eenvoudig gezegd: „Kind, we gaan[57] morgen naar Loosdrecht.” En juffrouw Rika wist dat ze geen keus had.
Het huis van mevrouw Karper was een herberg der kerk. Haar zalen zette zij open voor het houden van de verboden godsdienstoefeningen; haar overige vertrekken waren altijd als slaapkamers beschikbaar voor predikanten, die een onderkomen zochten op hun zwerftochten door het land, om de kleine gemeenten onder het kruis te bedienen. Allerlei soort van menschen kwamen op die wijze onder haar dak; slechts op deze voorwaarde: dat ze „voor de waarheid waren,” dat is tot de Afgescheidenen behoorden. De Cock, Van Raalte, Brummelkamp, Van Velzen, Sonne, Buddingh, Scholte, waren onder haar gasten; maar ook mannen als Waterman, die nu juist niet met de bovengenoemden op één lijn konden gesteld worden.
De afkomst van Waterman lag geheel in het duister. Als zuigeling van vijf of zes maanden was hij aan het strand van de Zuiderzee gevonden, zonder eenige aanwijzing hoegenaamd, die inlichting omtrent hem verschafte. Daar niemand zeggen kon of het ventje gedoopt was, had men hem, misschien voor de tweede maal, het sacrament des doops toegediend en bij die gelegenheid den passenden naam Mozes gegeven. Tenzelfden dage werd hij met den geslachtsnaam Waterman vereerd. De jongen kon goed genoeg leeren en was predikant geworden. De stijf-orthodoxe visschers, die hem gezamenlijk verzorgd hadden, beleefden genoegen van hun liefdewerk. In beschaving had hij het niet veel verder gebracht dan zijn ruwe, welmeenende pleegouders; ten opzichte[58] van de leer was hij niet uit hun voetspoor geweken. Nauwelijks openbaarde zich de Scheiding of Waterman sloot zich er bij aan. Over bangheid had hij wel eens hooren spreken; bij ondervinding wist hij echter niet wat dat was. Het kostte hem moeite genoeg zich bedaard te houden wanneer een godsdienstoefening, die hij leidde, door de overheid verstoord werd. Zijn vuisten waren even sterk als gewillig, wanneer „de Geest vaardig over hem werd,” zooals hij dat noemde. De geest, dien hij dan bedoelde, was echter meer die van Datheen dan die van Christus. Hij mocht wel eens een enkelen keer een veldwachter, die hem wat ruw aanpakte, allernadrukkelijkst een duw teruggeven, waarvoor hij dan later met de meeste opgewektheid een paar maanden gevangenisstraf onderging.
Moeilijk en langzaam sjouwde het groote rijtuig den bijna onbegaanbaren weg langs, tegen den fellen wind in, die met duizenden sneeuwvlokken Piets oogen verblindde. De reizigers merkten daar echter niet veel van, ze schommelden verder onder tamelijk geregeld gesprek tusschen mevrouw en dominee. Toen het onderhoud wegstierf, liet mevrouw zich door juffrouw Rika de kalebas aanreiken. Daaruit haalde ze drie zure appelen en drie messen tevoorschijn, en bediende ieder der aanzittenden met een stel daarvan.
„Ik heb maar een deel van het dessert op reis meegenomen,” lichtte ze toe. „Dun schillen hoor! Anders gaat er zooveel van verloren. Ik kan die dikke schillen niet zien!”
Dat bevel was echter gemakkelijker gegeven dan volbracht.
„Lust u de appelen niet met schil en al, dominee?”[59] vroeg mevrouw, die het aan 't hart ging haar mooie appelen zoo gekerfd te zien. „Rika is nog jong; bijt jij er zoo maar in, kind; dat doe ik ook. Ik zal de messen maar weer bergen.”
Ze voegde de daad bij 't woord, voorzoover twee messen betrof. Maar om dominee Waterman het zijne uit handen te krijgen, voordat hij verkoos het te geven, daar was meer kracht van wil en spieren toe noodig dan zelfs zij bezat.
„Ik ben er al mee klaar!” riep deze, het raampje naar beneden latende om de schillen naar buiten te werpen.
„Wacht!” riep mevrouw; „er zit nog zooveel in!” Maar het was te laat!
Op hetzelfde oogenblik stond de koets stil. Piet kwam naar omlaag, opende het portier en trok met de rechterhand aan de pet, bij wijze van salut.
„Mevrouw, daar staan we. We kunnen d'r niet verders door.”
„Jawel Piet!” antwoordde mevrouw.
„Jawel Piet!” bauwde deze haar na. „Neen mevrouw. Ik kan de bruinen niet verder krijgen!”
„Vriend!” zei dominee; „doe dat deurtje weer dicht; daar komt nogal kou binnen.”
„Jawel!” hernam Piet verwijtend. „En dan? Als dominee er'reis even uitkwam en een handje hielp, zou hij beter doen!”
„Wat moet er dan gebeuren, vriend?” vroeg de dominee.
„Dat zullen we dán wel zien,” antwoordde Piet lakoniek.
Dominee stapte in de sneeuw.
„En de juffrouw d'r ook uit! Mevrouw kan wel blijven zitten.”
[60]
Een oogenblik later stond de juffrouw naast dominee.
„Ga jij nou maar even daar bij dien boom wachten,” sprak Piet beschermend. „En dan zullen wij tweeën 'reis kijken of we dat ding weer aan 't rollen kunnen krijgen. Dominee, als jij nou 'reis even aan de spaken van het achterwiel ging, hè? Ik zeg het nou maar alsof je mijns gelijke was. Dan duw ik de bruinen weer terug.”
Na heel wat gehaspel gelukte het eindelijk de wielen van het rijtuig weer uit den sneeuwhoop los te worstelen.
„Zoo! Gaan d'r nou maar weer in!” veroorloofde Piet. „Hier, juffie, nou kan je weer op je warme plaatsje gaan zitten, dan gaat Piet maar weer voorop.”
„En nu zingen we samen een versje,” zei mevrouw zoodra het rijtuig weer in beweging was.
„Psalm 122 vers 1 en 3,” gaf dominee op, en begon onmiddellijk met dreunende stem, zonder te onderzoeken of de beide dames die versjes nu juist wel in de berijming van Datheen van buiten kenden:
Soo haest als ick hoore spreken: Welaan, laat ons alle seer saen In dat huys onses Heeren gaen: Met vreught is mijn hert ontsteken; Dat ons voeten sullen hier naer Staen binnen de poorten eerbaer Van Jerusalem wel gestichtet. Jerusalem is gebouwt vast, En door vrede tsamengepast, En tot een stad Godts fijn gerichtet. Binnen uw mueren wonen sal, Liefde, vrede, met eenigheyt; De huysen en palleysen breyt Zijn vol van Godts zegening al! [61] Om den wil der broederen mijn, En der vrienden die binnen sijn, Wensch ick u vreed in allen hoecken, Om dat oock Godts Tempel seer reyn Staet binnen u mueren niet kleyn, Wil ick steets uwen voorspoet soecken.
Een paar broodjes met worst verkortten daarop den tijd. Nog enkele keeren moest dominee even er uit om nieuwe hinderpalen te helpen overwinnen; maar eindelijk tegen vijf uur bereikte de koets behouden en wel, al was het ook een uur te laat, het logement te Loosdrecht.
De beide dames bleven daar logeeren; maar dominee werd natuurlijk verwacht en verwelkomd bij den broeder, bij wien aan huis hij den volgenden dag den dienst leiden zou.
„En hoe wou jij nu?” vroeg mevrouw aan Piet. „Denk je vanavond nog thuis te komen?”
„Daar zal wel een zware wijs op gaan!” zei Piet. „Je komt er altemet niet eens bij dag goed door! Wat denk je van morgen-ochtend, mevrouw?”
„Dat is de dag des Heeren, Piet!”
„Ja, dat zeg je naar waarheid, mevrouw,” hernam de koetsier, zich verlegen achter het oor krabbend. „En ik ben er ook niet voor; maar aan den anderen kant het zijn onze eigen beesten en ik ben het ook zelf.”
„En haal me dan Maandagochtend;” sprak mevrouw, die tegen deze logica niets afdoends wist in te brengen, met hem af.
„Zie je, mevrouw,” voegde Piet er nog bij om zijn geweten geheel gerust te stellen; „ik zou wel blijven tot Maandag, maar dat kan nu eenmaal niet van wegens den schimmel en de rest.”
[62]
