← Table of contents
De Vurige Oven

XVIII.

Reading edition

„Onder het kruis.”

Vader en moeder Huiskamp zaten met Jannetje, na volbrachte dagtaak, onder de geschoren lindeboomen op de groene bank voor het huis een luchtje te scheppen. Het was een heldere zachte avond in de eerste helft van Mei 1838.

„Dus als ik het nou goed begrijp,” zei vader langzaam tot zijne dochter, „dan zou dat den vijftienden van de volgende maand wezen.”

„Ja vader,” antwoordde Jannetje gelaten; zeker reeds voor de tiende maal in de laatste drie dagen; „dat is Vrijdag den 15en Juni.”

„Zoo, zoo! Ik zie d'r nog geen gat in!” hernam vader, evenzoo zeker voor de tiende maal in de laatste drie dagen.

„Hoe bedoel je dat, vader?”

„Hoe dat dát gaan moet.”

„Maar, vader, je hebt toch je toestemming gegeven en moeder ook; en de ouders van Gerrit vinden het ook best; en....”

„Ja, dat is allemaal goed en wel, maar ik bedoel verder, zie je.”

[155]

„En Gerrit heeft toch een goede betrekking; en we zijn ook zoo jong niet meer....”

„Neen.... wat dát allemaal aanbelangt;.... ik en moeder hebben ook onze toestemming gegeven. Ja, dus den vijftienden van de volgende maand?”

„Ja, vader.”

„Kijk, kind,” zei moeder; „Ik weet wel wat vader zoo drukt, en als ik de ronde waarheid zal zeggen: mij niet minder. Trouwen is goed en wel en naar de wereldsche instelling van menschen moet dat op het raadhuis en door den burgemeester; daar gaat niets van af;.... maar dán zie je!”

„U bedoelt de inzegening in de kerk?”

„Ja.... dát laten jullie dan niet doen, zie je!”

„Maar, moeder!” riep Jannetje verwijtend.

„Ja, ik weet wel wat je zeggen wil; maar eigenlijk toch niet, zie je. Het is dan toch op z'n mooist een afgezette dominee en maar bij een van jullie ouderlingen of bij een vriend aan huis. En dat kan me zoo erg aangrijpen; maar ik kan er niets aan doen!”

„Moeder, de zaak is toch maar dat het huwelijk ingezegend wordt in een samenkomst van de gemeente; en of dat nu in een mooie kerk of in een schuur gebeurt.... die uiterlijkheden. En het is dan toch ook onze schuld niet, dat het niet in de kerk kan!”

„Ja, kind, ik zal je niet heelemaal tegenspreken; maar 't is jammer! 't is jammer!”

„Onzen zegen heb je;” zei vader; „maar hoe moet dat dan verder?”

„Kijk, vader; Zondag den zeventienden Juni, preekt[156] dominee Scholte hier, en dan zou meteen ons huwelijk ingezegend worden.”

„Dus,” hernam vader, „jullie willen niet in de groote kerk!”

„Maar al zouden we willen,” wierp Jannetje tegen, „dan zou dat immers niet eens kunnen.”

„Neen,” zei moeder, „dat 's te zeggen als je blijven wat je bent. Maar vader en ik dachten soms zoo bij ons eigen....”

„Dat we misschien weer Hervormd werden?” viel Jannetje haar vragend in de rede. „Dat kan u toch haast niet meenen!”

„Nou,” zei vader; „dan moeten we er ons maar bij neerleggen. En dan kunnen ik en moeder bij je eigenlijke trouwen niet bij wezen.”

En daarbij bleef het. Jannetje kon haar ouders er niet toe bewegen om de kerkelijke inzegening van haar huwelijk bij te wonen. Alles was goed en wel, meende vader Huiskamp; ze bleven allemaal samen op den besten voet; hij zou altijd het goede voor hen zoeken; hij dacht er niet aan om de jongelui te veroordeelen; maar hij wist toch met al z'n lek en gebrek wel dat hij het bij 't rechte eind had, dat zoo'n huwelijksinzegening niet was wat je eigenlijk graag zou willen. Jannetje deed er het zwijgen toe; ze begreep dat daartegen toch niet te redeneeren viel. Het was hard; het wierp een schaduw over haar geluk; maar 't was niets anders! Gerrit zei tot haar: „Je kunt het op mooie ochtenden hebben dat er laag zoo'n zware nevel hangt, dat de menschen elkander en de beesten in 't land niet zien kunnen; maar kijk je dan[157] naar boven, dan zie je de toppen van de boomen heerlijk groen en het haantje van den kerktoren glinsteren in 't volle zonlicht. Zoo begrijpen de menschen elkaar dikwijls hier op aarde niet, maar eenmaal komen ze boven in het heldere licht. Je vader en moeder en wij zijn het toch wel waarlijk met elkaar eens, maar zij kijken nog te veel in den mist, begrijp je?”

Jannetje begreep het tot haar troost.

Zoo was voor bruid en bruidegom en voor de beide paren ouders de 15e Juni toch een gezegende dag. Allen hieven het hoofd boven den mist uit; allen zagen en begrepen elkander in den helderen zonneschijn van Gods vriendelijk aangezicht. Niet slechts werden twee jonge menschen één; ook de heerlijke eenheid van de leden des lichaams van ons Hoofd in de hemelen werd door allen gevoeld en genoten.

En daarna:—doken vader en moeder Huiskamp weer kopje-onder in den mist van hun eerlijk-gemeend kerkisme.

Eerst des Maandags zouden de jonggehuwden naar Bunschoten vertrekken, nadat—zooals de bruid gezegd had—den vorigen dag hun huwelijk door dominee Scholte zou ingezegend zijn.

Des Zaterdags namiddags kwam deze predikant van Utrecht om bij zijn vriend Reijmeringer te logeeren. Ten einde alle moeite te voorkomen werd aan den burgemeester kennis gegeven van zijn tijdelijk verblijf te Loosdrecht.

Des Zondagsmorgens zeer vroeg begaf dominee Scholte zich met zijn gastheer te voet naar 's Graveland, waar hij den ochtenddienst leiden zou. In dat Noord-Hollandsche dorp had men van inkwartiering geen last; alleen[158] was er kans dat hij er boete oploopen zou. Doch beboeting werd door velen nauwelijks onder de ernstige belemmeringen der gewetensvrijheid gerekend.

De dienst te Loosdrecht zou des avonds laat gehouden worden. Ten einde zoo weinig mogelijk de aandacht te trekken kwam Scholte tegen het vallen van den avond niet te voet in het dorp terug; een der broederen bracht hem in een schuitje derwaarts. Het gelukte hun ongemerkt de ruime schuur van Gerrit Pos binnen te komen, die voor de godsdienstoefening ingericht was.

De vergadering was slechts klein in aantal. De predikant, zijn gastheer Reijmeringer, vader en moeder Beukman, de beide jonge echtgenooten, twee paren ouders, die elk een zuigeling ten doop brachten, de overige vier kinderen van het eene paar, nog een lid der gemeente, en een zekere Duitscher J. F. C. Brandt, een neef van den voorganger, uit Lippe geboortig, maar die drie jaren in Nederland gewoond had. Het gezin van Pos telde drie personen. In 't geheel waren er dus vijftien volwassenen en zes kinderen. Aangezien de familie Pos volgens de wet niet bij het beruchte twintigtal gerekend mocht worden, waren er dus de zuigelingen zelfs medegerekend, slechts achttien personen aanwezig. In dat opzicht was aan de strengste eischen der wet voldaan. Tenzij de overheid goedvond—wat ook soms gebeurde—onderscheid te maken tusschen de woning en de schuur van Pos; dan waren er een en twintig! Maar men maakte zich buitendien aan verscheidene zware overtredingen schuldig: een der sacramenten werd bediend; een huwelijk werd ingezegend; twee „vreemden van buiten” waren aanwezig: Brandt en[159] Gerrit Beukman; eigenlijk was Jannetje door haar huwelijk ook „een vreemde van buiten” geworden. Voor die opeenstapeling van misdaden was geen pardon, indien men op heeterdaad betrapt werd!

Boven aller verwachting verliep de geheele dienst ongestoord. Scholte kon zijn leerrede houden; het sacrament van den heiligen doop werd aan de beide kinderen bediend; het huwelijk van Gerrit en Jannetje Huiskamp plechtig ingezegend. Meer dan over het algemeen het geval is gevoelden beiden de beteekenis van den aanvang van het huwelijksformulier: „Overmits dat den gehuwden gemeenlijk velerhande tegenspoed en kruis vanwege de zonde is toekomende, opdat gij, die uwe echtelijke verbinding in Gods naam openlijk alhier in de kerk wilt bevestigen, ook in uwe harten verzekerd zijn moogt van de gewisse hulp Gods in uw kruis, zoo hoort uit den Woorde Gods, hoe eerlijk de huwelijke-staat zij.”

Tegen half-elf meenden de vergaderden rustig uiteen en ongestoord naar huis te kunnen gaan.

Toen daartoe de deur geopend werd, stuitte men op een troep gewapende militairen, die allen doorgang beletten, maar verder niets deden. De schuur had nog een kleine deur in den achtergevel, maar spoedig bleek dat ook die door soldaten met gevelde bajonet afgezet was.

De vrienden zaten dus gevangen. Dat was de nieuwste uitvinding van geloofsvervolging. Totnogtoe was men gewoon geweest hals over kop naar buiten gesmeten te worden; dezen avond mocht men niet vertrekken.

De eigenaar van het gebouw begaf zich weer naar den uitgang en opende de deur.

[160]

„Mannen, mogen we er niet uit?”

„Allen binnen blijven!” riep een der soldaten.

„Waarom en hoelang?” vroeg Pos verwonderd.

„Dat gaat ons niet aan!” was het welwillend bescheid. „Ik zou nog maar een deuntje samen zingen.”

„Kan ik den sergeant even spreken?”

„Jawel!” riep deze. „Ik zal het je wel zeggen: je moet hier blijven tot de burgemeester komt.”

„Sergeant, laat ons dan ten minste in mijn huis mogen gaan.”

„Nu, daar is niets tegen,” antwoordde de sergeant, die bij anderen vergeleken een voorbeeld van vriendelijkheid was. „Dan zullen we je allemaal eventjes overbrengen. Maar je moet op het erf blijven, daar gaat niets van af. En niet probeeren.... je weet wel! Denk aan de bajonetten en de blauwe boonen!”

Op bevel van den sergeant namen nu de militairen met gevelde bajonet, het kleine groepje tusschen zich in en brachten het—een kudde schapen temidden van de slachters!—naar het woonhuis van Pos. Daarna werd het huis rondom met wachten bezet, zoodat naar buiten gaan onmogelijk was.

Men maakte het zich zoo gerieflijk mogelijk; de vrouw des huizes zette koffie en haalde koek voor den dag; Pos zorgde voor pijpen en tabak; en weldra waren allen in levendig gesprek gewikkeld.

Een goed half uur later kwam de burgemeester, gevolgd door acht gewapende manschappen, het vertrek binnen.

Zonder groet begon hij dadelijk de namen der aanwezigen te vragen en op een lijst te schrijven.

[161]

„Dat is dus,” zeide hij toen dat belangrijk werk afgeloopen was; „—laat zien: drie, zes, negen, twaalf, vijftien, vijftien volwassenen en zes kinderen. Een te veel! Zeg eens, Pos, wat moeten die menschen bij je doen?”

„Burgemeester,” antwoordde deze; „dat zijn vrienden van me, die hier een kop koffie drinken.”

„Ja; de koffie zie ik,” antwoordde de vertegenwoordiger des konings; „maar dat zal wel een doekje voor 't bloeden wezen! 't Is een boven de wet, man!”

„Burgemeester, al zouden we hier vergaderen, dan is daar mijn vrouw, en daar mijn zoon, en ik, dat is drie, die hier in elk geval zijn mogen. Dus zelfs die twee zuigelingen medegerekend, zijn er toch niet meer dan achttien.”

„Burgemeester,” mengde zich dominee Scholte nu in het gesprek: „deze menschen zijn hier alleen door dwang tegenwoordig. Na afloop van den dienst in het daartoe bestemde gebouw, hebben de militairen ons met geweld den uitgang belet, anders zouden de meesten, misschien wel allen, reeds lang naar huis zijn.”

„Ik heb hier met Pos te doen,” antwoordde de man van de wet. „Jou vind ik later wel!”

Met die woorden ging hij weg, na twee soldaten order gegeven te hebben om in de kamer te blijven en te zorgen dat de voordeur open bleef.

Zoodra ze hun kans schoon zagen maakten de beide doopvaders, dat ze met hun vrouwen en kinderen naar huis kwamen. De overigen bleven nog een korte poos bij elkaar.

Eindelijk zou men vertrekken. De vrouw des huizes[162] zei: „Nu moeten we nog één versje zingen. Psalm 146:3.”

„Dat is goed,” zei de dominee en las voor:

„Met hem vergaen zijn raden al. En werden haestlick tot niet. Wel hem dien Godt t' aller tijd zal Sijn hulp aenbieden met vliet: Die tot Godt heeft zijn toevlucht In noot en in quaet gerucht.”

Nauwelijks had hij den laatsten regel gelezen of woedend stoof de burgemeester naar binnen: „Begint het nu al weer!” riep hij met een paar vloeken. „Nu moeten allen er uit.”

„Burgemeester,” zei dominee Scholte; „er is hier geen schijn of schaduw van overtreding. Acht menschen zijn hier op visite bij de drie bewoners van het huis. Voordat ze afscheid nemen, willen ze een psalmversje samen zingen. Welk kwaad steekt daarin? Uw handelwijs acht ik geheel en al onwettig, en ik voor mij denk er niet aan om nu te vertrekken.”

„Dat zullen we je dan wel leeren!” schreeuwde de burgemeester. „Mannen! Eerst dezen kerel! De doos in, hoor!” Hij wees op Brandt, die rustig zijn kop koffie zat leeg te drinken.

Onmiddellijk werd de jonge man met stompen en stooten van zijn stoel getrokken, de kamer doorgesleurd en het huis uitgeworpen. Buiten gekomen werd hij opgevangen door de anderen, geboeid en naar de woning van den veldwachter geduwd, waar men hem voor 't overige van den nacht in een gevangenhok opsloot.

Onderwijl werden de overigen met de blanke sabel[163] de straat opgejaagd. Alleen dominee Scholte viel de onderscheiding tebeurt, dat zes mannen hem aangrepen en met duwen en slagen naar buiten sleepten en op straat zetten.

Toen allen naar buiten gebracht waren, zag de burgemeester dat hij bij vergissing het geheele huis ledig gemaakt had. Dat bagatel onrecht herstelde hij door de familie Pos genadig te vergunnen weer naar binnen te gaan. Gerrit Beukman hielp dit in zooverre, dat de burgemeester nu voor hem iets door de vingers zag. Gerrit was wel een „vreemde van buiten” en dus wederrechtelijk in de vergadering toegelaten; maar enfin.... als oude kennis!... en de burgemeester was er ook de man niet naar om op alle slakken zout te leggen!

Eindelijk waren dominee Scholte en zijn gastheer weer thuis. Twee broeders wachtten hen daar op, die hem nog even de hand drukken wilden voor hij morgen weer naar Utrecht vertrekken zou.

Nog geen tien minuten zaten de vrienden onder een glas wijn bij elkaar of nieuw bezoek kwam—onaangediend—binnen. De burgemeester die—wat overigens zijn gebreken ook zijn mochten—in geen geval van „plichtverzuim” te beschuldigen was! Met hem zijn gewone lijfwacht van vier soldaten. Zonder eenige inlichting of opheldering—want tegenover de Afgescheidenen was iedere burgemeester en luitenant een grondwet op eigen houtje—plaatste de burgemeester twee gewapenden als wacht in de huiskamer van Reijmeringer en beval den sergeant met de beide anderen voor de deur te blijven. En nu was zijn werk afgeloopen; hij ging naar huis; het was bedtijd!

[164]

De beide soldaten in de woonkamer gedroegen zich alleronhebbelijkst. Ze tierden, vloekten, spuwden op den grond, en gingen er eindelijk toe over om de vrouw des huizes te beleedigen. Ten einde raad ging Reijmeringer met den sergeant spreken; gelukkig dezelfde die bij Pos dienst gedaan had. Deze was welwillend genoeg om de beide manschappen te bevelen naar buiten te komen.

Eindelijk kwam dus de nachtrust!

Hoe deze zaak verder liep?

Ten einde alle verdenking van overdrijving weg te nemen volgt hier letterlijk het verhaal van de verdere lotgevallen van Brandt, zooals het een maand later in „De Reformatie” opgenomen werd.

„De gearresteerde persoon, J. F. C. Brandt, geboortig uit het vorstendom Lippe, welke, drie jaren te Amsterdam gewoond hebbende, nu, met eenen behoorlijken reispas voorzien, in ons vaderland eenigen tijd zich ophield, om afscheid van zijne familie te nemen, werd Maandagmiddag, op last van den burgemeester, geboeid onder geleide van den dienaar en gewapende militairen naar Loenen getransporteerd en aldaar insgelijks in een hok opgesloten. De vrederegter te Loenen vergunde echter nog aan Ds. Scholte zijnen neef in de gevangenis te bezoeken, hetgeen te Loosdrecht geweigerd was. Dingsdagmorgen werd Brandt wederom geboeid langs den grooten weg naar Utrecht gebragt en aldaar in het tuchthuis opgesloten. Ds. Scholte had aan den officier verzocht de instructie spoedig te doen voortgaan, dewijl hij zeker wist, dat Brandt niets misdaan had en dus gewisselijk dadelijk in vrijheid gesteld zou worden.

[165]

Dingsdagavond zond de officier aan Ds. Scholte met eenen deurwaarder de boodschap, dat, indien hij voor Brandt de reiskosten wilde betalen, men hem nog dien avond in de diligence naar Deventer en vervolgens verder naar zijn land zou zenden. Ds. Scholte zond de boodschap terug, dat hij, verzekerd zijnde dat de reispas in orde en hij overigens onschuldig was, dringend verzocht uitlevering aan den regter van instructie. Dat is dan ook Woensdagmorgen geschied met die uitkomst dat hij na het verhoor dadelijk op vrije voeten gesteld is.”

De predikant Scholte was er de man niet naar om zoo brutale en verregaande wetsovertreding en schending van grondwettig-gewaarborgde vrijheid ongemerkt te laten voorbijgaan. Hij en zijn beide vrienden Reijmeringer en Pos zonden ieder hun proces-verbaal aan den officier van de Rechtbank te Utrecht. Deze heer ontbood eenige dagen later den predikant—alleen om hem te zeggen dat hij aan de zaak niets doen kon. Daarop werden onmiddellijk door de klagers copieën van de stukken met begeleidend schrijven gezonden aan den koning en aan den procureur-generaal bij het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage.

Van den koning kwam nooit eenig antwoord. Enkele maanden na de inzending der stukken kwam een deurwaarder mondeling den heer Scholte mededeelen: „dat de procureur-generaal geen termen vond om den burgemeester van Oud-Loosdrecht wegens het door hem gepleegde te vervolgen.”

Met volle recht kon het Tijdschrift der Afgescheidenen vragen: „Welken naam moeten wij nu geven aan zoodanige handeling, dat, wanneer inwoners van Nederland[166] hun beklag op behoorlijke wijs aan de bevoegde autoriteit doen, en aan bepaalde personen, bepaalde en bij de wetten des lands veroordeelde misdaden ten laste leggen, en daarover vervolging verzoeken voor den bevoegden rechter, het publiek ministerie de klagers eenvoudig afwijst met een antwoord, dat zij geen termen ter vervolging vinden? Zijn de daden waarlijk gepleegd, dan behooren de daders gestraft te worden volgens de wet. Zijn de te laste gepleegde daden niet waar, en worden ze echter publiek iemand te laste gelegd, dan behooren die klagers als lasteraars gestraft te worden, want ook daarin heeft de wet voorzien.

Men is zoo gretig om de Afgescheidenen voor de Regtbanken te trekken; waarom ook niet hunne tegenstanders, wanneer deze de wetten des lands overtreden?”

[167]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings