← Table of contents
De Vurige Oven

VI.

Reading edition

Kerstfeest in Nederland.

Vroeg en streng was de winter begonnen, en het liet zich niet aanzien dat er spoedig verandering in komen zou. Eerste Kerstdag lichtte vroolijk en helder over het besneeuwde landschap en de bevroren plassen. Doch het was nagenoeg bladstil zoodat de koude niet hinderde, maar weldadig aandeed, de zenuwen staalde en den levenslust verhoogde.

Het was een Zondag als 't ware voor feestvieren gemaakt. 't Scheen dat de natuur instemde met het jubellied der gemeente, waarin deze dankend de vleeschwording van haar Hoofd en Middelaar herdacht. „Vrede op aarde!” Die boodschap scheen door de opgaande zon in vurige strepen aan de oosterkim geteekend te worden; ze schitterde in de kristallen van de sneeuwlaag; ze botte uit in het krachtige groengrijze mos onder de boomen, in het goudgele gras op de weilanden; ze klonk zelfs uit den morgengroet, dien de koeien Klaas Beukman tegemoet loeiden, toen hij den stal binnentrad om zijn beesten te verzorgen. Want de geheele wereld is „voor onze oogen als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen,[36] groote en kleine, gelijk letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk zijne eeuwige kracht en goddelijkheid.”

„Vrede op aarde!” In honderden kerkgebouwen kwamen tienduizenden samen om zich te wiegelen op de zachte kabbeling van leerredenen, waarin hun verteld werd, dat het in de achttienhonderd jaren na Jezus geboorte voortdurend zoo onnoemelijk veel beter geworden was; dat de stikdonkere nacht van de Middeleeuwen, waarin de menschen andersdenkenden verbrandden en radbraakten, nu voor-goed achter ons lag; dat meer verlichte denkbeelden, weldadiger begrippen en menschelijker handelwijzen hadden doen postvatten; dat ieder nu voortaan God naar de inspraak van zijn geweten kon dienen; en dat het nu zoo voortgaan zou: al meer vrede, al minder oorlog, tot eindelijk de geheele aarde één vrederijk zou zijn, en dan...? Dan blijft dat waarschijnlijk wel zoo; want achteruitgang van de redelijke menschheid is ondenkbaar en volmaaktheid is... volmaaktheid.

Toch waren er honderden bij honderden—óók goede Christenen—die op dezen vredemorgen meer bepaald werden bij een ander woord, waarin ook van vrede sprake was. Klaas Beukman was de eenige niet, wien de tekst voor de aandacht kwam: „En meynt niet, dat ick gekomen ben om vrede te brengen op de aerde; ick en ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het sweerdt.”

Een heel ongepaste tekst op Kerstmorgen! Maar het was Klaas niet euvel te duiden dat hij onwillekeurig aan die woorden dacht, want toen hij in de keuken kwam zaten daar de twee soldaten, gezonden op verzoek van[37] de Synode der Christelijke Kerk, wier leeraren allen den vrede verkondigden; gezonden in naam van den Christelijken koning, die den godsdienstvrede bezworen had; gezonden om zooveel ze vermochten den Christelijken vrede in zijn hart en huis te verstoren.

„Zoo, oude jongen!” riep de een; „zal je ons vandaag hier wat te doen geven?”

„Ik heb alleen af te wachten wat door u gedaan zal worden,” antwoordde Beukman bedaard.

„Kom!” riep de ander; „houd je maar niet zoo van de dommen! Biecht eens gauw op! Komen de Scholtianen vanmorgen hier?”

„Hier komt niemand,” hernam Beukman.

„Dat is jammer! Zoo'n dag aldoor in huis is lang genoeg! 't Zou een aardige afwisseling wezen om hier de kliek eens uit elkaar te jagen! Waar hokken jullie dan vanmorgen?”

„Ik ben niet verplicht u aan te brengen waar de gemeente samenkomt.”

„O neen, vrome broeder; bewaar jij je geheim maar! De sergeant zal er wel achter komen, en dan vlieg jullie als witjes!”

Klaas Beukman begaf zich, zonder antwoord, naar het vertrek, waar vrouw en kind hem met het ontbijt zaten te wachten.

Een uurtje later gingen de beide laatsten naar de woning van den ouderling Reijmeringer, waar een klein gedeelte van de gemeente samenkomen zou.

Gedurende de laatste twee maanden had de ijverige predikant Buddingh meermalen vergeefs getracht de gemeente[38] te Loosdrecht te bereiken om daar het heilig Avondmaal te bedienen. Ook een poging, door hem in het nabijgelegen dorpje Kortenhoef aangewend om daar te prediken, was gewelddadig gestuit door politieagenten onder aanvoering van den burgemeester en den hervormden predikant. Buddingh's schuld was het zeker niet, indien eenige gemeente vergeefs op de vervulling van zijn gegeven woord wachtte. Den 1en April 1836 had hij zijn lidmaatschap van het Hervormd Kerkgenootschap opgezegd en geen zes maanden later was hij reeds voor ongeveer ƒ2000 beboet. Binnen twee jaren zou dat bedrag met proceskosten tot omstreeks ƒ40000 oploopen. Eindelijk werd hij gearresteerd en in de gevangenis gezet, terwijl te Middelburg al zijn huisraad en lijfgoed gerechtelijk verkocht werd, zoo gestreng dat zijn huishoudster met groote moeite een paar kousen wegstopte, opdat hij tenminste iets zou terugvinden, wanneer hij uit de gevangenis ontslagen werd. Maar toen Buddingh dat hoorde, nam hij het zeer kwalijk; hij wilde en mocht geen vervolging ontduiken.

Er zou dus door den ouderling Reijmeringer een preek gelezen worden, en wel voor zijn gezin, een zijner nichten die bij hem logeerde, en negen genoodigde leden van de gemeente. Geen enkel artikel van de Nederlandsche wet verbood zulk een samenkomst.

Ook bij Reijmeringer was reeds sedert weken een artillerist ingekwartierd. Die nú bij hem woonde was echter pas gekomen, want de gewoonte bracht mee dat de soldaten na twee, drie weken door anderen vervangen werden. Dit had alleen ten doel om het leed te vermeerderen,[39] want men trachtte daardoor te voorkomen dat de soldaten op min of meer vriendschappelijken voet met hun gastheeren zouden komen en zich dus al te betamelijk zouden gaan gedragen.

Rustig zat de man zijn pijp te rooken en de binnenkomenden te tellen, dat was zijn plicht.

Onverhinderd namen allen plaats. Na opening van de bijeenkomst met gebed, waarbij Reijmeringer voorging, werd door dezen Lukas II voorgelezen. Daarna zong de kleine gemeente Psalm XXVII:3. Men gebruikte de berijming van Datheen.

„Opdat ick daer magh merken en aenschouwen, Heer, uwes huys seer schoone heerlickheyt En den tempel, vry synde van benouwen, Wel magh alsins doorsien met vrolickheyt. Want als ick sal wezen bezwaert met noot, Ick sal daer verborgen sijn taller tijt, En in een heymelick oort syn bevrydt, En daerna verhooght syn in eeren groot.”

Gedurende het gezang verdween de artillerist.

De voorlezing van een der leerredenen van Erskine was begonnen. Een der mannen, diaken bij de jeugdige gemeente, ging rond met een busje om de gaven der vergaderden, in 't geheel veertien personen, in te zamelen.

Plotseling werd de deur van het vertrek wagenwijd opengeworpen; vier artilleristen marcheerden met dreunenden voetstap naar binnen. Alle vier tegelijk begonnen tierend en vloekend te vragen wat men uitvoerde. Want ze hadden geen geleider en dus geen woordvoerder. De sergeant had hen gezonden, maar was zelf op zijn gemak met een kop koffie en een pijp bij de haard blijven[40] zitten; hij had zelfs de moeite niet genomen om den korporaal te commandeeren. De mannen wisten zelf wel wat ze doen moesten: de fijnen op straat jagen of gooien, zooals ze verkozen. Dat was een kunst waar geen leiding bij noodig was, en de dienstijver van de manschappen was onverdacht!

„Wat voer jij daar uit, ezel!” grauwde een van de mannen tot den diaken. „Centen ophalen? Verboden!” En meteen rukte hij den man het busje uit de hand en keilde het door de kamer, zoodat het rammelend in een hoek bij 't venster terechtkwam.

„Sta jij daar te balken?” schreeuwde een ander op Reijmeringer toetredend. „Dadelijk stil en daar vandaan! Vooruit!” Met een gevoeligen ribbestoot werd de ouderling van zijn plaats verdreven.

„Nou allemaal het gat uit!” „Allo, marsch!” „We zullen je dat gekwezel wel afleeren!” „De heele kamer leeg!” De vier mannen brulden en vloekten om 't hardst.

Die niet onmiddellijk aan de ruwe bevelen voldeed, werd „beenen gemaakt.” De een werd bij den kraag gepakt, de ander aan den arm weggesleurd. Allen—uitgenomen de leden van het gezin—waren in een paar minuten op straat gesmeten. Ook de nicht van den huisheer—die natuurlijk meende dat zij tijdelijk tot de huisgenooten behoorde—kreeg bevel om „op te rukken.”

„Ik logeer hier,” antwoordde zij.

„Dat raakt niet!” schreeuwde de soldaat. „Van logeeren weten we hier niet af! Ga je of ga je niet?” Met die woorden kneep hij haar in den arm, dat ze 't van pijn uitschreeuwde en duwde de arme vrouw naar buiten.

[41]

Hoeden en overkleeren werden hun, voorzoover men ze dadelijk vinden kon, goedgunstig als oud vuil nageworpen.

„Zie zoo, kameraad!” riep een der soldaten, nadat hun heldendaad volbracht was, tot hun achterblijvenden makker. „Nu is je woning weer gezuiverd! Genoegelijk Kerstfeest verder!”

De bende verdween. De ingekwartierde soldaat was genadig genoeg om Reijmeringers nicht den toegang tot het huis weer te vergunnen. Daarna eischte hij koffie en koek, en morgen versch vleesch, want eindeloos spek en ham stonden hem tegen.

Gerrit Beukman en zijn moeder waren veel vroeger weer thuis dan de familie Huiskamp uit de kerk kwam.

Daar hadden de menschen een recht stichtelijke preek gehoord. De dominee, die reeds zoo dikwijls het Kerstevangelie behandeld had en niet elk jaar hetzelfde kon zeggen, had ditmaal de aandacht zijner hoorders meer bijzonder bepaald bij Lukas II:7: „En zij baarde haar eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en legde hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.”

[42]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings