← Table of contents
De Vurige Oven

XVI.

Reading edition

Toegestemd.

De verhouding tusschen Jannetje Huiskamp en haar ouders was zeer goed; alleen „over dat ééne” werd niet meer gesproken. Jannetje had haar lidmaatschap aan den kerkeraad der Hervormde Kerk opgezegd. Maar die opzegging was niet zoo dadelijk aangenomen; het meisje had een bezoek van dominee ontvangen, dat meer dan een uur geduurd had. Dominee had—raak of niet raak,—alle teksten aangehaald, die in zijn oog op het geval toepasselijk waren; zelfs verscheidene teksten, waarvan hij alleen slechts hoopte dat Jannetje ze toepasselijk vinden zou, ofschoon ze naar zijn eigen meening niet zoo rechtstreeks ter zake deden. Van de Hervormde Kerk had hij—onder toestemming dát er veel verkeerds in was,—gezegd: „Verderf het niet, want er is een zegen in!” Hij had de gelijkenis van „het onkruid in den akker” aangehaald; en bij het woord van Jezus: „De akker is de wereld”, gezegd ter nadere toelichting: „dat is dus wat wij nu zouden noemen de volkskerk, begrijp je”. En daarop had Jannetje toestemmend geknikt. Zoodat de dominee, een goedige, naïeve man, reeds gedacht had dat hij er al was[130] en nu Jannetje gelegenheid gaf om te antwoorden. Doch hij was er nog niet, want zijn vroegere leerlinge had heel onnoozel gevraagd: „Dominee, is de wereld en de Hervormde Kerk dan hetzelfde?” Maar Jannetje was ook geen theoloog!

Wat haar eigen zieleheil betrof had dominee haar gewezen op Salomo's waarschuwing: „Vermeng u niet met hen die naar verandering staan;” en op Jezus' vermaning: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.” En eindelijk—want dominee, hoe goed hij ook was, toch kon hij wel toornen!—op het schrikkelijk woord van den apostel Judas: „Dezen zijn het die zichzelven afscheiden, natuurlijke menschen, den Geest niet hebbende.” Welnu, duidelijker kon niet—tenminste uit Gods Woord niet—aangetoond worden dat de Afscheiding niet uit God is! Maar Jannetje had daar overheen gepraat door onverwacht met de domme vraag voor den dag te komen: „Dominee, als de engelen eens de maaiers wezen zullen, gebruikt de Heere dan hier al voor de tarwe artilleristen en politieagenten?” En toen was dominee werkelijk boos geworden en had geantwoord dat ze geen grapje van de zaak maken moest, want daar was het te ernstig voor. Jannetje evenwel had op haar beurt dát dominee kwalijk genomen en een beetje spijtig geantwoord dat ze er niet aan dacht om stokslagen van politieagenten, bajonetsteken van artilleristen en met-boter-besmeerde stoepen voor grapjes te houden. En ze was geëindigd met dominee ernstig te verzoeken haar als lidmaat te schrappen. Met een laatste vermaning om toch haar hart niet te verharden, had dominee haar plechtig beloofd dat aan haar verzoek zou voldaan worden.

[131]

Waarom Jannetje hem dat met zooveel aandrang verzocht vertelde ze dominee echter niet; gedachtig aan het spreekwoord: „Je moet geen slapende honden wakker maken!” Ze las thans geregeld het Tijdschrift „De Reformatie.” En ze had daarin een bericht gevonden, dat haar alle reden van bezorgdheid gaf. Zekere B. J. Ploeg te Klundert—zoo werd daar verhaald—had den 25en November 1835 schriftelijk zijn lidmaatschap van de Hervormde kerk opgezegd. In 1836 hadden kerkvoogden en notabelen goedgevonden, ter dekking van de uitgaven tot herstel van het kerkgebouw der Hervormden, een hoofdelijken omslag uit te schrijven, en op grond daarvan ƒ2.50 van Ploeg gevorderd. Deze beriep zich natuurlijk op zijn schriftelijke opzegging en weigerde de betaling. Ofschoon die opzegging door den kerkeraad niet ontkend werd, dagvaardde A. den Engelse, in kwaliteit van kerkvoogd, Ploeg voor den vrederechter in het kanton Zevenbergen. Den 8en Augustus 1836 had de zaak gediend. Tot zijn groote verbazing werd Ploeg veroordeeld tot betaling. Als eenige rechtsgrond werd in het vonnis aangegeven: „Gezien de artt. 30 en 33 van het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van eeredienst der Hervormde Gemeenten in de Provincie Noord Brabant.” De som was zoo klein, dat geen hooger beroep kon aangeteekend worden.

Ploeg, die reeds sedert een half jaar ouderling bij de Afgescheiden Gemeente was, betaalde niet; in overleg met zijn medeleden, om te zien wat er van de zaak worden zou. Den 10en September volgde een bevel tot executie. Den 5en October werd beslag op zijn inboedel gelegd, en nam zekere Willemse, tot gerechtelijk[132] bewaarder aangesteld, intrek in de woning van Ploeg. Deze had den 16en September een rekwest aan Z. M. den koning ingediend; maar dat bleef onbeantwoord[1]. Den 15en October werd de inboedel voor zoover noodig, verkocht. Zoover noodig beteekende: ƒ2.50 hoofdsom en ƒ54.94 gerechtelijke onkosten.

Jannetje had die geschiedenis minder tot haar stichting dan tot haar onderricht gelezen; en was blij dat „De Reformatie” door de Hervormden niet de moeite waard geacht werd om er inzage van te nemen. Toch rustte ze niet, voordat ze zeker wist dat de schrapping van haar naam een voldongen feit was. Het verwonderde haar, niet geheel ten onrechte, dat menschen die hun lidmaatschap opzegden, tegen wil en dank op de lidmatenboeken bleven staan[2]. Indien ze wat beter onderwijs genoten had, zou ze geweten hebben dat de groote Lodewijk XIV op dezelfde wijze de Hugenoten Roomsch hield of opnieuw Roomsch maakte. Maar hoe zou ze zich vijftig jaren later verbaasd hebben, indien ze het beleefd had, over het feit dat toen duizenden geroyeerd werden, die er volstrekt niet om gevraagd hadden. Misschien had ze dan nog eens overgelezen wat „De Reformatie” volgen liet op het verhaal van de mishandeling Ploeg aangedaan: „Op grond dat we niet Gereformeerd zijn maar een afzonderlijke secte vormen, worden we door verscheidene Rechtbanken veroordeeld tot het betalen van geldboeten.[133] Doch het schijnt ook al mogelijk te wezen ons geld uit den zak te jagen door eene tegenovergestelde bewering.”

* * *

Vader en moeder Huiskamp hadden, volgens vaste gewoonte, den ochtenddienst in de kerk bijgewoond. Ze waren, ook volgens vaste gewoonte, zeer gesticht thuis gekomen. Zóó „getrouw” als vanmorgen had moeder het nog nooit gehoord! En vader antwoordde: „Dat zeg je naar waarheid!” Die nabetrachting was bijna ook vaste gewoonte geworden.

Jannetje was thuis gebleven; om redenen haar bekend kon zij pas vanavond gaan. De reden was heel eenvoudig deze, dat de Afgescheidenen, indien ze niet voortdurend mishandeld en uit elkaar gejaagd wilden worden, de rollen zorgvuldig verdeelen moesten en ieder der leden aanwijzen waar en wanneer het zijn beurt zou zijn om de onderlinge samenkomst bij te wonen.

In de vergadering ten huize van Reijmeringer had Gerrit tevergeefs naar Jannetje uitgezien. Zoodra tegen half twee het middagmaal afgeloopen was, stapte hij de deur uit om zijn oude buren Huiskamp eens te bezoeken. Van het erf op den grooten weg tredende, zag hij de geliefde zijns harten het ouderlijk huis uit komen en den anderen weg opgaan.

Natuurlijk verdween zijn plan om vader en moeder Huiskamp een bezoek te brengen als sneeuw voor de zon. Met enkele stappen had hij het meisje ingehaald.

„Goeden middag, Jannetje! Hoe gaat het?”

[134]

„Wel heb ik....! Goeden middag, Gerrit!” riep het meisje met zooveel verrassing in haar stem, dat Gerrit zich er van verzekerd hield dat ze hem niet vroeger opgemerkt had, toen beiden zich naar buiten begaven. „Ben je de vacantie hier gekomen?”

„Ja! Je weet niet hoe ik er naar verlangde! Maar gaat het goed? En hoe maken de oudelui het?”

„Al wèl! Al wèl!” antwoordde Jannetje terwijl ze samen voortliepen.

„Ik wou juist eens naar je vader en moeder gaan zien.”

„Zoo? Maar dan loop je te ver!” antwoordde Jannetje stilstaande, om hem niet nog verder van zijn doel af te brengen.

„Ja; maar dat heeft nog op geen kwartiertje haast. Ik mag toch zeker nog wel een eindje meeloopen?” vroeg Gerrit eveneens stilstaande.

Een oogenblik keken ze elkaar in de oogen; één oogenblik slechts, maar lang genoeg om Jannetje de hare met een blos te doen neerslaan.

Samen gingen ze verder, het meisje begon: „Ik dacht dat....”

Wat dacht ze? Dat Gerrit wel komen zou; en was ze daarom uitgegaan? Dat hij niet komen zou; en was ze daarom ook maar niet thuis gebleven? Gerrit durfde niet er naar raden, maar verstoutte zich om te vragen: „Wist je niet dat ik in Loosdrecht zou komen met de vacantie?”

„Ja... dat 's te zeggen: we dachten het wel.”

„Mijn vader zal het zijn ouden vriend toch wel verteld hebben!”

[135]

„We zien je ouders niet meer zoo dikwijls als vroeger... dat 's te zeggen...”

„Dat 's te zeggen: ze komen niet meer zoo dikwijls bij elkaar aan huis hè?”

„Neen!” zei Jannetje kortaf.

„Maar daarom zal jij mijn ouders toch wel meer ontmoeten, niet waar?”

Jannetje knikte toestemmend. Zwijgend wandelden ze samen een eindje verder.

„Ga je... ergens heen?” vroeg Gerrit.

„Neen... zoo maar!” was het antwoord.

„Hier linksaf komen we in het bosch. Is dat goed?”

Opnieuw knikte Jannetje: „Maar moet je nu niet naar vader en moeder?”

„Neen!” stootte Gerrit plotseling vastberaden met harde stem uit. „Als ik mag ga ik met jou mee, want ik wou je wat zeggen.”

Ze hadden de door Gerrit bedoelde laan ingeslagen, en waren, nu buiten de kom van het dorp, vrij-wel zeker dat ze bijna of in 't geheel niemand ontmoeten zouden. Alles rondom hen was vriendelijk en vroolijk en ademde sabbatsstilte. Boven hun hoofden waren de koolmeesjes ijverig bezig met het zoeken en verslinden van insecten en larven. Met een vlugheid en behendigheid, die de apen hun hadden kunnen benijden, voerden de mooie vogeltjes allerlei toeren uit; hingen zich aan één pootje, 't kopje omlaag, aan het dunste takje op, pikten het ledig en schoten plotseling en pijlsnel naar een ander twijgje. De vinken fladderden het jonge paar voor de voeten, telkens een eindje verder naarmate de beide[136] menschen langzaam voortliepen. Dwars over den weg huppelde een eekhoorn om den naastbijzijnden boom te bereiken. Op een open plekje dommelden tien, twaalf konijnen in het zonnetje, om weg te rennen zoodra ze de naderende voetstappen hoorden. In de verte stierf het gekraai van een paar hanen weg, die elkaar antwoordden, en rondom overstemd werden door de lijsters, die zoo druk allerlei zang van andere vogels nabootsten, dat ze hun eigen taaltje niet meer hooren deden. Prachtige groote juffers snorden op de gouden of smaragden vleugels om hen heen, en van uit den hoogen beuk hoorden ze het eentonige, slaperig-vredige: „Koe-ke-roe koe-ke-roe!” van de houtduif.

Doch hanen, lijsters en houtduiven konden elk op zijn eigen manier zeggen en zingen wat ze wilden: Gerrit en Jannetje hadden slechts ooren voor wat de een tot den ander spreken zou en—wat niet kwam!

Gerrit, die „wat wou zeggen,” bracht het niet verder dan: „Wat is het hier mooi!”

„Heel mooi,” bevestigde Jannetje stijfjes.

„Er is heel wat gebeurd sedert een jaar geleden,” zei Gerrit.

Hij geloofde haast, maar wist het niet zeker, dat Jannetje lispelde: „Dat is er!”

„En er is geloof ik een groote reden weggevallen, waarom.....”

Jannetje zag even vragend op.

... „waarom ik niet zou kunnen vragen...” ging Gerrit eensklaps voort. „o Jannetje; we kennen elkaar al van kleine kinderen af... ik voelde het toen ik verleden[137] jaar wegging.... maar toen mocht ik het niet zeggen... ik wist niet of je dat toen wel wou... maar nu hoop ik het... o lieve Jannetje, ik kan niet zonder je leven!”

„O!” was al wat het meisje uiten kon. Ze bleef staan. Gerrit vatte haar linkerhand, die ze niet wegtrok. Met de rechterhand bedekte ze haar oogen.

„Jannetje, zeg me: heb ik me bedrogen? Zeg me wat!”

Zwijgend schudde de jonge vrouw ontkennend het hoofd. Had hij zich niet bedrogen? Of wou zij niets zeggen?

„Zeg toch wat, Jannetje! Ik wist wel dat ik—eens in Bunschoten, niet lang buiten de Scheiding blijven zou;—ik mocht dus toen nog niet vragen.... maar nu... ik heb het uit een brief van vader gelezen.... en God gedankt.... toen kwam er weer hoop in mijn hart...! o Laat me niet zonder antwoord!”

„Wat zal vader...” was het eenige, dat het meisje zeggen kon.

„Vader Huiskamp, meen je? Als ik maar eerst weet dat ik met hem er over spreken mag, dan komt dát wel in orde!”

„Ik weet niet of vader het goedvindt!”

„Ja! Als ik maar mag zeggen: vader Huiskamp, je dochter vindt het goed.”

Jannetje antwoordde niet. Gerrit begreep daaruit dat zij niet tegensprak. Hij liet haar hand los en sloot haar in zijn armen om den eersten vurigen kus haar op de lippen te drukken.

Wat viel er al niet over en weer te bespreken en te vertellen tusschen die beide gelukkige menschenkinderen, die daar aan den boschrand op het kussen van[138] bloeiende struikheide in den vollen zonneschijn zij aan zij zaten! Het sprak zoo vanzelf dat zij beiden één werden. En toch hoe licht zou hetgeen vanzelf sprak niet gebeurd zijn!

Poëtisch waren ze geen van beiden aangelegd; hoe een verloving eigenlijk behoort te geschieden, was hun onbekend; dat er misschien iets romantisch was of behoorde te zijn in dit uurtje wisten ze niet. Het eenige van dien aard, wat Gerrit zei, was: „Dat is door de omstandigheden een dubbeltje op z'n kant geweest!” En het eenige wat Jannetje daarop antwoordde was: „Maar de Heere heeft alles wélgemaakt.” Overigens was hun verloving meer voor anderen dan voor henzelven poëtisch en romantisch. Hun kerk was onder het kruis! En dat kruis wierp zijn slagschaduw over geheel het dagelijksch leven van al haar leden. Galg, galeien en vrouwengevangenissen voor Gods kinderen had Nederland niet van Frankrijk overgenomen; maar ons land—eenmaal de bakermat der vrijheid en de herberg der kerk—had wel een Code Pénal gekregen. En dat was genoeg in de handen van machthebbers in staat en kerk, die het gaarne gebruikten, om Nederland, voor zoover gewetensvrijheid betrof, aan het Frankrijk der zeventiende eeuw gelijk te maken. „De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder.” Wat zouden Jannetjes ouders? En indien dat goed liep, toch wisten de jong-verloofden zeer wel dat ze telkens wanneer ze met de gemeente samenkwamen, blootstonden voor den martelaarsdood in de volle beteekenis des woords. Eén slag[139] met den stok van een vijandigen politieagent, één bajonetsteek van een liederlijken soldaat, in naam van koning en kerk, op verzoek van de Synode en op bevel van burgemeester of luitenant toegebracht, kon hen hunne belijdenis met hun bloed doen bezegelen. Ze zouden de eenigen niet geweest zijn, wien dat overkwam. En indien 't zóó erg niet liep: één kwaadaardige gril van willekeur bij gouverneur der provincie of schoolopziener kon hen op staanden voet broodeloos maken.

„Een, twee, drie, vier!” telde Jannetje opspringend; „vier uur, ze zullen niet weten waar ik blijf!” Vier heldere tonen uit het kerktorentje van hun dorp hadden hun oor getroffen;—het eenige voordeel dat ze nog hadden van het kerkgebouw, dat toch ook het hunne was.

Tamelijk snel begaven ze zich huiswaarts.

„Mag ik vanavond je ouders komen spreken?” vroeg Gerrit zijn geliefde.

„Vanavond is mijn kerkbeurt,” antwoordde Jannetje; „en misschien is het goed dat ik eerst.... Neen, kom morgenavond.”

Het was voor vader en moeder Beukman een heerlijk bericht, dat hun zoon hun bracht. Van hun ouderlijken zegen konden de jongelui zich verzekerd houden.

Wat zou vader Huiskamp zeggen?

Dat had erger kunnen uitvallen dan het deed.

Teunis Huiskamp zat—heel conservatief in zijn gemoedelijke rechtzinnigheid en zijn Hervormde-kerk kerkisme vast; maar het was geen doode orthodoxie en geen verketterend kerkisme. Een alleen-zaligmakende leer of kerk had hij nooit gehad.

[140]

Maandags avonds zat Gerrit nauwelijks een kwartier bij zijn buren in de gezellige keuken een pijpje te rooken,—Jannetje had het in haar eigen opkamertje erg druk—of zonder veel omwegen kwam hij met de groote zaak tevoorschijn.

„Buurman Huiskamp; ik heb gisteren middag een poosje met je dochter gesproken.”

„Zoo, zoo!” bromde Huiskamp, die er reeds alles van begreep.

„Wel! wel!” riep moeder, die dat bericht reeds een paar jaren vroeger verwacht had.

„Ja; en Jannetje zei dat ik maar eens met u moest spreken.”

„Zoo, zoo!”

„En nu kwam ik u vragen om het goed te vinden als wij het samen eens worden.”

„Zoo, zoo!”

Huiskamp zat met kennelijk genot kleine rookwolkjes uit te blazen; moeder ging ijverig met haar breikous voort.

Iedere oningewijde zou gedacht hebben dat het gesprek op het doode punt aangeland was; maar Gerrit begreep uit de houding der beide mogendheden dat de zaak nog niet zoo ongunstig stond.

„Vader, zeg je nou niets?” vroeg de boerin eindelijk aan haar man.

„Wat zal ik zeggen?”

„Wel! wat je d'r van denkt. Ik voor mij, als ik er wat in te zeggen zal hebben, dan moet ik eerlijk bekennen dat voorzooveel mij aanbelangt....”

„En zei Jannetje niets meer?” viel vader Huiskamp[141] zijn vrouw in de rede; want hij zag tot zijn verdriet dat die alweer met haar gewone vrouwelijke haastigheid de zaak hals-over-kop tot beslissing dreef. „Laten we 'reis eerst verder hooren!”

„Och, buurman,” antwoordde Gerrit; „wat zou ze zeggen?.... we hebben een heele poos met elkaar gepraat,.... maar we kennen elkander zooals je weet van jongsaf en waren altijd samen. En het eenige waar ik vroeger nog wel bang voor wezen kon, is nu ook opgelost.”

„Ja,” zei moeder Huiskamp, zonder de dubbelzinnigheid te bedoelen, die in haar woorden lag, „dat is ons dan ook een groot verdriet.”

„Als ze mij nou vooruit gevraagd had,” verzekerde vader Huiskamp; „dan zou ik gezeid hebben: kind, weet wèl wat je doet.”

„Buurman!” pleitte Gerrit weer; „ik geloof dat ze goed geweten heeft wat ze deed.”

„Hm!” bromde Huiskamp.

.... „en dat we samen voor het aangezicht des Heeren de zaak besproken hebben.”

„Hm!”

„Ik hoop nu maar van de goede vrienden mijner ouders, dat ze me met een gunstig antwoord zullen verblijden.”

„Hoor 'reis,” zei vader na een heele poos zwijgend te hebben zitten rooken, „als Jannetje bij ons was gebleven, dan had je haar niet gekregen! Wat jij moeder?”

„Je meent, vader, nadat Gerrit van ons is weggegaan.”

Vader knikte toestemmend: „Maar nou ze allebei....”

[142]

„Ja, ik zeg maar altijd, Jannetje is een best kind, en goed ook; maar ze heeft zoo haar eigen zinnetje.”

„Niet dat ik zou willen zeggen,” vervolgde vader, „als dat er geen ware kinderen Gods onder de Afgescheidenen zijn; dat is er ver vandaan! Ik heb er menigeen van mijn beste vrinden onder, van wien ik het goede al jaren lang gelooven mag. Maar ik vraag maar: waar dient het toe?”

„Ja,” zuchtte moeder; „maar het geval ligt er nu eenmaal toe. En je kan ook nooit weten hoe de Heere met een krommen stok nog eens een rechten slag geeft.”

Gerrit zat met taai geduld den uitslag van die beraadslagingen af te wachten, zonder eenige neiging te voelen om op de kerkrechtelijke geschillen in te gaan.

Vrouw Huiskamp schonk hem een kop koffie in en het hoofd des gezins schoof hem den tabakspot toe. Gunstiger voorteeken had hij niet kunnen verlangen.

Eindelijk zei vader—die 'n minuut of vijf vergeefs gewacht had of Gerrit ook nog eens het woord zou nemen:—

„Nou dan mot het dan maar! Wat jij, vrouw?”

„Als vader er mee vereenigd is, zal ik er niets tegen zeggen!”

Zwijgend drukte Gerrit beiden hartelijk de hand.

„Ja, van dat verschil....” begon vader opnieuw;.... „maar ik zal er het zwijgen toe doen.”

„Vader,” vroeg zijn vrouw; „zal ik Jannetje nou maar eens roepen?”

„Ja, dan maar!”

Met Jannetje ging het vlugger; die antwoordde op de[143] vraag: „Zult gij met dezen man trekken?” al even spoedig als eens Rebekka, kort en goed: „Ik zal trekken.”

„Die vrouwen!” zuchtte vader hoofschuddend; „allemaal één pot nat... Maar laten we nu het aangezicht des Heeren zoeken.”

[144]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings