← Table of contents
De Vurige Oven

XVII.

Reading edition

Dubbel ontslagen.

Zondag 17 September 1837 zou een drukke dag worden voor de militairen, die nog altijd sedert begin Mei van dat jaar opnieuw in Bunschoten ingelegerd waren, nadat de vervolgden gedurende enkele dagen verademing gekregen hadden. Dien dag moesten ze op verschillende plaatsen tegelijk de orde handhaven.

Bij W. Hartog, een der ingezetenen, vergaderden eenige broeders en zusters om straks, na gemeenschappelijk gebed en gezang, een predikatie van Smijtegelt te hooren voorlezen door Jan Verlinden, die werk gevonden had, in het dorp was blijven wonen en de kleine gemeente als diaken diende. De soldaat, die als kwelgeest in Hartog's huis geplaatst was, hinderde de opkomst niet.

Toen twintig personen—de bewoners van het huis veiligheidshalve medegerekend—bijeen waren, traden nog twee leden der gemeente binnen.

„Goeden morgen samen; we zijn zeker wel de laatsten?”

„Broeders,” antwoordde de heer des huizes; „je bent een en twintig en twee en twintig. Zou het misschien ook verstandiger wezen om naar zuster R. Poort te gaan?[145] Daar is ook godsdienstoefening; het is vlak bij en het is nog niet te laat, anders worden we hier allicht binnen een kwartier allemaal de deur uitgezet.”

„We willen je niet hinderen!” antwoordden de binnengekomenen. „We gaan dadelijk weg. De Heere zij in je midden.”

Ze voegden de daad bij het woord en begaven zich ten spoedigste naar het huis van de weduwe Poort. Daar vonden ze twee militairen voor de deur, maar dezen lieten hen ongehinderd naar binnen gaan.

De ruime keuken, die voor de godsdienstoefening ingeruimd was, bevatte ook reeds twintig gemeenteleden. De soldaat, die aanwezig moest zijn om „de orde te bewaren”—schappelijker dan meestal het geval was—telde de aanwezigen, doch zei: „Twee te veel, maar ga jullie je gang maar!”

De voorganger, een der ouderlingen, opende daarop de samenkomst met gebed, liet een paar psalmverzen zingen en zou juist overgaan tot het voorlezen van de daartoe bestemde leerrede, toen de deur opengeworpen werd en een sergeant binnentrad.

„Ik gebied in naam des konings onmiddellijk uiteen te gaan; je bent boven het bij de wet toegestane getal.”

„Ik verzoek u wèl er aan te denken,” antwoordde de voorganger; „dat de beide soldaten buiten, zoowel als de militair, die hier in het lokaal is, belast waren met de zorg dat alles wettig toeging, en dat die geen van drieën aanmerking gemaakt hebben.”

„Ik kom hier,” hernam de sergeant, „omdat een van[146] de manschappen, die op wacht staat, den luitenant gewaarschuwd heeft.”

„En ik houd het er voor,” gaf de ouderling hem terug, „dat de sergeant geen misbruik zal maken van een handelwijze zijner soldaten, die hij zelf niet goedkeuren kan. Deze vriend was hier gezet om te tellen; we hebben zijn toestemming en zijn dus niet genegen uiteen te gaan voordat de voorlezing geëindigd is.”

„Ik zou jelui met de blanke sabel en de bajonet kunnen wegjagen....”

„Kunnen;” hernam de ouderling; „kunnen, ja! maar tegen de wet!”

„Laat me uitspreken! Ik zou dit kunnen doen, maar wil daar op mijn eigen houtje niet toe overgaan.”

Met deze woorden ging de sergeant tot aller verwondering de deur uit. De dienst liep verder ongestoord. Na de voorlezing der leerrede werd met gebed gesloten; de ouderling gaf op en las voor als nazang Ps. 42:2, 6.

