← Table of contents
De Vurige Oven

X.

Reading edition

„Postwinkel.”

Het was in de laatste dagen van Maart 1837 nog alles behalve lenteweer. Slechts zoo nu en dan kwam de zon door; meestal werden zware regenvlagen afgewisseld door hevige buien van losse, natte sneeuw. De wegen waren dan ook over 't algemeen veranderd in modderpoelen, die van menschen en beesten bovenmatige inspanning eischten; al viel een ritje niet zóó bezwaarlijk als een week of vier geleden.

Den vierden Zaterdag na den dag, waarop mevrouw Karper haar bezoek aan Loosdrecht gebracht had, was voor Klaas Beukman het oogenblik gekomen om zijn reis langs „Postwinkel” naar Amsterdam te ondernemen. Den volgenden Maandag vroeg moest hij in die stad de behandeling van zijn rechtszaak bijwonen. Het gold een boete, die hij opgeloopen had voor het openzetten van zijn huis voor verboden godsdienstoefening.

Een bijzondere gunst van zijn God achtte hij het, dat juist een paar dagen tevoren plotseling en onverwacht de inkwartiering—ten minste tijdelijk—was ingetrokken, waarmede hij nu bijna zes maanden, met verkrachting[71] van alle wetten des lands, gekweld geweest was. Nu kon hij tenminste met een geruster hart drie dagen van huis gaan en zijne vrouw alleen achterlaten zonder vrees voor ruwe behandeling.

Aan den morgen van Zaterdag, den 25en Maart, ongeveer te tien uur, kwam dus de oude bekende huifkar voor. Na hartelijk afscheid van zijn vrouw ging Klaas voor in de kar zitten en nam de teugels in handen. Het vriendinnetje, dat de reis onder zijn geleide maken zou, nam naast hem plaats, en Beukman reed met Jannetje Huiskamp weg.

Jannetje ging eens een paar dagen doorbrengen bij oom en tante Builders, die in een der beste straten van de Jordaan te Amsterdam in een manufacturenwinkel een behoorlijk burgerlijk bestaan vonden. Oom en tante waren altijd met haar ouders op den besten voet geweest; de Afscheiding, waartoe beiden overgegaan waren, had daarin geen wijziging gebracht. Ofschoon vader en moeder Huiskamp nu niet bij voorkeur hun dochter daar een Zondag zagen doorbrengen, hadden ze er ook geen overwegend bezwaar tegen. Hetgeen in de laatste maanden in Loosdrecht was voorgevallen, had ook op hen zijne uitwerking niet gemist; de oogen gingen hun hoe langer hoe meer open. Een bekend staatsman heeft eens gezegd: „Alle bescherming is vervolging.” Wellicht kan men nog meer naar waarheid de spreuk omkeeren en zeggen: „Alle vervolging is bescherming.” En Jannetje die heel goed wist, dat ze door die reis om zoo te zeggen midden in de Afscheiding terecht kwam, had daar eigenlijk wel eens zin aan; ze wilde wel eens met eigen oogen zien hoe het toeging in die kringen, waar..... Gerrit toe behoorde.

[72]

Een bezoek bij mevrouw Karper was nu juist niet hetgeen het eenvoudige landmeisje in de eerste plaats aantrok. Maar daar was geen ontkomen aan, en haar vriend Beukman verzekerde haar, dat dit haar erg meevallen zou.

De reizigers werden dan ook allerhartelijkst ontvangen door mevrouw, die hen, doch zonder eenige reden, reeds eenige uren vroeger verwacht had. Ze werden na de eerste begroeting door de vrouw des huizes in een groote zaal gebracht, welke naar de meening van Jannetje in ruimte en prachtige meubileering zeker niet voor de mooiste kamer in het paleis des konings behoefde onder te doen. Daar vonden ze een klein maar zeer gemengd gezelschap bijeen. Juffrouw Rika was ijverig in de weer met het schenken van koffie, die ze met een schaal vol koek door een jonge dienstbode den gasten aanbieden liet. Een paar keurig-gekleede meisjes van acht of negen jaar, blijkbaar uit den hoogeren stand, logeergasten uit Utrecht, stoeiden ongehinderd samen in een hoekje van de groote salon. Twee boeren-echtparen zaten heel gemakkelijk in gesprek met het middelpunt van den kleinen kring, een jongen man in ambtsgewaad, met scherpzinnig maar vriendelijk en openhartig voorkomen, aan wiens rechterzijde de leunstoel voor mevrouw open stond.

„Dominee Van Raalte,” sprak mevrouw Karper; „ik breng u hier mijn vriend Klaas Beukman uit Loosdrecht, en mijn jonge vriendin Jannetje Huiskamp.”

Dadelijk daarna verdween mevrouw weder om in de huishouding werkzaam te zijn. Zij bracht haar gasten bij elkaar, liet hun geheel vrij en gaf hun haar gezelschap alleen wanneer het haar volkomen gelegen kwam, dat nooit[73] dikwijls of lang het geval was; zonder in 't minst om een hunner of om allen tezamen ook maar eenigszins van haar gewoonten af te wijken. Tenzij hooger belangen dat eischten; maar dan deed ze het niet terwille van haar gast, maar van haar Heere.

Dominee Van Raalte had dikwijls genoeg in Loosdrecht gepredikt om Beukman te kennen. Spoedig zaten die beiden in druk gesprek gewikkeld, waarin ook de twee boeren en hun echtgenooten betrokken worden. Dezen—pachters van mevrouw Karper—waren maar even over komen loopen om den predikant te begroeten, wiens leerredenen ze den volgenden dag hoopten te hooren. Ze waren bij de eigenares van de door hen bewoonde hofsteden als vrienden over huis. Er was altijd kans dat in slechte jaren de pachtsom tijdelijk daalde, maar voor opslag behoefden ze levenslang niet te vreezen.

„Ik heb verleden Zondag in Amsterdam voorgegaan,” verhaalde dominee Van Raalte; „de vervolging begint ook daar sterk te woeden. De politie heeft het gewone vergaderlokaal van de gemeente gesloten, zoodat we nu samengekomen zijn ten huize van broeder Budde aan den Nieuwe Zijds Achterburgwal bij de Gasthuismolensteeg.”

„En is de gemeente daar nog lastig gevallen, dominee?” vroeg een der pachters.

„Nog niet!” was het antwoord; „maar....”

„Maar?” vroeg Beukman. „Ik denk morgen in Amsterdam te zijn en hoop den dienst bij te wonen.”

„Dan wensch ik u van God toe, dat ge dat ongestoord zult kunnen doen, maar ik vrees er voor! Het gemeen wordt daar woelig en van overheidswege wordt niets[74] ter bescherming van Gods kerk gedaan. Er zijn morgen verscheidene plaatsen van samenkomst, bijvoorbeeld bij Budde, bij Hoogkamer, bij Buter....”

„Ook bij Buter?” viel Beukman dominee in de rede. „Ik hoop bij hem tot Maandag te logeeren. Buter in de Lindenstraat bij de Noorderkerk?”

„Dezelfde; een broeder die veel voor den naam des Heeren overheeft! En zal deze juffrouw daar ook zijn?”

„Ik ga naar mijn oom en tante Builders, dominee.”

„Dien naam herinner ik me niet. Behooren ze ook tot de onzen?”

„Ja dominee,—maar ik ben nog Hervormd.”

„Het doet me genoegen, juffrouw, dat te hooren.”

Jannetje keek den spreker verbaasd aan; ze dacht dat hij haar niet goed verstaan had.

„Ja, juffrouw; wanneer iemand zegt dat hij iets nog is, dan schijnt hij uitzicht te hebben binnen niet al te langen tijd iets anders te zijn.”

Mevrouw kwam binnen om haar gasten tot den maaltijd te noodigen.

„We eten maar vroeg,” zei ze, „want onze broeder Beukman moet nog naar Amsterdam, en zal daar zeker niet graag zoo laat aankomen.”

De beide boerenparen namen afscheid, en de overigen volgden mevrouw naar de eetzaal, een fraai vertrek met heerlijk uitzicht over een vijver en verder de buitenplaats in, dat niet minder dan de salon de bewondering van Jannetje gaande maakte.

De keurig-gedekte en rijk-voorziene tafel was in de oogen van Jannetje een ware bruiloftsdisch, maar ze gevoelde[75] zich recht op haar gemak; van stijve of hoofsche vormen was geen sprake. Integendeel: alles—behalve de huisgodsdienst waar overvloedig tijd voor genomen werd,—ging zoo gejaagd dat van gezellige gesprekken gedurende het tafelen niets komen kon. Het sterke gestel van mevrouw kende geen vermoeidheid; haar zenuwachtigheid jaagde haar steeds voort. Des zomers verliet ze met zonsopgang haar bed en des winters kon van haar gezegd worden wat de Spreukendichter van de „deugdelijke huisvrouw” getuigt: „Zij staat op als het nog nacht is.” Maar daarom ging ze niet vroeg ter ruste; des avonds zou koning Salomo van haar geschreven hebben: „Haar lamp gaat des nachts niet uit.” Dat was niet altijd even welgevallig in de oogen harer dienstboden, die duchtig ondervonden: „Zij beschouwt de gangen haars huizes.” Maar toch hadden ze er over 't algemeen vrede mee, want het was een uitstekend-goede dienst, en geschikte dienstbodens werken gewoonlijk met lust, wanneer ze van haar meesteres verklaren kunnen: „Het brood der luiheid eet zij niet.”

Nauwelijks was de laatste der aanzittenden gereed, waarop mevrouw met kwalijk-verborgen ongeduld had zitten wachten, of het geheele dienstpersoneel werd binnengeroepen om den huisgodsdienst bij te wonen. De paar minuten, die verliepen tusschen het ontbieden en het komen van de meisjes, vulde mevrouw aan door tot Beukman te zeggen: „Vriend Beukman, dadelijk na den dienst moeten wij elkaar even spreken.”

Zoodra dominee, wien verzocht was voor te gaan, zijn gebed geëindigd had, stond mevrouw op, wenkte Beukman[76] en verliet door hem gevolgd het vertrek. De gasten konden zich weer vermaken, of bezighouden, of rusten, elk naar eigen keuze.

Het zou niet licht voorkomen dat mevrouw eenige afspraak vergat of eenig voorgenomen plan verwaarloosde. Ze gebruikte dus in haar onderhoud met Beukman zeker vijftien minuten—voor haar doen een langen tijd—om alles te weten te komen wat ze weten wilde omtrent den ontslagen tuinbaas te Middelburg. Hoe ze hem helpen wilde, wist ze nog niet, maar dàt ze het doen zou, stond bij haar vast. En Beukman had voortaan een adres waar hij komen kon zooveel hij wilde.

Met evenveel hartelijkheid als haar Loosdrechtsche vrienden verwelkomd waren, werden ze nu weer op reis gezonden; niet omdat mevrouw ze zoo graag vertrekken zag; maar omdat er meer te doen was, omdat ze vóór donker in Amsterdam moesten zijn en omdat het paard genoeg gerust had.

„Nu, lieve kind,” zei mevrouw tot afscheid tot Jannetje, „de Heere heilige het aan je hartje.”

Daarmee bedoelde ze niet het bezoek van heden, maar den kerkgang van morgen, en vooral de bezwaren welke die haar bezorgen kon.

[77]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings