← Table of contents
De Vurige Oven

XIX.

Reading edition

Nieuwe vrienden.

Met open armen was de jonge vrouw, die Gerrit Beukman als echtgenoote mede naar Bunschoten gebracht had, door de gemeente der Afgescheidenen ontvangen. Haar man had den vervolgden zooveel diensten bewezen, al kon hij geen kerkelijk ambt vervullen, dat men met volle vertrouwen en groote liefde zijn gade in den kring opnam. En het duurde niet lang of zij zelve had zich in menig hart een plaatsje veroverd.

Eén feit werd steeds met verwondering opgemerkt: Gerrit Beukman bleef ongemoeid, ofschoon hij zich zijne belijdenis in geen enkel opzicht schaamde. Doch de Afgescheiden gemeente te Bunschoten was geen gering troepje, maar een macht, waarmee te rekenen viel, ofschoon staat en kerk zich niet ontzagen haar op alle mogelijke wijzen te kwellen en verdriet aan te doen. Het degelijk onderwijs en de aangename manier, waarop hij met de kinderen omging, maakten echter dat de „bovenmeester” ook bij de Hervormden zeer gezien was. En de burgemeester zou niet gaarne die medeburgers tegen zich in 't harnas jagen.

[168]

Jannetje gevoelde zich in haar nieuwe omgeving recht op haar plaats; ze leefde van harte mede met de broeders en zusters, die ze hier onder het kruis vond. Een harer eerste bezoeken was bij de gezinnen van Vlok en de Greef. De geloofsgenooten dezer vervolgden hadden voor stokken en zeildoek gezorgd, en daarvan twee tenten gespannen, waarvan de vloeren met planken belegd waren, zoodat de kracht van regenvlagen en donderbuien tenminste eenigszins gebroken werd. Vrouw Vlok had zich ook bij de Afgescheidenen aangesloten, maar de beide mannen en de kinderen bleven lid van de Hervormde kerk. Dat hinderde hen niet bij de Afgescheidenen, die het voorbeeld van gewetensdwang niet volgden; maar evenmin hielp het hen bij den Hervormden kerkeraad of bij de wereldlijke overheid, die den „afval” van de beide vrouwen op de geheele gezinnen bleven wreken. De kerkeraden van de Hervormde gemeenten ontkenden kort en goed, naar het verheven voorbeeld van hun geestverwant „le roi soleil,” Lodewijk XIV, alle recht om zich af te scheiden. Dat ondervonden onder anderen vier behoeftige, maar niet bedeelde vrouwen te Pijnacker in Zuid-Holland, die behoorlijk haar lidmaatschap opgezegd hadden. Zij ontvingen het schrijven dat hier letterlijk volgt[1], omdat het verdient zooveel mogelijk aan de vergetelheid ontrukt te worden. Het kan zijn dienst doen tot voorlichting van hen, die nog oordeelen: „Wat de onderscheidene kerkbesturen gedaan hebben, heeft, tot[169] eene juiste beoordeeling, nog altijd een nader onderzoek noodig[2].”

Pynacker, den 17den Augustus 1837.

Aan de vrouwen E. Hoek, Wed. P. Stoorvogel, A. Grootenbeer, A. Tuyl, Wed. H. Verwoerd, en E. van der Vlies.

De kerkeraad der Hervormde Gemeente te Pijnacker ontvangen hebbende een missive van bovengenoemde personen d: d: 32 Augustus 1: 1: door welke zij te kennen geven zich van het Hervomd Kerkgenootschap te hebben afgescheiden, en alzoo verlangen dat hare namen uit het boek der lidmaten onzer gemeente worden geroijeerd.

Gezien eene aanschrijving van de Minister van staat belast met de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk enz. d: d: 11 Dezember 1835 no 15. en gegrond op de inhoud van het Koninlijk besluit d: d: 10 October 1835 no 71

Gelet op het besluit van Z: M: d: d: 5 July 1836 no 75 als mede op eene aanschrijving van de Algemeene Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden d: d: 14 July 1836.

Heeft goedgevonden en verstaan aan de genoemde schrijfsters te berigten, en gelijk dezelve dan ook berigt worden, door deze. Dat de Kerkekraad vervuld is, met het diepste leedwezen, over zulk eene stap door de schrijfsters gedaan, als niet anders dan nadeelig te kunnen werken zoo op de rust, vrede, en liefde der Gemeente te dezer[170] plaats in het algemeen, als, op het welbegrepen belang der schrijfsters in het bijzonder en het zich daarom tot eene dure pligt rekend, dezelven met den meeste ernst, en in den geest der Christelijke liefde te moeten vermanen, om toch van deze hare dwaling te willen terug komen, en door haar voorbeeld, niet mede te willen werken dat de schadelijke geest van scheurmakerij (welke reeds zoo meenige vaderlandsche gemeente in de laatste jaren heeft beroerd) ook in ons midden deszelfs verderfelijke invloed verspreide, en weshalven de Kerkenraad haar op grond van het dierbaar Evangelie onzes Heeren, bezweerd, om met ootmoed en nederigheid hare dwaling te willen belijden, en in den schoot der Gemeente weder te keeren, haar belovende om, bij zulk een bestaan, het plaats gehad hebbende, met den mantel der liefde te zullen bedekken, en deze bedroevende zaak als niet geschied zijnde te zullen beschouwen.

Dat echter bij onver hoopt volharde, in deze dwaling en zucht tot scheurmakerij, de Kerkenraad zich in alles zal behooren te gedragen overeenkomstig de wetten en bepalingen, hier boven genoemd, en bij te kort koming van deszelfs kerkelijk gezag, de hulp van de burgerlijke rechter zal dienen in te roepen, ten einde aan de uitvoering van den wil onzes geéérbiedigden Koning stiptelijk de hand worden gehouden.

Dat de Kerkenraad het intusschen noodig acht de schrijfsters bij deze herrinneren, dat ofschoon zij in deze hare dwaling mogten volhouden, nochtans hare namen op het lidmaten boek niet kunnen worden geroijeerd, als zijnde het plaatsen op dezelve eene daadzaak welke met geene[171] mogelijkheid ongedaan kan gemaakt worden, en zij (schrijfsters) ook steeds door de Kerkenraad zullen beschouwd, bezocht en behandeld blijven worden, als wezentlijk behoorende tot het Hervormd Kerkgenootschap te dezer plaats, en zij schrijfsters dan ook wederkeerig onder de verpligting blijven verkeeren, om mede te moeten bijdragen in de kerkelijke lasten, welke bij hoofdelijke omslag in deze gemeente geheven worden, en niettegenstaande dit alles zij schrijfsters zich zelve moedwillig zullen berooven van het voorrecht, om wanneer zij immer tot armoede mogte vervallen (het geen God genadig verhoeden) op eenige hulp of onderstand, zoo van het rijk, gemeente of Diakonie te kunnen rekenen.

Dat de kerkenraad gemeend heeft deze zaak (als voor het eerst denzelven in de Gemeente voorkomende) op deze meer uitgebreide wijze te moeten behandelen, ten einde onder den zegen Gods daardoor misschien het kwaad in deszelfs beginsel mogt kunnen worden gestuit, maar dat dan ook van nu voortaan geen gevolg aan eenig geschrijf meer zal worden gegeven achtende de kerkenraad deszelfs tijd te kostbaar dan om dezelve aan twistgeschrijf te verbeuselen en weshalve men den koster heeft gelast, gene brieven over soortgelijke onderwerpen meer aan te nemen, maar aan elk die iets met de kerkenraad meent te doen te hebben, de gelegendheid te geven, om iederen zondag na het eindigen der middag Godsdienstoefening in de konsistorie te komen verschijnen.

En wijders dat, indien er onverhoopt nog meerdere dergelijke brieven mogten ingezonden worden, de kerkenraad als dan dezelve zal te rug zenden, met dit alles[172] afdoend antwoord, en waarop dan ook de schrijfsters van dezen brief nog ten slotte worden gewezen.

Zie het besluit van Z. M. den koning d. d. 5 July 1836 No. 75.

De Kerkenraad der Hervormde Gemeente van Pynacker.

Joh'. de Jong, Predikant. J. van der Wal. W. v. d. Velden. P. Zegwaard. G. Lamens, Ouderlingen. L. v. d. Kooy. Ht. van der Elst, Diakenen.

Terwijl nu de kerkeraad der Hervormde gemeente te Bunschoten zijn best deed om zich het oordeel van den Zoon des menschen op den hals te halen: „Ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed”, stak de burgervader geen vinger uit om het lot zijner medeburgers te verzachten.

In het geheele dorp was geen enkele woning open, behalve de beide hutjes, waaruit zij, die „over de noodige zaak der barmhartigheid” gesteld waren, hun slachtoffers verjaagd hadden. Twee meergegoede leden van de Afgescheiden gemeente ruimden daarom ieder een groot deel van hun schuur in en maakten die voor een der beide gezinnen bewoonbaar.

De gezondheid van vrouw de Greef had veel geleden door de haar aangedane behandeling. De jonge vrouw[173] van den „meester” bezocht haar dikwijls; nooit met een ledig hart en zelden met ledige handen.

Onder haar nieuwe vriendinnen ontmoette Jannetje meer dan anderen de jeugdige weduwe Poort, die zoo levendig aandeel nam in al wat tot steun en opbouw van de gemeente des Heeren strekken kon. Hoeveel hadden zij niet met elkander te bespreken, en de een de ander te verhalen uit eigen ondervinding!

„Zeg me toch eens, Reintje,” vroeg Jannetje haar vriendin op zekeren zomernamiddag, „hoe gaat het toch met dien ontslagen veldwachter? Ik heb hem nog niet gezien, maar mijn man heeft me veel van hem verteld.”

„Koelewijn meen je? Die man is een waar toonbeeld van Gods genade. Toen de vervolging begon was hij even ijverig als de andere vijanden, maar gaandeweg heeft hij leeren inzien dat wij niets misdeden; dat we in onze heiligste rechten gekrenkt werden; en eindelijk kon en mocht hij er niet meer aan meedoen. Toen werd hij op staanden voet uit zijn brood gestooten.”

„Gerrit zei me dat de burgemeester op last van den gouverneur handelde.”

„Ja.... als je 't gelooven wil! Neen Jannetje; hij was wel degelijk door den burgemeester voor ontslag voorgedragen. Ik heb zijn ontslagbrief zelf gezien. Daar schrijft mijnheer Van Toulon met zooveel woorden in: „Gezien hebbende de missive van den burgemeester van Bunschoten van 10 Mei 1837, houdende dat de veldwachter zijner gemeente geweigerd heeft aan zijne bevelen te voldoen.... heeft goedgevonden en verstaan den persoon van Dirk Koelewijn uit zijne betrekking als veldwachter te ontslaan.”[174] Maar er wordt geen enkel feit van ongehoorzaamheid opgenoemd. Koelewijn heeft nooit geweigerd den burgemeester te gehoorzamen; maar weigerde op order van de luitenants en de sergeants ons te mishandelen.... De man is nu niet meer hier, maar heeft, als ik wèl heb, werk in Utrecht gevonden.... Hij is de eenige niet!”

„Neen; Gerrit vertelde me van zijn ondermeester Jan Verlinden.”

„Ja, die ook. Maar je weet toch wel wat hier een paar maanden geleden met Nagel gebeurd is?”

„Wat dan?”

„Je moet weten: Gijs Nagel was hier nachtwacht, een goed vriend van Jakob Baas, de broer van mijn zwager Jan. Nu: Zondag den 11en Februari waren eenige leden van de gemeente bij Jakob en anderen bij Nagel aan huis vergaderd. Allebei hadden ze een heele troep gemeen voor 't huis. Bij Jakob was de dienst pas begonnen of de burgemeester aan 't hoofd van een troep soldaten drong naar binnen en joeg de gemeente uiteen. Hij liet vier of vijf soldaten achter om het huis te bewaken en ging met de rest zóó naar Nagel. Ze trapten de deur in en drongen naar binnen. Maar er waren geen twintig menschen, zoodat de wet niet overtreden was. Nu zou je denken: daar is de geschiedenis mee uit. Maar jawel! den volgenden dag werd onze goede vriend Nagel als nachtwacht van zijn bediening ontzet.”

„Hoe kon dàt nu!” riep Jannetje.

„Ja mensch, vraag dàt niet! Wat kan er niet; tegen Afgescheidenen! Maar eigenlijk kon het toch niet want zoodra ze het gedaan hadden, zagen de burgemeester en[175] de assessoren, dat ze hem eerst voor zes weken hadden moeten schorsen. Daarom werd den volgenden dag zijn ontslag ingetrokken en werd hij geschorst.”

„Zoo wordt alles een kwaadaardig spelletje!”

„Jawel; maar daar bleef het niet bij. Zaterdagmorgen, den 17en, werden plotseling mijn zwager Jan, en Jakob Baas, Gijs Nagel en Willem van de Kolk....”

„Is dat die Van de Kolk waar verleden jaar de soldaten zoo schandelijk huisgehouden hebben?”

„Dezelfde; de ontvanger van de Eem- en havengelden; die vier werden door politie en soldaten uit hun huizen gehaald, geboeid en te voet naar Amersfoort overgebracht. Waarom? vraag je. Dat weten ze zelf nóg niet! Daar werden ze bij allerlei soort van misdadigers in de gevangenis gestopt. 's Middags laat moesten ze voorkomen en werden uit en na ondervraagd over alles en nog wat. En het slot was dat ze 's avonds om zeven uur alle vier weer naar huis gestuurd werden; zoo maar, zonder inlichtingen, zonder vergoeding: „Jullie kan nu wel maar naar Bunschoten teruggaan! Goeien avond!””

„Als jij 't me niet zelf vertelde,” riep Jannetje, „zou ik het niet gelooven.”

„Och mensch!” hernam Reintje; „het schijnt wel dat we daar allemaal voor blootstaan. Afgescheidenen mag iedereen nu eenmaal in ons land behandelen zooals hij goedvindt. Een paar weken later—ik geloof den 19en Maart,—komen er plotseling twee politieagenten en vier soldaten bij Hein Koelewijn, den broer van den veldwachter, weet je, doen hem handboeien aan en nemen hem mee. Onderweg ontmoet hij den burgemeester en[176] vraagt hem in 't voorbijgaan waar dat om is. „Dat zullen ze je in Amersfoort wel zeggen!” riep de burgemeester en ging door. In Amersfoort sluiten ze hem in een hok; daar moet hij den heelen nacht in blijven; den volgenden morgen komt hij voor den rechter van instructie. Maar die weet eigenlijk niet waarom ze Koelewijn bij hem gebracht hebben, zit met den man verlegen en stuurt hem na een kwartiertje maar weer naar huis.”

Jannetje sloeg van verbazing de handen in elkaar. „Neen, van zulke gekke dingen hebben we bij ons nog niet gehoord!”

„Dan mag je van geluk spreken,” hernam haar vriendin. „Of eigenlijk.... zalig zijt gij zoo u de menschen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil!”

„Dat is waar, Reintje,” antwoordde de jonge vrouw, „maar je kunt er in komen dat de arme menschen soms vragen: „Hoe lang nog, Heere!” De menschen zullen het in later tijd niet gelooven dat zulke dingen mogelijk waren!”

„Och kom,” zei Reintje; „ze zullen in later tijd wel evenals nu allerlei voorwendsels weten te vinden om aan te toonen dat het zóó niet had mogen gebeuren, maar dat wij toch eigenlijk ongelijk hadden. Dacht je dat de menschen veranderden? Ik denk nog dikwijls om wat mijn goede man wel eens zei: „Rein,” zei hij, „of ze er later berouw over hebben of niet; of ze 't goedkeuren of leelijk vinden wat er nu gebeurt, 't geeft allemaal niets zoolang ze die Haagsche Synode houden! Die doet het je allemaal aan! Ik zal het niet beleven, zei hij, maar onze kinderen zullen het wel ondervinden als ze getrouw blijven.””

[177]

„Maar,” ging de weduwe voort na eenige minuten zwijgens: „we hebben nog tot den bloede toe niet tegengestaan! De Heere alleen weet wat nog over ons komen zal; maar het is er hier dicht aan toe geweest!”

„Een van de gruwelijkste dingen,” zei Jannetje, „vond ik wat ik laatst las dat in Woudrichem gebeurd is; dat is haast erger dan er het bloed voor storten. Daar kwam een meisje van ongeveer twintig jaar uit de vergadering, die bij zekeren Rombout aan den Ouden Dijk gehouden was. Een troep kwaaddoeners van allerlei stand en leeftijd viel haar aan. Ze sloegen haar met vuisten, scheurden haar de muts van het hoofd, sleepten haar bij de haren over den grond en door de modder, en.... dán staat er letterlijk.... deden haar eindelijk, ten aanschouwe der menigte, een smaadheid aan, waarvan de beestachtige onbeschaamdheid zoo verregaand was, dat onze pen weigert de schandelijkheid daarvan te beschrijven. Haar twee vriendinnen zijn bij een Roomschen buurman binnen gevlucht, die ze met gevaar van zijn leven beschermd heeft.”

„En hoe is dat afgeloopen?” vroeg Reintje.

„Dat is eigenlijk niet afgeloopen,” was het antwoord. „Er is een aanklacht ingediend, maar daar is nooit eenig antwoord op gekomen.”

„Ja,” zuchtte de jonge weduwe; „het heeft slechts een haar gescheeld of mijn eenig kindje van twee jaar, mijn lieve kleine Willempje, was in mijn eigen huis voor mijn oogen vermoord. Dat was Zondag 25 Februari; ik zal dien dag mijn leven lang niet vergeten! Er was bij mij aan huis ochtenddienst; Jakob zou een preek van Comrie lezen. Alles samen waren we met z'n drie-en-twintigen.[178] Dat had de schildwacht ontdekt, en jawel, daar kwam de veldwachter Loendersloot, zoo maar zonder eenig bewijs van den burgemeester, en beval ons uiteen te gaan. Daar stoorden we ons niet aan. Juist zongen we Psalm 68:15, daar komen burgemeester Hoolwerf en luitenant Worm, met een heele troep soldaten binnen. De luitenant op Jakob af! Hij scheurt hem het psalmboek uit de handen, smijt het op den grond en schreeuwt: „Er uit! Voor den duivel.””

„Dat mocht hij naar waarheid zeggen;” riep Jannetje; „het was voor den duivel!”

„Meteen grijpen de soldaten al de broeders en zusters en smijten hen de deur uit. Tafels en stoelen omver! Een van de soldaten stootte met de bajonet uit moedwil al de schotels en borden van de kast af, aan duizend gruizelementen op den grond. Maar een ander neemt mijn lieve dochtertje en gooit het kind de heele kamer door in een hoek; daar lag het te gillen van de pijn. Gelukkig weet de soldaat Bosch, die zich altijd veel fatsoenlijker gedraagt dan de anderen, er door te dringen, en haalt de kleine meid van tusschen de sporten van een omgegooiden stoel tevoorschijn. In de kamer daarnaast woont Dirk Krom, zooals je weet; daar is een luikje. Krom deed dat open om te zien wat er gebeurde. Zoodra de luitenant dat merkte, schreeuwde hij: „Steek den kerel dood!” en dadelijk stak de soldaat, die er het dichtste bij was, zijn bajonet er door. Krom kon nog juist bijtijds achteruitspringen.”

Jannetje had totnogtoe nooit goed begrepen hoe het kwam dat de Afscheiding in Loosdrecht niet zoo groote vorderingen maakte als in Bunschoten, terwijl de beide[179] plaatsen toch betrekkelijk zoo dicht bij elkander lagen: ofschoon er in Loosdrecht ook geen reden van klagen was. Maar zulke gesprekken en verhalen gaven haar den sleutel van het raadsel in handen. De vervolging was in Bunschoten veel feller en vinniger dan in veel andere plaatsen in den omtrek. Derhalve was de bloei van de gemeente ook veel grooter dan elders. De vervolging werd tot in het bespottelijke gedreven. Zoo gebeurde het op Vrijdag, den 30en Maart 1838, dat Jan Baas twintig kinderen in zijn huis vereenigd had. Was er catechisatie? Of was er kinderpartij? De burgemeester kon het niet zeggen; alleen wist hij dat daar een verboden samenkomst gehouden werd. Dus liet hij de kinderen door eenige soldaten op straat jagen. De jongens maakten er een spelletje van en vlogen als musschen om de soldaten heen en in wijden kring achter hen om naar binnen. Zelfs soldaten, wier eenige roeping was het Hervormde kerkgenootschap te verdedigen, hadden wel wat anders te doen dan voortdurend met zulke bengels krijgertje te spelen; zoodat van de vervolging afgezien werd en men het troepje verder ongemoeid liet. Ze waren naar 't schijnt niet staats- of kerkgevaarlijk.

Bijzondere zorg werd te Bunschoten ook besteed aan gedurige afwisseling van militairen. Het was min of meer gevaarlijk dezelfde mannen lang op dezelfde posten te laten: ze mochten eens op te goeden voet komen met de vervolgden! Daardoor had men ook telkens een anderen luitenant. Nauwelijks was Jannetje zes weken in haar nieuwe woonplaats of de troep militairen werd alweer vervangen door een andere.

[180]

Toen Jannetje, die niet bang uitgevallen was en haar mondje wèl tot haar wil had, den 15en Juli met de overigen bij haar vriendin Poort op straat gezet werd, zei ze tot den luitenant: „Mijnheer, met welk recht behandelt u ons zoo?”

„Als je 't niet bevalt, klaag me dan gerust aan bij gouverneur Van Toulon!” snauwde de officier, die wel wist welk adres hij opgaf.

Den 12en Augustus daaraanvolgende werd de jonge vrouw ten huize van Jakob Baas door een soldaat bij den arm gegrepen en naar buiten gedrongen.

„Mijnheer de luitenant!” riep ze, „laat u dat maar zoo toe?”

„Beste meid!” antwoordde de luitenant, terwijl hij spottend de pet voor haar afnam: „ik ken geen genoegelijker oogenblikken in mijn leven, dan wanneer ik jullie ontuig uit elkaar jagen kan!”

Zoo hoorde de eenvoudige boerendochter wel niet telkens als ze met de gemeente opging, een preek, maar ze maakte kennis met de beschaving van de hoogere standen. En dat kan ook z'n nut hebben!

[181]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings