← Table of contents
De Vurige Oven

XV.

Reading edition

Diakonale armenzorg.

Driekwart eeuw geleden was het verzenden per post van een brief een duur ding, waar gewone menschen alleen toe overgingen wanneer het beslist noodig was. Bovendien hanteerde Klaas Beukman liever drie uren achtereen den ploeg dan een half uur de pen; en zijn vrouw deed aan brieven-schrijven in 't geheel niets. Zoo nu en dan hoorden zij en Gerrit wat van elkander, wanneer boeren uit de beide dorpen elkaar op een of andere markt ontmoet hadden; ook kwamen er wel brieven van Gerrit, maar het was een zeldzaamheid als hij er een van zijn ouders ontving. Het meeste vernamen de ouders en hun kind nog van elkaar door de predikanten, die bijna voortdurend op reis waren om nu hier, dan daar de diensten te leiden.

Niet zelden moesten die tochten in het geheim geschieden om de vervolgingen onderweg te voorkomen zoowel als om de bediening des Woords en der Sacramenten in de plaats waar de predikant verwacht werd, niet reeds vooraf onmogelijk te maken door ruchtbaarheid aan zijn komst te geven. Somtijds werden de samenkomsten[120] op zeer afgelegen plaatsen en midden in den nacht gehouden. Zoo kwam, om slechts één voorbeeld te noemen, de predikant Brummelkamp den 19en Augustus 1837 te Bunschoten aan en predikte den 20en, Zondags, des nachts te Malestijn, zooals de notulen het zeer grootsch noemen, dat is: op een boerderij tusschen Bunschoten en Spakenburg, die Malestijn heette. In die godsdienstoefening werd aan een kind het sacrament des doops bediend.

De geloovigen werden niet gehangen; hun leeraren werden niet geradbraakt; maar overigens hadden de Afgescheidenen aanleiding genoeg om hun lot in het vrije „Gereformeerde” Nederland te vergelijken met dat van de Hugenoten onder den grooten koning Lodewijk XIV.

En indien hun vijanden—vooral die uit de hoogste standen—slechts gedurfd hadden; indien ze de handen vrij genoeg hadden kunnen bewegen, dan zouden ze de kinderen Gods in alle opzichten met de martelaren uit de zeventiende eeuw gelijk gesteld hebben. Sprak Mr. Zevenstern, officier bij de Rechtbank te Appingedam, het niet uit: „Het ware te wenschen dat men de hoofden der bijeenkomsten aan het lijf mocht straffen.” Daarmede bedoelde hij iets anders dan gevangenisstraf, want die werd reeds naar hartelust uitgedeeld. En schreef niet Mr. Thorbecke einde September 1837, als verzet tegen zijn vriend Mr. Groen van Prinsterer, „dat aan de inkwartiering alleen de wettelijke vorm ontbrak?”[1]

Voor zulke zwervers als de leeraren der Afgescheidenen[121] moesten zijn, was de afstand tusschen Bunschoten en Loosdrecht gering. Die beide dorpen met de tusschenliggende Hilversum en Eemnes werden gewoonlijk op dezelfde rondreis bediend, zoodat, alles in aanmerking genomen, de Beukman's nog dankbaar mochten zijn omdat ze zooveel van elkaar hoorden.

Begin Mei had Gerrit van zijn vader een brief ontvangen, die hem brandend-nieuwsgierig naar nadere tijding gemaakt had. Vader was nooit heel spraakzaam, de brieven waren natuurlijk nog aanmerkelijk korter dan de gesprekken. In bedoeld epistel stond, midden tusschen nieuws van allerlei aard: „Bij de Huiskampen is alles nog al zoo hetzelfde behalve dat Jannetje tot ons overgekomen is.”

Zou dat werkelijk beteekenen wat Gerrit er zoo gaarne in las? Er was gedurende de eerste weken weinig kans om er achter te komen.

Sedert de Kerstvacantie was de jonge man niet meer in Loosdrecht geweest. In gewone omstandigheden zou het hem gemakkelijk gevallen zijn zoo nu en dan Zaterdagsmiddags daarheen en Zondagsavonds terug te wandelen. Maar de vervolging legde hem allerlei andere plichten op. Er viel voor hem veel meer te doen dan het onderwijzen van de kinderen. Wel had de kleine gemeente zeer goed begrepen dat de openbare onderwijzer niet het ambt van ouderling of diaken vervullen kon zonder haar zoowel als zichzelf noodeloos en onherstelbaar in moeite te brengen. Indien hij als ambtsdrager opgetreden ware, zou zijn ontslag slechts een kwestie van zeer korten tijd geweest zijn. En dan zou er heel waarschijnlijk een opvolger gekomen zijn, die „het gouvernement niet tegenwerkte”,[122] en die dus met de kinderen der gemeente vrij spel had. Maar dat belette Gerrit niet in allerlei opzichten zijn eenvoudige en minder ontwikkelde geloofsgenooten met raad en daad bij te staan, waarmee hij de handen vol had. Voorzichtigheid gebood hem daarvoor uitsluitend zijn vrijen tijd te gebruiken. Daarenboven was zijn aanwezigheid van groot nut voor het gezin van zijn hospes Kramer, dat voordurend met inkwartiering gekweld werd. Vrouw en kinderen kon men geen oogenblik alleen in huis laten, zoolang de „gezegende werktuigen om Sion uit te breiden” daar nog gebruikt werden. Zijn vriend en hij waren dus om de beurt aan huis gebonden. Ten overvloede was hij sedert den 20en Juni zijn vriend Jan Verlinden als hulponderwijzer kwijt, zoodat voorshands al het werk in de school alleen voor zijne rekening kwam.

Met groot verlangen had hij dus zijne zomervacantie van veertien dagen tegemoet gezien.

Eindelijk was de groote dag aangebroken. In den vroegen morgen van Zaterdag den 15en Juli stapte Gerrit Beukman in de huifkar van zijn vriend Kramer en nam plaats naast den man, die hem naar Eemnes zou brengen. Vandaar zou hij te voet de reis vervolgen.

Wel bracht het paard van Kramers den bovenmeester naar Eemnes, maar de baas had het daartoe midden in den zomer te druk. De teugels van het spannetje waren in handen van Willem Vlok, die voor 't oogenblik toch niets anders te doen had en er zeer vereerd mee was, dat hij dit ritje in den dienst van Beukman en Kramer doen mocht.

„En hoe gaat het thuis, Vlok?” vroeg Beukman, toen[123] ze de kom van het dorp achter zich hadden en in de heerlijke lucht van den helderen zomermorgen bedaard den mullen zandweg langs reden.

„Thuis!” sprak Vlok, niet zonder eenige bitterheid in de stem. „Ja, dàt mag meester wél zeggen!”

„Je hebt gelijk, Vlok!” hernam Gerrit; „thuis is, helaas, het rechte woord niet. Hoe gaat het met je vrouw en kinderen?”

„Naar de omstandigheden goed, meester, maar de Heere moet bijzondere genade geven om er altijd in te berusten;—we hebben er zeven, zie je, en de oudste moet nog pas elf jaar worden. Maar ik mag nog van geluk spreken als ik zie op mijn lotgenoot de Greef; daar is nog een kind meer en z'n vrouw is maar zwakjes, meester; die ziel moet de tering hebben. Mijn wijf en ik kunnen ten minste door de goedheid Gods nog voort!... Het is wat te zeggen!”

Gerrit liet den stumperd uit zijn tabakszak een pijpje stoppen; hij begreep dat er meer behoefte bestond aan een kleine daad van gemeenzaamheid dan aan een groot woord van vertroosting. Ook viel er voor hem meer te hooren dan te zeggen.

„Hoe is het nu eigenlijk in z'n werk gegaan?”

De man zweeg tot de pijp behoorlijk rondgebrand was en blies met welgevallen een paar rookwolken uit.

„Ja; meester is nog zoo lang niet bij ons en weet misschien van het vorige zoo niet af. Kijk—ik en de Greef hadden maar weinig werk en—zooals dat gaat—er kwam zoo nu en dan alweer een kind bij;—maar we werden toch altijd staande gehouden, dat mag ik tot eer[124] van den Heere zeggen; en ook gedurig door de Diakonie geholpen. En dan hadden we vrij wonen in die twee hutjes! Nou goed; maar langzamerhand kwamen we er wat meer door en er een beetje boven op, en er was geregeld werk te krijgen, zoodat, zie je, de bedeeling ophield. Dat was niet meer dan recht; er waren armer dan wij, en zoowel ik als de Greef mochten er den Heere voor danken voor dat het niet meer hoefde en dat nou een ander kon geholpen worden. Maar we mochten vrij blijven wonen; zie je. Nou dat ging zoo voort—en wat nou de kerk anbelangt, we bleven er allemaal lid. Een mensch heeft wel zijn bedenkingen, maar dat is tot daaraan toe. Alleen vrouw de Greef, die zei soms dat zij er niet hoorde, en dat we dan eigenlijk allemaal er niet hoorden. Nou weet meester nog wel van verleden jaar... ja... toen was je al bij ons, nietwaar?”

„Wanneer?” vroeg Gerrit.

„Toen dat met Poort; toen die ineens niet meer oefenen mocht?”

„Ja; daar was ik bij,” antwoordde Gerrit; „dat heeft voor mij den doorslag gegeven.”

„Nou, zie je, daar heb je 't!” vervolgde Vlok; „dat stuitte ons dan ook danig tegen de borst; daar konden we niet overheen. En toen—zooals meester weet, kwamen wij ook bij de Afgescheidenen kerken, maar we gingen niet over, begrijp je. Alleenig vrouw de Greef, zie je, die ging over. Dat ging zoo z'n gangetje, alles goed en wel; je hoorde van niets. Tot nou in eens, gisteren veertien dagen, den laatsten Juni, komt de diaken Klap eens binnenloopen. „Zeg Vlok,” zeit ie; „dat kan zoo[125] niet langer.” „Wat kan niet langer, mijnheer?” vraag ik zoo. „Vlok,” zeit ie; „de Greef en jij kunnen hier niet aldoor zoo maar blijven wonen voor niets!” Ik keek er van op, maar recht is recht; en alhoewel ik het op 't oogenblik niet kan betalen, de Heere zal, als het moet, op zijn tijd ook wel uitkomst geven. „Hoeveel zou dan de huur moeten wezen, mijnheer?” vroeg ik zoo langs m'n neus weg. „Ja,” zeit ie, „je kan nog wel op denzelfden voet blijven wonen, maar jullie komt nooit in de kerk.” Ik denk: wat zou er nou komen? „Kijk,” zeit ie, „als je allemaal altijd in de kerk wil komen, dan kan je blijven.” Nou, heel veel vieren en vijven meer... en of we nu al zeien als dat we Hervormd waren; hij hield maar vol: je doet alsof je Afgescheiden bent.

Ten langen leste vroeg ik hoe veel of dan de huur zou moeten wezen. Ja, dat zou dan voor mij en de Greef ieder dertig gulden in het jaar beloopen. En daar mochten we dan tot den anderen dag over denken. Vandaag veertien dagen ik er naar toe en De Greef ook, om te zeggen dat we die huur zouden betalen. Dat moest in de kerkeraad komen.

Maar jawel: 's Maandags komt Klap en nou vertellen: de kerkeraad wil voor ieder twee borgen hebben. „Willem,” zeit m'n vrouw; „loop 'reis naar boer Kramer, dat is 'n goeie man.” Om nou kort te gaan, wij komen denzelfden avond vertellen, ik en de Greef, als dat Kramer en Heining—uw ouderling,—voor ons allebei borg zouen wezen en we hadden het papier er van in onzen zak. Wij blij dat de zaak nou gezond was.

Den dag daaraan, daar komt Klap en Passer de kerkvoogd[126] zeggen: die borgen waren goed en wel, en de zaak was dus tot zoover in orde, maar dan moest er een jaar vooruit betaald worden.”

„Waar dienden dan de borgen voor!” vroeg Gerrit.

„Ja, meester, ik vertel je net zooals de ronde waarheid is. Dus geld vooruit, daar ging niets van af. Wij terug; en wat we nu toch nooit hadden durven denken: om ons te helpen alhoewel we niet eens bij de gemeente hooren, die twee gaven ieder dertig gulden. „Nou kan je eens zien,” mocht ik zoo tegen de Greef zeggen, „zonder iemand te oordeelen, wat de profeet Maleachi zegt van het onderscheid tusschen hem die God vreest en hem die hem niet vreest.”

Wij er weer heen; ieder z'n dertig gulden brengen. „Ja,” zei Passer, „dat is nou goed en wel, maar hoe staat het nou met het kerkgaan?” „Maar mijnheer,” zei ik zoo, „en we betalen nu vooruit?” „Ja,” zeit Klap, „dat gaat er heelemaal buiten om. Want zoo zouden we wel de grootste vijanden in de huisjes kunnen hebben! Je begrijpt wel, het zijn eigendommetjes van de Diakonie!” „Maar mijnheer,” zei de Greef, die een beetje kriegel werd; „dertig gulden is toch dertig gulden!” „Nou zou ik nog brutaal worden toe!” zei Passer. „Jelui moeten beloven, plechtig beloven, dat je met vrouwen en kinderen geregeld en alleen in onze kerk komt en nooit meer die andere vergaderingen zal bijwonen. Want anders moet je op staanden voet eruit!”

Nou, toen werd ik toch een oogenblik omgekeerd. Maar toen Klap: „Kijk,” zei die, „als 't nog onze eigen huizen waren, dan was 't wat anders, maar het is het[127] eigendom van de Diakonie, en dát mag ik niet tegen de kerk in laten gebruiken.””

„Zoo'n huichelaar!” barstte Gerrit los.

„Ja,” zei Vlok zachtmoedig; „het wou er bij mij ook niet in. Maar dát konden we niet beloven. „Neem dan je geld maar weer meê,” zei Passer; „dan moet je maar afwachten wat er van komt.””

„En toen?” vroeg Gerrit.

„Toen? Nou, Donderdag vóór acht dagen werden we met pak en zak er uit gezet. En daar stonden we. Veldwachter Koelewijn moest er van den burgemeester bij wezen. 't Ging hem aan zijn hart, dat kon je zien.”

„Ja dàt is een rechtschapen, godvreezend man,” hernam Gerrit.

„Meester; let op mijn woorden: Koelewijn gaat denzelfden weg op. Die raakt z'n bestaan kwijt; wat ik je zeg! En toen zaten we op het strand zonder dak boven het hoofd. De burgemeester had een plek er voor aangewezen; maar een die bij hoog tij onder loopt.”

„Maar er is nu toch, God zij dank, in voorzien,” zeide Gerrit.

„Ja, toen 't zoo'n weer werd hebben meester en de anderen, die we er dan ook nog wel voor bedanken, zoo bij den burgemeester opgespeeld, dat hij ten langen leste wel helpen moest. Nu zijn we weer onderdak. Maar vrouw de Greef heeft het dan leelijk te pakken: dat mensen kan niet zoo tegen weer en wind.”

„De Heere zal oordeelen!” zei Gerrit meer tot zichzelf dan tot zijn reisgenoot.

„Meester, dat wil d'r nou bij mijn maar niet in dat[128] onze gezegende Heiland nou zoo iets van z'n diakenen zou goedvinden. Ik ben niet geleerd en ik kan er niet tegen op; maar ik vraag maar: zou de Heere dat nou bedoeld hebben met het ambt van diaken?.... Maar we bennen er, en hier gaan we uit mekaar.”

Met een hartelijken handdruk, waarbij een gulden uit Gerrits hand in die van zijn reisgenoot overging, zei de eerste: „Ik dank je wel, Vlok!.... Voor de kleintjes, hoor!”

„Maar meester, dat is te veel. De boer betaalt me.”

„Ik betaal je ook niet; het is een aardigheidje voor de kinderen.”

[129]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings