← Table of contents
De Vurige Oven

XIII.

Reading edition

De ondermeester.

Z.Exc. de gouverneur des konings in de provincie Utrecht kreeg op zijn schrijven aan den burgemeester van Bunschoten om inlichtingen omtrent den veldwachter Koelewijn twee antwoorden; dat is een meer dan hij verwacht had en evenzeer een meer dan hij begeerde.

De burgemeester berichtte hem dat hij onmiddellijk het strengste onderzoek ingesteld had, maar totnogtoe geen redenen gevonden om den veldwachter voor ontslag voor te dragen. De zaak bleef hem echter, zooals vanzelf sprak, „een punt van voortdurende waarneming”.

Doch ongeveer terzelfder tijd kwam er een brief van iemand, die zich Jan Verlinden noemde en zich bekend maakte als ondermeester aan de school te Bunschoten. Naar het scheen had dat jonge mensch heel wat noten op z'n zang. De stijl van den brief was goed, maar de inhoud alleronbetamelijkst. Genoemde Jan Verlinden schreef dat de veldwachter alleen daarom zich aan het hoofd der patrouilles bevonden had, omdat de gescheidenen aan den burgemeester betuigd hadden, dat ze voortaan voor elken soldaat, die zonder van burgemeester of politieagent[96] vergezeld te zijn, binnendringen wilde ter storing van de godsdienstoefening, zooals meermalen had plaatsgehad, hunne woning zouden sluiten.

Z.Exc. kon niet anders dan volmondig erkennen dat de gescheidenen in dit opzicht de letter der wet in hun voordeel hadden. Maar Z.Exc. had, evenals al zijn geestverwanten en in 't algemeen alle verlichte menschen, een afkeer van letterknechterij. Z.Exc. en zijn vrienden hadden wel iets van den schooljongen, die de volgende beschrijving van den kreeft gaf: „De kreeft is een roode visch, die altijd achteruit loopt.” Waarop de examinator antwoordde: „De kreeft is geen visch maar een schaaldier, hij is rood alleen wanneer hij gekookt is, en heeft slechts den schijn van achteruit te loopen; overigens is het antwoord heel goed.” Want volgens de letter der wet was geen der samenkomsten van de gescheidenen een „associatie”; volgens de letter der wet mochten minder dan twintig personen vrijelijk samenkomen; volgens de letter der wet is achttien en al wat daaronder is minder dan negentien; volgens de letter der wet moest alle inkwartiering gelijkelijk over de inwoners van een plaats verdeeld worden; volgens de letter der wet moesten alle inkwartieringskosten behoorlijk vergoed worden; en volgens de letter der wet behoefde niemand een soldaat of een patrouille zonder burgemeester of veldwachter met schriftelijke volmacht van den burgemeester in zijn huis toe te laten. Doch: „de letter doodt, maar de geest maakt levend;” Z.Exc. was niet de eerste en zou de laatste niet zijn van de ongeloovigen, die dezen tekst uit Gods Woord misbruiken zoo dikwijls het in hun[97] kraam tepaskomt om hun eigen willekeur goed te praten.

Wat Z.Exc. echter geheel van zijn stuk bracht, dat was het slot van den brief. Hij kon zijn eigen oogen niet gelooven! „Overigens kan Uwe Excellentie er verzekerd van zijn, dat de door haar gezonden militairen gezegende werktuigen zijn om Sion uit te breiden.”

Zoo'n kwajongen! Hij zou antwoord hebben!

En hij kreeg antwoord.

Den 14en April 1837 ontving Jan Verlinden een briefje van den schoolopziener in het 3e district Utrecht, waarin hem gemeld werd, „dat het Gouvernement plan had hem de school te ontzeggen, niet zoozeer om zijn godsdienstige denkwijze, dan wel omdat hij bevonden werd zich tegen het Gouvernement aan te kanten. Hem werd nog gelegenheid gegeven om te verklaren of hij voortaan aan den wil van het Gouvernement zich zou zoeken te onderwerpen, dan of hij dacht voor te gaan met hetzelve tegen te werken.”

„Zou dit briefje”—zoo vroeg de jonge man zich af—„ook in verband kunnen staan met hetgeen gisteren gebeurd is?”

Dien dag had hij gedwongen te Amersfoort doorgebracht. Jan Verlinden was een paar weken geleden aangeklaagd dat hij in een godsdienstige samenkomst, den 19en Maart gehouden en uiteengejaagd, een der militairen een duw gegeven had. Indien dit vergrijp bewezen kon worden, zou het hem eenige maanden gevangenisstraf op den hals halen. Zijn vijanden twijfelden niet aan dien afloop want drie van de toen aanwezige militairen hadden de aanklacht van hun makker met eede bevestigd.[98] Men keek dus heel verwonderd toen de jonge man bewijzen kon dat hij op 'tzelfde oogenblik, waarop hij het vergrijp gepleegd hebben zou, zich in een ander huis te Bunschoten bevond. Aangezien Afgescheidenen, in hoeveel opzichten ook van Hervormden verschillend, toch dit met hen gemeen hebben, dat ze zich niet op twee plaatsen tegelijk bevinden kunnen, werd Jan Verlinden door de Rechtbank vrijgesproken.

De jonge man verzuimde niet den schoolopziener te antwoorden—alweer een antwoord dat eigenlijk zoo'n Afgescheiden meester niet voegde. Hij schreef „dat hij zich met die zaak niet kon of mocht inlaten tenzij hij schriftelijk verstaan had, welke beschuldigingen of bezwaren het Gouvernement tegen zijn persoon had en of die van zulk een aard konden zijn om hem de school te ontzeggen.”

De kleine gemeente onder het kruis had, tegen alle verwachtingen in, het heerlijk Pinksterfeest betrekkelijk ongestoord kunnen vieren. Alleen was op den eersten dag ten huize van een der broederen een godsdienstoefening op zeer bijzondere wijze gestoord. Slechts negentien personen waren aanwezig, maar luitenant Van der Does, de opvolger van den ongelukkigen krankzinnige, had goedgevonden „ter voorkoming van overtreding,” niet alleen een militaire wacht voor het huis te plaatsen, maar ook twee militairen in de kamer te posteeren. Deze hielden zich rustig tot ongeveer in het midden der oefening, toen plotseling de vergaderden opgeschrikt werden door een hunner, die zoo luid mogelijk riep:

„Wonen alle die hier zijn in Bunschoten?”

[99]

„Ik zou u wel willen verzoeken,” sprak de dienstdoende ouderling, „onze godsdienstoefening niet te storen.”

Zonder antwoord te geven trad de soldaat op een bejaarde vrouw toe, die onder het gehoor zat, legde haar de hand zwaar op den schouder en vroeg: „Waar woon jij?”

„In Spakenburg!” antwoordde ze verschrikt.

„Direct er uit!” schreeuwde hij, greep haar bij den arm, noodzaakte haar op te staan, duwde haar de kamer door en wierp haar met een flinken zet de deur uit.

„Ga nou je gang maar!” veroorloofde hij genadig den ouderling.

Zulke rechtsverkrachting werd evenwel onder de kleinigheden gerekend.

„De groote vraag is echter,” merkte Jan Verlinden aan, „of de soldaat op eigen gezag gehandeld dan wel een order van den luitenant uitgevoerd heeft.”

Dat zou niet lang een open vraag blijven.

Den avond vóór Pinkster waren de infanteristen Pronkert en Drieling ingekwartierd bij W. van der Kolk, ontvanger der Eem- en havengelden. Het viel den geplaagden landbouwer, die klein behuisd was, moeilijk genoeg om de beide manschappen behoorlijk onderdak te brengen, doch de mannen waren zeer handelbaar en tevreden met hun logies.

Laat in den namiddag van Dinsdag na Pinkster, den 16en Mei, zaten de huisgenooten, terwijl de ingekwartierden afwezig waren, rustig bijeen.

„O, wat gebeurt daar!” riep plotseling de huismoeder.

Hevig geklop en gebons op de voordeur werd gehoord. Twee stemmen schreeuwden door elkaar: „Doe voor de[100] die en dat dadelijk open, ellendelingen! Wou je de militairen buitensluiten? Open, zeg ik je, ontuig! of we trappen de deur in! En dan rijgen we je een voor een aan de bajonet!”

De gruwelijkste vloeken doorspekten deze bedreigingen. Soms werd alles onverstaanbaar gemaakt door de kolfstooten, waarmee de deur gerammeid en deerlijk beschadigd werd.

Van der Kolk ijlde naar de voordeur en riep door het sleutelgat: „Heeren, weest zoo goed als naar gewoonte de zijdeur door te komen, langs het kantoor; deze deur gaat nooit open.”

„Verwaande kwast!” werd hem als antwoord tegengebruld. „Kommandeer jij ons? Dadelijk open of.... Ik verkies hier in te komen, begrijp je!”

De deur kraakte onder de slagen en de trappen. Ten einde erger te voorkomen, haastte de huisheer zich de deur open te sluiten.

Hij werd opzij geworpen, de beide militairen stapten de huiskamer binnen en vielen op een paar stoelen neder.

„Een beetje op zij!” grauwde Pronkert de vrouw des huizes toe. „Sta maar 'reis op, lui oud wijf, en breng brood, boter en een paar goeie porties vleesch.”

„En jij, vrome non!” beval Drieling tegen een der dochters, „dadelijk een flesch of wat goed-belegen bier!” (Tot den zoon des huizes): „Hier, kwajongen; zet even netjes die twee geweren daar in den hoek!”

Zooveel mogelijk werden de bevelen gehoorzaamd. Men wist uit anderer ondervinding dat ergerlijke mishandeling[101] het gevolg van tegenstribbelen kon zijn. De beide kerels waren echter zoo welwillend ditmaal met ham inplaats van versch vleesch genoegen te nemen.

Nadat ze onder ruwe scherts naar hartelust gegeten en gedronken hadden, nam Drieling het woord.

„Zeg eens, oude jongen; ik verkies niet langer in dat hok te slapen, waar we nu drie nachten gelegen hebben.”

Een vrij-groote kamer was ter beschikking van de manschappen gesteld, maar de zoon des huizes moest daar ook slapen, waartegen de beide soldaten totnogtoe geen bezwaar gehad hadden.

„Heeren, wij zijn klein behuisd; er is geen andere kamer.”

„Kom, Drieling,” zei Pronkert tot zijn kameraad, „dan zullen we zelf maar even dat zaakje opknappen.”

Ze liepen de kamer uit, maar kwamen na enkele minuten weer binnen.

„Scholtiaan,” riep Pronkert, „dat kantoor van je is ruim en goed; daar is ook een bedstee. Je wijf maakt daar dadelijk een bed in de bedstee en een veldbed op den grond, hoor je! Dan zullen m'n kameraad en ik voorloopig er genoegen mee nemen om samen in één kamer te slapen. En dan mag je nog van geluk spreken dat je zoo schappelijk behandeld wordt.”

„Mijnheer, dat is het kantoor voor mij als ontvanger van de Eem- en havengelden; daar heb ik geen beschikking over.”

„Dat hoeft ook niet, vrome kwezel!” grijnsde de andere soldaat. „Wij beschikken er over en dat is voor jou voldoende.”

[102]

„Mijnheer; ik mag wezenlijk niet....”

„Kom Pronkert!” zei Drieling, „dan moeten we zelf maar even het beddegoed halen!”

„O neen!” riep de huismoeder verschrikt.

Drieling schaterde van 't lachen. „Als je ze een handje helpen wil, is 't ook weer niet goed! Vooruit dan, geliefde zuster!”

De slaapplaatsen werden in het kantoor in orde gemaakt. Naar het scheen kwam nu de woestheid van de beide militairen een weinig tot bedaren.

's Avonds zaten ze bij de huisgenooten een pijp te rooken. Jan Verlinden was zijn vrienden eens komen bezoeken, en zat ook in 't gezelschap.

„Ik hoop dat alles nu naar genoegen is?” vroeg Van der Kolk.

„Och!” zei Pronkert, „ik geloof niet dat je anders zooveel last van mijn en m'n kameraad gehad hebt, wel vadertje?”

„Neen,” vulde Drieling aan; „er zijn wel kwaadaardiger rakkers in onze compagnie, al zeg ik 't zelf.”

„Nu de vrienden er toch over doorpraten,” ging Van der Kolk voort; „moet ik eerlijk zeggen dat wij het ons ook al niet begrijpen konden.”

„Ja, maar wat moet je doen!” zuchtte Pronkert; „ik ga ook niet graag een week of wat de doos in!”

„En waarom zou je de doos ingaan, vrind?” vroeg Van der Kolk.

„Kijk, het zit 'm zóó!” lichtte de soldaat toe. „We hadden order van den luitenant om niet anders dan door de voordeur naar binnen te willen...”

[103]

„En,” voegde Drieling er bij, „om eigenlijk met alles ontevreden te wezen en het je zoo lastig mogelijk te maken.”

„Maar dat mag de luitenant toch niet bevelen!” riep Verlinden verontwaardigd.

„Ja wat mag of niet mag! Daar heeft een gewoon soldaat geen zeggen of oordeelen over,” hernam Drieling. „In dienst heb je te doen wat je geheeten wordt. Ik wil je dan ook wel zeggen dat ik voor mij er met plezier voor teekenen wil om m'n heele verdere leven alle nachten zoo goed te liggen als de laatste drie nachten.”

„Nu begrijp ik er niets meer van!” riep Van der Kolk; „en er moest met alle geweld een andere slaapplaats voor je klaargemaakt worden!”

„Wat zal ik je zeggen!” antwoordde Drieling, „je kan me gelooven, heel veel soldaten hebben er een broertje aan dood om jullie zoo'n overlast aan te doen. Voor mijn part mag je dag en nacht psalmen zingen en bidden, zie je! Je mag het laten óók, zie je! Mijn 'n zorg! Maar ik kan je met een woord van waarheid verklaren, dat de luitenant ons heel pertinent bevel gegeven heeft om zoo tegen je tekeer te gaan; niet waar, Pronkert?”

„Ja”; beaamde deze; „hij zei: jullie bent veel te zacht voor dat ontuig! Ik verkies dat je een beetje den beest speelt en ze 'reis frisch uitvloekt en niet met alles tevreden bent. Dat waren z'n eigen woorden. En anders, zei hij, zal ik zorgen dat je een maand de kast ingaat!”

Een geweldige stoot tegen de voordeur schrikte het gezelschap op. Van der Kolk ging naar voren om maar dadelijk open te doen. De luitenant in eigen persoon trad binnen, liep den huisvader onderst-boven en kwam de kamer in.

[104]

„Gaat alles goed?” vroeg hij aan de mannen, die onmiddellijk militaire houding aangenomen hadden.

„Opperbest, luitenant!”

„Gedaan zooals ik bevolen heb?”

„Ja, luitenant.”

„Nu... niet te zoetsappig, hoor jongens?”

De luitenant wilde vertrekken, maar de jonge Verlinden trad hem in den weg.

„Luitenant, wat hier vanmiddag op uw bevel geschied is, noem ik laag!”

Tot antwoord ontving hij een ribbestoot, die hem wankelen deed. De luitenant verliet hoonlachend kamer en huis.

„Jongeheer!” waagde Pronkert te zeggen, zoodra de officieele beul verdwenen was, „je hebt geen ongelijk; maar 't zal mij benieuwen of dát je niet opbreken zal!”

Het bleek weldra dat de soldaten hun luitenant goed kenden.

Twee dagen later kreeg Verlinden een dagvaarding thuis tegen Vrijdag den 9en Juni 1837 voor de correctioneele Rechtbank te Amersfoort, wegens beleediging van een officier in functie. Ter terechtzitting werden alle feiten wederzijds erkend. Verlinden had dus gemeend dat de Rechtbank in elk geval zeer verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen zou. Maar den 15den dier maand werd hij veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf en de kosten van het proces. Zooals men denken kan, ging hij in hooger beroep.

De straf voor die laatste oproerige handeling bleef niet uit. Den 20en Juni kreeg Gerrit Beukman, de hoofdonderwijzer, een brief van den volgenden inhoud:

[105]

„Amersfoort, 19 Junij 1837.

Deze is dienende om u kennis te geven, dat de naar aanleiding van art. 6 van het huishoudelijk schoolreglement voor de provincie Utrecht, door mij verleende goedkeuring tot het opnemen van uwen ondermeester wordt ingetrokken, u verzoekende en desnoods gelastende, na ontvangst dezer denzelven als zoodanig niet verder op uwe school werkzaam te doen zijn, totdat door mij of door de provinciale Commissie van onderwijs, ten dezen nader zal zijn gedisponeerd. Van den ontvangst dezes, verzoek ik u mij bericht te geven.

De Heer Burgemeester is door mij uitgenoodigd, mij van de niet nakoming van boven vermelden last onverwijld kennis geven.

De schoolopziener van het 3e distr. Utrecht, H. G. Schluiter.”

De ondermeester was dus ontslagen zonder vorm van proces en zonder opgave van redenen. De eenige van wien hij zelf het vernam, was de hoofdonderwijzer.

Den 20en Juli diende zijn zaak in hooger beroep in Amsterdam. Hij werd veroordeeld tot eene maand gevangenisstraf en de kosten. Het vonnis werd onmiddellijk tenuitvoergelegd.

Aan den avond van den 19en Augustus keerde Verlinden uit de gevangenis te Bunschoten terug, om daar.... in de eerste plaats te zorgen voor de betaling van de proceskosten en daarna te zien hoe hij nu verder aan den kost komen zou.

[106]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings