XII.
Reading edition
Van „hooger hand.”
De burgemeester van Bunschoten zat met veel gewichtigheid in zijn kamer in het Raadhuis de ingekomen stukken te lezen. Ze waren niet zeer talrijk en de inhoud had niet veel om 't lijf, zoodat de Edel Achtbare zeer spoedig met dit werk gereed zou geweest zijn, indien hij nog iets anders te doen had gehad; maar dat was het geval niet. Derhalve kon hij aan het belangrijkste van de paperassen zijn geheele aandacht geven en onmiddellijk handelend optreden.
Dat was dan ook geen kleinigheid: een schrijven van Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht, den heer Van Toulon. De gouverneur was altijd zeer welwillend voor onzen burgervader; des te meer verraste en schokte hem de inhoud van dezen brief. Hij had het epistel nu wel drie maal gelezen, maar kon het zich toch niet ontveinzen: hoe poesvriendelijk de vorm ook mocht zijn, Zijn Edel Achtbare werd door Zijne Excellentie op de vingers getikt! Dat is nooit zeer aangenaam, maar een onwillekeurig verzuim is toch denkbaar en vergeeflijk; we zijn allen menschen en één mensch gaat maar één[90] gang! Doch nu.... eigenlijk verdacht te worden van inschikkelijkheid voor een van die verwenschte scheurmakers... hij: burgemeester, allergetrouwst dienaar van Zijne Majesteit, kerkvoogd van de „groote” kerk, persoonlijk bevriend met meer dan één lid van de Haagsche Synode; volbloed-oom van twee en neef van drie andere Hervormde predikanten... dát was om er een beroerte van te krijgen!
De burgemeester dronk een glas water en belde heftig.
De bode kwam binnen.
„Veldwachter Koelewijn!” beval Zijn Edel Achtbare norsch en kortweg.
De bode af.
„Hij moet me kalm zien!” zei de burgemeester tot zichzelf en stak gauw een versche pijp tabak op; iemand die rookt is normaal.
Veldwachter binnen; blijft in militaire houding op behoorlijken afstand van den hooggeplaatsten man staan.
„Zeg, Koelewijn, wat.... e.... wat ben jij van je geloof?”
„Hervormd, Edel Achtbare!”
„Zoo! Maar.... e.... je hoort toch in je hart eigenlijk bij dat canalje.”
Het is min of meer moeilijk om op zoo vage en zoo vleiende onderstelling te antwoorden: „Tot uw dienst, Edel Achtbare!” Veldwachter Koelewijn vergenoegde zich dus met te zeggen „Ik behoor tot de Nederlandsche Hervormde kerk, Edel Achtbare.”
„Je heult, zeg ik je, met de Separatisten!” bulderde het achtbaar hoofd der gemeente, wiens gemoed de[91] gouwsche-pijp-kalmte begon te verliezen en opnieuw de beroerte-opwinding naderde.
„Als ik zoo vrij mag zijn, Edel Achtbare, welk bewijs—”
„Welk bewijs? Je bent er orthodox genoeg voor, kerel!”
De veldwachter zweeg; het is uiterst moeilijk uit te maken hoe orthodox iemand wezen moet om met canalje te heulen.
„Nu, wat heb je daarop te zeggen? Antwoord je mij niet? Als ik één woord spreek, ben je ontslagen!”
Onwillekeurig dacht de eenvoudige veldwachter aan een ander hooggeplaatst man, die ongeveer achttien eeuwen geleden hetzelfde gezegd had tot een gevangene... tot zijn eeuwige schade.
„Edel Achtbare, ik kan niet anders zeggen dan ik u al gezegd heb!”
„Hm! Je bent een rechte sfinx!”
De veldwachter zweeg; hij was in de verte niet zoo ontwikkeld als de burgemeester en had dus niet de eer te begrijpen met welken geest of welk beest hij thans vergeleken werd.
„Kijk hier!” ging de burgervader voort, een brief in folio-formaat in de hoogte houdend. „Van hooger hand, van niemand minder dan Zijne Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht; die me opdraagt ten spoedigste te berichten of veldwachter Koelewijn in betrekking als ambtenaar, dan wel als separatist, in de vergaderingen der scheurmakers geweest is. In het laatste geval moet ik dadelijk een ander als veldwachter voordragen en word je onmiddellijk ontslagen.”
„Edel Achtbare, ik herhaal dat ik lid ben van de Hervormde[92] Kerk en niet Afgescheiden. Maar als ik zoo vrij mag wezen te vragen of iemand mij aangeklaagd heeft..”
„Jawel, ik wil open kaart met je spelen, want ik.... wel je bent altijd goed voor je werk geweest... ik heb niets op je aan te merken. Luitenant Van der Poort is maar heel weinig ingenomen met je houding, wanneer de onwettige vergaderingen door hem ontbonden worden. Jij gaat dan zoo zacht met die snuiters om alsof ze van kraakporselein waren, en zoo wek je verdenking.”
„Edel Achtbare; ik behandel ze menschelijk.”
„Kletspraat! Je hebt je te houden aan de bevelen van den luitenant! Die heeft over je gerapporteerd aan Zijne Excellentie. Nu, jij kent luitenant Van der Poort even goed als ik als een hoogst-beschaafd man, die...”
Luid en dringend kloppen aan de deur noodzaakte den burgemeester zijn lofspraak op den luitenant af te breken. „Binnen!..... Wat is er? Ik ben immers en besogne!”
„Edel Achtbare, Sergeant Spruiter verzoekt zeer dringend dadelijk toegelaten te worden.”
„Waarom heb je hem niet gezegd dat ik in conferentie ben?”
„Dat heb ik gezegd, Edel Achtbare; het helpt niets. De sergeant zegt hij moet en zal u onmiddellijk spreken.”
„Laat hem dan maar binnen... Koelewijn, wacht even buiten.”
Eenige oogenblikken later trad de sergeant de kamer in.
„Wel sergeant?”
„Edel Achtbare! ik kom uw hulp inroepen als hoofd der politie.”
[93]
„Tegen de separatisten? Zendt luitenant Van der Poort je hierheen?”
„Verekskuseer, Edel Achtbare! Het is juist van wegens den luitenant.”
„Ja, die stuurt je hè?”
„Nogmaals verekskuseer; ik ben tijdelijk eerst-aanwezend. De luitenant is zoo raar, altemet net alsof hij niet goed bij z'n positieven is.”
„Wat blief je?”
„Jawel Edel Achtbare! Hij loopt met uw verlof al door maar te bidden en te vloeken, en z'n eigen vuistslagen te geven, en te schreeuwen en te gillen van heb-ik-jou-daar! Zoodat ik maar een man of vier bij hem gezet heb om ongelukken te voorkomen, en nu met versnelden pas bij UEdel Achtbare kwam. Ik kan geen verstandig woord aan hem kwijt raken en we hebben z'n sabel al moeten wegmoffelen, want hij wou z'n eigen tekortdoen.”
„Zoo, zoo! Goed. Ga maar vooruit, sergeant! Ik kom bij je.”
Sergeant, na militair saluut, verdween.
De burgemeester schoot zijn winterjas aan, want het was een koud dagje in Maart, en ging de kamer uit. Daar stond, volgens bekomen order, de veldwachter totdat hij weer binnengeroepen zou worden.
„Ga maar mee, Koelewijn,” zei de burgemeester, haastig voortloopend; „er schijnt iets met luitenant Van der Poort niet in orde te zijn.”
Het tooneel, dat burgemeester en veldwachter een minuut of tien later te zien kregen, toen ze de kamer binnentraden waar de luitenant zich bevond, was wel geschikt[94] om hun, ieder op z'n eigen manier, aan het zooeven gehouden gesprek te herinneren.
Tusschen het venster en den schoorsteen tegen den muur, in een grooten leuningstoel, zat de luitenant in volle uniform. Zijn beenen waren met een strik aan elkaar gesnoerd; aan elken arm werd hij door een sterken soldaat vastgehouden. De mannen moesten alle kracht inspannen om hem meester te blijven. In het vuurrood gelaat rolden de oogen woest heen en weer. Onophoudelijk vervulde de ongelukkige het vertrek met zijn gebrul.
„Verloren! Verloren! Ik heb ze uit elkaar laten ranselen! Ik heb de gemeente van den levenden God vervolgd! Voor eeuwig verdoemd! Ik heb zijn oogappel aangeraakt! Voor mij is geen vergeving! Verloren! Verloren!”
De burgemeester beproefde een paar woorden tot hem te spreken, maar vergeefs. De krankzinnige gaf geen enkel blijk dat hij er iets van begreep, maar bleef onafgebroken zijn wanhoopskreten uitstooten.
„Haal een rijtuig!” beval de burgemeester den veldwachter.
Geen half uur daarna reed een gesloten wagen, met twee paarden bespannen, zoo snel mogelijk den weg op naar Utrecht. Aan handen en voeten geboeid, door drie zijner soldaten in bedwang gehouden, werd de luitenant overgebracht. Voorop naast den boer, die als koetsier dienst deed, zat veldwachter Koelewijn met het bevelschrift en de overige noodige papieren van den burgemeester in den zak.
[95]
