XI.
Reading edition
Hoog en laag gemeen.
De heer Buter, de vriend van Klaas Beukman, bewoonde in de Lindenstraat tusschen de Noorderkerk en de Lindendwarsstraat een vrij ruim huis. Hij had als winkelier in huishoudelijke artikelen een goed burgerbestaan. Reeds sedert het begin der beweging had hij met zijne vrouw zich van ganscher harte bij de Afscheiding aangesloten; en zij werden gerekend onder de leden, van wier standvastigheid in de vuurproef der vervolging men zich verzekerd houden kon. Dat was gelukkig niets ongewoons. De ouderling van de kleine gemeente, Wormser, die in „De Reformatie” verslag gaf van hetgeen in dit hoofdstuk verhaald wordt, kon er bijvoegen: „Sommigen onzer Amsterdamsche broeders zijn in druk en benauwdheid wegens het voorgevallene. De meesten echter staan goed, welgetroost in den Heere.”
Broeder Buter had dus niet geaarzeld, toen „de openbare vergaderplaats der gemeente te Amsterdam, tot straffe voor de openlijk daarin plaats gehad hebbende prediking, laatstelijk van den predikant de Cock, door de politie gesloten was,” zijn huis aan te bieden voor de samenkomsten.[78] Dankbaar werd het aanbod aangenomen, want de zoogenaamde Jordaan was evenals Kattenburg rijk aan gemeenteleden; en er bestond meer dan één reden om den menschen de gelegenheid voor godsdienstoefening zoo dicht mogelijk bij hun woningen te geven; om er slechts één te noemen: hoe korter de afstand is wanneer men onder ketelmuziek, steenworpen en stokslagen naar huis gaat, des te beter.
Een ruime achterkamer was bestemd voor de te houden samenkomst, waar—ten einde alle aanmerkingen te ontgaan—behalve de leden des gezins niet meer dan negentien personen bijeen zouden zijn. Die kamer bereikte men door den winkel heen langs een trap achter in de gang.
Het ontbijt stond reeds vroeg op den morgen gereed in de voorkamer.
Toen de huisvader—het laatstgenoemde vertrek binnen getreden—even naar buiten keek, zag hij dat het weer er niet op verbeterd was. De grijze wolken, die elk zonnestraaltje onderschepten, lieten groote sneeuwvlokken los, welke onmiddellijk bij aanraking met de natte gevels, de zwart-uitgeslagen stoepen en de modderige straat wegsmolten en voortdurend de onreinheid vermeerderden. In de hoeken van de stoepen lagen restanten van het sneeuwijs der vorige dagen nog opgehoopt, vermengd met stukken baksteen, afkomstig van een huis, dat op twintig schreden afstands afgebroken werd. Alles zag er dus even treurig en triestig uit; maar toch werd de aandacht van den heer Buter tot iets anders getrokken.
[79]
„Mina!” zei hij tot zijn vrouw, die bezig was met brood snijden; „kom eens gauw even kijken. Er staan vier politieagenten voor de deur!”
„Wat blief je?” riep juffrouw Buter en liep met het mes in de hand naar het venster. „Al z'n leven! Zou er niemand door mogen?”
„Wie weet het!” antwoordde haar man, „maar het is ook mogelijk dat ze hier geplaatst zijn om ons tegen opstootjes te beschermen.”
„Het kàn zijn!” zei Klaas Beukman, die ook even was komen kijken. „Maar naar de ondervinding, die wij in Loosdrecht opgedaan hebben, zou ik je raden daar maar niet te vast op te rekenen!”
„Zou je 't ook eens even vragen, Hein?” opperde zijn vrouw.
„Dat kan in elk geval geen kwaad,” meende haar man en ging naar beneden.
Een stuk of wat straatjongens en enkele baliekluivers, die voor hun doen buitengewoon vroeg bij den weg, of waarschijnlijker sedert den vorigen namiddag nog niet thuis geweest waren, stonden met de grootste belangstelling te wachten op de dingen, die komen zouden.
Zoodra Buter de voordeur opende, schreeuwde een van de bengels: „Daar heb je den Scholtiaan!”
„Dag apenbakkes!” juichte een van z'n kornuiten.
„Mijnheer,” zei Buter tot een der agenten, „mag ik vragen waarom er politie voor mijn huis staat?”
„Om jou op te hangen!” schreeuwde een van de halfdronken kerels.
„Om de orde te bewaren;” antwoordde de man van de[80] wet en begon heen en weer te loopen ten teeken dat de audiëntie afgeloopen was.
„Zeg Kees!” krijschte een wijf, dat in nachtjak en met uit de vuile slaapmuts hangende hairen uit een water- en vuur-kelder kwam aanloopen, „misskien lust die Skoltiaan wel een paardevijg?”
„Daar zeg je zoo wat, Mottige Mie!” bulderde Kees en bukte zich reeds om het voorgestelde projectiel te zoeken.
De politieagenten bewaarden de orde—bij zichzelven; ze stonden zoo kalm en onbeweeglijk alsof ze in een wassen-beeldenspel opgezet waren.
Buter sloot spoedig de deur; hij wist genoeg!
De huisgodsdienst vóór het ontbijt werd niet zoo maar voor den vorm gehouden! Met ernst en aandrang smeekte de huisvader, toen hij in het gebed voorging, om den bijstand des Heeren Heeren, en om de genade die noodig was ten einde geduldig en blijmoedig het lijden te verdragen, dat bijna zeker binnen enkele uren ter wille van Gods naam over hen komen zou. Hartelijk stemden zijne vrouw, zijn beide dochters, het dienstmeisje en zijn gast met hem in. De kleine groep verkwikte en versterkte zich daarna door de lezing van 1 Petr. IV:12-19:
„Geliefde, en houdt u niet vreemt over de hitte der verdruckinge onder u, die u geschiet, tot versoeckinge, als of u yet vreemts overquamen.
Maar gelyck ghy gemeynschap hebt aen het lijden Christi, also verblydt u; opdat ghy oock in de openbaringe sijner heerlickheyt u mooght verblyden ende verheugen.
[81]
Indien ghy gesmadight wordt om den name Christi, so zyt ghy saligh: want de geest der heerlyckheit en de Geest Godts rust op u, wat haer aengaet hij wort wel gelasterd, maer wat u aengaet hij wordt verheerlickt.
Doch dat niemandt van u en lyde als een doodtslager, of dief, ofte quaetdoender, ofte als een die sich met eens anders doen bemoeyt:
Maer indien yemandt lijdt als een Christen, die en schame sich niet, maer verheerlicke God in desen deele.
Want het is de tijdt dat het oordeel beginne van het huys Godts: ende indien het eerst van ons begint, welck sal het eynde sijn dergene die den Euangelio Godts ongehoorsaem sijn?
Ende indien de rechtveerdige nauwelicks saligh wort, waar sal de godtloose ende sondaer verschynen?
Soo dan oock die lyden nae den wille Godts, dat sy hare sielen hem als den getrouwen schepper bevelen met weldoen.”
Het is waar, de heer Buter las dat in oud-Hollandsch voor, en was door die gehechtheid aan de taal der vaderen wel honderd jaren bij zijn tijd ten achter. De heeren van de Haagsche Synode, die daarom met spot en verachting op hem neerzagen, schreven veel mooier Hollandsch! Zie maar eens welk ontzaglijk verschil:
„De Commissie (uit de Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk) heeft geoordeeld, eerstelijk wat betreft het houden van onwettige godsdienstige bijeenkomsten, waardoor ook in nabij gelegene provincien aanleiding tot wanorde en tot scheuring werd gegeven, Zijne Excellentie den Minister belast met de generale directie[82] voor de zaken der Hervormde Kerk, dringend te moeten verzoeken ter aanwending van zijne tusschenkomst en veelvermogende pogingen bij Zijne Excellentie den Minister van Justitie, ten einde van wege laatstgemelde eene krachtige aanschrijving moge worden uitgevaardigd aan de officieren en ambtenaren onder deszelfs ministerieel departement, met name in de Provinciën Groningen en Drenthe behoorende, ten einde ook zonder aangifte van eenige contraventie tegen de bestaande wetten, met allen ijver werkzaam te zijn ter handhaving der artikelen 291-294 van het strafwetboek voor het koningrijk, van welk verzoek Z.Ex. den Minister van Justitie afschrift is toegezonden.
H. H. Donker Curtius, Pres. J. J. Dermout, Secr.”
Dat ouderwetsche Hollandsch van Buter is misschien vloeiender; maar die nieuwe taal van de Synode slaat er beter op los!
Even over half tien kwamen de „kerkgangers,” achttien in getal, want om gewaarborgd te zijn tegen alle spitsvondigheid werd Beukman voor den negentienden gerekend. Onder die achttien waren ook mijnheer en juffrouw Builders en Jannetje Huiskamp.
De aankomenden hadden weinig last van de kijkers, die langzamerhand sterk in aantal toegenomen waren. Ze werden alleen slechts nagejouwd en uitgescholden, terwijl een enkele maal een vuil stuk sneeuw hun om de ooren vloog. Geen hunner had eenig voordeel gehad van de aanwezigheid der politieagenten.
[83]
Op straat ging het tamelijk luidruchtig toe. Boven het gejoel en gestommel uit klonken telkens de kreten: „Coksejanen! Scholtianen! Fijne beschuiten!”[1]
„Ik zag,” zei een van de broeders: „bij Steenhorst in de Nieuwe Leliestraat ook politie voor de deur.”[2]
„En ik,” sprak een ander, „hetzelfde bij Hoogkamer op den Nieuwe Zijds Voorburgwal. De politie schijnt het zich vandaag al bijzonder aan te trekken.”
„Broeders en zusters,” zei Buter; „laat de politie voor wat ze is. Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aerde gemaeckt heeft. Maar het is tien uur. We zullen beginnen.”
De heer Buter zou een leerrede van Van der Groe voorlezen, en opende de vergadering met gebed. In het achtervertrek hoorde men het straatrumoer wel, maar niet sterk genoeg om er ernstig door gestoord te worden. Na het gebed gaf de voorganger op te zingen Ps. 46:1.
Als ons de noot overvalt krachtigh, Ons borcht en heyl is God almachtigh; Sulcks bevinden wij in den noot, En hebben in hem troost seer groot. Dies vreesen wij in geenen dinge, Al waer 't dat de werelt verginge, En de bergen hen wierpen snel In 't midden der zee diep en fel.
[84]
Nauwelijks waren de eerste tonen van het lied aangeheven, of een helsch geraas en getier deed zich hooren. Half-dronken leegloopers bulderden vloeken en verwenschingen; de straatjeugd maakte muziek met fluitjes en ratels; gillend en krijschend klonken de scheldwoorden der vrouwen boven alles uit. Het gerinkel van glasscherven getuigde van wat er in de voorkamer gebeurde.
„Jongens!” schreeuwden een paar kerels; „help reis een handje! Die winkelkast en de deur motte open!”
De winkelkast was op ouderwetsche wijze als balkon naar buiten gebouwd een voet of twee over de rooilijn heen. Ze was afgesloten door luiken, die aan de straatzijde waren verzekerd met ijzeren handboomen, kruiselings gelegd en van hangsloten voorzien.
De oproeping vond gretig gehoor. In een oogwenk waren een paar ijzeren bouten bij de hand om de kruisboomen te forceeren. Spoedig was dit gelukt, en nu begon een bombardement, waarvoor onmiddellijk glazen en sponningen van het winkelraam bezweken en van de uitgestalde koopwaren niets breekbaars heel bleef.
Van preeklezen was geen sprake meer. De vrienden zaten weerloos bijeen als een kuddeke, dat vreezen moest elk oogenblik door de wolven besprongen te worden.
Eindelijk trad de politie op. De hoofdagent ging voor de deur staan en hield een toespraak tot het grauw.
„Jongens, nou make jullie het wat al te bont!”
Luid gejuich volgde op deze ontboezeming.
„Hoor hèm ereis! Zeg, ouwe jongen, jij bent toch geen Skoltiaan? Kan je denken! dan was ie al lang de laan[85] uit! Ga weg, smeris! anders krijg je bij ongeluk een steen tegen je kop!”[3]
„Wacht nou een amerijtje!” raadde de agent gemoedelijk; „dan selle me d'r een eind aan maken. Hou jullie je nou even kalm, dan gaane wij na binne!”
„Hoera! De Skoltianen komme d'r uit!”
„Ga jij gerust je gang, vader!” riep een forsche kerel. „Ik zal ze hier wel even zoet houen!” (Tot den volkshoop). „Houe jullie je pooten nou een oogenblikkie tuis! Of wat let me: je krijgt met Rooie Hannes te doen! Wie wil er een pak op z'n nuchtere maag hebben! Toone jelui nou dat er tegen ons geen pelisie noodig is! Als je nou zoet je beurt afwacht, komme binne vijf minuten de Skoltiane buite!”
„Hoera voor Rooie Hannes! Dat beloven we je, hoor!”
„En wie heit er nou net als ikke een paar cente voor over,” ging de plaatsvervanger der politie voort, „om as ordelijke burgers de pelisie een handje te helpen? Dan sel je een grap beleven! Lange Trijn, verkoop jij mijn nou' ereis een halfpondje boter voor de laagste prijs!”
Een donderend Hoera! bewees dat de bedoeling van Rooie Hannes begrepen was. Binnen twintig tellen was Lange Trijn met de boter terug.
Onderwijl was de hoofdagent tot het besluit gekomen dat er een eind aan het relletje moest gemaakt worden.
„Mannen!” zei hij plechtig tot zijn manschappen: „wij bennen hier om wanordelijkheden te voorkomen! Nou zou d'r niks niemendal gebeurd zijn, als ze daar binnen d'r[86] mond gehouen hadden. Maar je kon dat zingen wel een straat ver hooren! Dát maakt de lui duivelsch. Dus ze motten d'r uit! Want zij maken het oproer! Vooruit; naar binnen.”
Aan het hoofd der manschappen trad hij door de opening van de vernielde winkelkast naar binnen.
„Jullie blijven hier!” commandeerde hij twee man; „de deur open, en zorg dat er niemand van de straat binnen komt! En jij!” (tot den derden) „mee naar boven!”
De beide politieagenten, die op order van hun chef de voordeur openden, werden verrast door het zien van Mottige Mie en Lange Trui, die onder toezicht van Rooie Hannes ijverig bezig waren de stoep met boter te besmeren.
„Houe jullie je nou luikes!” raadde Rooie Hannes den agenten met een vertrouwelijk knipoogje; „dan sel je een lolletje beleven!”
De deur van de achterkamer werd opengestooten.
„Hoeveel ben jelui?” riep de hoofdagent binnenkomend, „Keyser, tel ze!”
Keyser telde. „Drie en twintig, agent!”
„Overtreding!” (Tot Buter). „Zeg jij; jij bent zeker de baas van dit honden- en apenspel?”
„Ik woon hier,” antwoordde Buter zoo kalm mogelijk.
„Dan weet je wel dat er een stuk of vier te veel benne.”
„Mijn vrouw, twee dochters, een dienstmeisje en ik zijn vijf; vijf van de drie en twintig blijft achttien.”
„Nou ja, goed! Waarom heb je de heele buurt bij elkaar geschreeuwd met je psalmenzingerij? Jullie maakt volksoploopen en oproer. Dadelijk er uit!”
„Waarom moeten....” begon Buter.
[87]
„Alla!” schreeuwde de agent, trad op den weerloozen man toe, greep hem in de borst en slingerde hem een eind de kamer door. De beide agenten trokken hun wapenstokken en begonnen woest op de vergaderden in te slaan. Menigeen liep leelijk klappen op. Ze werden de trap afgejaagd; het was meer geluk dan wijsheid dat allen beneden kwamen zonder nek, armen of beenen te breken.
't Werd er niet beter op toen ze in den winkel waren. De twee bij de voordeur geposteerde agenten voegden zich bij hun makkers en dreven de geloovigen met stooten en stokslagen naar den uitgang. Van de straat af vloog een zwerm van stukken sneeuwijs, steenen, drek en scherven van den verwoesten winkelvoorraad naar binnen.
Plotseling weerklonk een felle angstkreet. De eerste broeder, die naar buiten kwam, was op de botergladde stoep uitgegleden, en als een steen voorover tegen den grond geslagen. Juichend sleurde het grauw hem bij armen en kleederen verder. Sullend en glijdend kwamen de overigen het huis uit.
„Ruimte daar!” hoorde men eensklaps boven al het rumoer uit.
Twintig soldaten van de 18e afdeeling Infanterie kwamen de straat ingerukt. Een paar leden van de Hervormde Kerk, welke dien weg langs kwamen, hadden het godgeklaagd schandaal niet werkloos kunnen aanzien, maar waren hulp gaan halen.
De menigte week uiteen; de verdrevenen konden zich weder verzamelen. De familie Buter mocht zich weer binnenshuis begeven; ook Klaas Beukman zag gelegenheid binnen te komen; de overigen mochten zich verwijderen.[88] Maar verder ging de zoogenaamde hulp niet; de soldaten beletten niet, dat „velen erbarmelijk werden mishandeld, in den modder geworpen, geschopt en sommigen licht gekwetst. Gods volk, ook de niet-gescheidenen, stond op straat luidkeels te weenen.” Enkele deuren in de buurt werden geopend; men riep hier en daar de vrouwen binnen om haar andere kleederen te leenen, want haar eigen plunje was zoo gehavend, dat de draagsters niet voegzaam over straat konden gaan.
Een paar der broeders begaven zich naar den commissaris van politie om hun beklag in te dienen. Den poveren uitslag van dat bezoek vindt men in de volgende woorden uit het verslag opgeteekend: „De commissaris van politie heeft uitdrukkelijk verklaard, dat hij ten deze slechts als machine handelde. Daarin heeft hij recht, dat de door ons verlatene, afhoereerende geestelijkheid, die het eerst ons ten prooi gaf aan de wereldlijke macht, meerdere schuld heeft.”
Jannetje had haar eersten kerkgang bij de Afgescheidenen achter den rug. Persoonlijk was ze er nog al goed afgekomen; alleen haar bovenkleeding was bedorven. Oom Builders bereikte blootshoofds en met een bloedigen schram boven het linkeroog zijn huis, en tante moest met bont-en-blauw-geslagen schouders en een aanval van koorts naar bed.
Maar nu wist het oprechte meisje waar zij bij behoorde! Het was reeds niet meer: die akelige Afscheiding; ook wilde ze nu niet langer „dat die Afscheiding er niet was.” Van dien morgen af behoorde zij onder degenen van welken het verslag meldt: „Van de mishandelden roemen er velen, dat zij waardig zijn geacht, om den name Christi smaadheid te dragen.”
[89]