Mijn tranen ende mijn klachten Zijn mijn spijs die mij steedts voedt; Als men mij vraeght met verachten: Waer is nu uw Godt soo goedt? Ick smelt als ick denck daeraen. Hoe ick voormaels plagh te gaen Met een hoop volcks hier te lande. Om u Heer, te doen offrande. Waerom wilt ghij u zoo quellen En beroert sijn, o ziel mijn? Wilt gantsch uw hoop op Godt stellen, Van u sal hij gedanckt zijn Als hij door sijn....

[147]

„Zwijg kerel!” dreunde plotseling een zware stem door het vertrek.

Luitenant Veere was naar binnen gestapt, gevolgd door den sergeant, zes gewone manschappen en veldwachter Koelewijn. Allen, behalve de luitenant, bleven aan den ingang staan, maar de luitenant trok de sabel, liep op den ouderling toe, rukte hem het psalmboek uit de hand en smeet dat met een vloek door 't geheele vertrek heen in een hoek.

„En nu direct de deur uit!”

„Met welke volmacht handelt ge zoo?” vroeg de ouderling.

„Wou je dát weten? Kijk hier!” De officier hield den weerloozen man de blanke sabel voor oogen. „Volmacht genoeg tegen jou en je gelijken! En nu geen praatjes meer of je krijgt de volmacht te voelen!”

De ouderling bewoog zich niet.

„Veldwachter!” schreeuwde de luitenant; „haal dien vent weg!”

„Met uw verlof, luitenant,” antwoordde Koelewijn waardig; „zonder order van het hoofd van politie mag ik niemand arresteeren dan die er door wangedrag aanleiding toe geeft.”

„Wat doe je dan hier?” schreeuwde de luitenant met een paar vreeslijke vloeken.

„Ik heb order van den burgemeester om met u mee te gaan; meer niet.”

„Ik zal jou wel vinden!.... Hier, mannen!”

De vier soldaten naderden.

„Gooi hem de deur uit, en dan de rest naar buiten.”

[148]

Onmiddellijk werd de ouderling door vier paar ruwe vuisten aangegrepen, weggesleurd en met een smak het huis uitgeworpen.

„Nu jullie! Alla!” raasde de luitenant.

Binnen twintig tellen was de keuken leeggejaagd; alleen de bewoonster van het huis had met groote moeite gedaan gekregen, dat zij niet haar eigen woning uitgesmeten werd.

Het speet den luitenant genoeg dat hij zoo laat gekomen was; ja bijna te laat, want er zijn geen vijf minuten noodig om twee psalmverzen te zingen. Maar het onkruid der Afgescheidenen wies zoo snel, dat er bijna te veel werk aan den winkel kwam voor één overste. Eerst was de luitenant gewaarschuwd door den soldaat, die bij Hartog ingekwartierd was. Juist zou hij daarheen gaan, toen een der soldaten, die bij de weduwe Poort op wacht gesteld waren, rapport van wetsovertreding brengen kwam. Hij liet dus den sergeant ontbieden en zond dien naar het laatstgenoemde adres, terwijl hij zelf wel even bij Hartog „den boel opscheppen zou.” Maar er viel niets op te scheppen; er was niemand in „geestelijk gewaad;” er was geen ouderling, geen diaken, en hoe hij ook telde en zocht, het geheele huis door, tot zelfs in kasten en onder het beddegoed in de bedsteden: twintig bleef twintig, en vier inwonenden die vrij waren, van de twintig afgetrokken, bleef slechts zestien. Helaas, vijf te weinig om ze met bajonet of sabel op straat te jagen. Toch maakte hij zekerheidshalve proces-verbaal op.

In zijn kwartier terugkeerend, vond hij daar dien ezel van een sergeant, die zich met een kluitje in het riet had[149] laten sturen. Dus moest hij er al weer zelf op uit! Zijn ijver voor het welzijn des vaderlands belette hem den twee en twintig oproerlingen de laatste vijf minuten te schenken. Toch hoe dolgraag hij ook zulk werk deed: geregeld elken Zondag één troep was prettiger.

Maar dien veldwachter zou hij wel vinden! En hij was zoo goed als zijn woord. Wel gingen er een paar weken voorbij, zoodat Hartog en Koelewijn zich reeds verbeeldden, dat de zaak met een sisser afliep, doch uitstel was geen afstel.

Den 2en October werden Hartog en Verlinden beiden gedagvaard om den 5en daaraanvolgend voor de Rechtbank van correctioneele zaken te Amersfoort te verschijnen. De wegen der gerechtigheid in die dagen waren onbegrijpelijk. Verlinden, die de verboden godsdienstoefening geleid had, werd vrijgespoken; Hartog, die daarvoor zijn huis geleend had, werd veroordeeld tot betaling van ƒ10.- boete en de gerechtskosten. De overwegingen, welke tot die fraaie uitspraak geleid hadden, waren zoo diepzinnig, dat ook de Rechtbank te Amsterdam er niet bij kon en het vonnis in hooger beroep vernietigde.

Koelewijn kwam er minder goed af.

Woensdag, den 11en October, kwam de veldwachter als gewoonlijk 's morgens aan het raadhuis, om de bevelen van den burgemeester te ontvangen. Nadat de loopende zaken behandeld waren, en terwijl de veldwachter reeds meende dat hij zou kunnen vertrekken, zei de burgervader: „Koelewijn, ik heb je nog even iets te zeggen. Je hebt het al weer verkorven.”

„Wat is er tot uw dienst, Edel Achtbare?”

„Ja; dat ziet er leelijk voor je uit! Ik heb hier een brief[150] van Zijne Excellentie den Gouverneur van Utrecht, die over je handelt. Je hebt geweigerd de bevelen van luitenant Veere op te volgen, hé?”

„Edel Achtbare, ik wist niet dat ik onder de bevelen van een luitenant kon staan.”

„Nu ja; laten we nu niet over een paar woorden kibbelen! Maar den 17en September bij de weduwe Poort aan huis werd je gelast dien separatist, die daar stond voor te lezen, de deur uit te zetten en dat heb je geweigerd. Waarom was dat?”

„Edel Achtbare, omdat die man zich niet misdroeg en er geen order van UEdel Achtbare was om hem te arresteeren.”

„Goed! já, daar zal ik niets tegen zeggen; maar nu heb je daardoor jezelf leelijk de deur uitgezet. Dát was toch zeker je bedoeling niet! Ik heb hier je ontslag.”

De burgemeester overhandigde den veldwachter een papier. Koelewijn las het; ja, alles was in orde: datum, inhoud, zegel, handteekening, alles; alleen het rechtsbeginsel ontbrak; maar dat deed er minder toe, het machtsbeginsel was er, en dát was voldoende. Of Koelewijn dat stuk eens of honderd maal las, er viel niet aan te veranderen; hij kon tot den dag uitbetaald worden en was ontslagen met ingang op 10 October 1837.

„Wat zeg je daarvan?” vroeg de burgervader.

„Gods wil geschiede! Hij ziet het onrecht!”

„En wat nu je betrekking als dorpsbode aangaat.... ja!... dát...”

„Edel Achtbare, tusschen die twee betrekkingen bestaat toch geen verband.”

[151]

„Neen, verband, als je 't zóó noemen wil, eigenlijk niet. Maar zie je, er is toch groot bezwaar. Die post wordt wel door den Ambachtsheer begeven, en afgezet ben je nog niet, maar het is toch erg gevaarlijk—gevaarlijk voor mij, begrijp je? om je maar aldoor daarvoor te blijven betalen alsof er geen vuiltje aan de lucht was.”

„Mag ik dan ook geen dorpsbode meer zijn, Edel Achtbare? Met vrouw en drie kinderen! En den winter voor de deur! Waar moeten we dan van leven?”

„Ja; het is beroerd! Maar ik weet niet waar ik je uit betalen moet... Kerel, had dan ook naar raad geluisterd! Ik heb je zoo duidelijk gewaarschuwd, maar jij was altijd op de hand van de Separatisten; die oproermakers! Nu zie je en ondervind je de gevolgen!”

„Dus Edel Achtbare, van vandaag af krijg ik ook mijn traktement als dorpsbode niet meer? UEdel Achtbare betaalt me niet meer uit?”

„N... neen! Ik zou niet weten waarvan! Als 't weer in orde komt....”

„Maar ik ben niet afgezet!” riep Koelewijn, die ditmaal het „Edel Achtbare” vergat.

„Afgezet ben je niet, maar zoo goed als.... Ik weet waarlijk niet.... Maar kijk, of we nu lang of kort samen praten, daar wordt de zaak niet beter om. Hier heb je mandaat als veldwachter.... en hier als dorpsbode.... ga nu met die twee dingen meteen naar den ontvanger, dan betaalt die je dadelijk uit. Dan heb je direct wat geld in handen. Nu.... goeden morgen!”

„Maar Edel Achtbare....”

„Hoor eens,” zei de burgemeester op zijn horloge kijkende,[152] „ik heb vanmorgen heel wat te doen, en straks komt er weer iemand om me te spreken, zoodat onze conferentie nu is afgeloopen. Maar ik wou er toch even den tijd afnemen om het je zelf te zeggen!.... Dag Koelewijn!”

Burgemeester wuifde de hand tot afscheidsgroet en wees meteen naar de deur.

Langzaam ging de veldwachter de kamer uit.

„Hoe soude 't Godt weten? Ende sou'er wetenschap zijn bij den Allerhoochsten?” Deze wanhoopskreet van Asaf wrong zich ook uit het hart van den eenvoudigen veldwachter naar boven, toen hij met z'n handjevol geld bij den ontvanger vandaan kwam. Want eerst aan het einde van zijn psalm zong Asaf: „Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!” En veldwachter Koelewijn had ook eenigen tijd noodig eer deze geloofsroem de zijne was.

„Straks komt er iemand anders om me te spreken,” had de burgervader tot den ontslagen veldwachter gezegd. Die iemand anders naderde even over half-twaalf juist het raadhuis toen Koelewijn de stoep afkwam.

„Goeden morgen, Koelewijn! Wat kijk je neerslachtig, beste vriend!”

„Ja, meester,” gaf Koelewijn Gerrit Beukman ten antwoord, „daar is vleesch en bloed ook maar niet zoo op slag mee vereenigd.” In korte woorden verhaalde hij wat zooeven geschied was.

„Het is schandelijk!” riep Gerrit verontwaardigd. „Ik ben ook ontboden.”

„Dan sta de Heere je bij, meester!”

[153]

Met hartelijken handdruk scheiden de broeders van elkaar.

Beukman werd dadelijk bij den burgemeester toegelaten.

„Zoo meester! Ga zitten; ik zal u niet lang aan de praat houden; maar ik heb van hooger hand een heel duidelijke wenk gekregen. „Is alles in zijn school wel richtig?” wordt me gevraagd. „En is hij bereid om alle landswetten vrijwillig te gehoorzamen?” Je bent Separatist hè?”

„Burgemeester, ik ben lid van de Afgescheiden Gemeente.”

„Dan mag je wel driedubbel op je tellen passen, man. Er is geen reden waarom je den weg van Jan Verlinden op zou willen, hè?”

„Burgemeester, zeg me maar ronduit: ligt mijn ontslag gereed?”

„Gereed zal ik nog niet zeggen, maar.... Ik voor mij zou niet graag verandering zien, en de heele bevolking mag je graag lijden.... en toch.... als je soms ouderling of diaken, zoo noemen jullie het immers ook? ging spelen, of als ze je in onwettige samenkomsten snapten, dan zou ik je voor niets kunnen instaan; begrepen?”

„Burgemeester, ik dank u!.... Maar Gods wil geschiede!”

„Ja, zoo! dat zeggen jullie allemaal naar 't schijnt. Nu... je weet er nu alles van!”

Met deftig handgebaar gaf burgemeester afscheid.

„Und dennoch! sprak de groote Luther driehonderd jaar geleden!” dacht Gerrit bij het naar huis gaan. „En in Gods kracht zeg ik hem na: En toch!”

[154]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings