← Table of contents
De Vurige Oven

VII.

Reading edition

Het nieuwste nieuws.

Dát had heel wat voeten in de aarde gehad, maar het was eindelijk toch gelukt!

Vader en moeder Beukman wilden zoo gaarne dat Gerrit den tweeden Kerstdag 's avonds mee naar de Huiskamp's zou gaan. Gerrit dacht dat hij even graag thuis bleef; maar toch: liefst wilde hij er ook wel heen; hij wist het niet! Indien echter de twee soldaten bleven, zou het te gewaagd zijn om alle drie van huis te gaan.

Gelukkig had de burgemeester daar geen zeggen over; anders zou natuurlijk juist dát gebeurd zijn, wat Klaas Beukman niet wilde. De sergeant moest hierin beslissen. En deze was goedgunstig genoeg om de beide soldaten voor dien avond vrijaf te geven. Dat had Beukman waarlijk niet aan eigen verdienste te danken; maar de sergeant hoorde dat het een bezoek bij Hervormden gold, en er was geen reden om leden van de groote Kerk tegen zich in 't harnas te jagen. Daar kwam nog bij dat de burgemeester er tegen was; reden genoeg voor den sergeant om te toonen dat hij de baas was. Zoo werd gedurende een uur of drie, vier de inkwartiering en daarmede het[43] feitelijke huisarrest geschorst. Het had nog z'n bezwaren, want men moest afwachten hoe de soldaten zouden thuis komen na den geheelen avond in de kroeg gezeten te hebben. Maar daar werd het op gewaagd.

Natuurlijk waren de vrienden nauwelijks veilig en rustig bij elkaar gezeten of het gesprek kwam op de gebeurtenissen van den vorigen dag. Want het was bij de onwettige handeling ten huize van Reijmeringer niet gebleven. Op hetzelfde uur waren de vergaderden bij Karsemeijer, den anderen ouderling, op gelijke wijze uiteen gejaagd. Daar hadden de handhavers van wet en orde zich zelfs niet ontzien er met de kolven hunner geweren op in te slaan toen ze niet spoedig genoeg naar hun zin gehoorzaamd werden.

„Ik kan toch zoo innig met jullie te doen hebben,” zei vrouw Huiskamp hartelijk; „als ik zie dat je beste van het dorp zoo behandeld worden als dieven en moordenaars. Ik zeg wel tegen Teunis: 't is om bij te huilen!”

„Dat mag wel zoo wezen!” antwoordde Klaas Beukman. „Maar er kon wel eens een tijd komen, dat de menschen zullen denken aan wat onze Heiland tot de vrouwen zei: „Ghij dochters van Jeruzalem, en weent niet over mij, maar weent over uselven ende over uwe kinderen!” Want het kon nog wel eens wezen dat er een rechtvaardig oordeel over het land ging en de kandelaar van z'n plaats geweerd werd.”

„Ja 't is moeilijk,” zuchtte vader Huiskamp. „Er is nog zooveel goeds in de groote Kerk, en je denkt dan alweer: weten de menschen wel wat hier al zoo gebeurt?”

„Och, vriend!” hernam Klaas, „het heele land door[44] gebeuren zulke dingen en als ik zoo van andere plaatsen lees, dan moet ik zeggen: wij komen er nog al genadig af. De Heere bewaart ons nog voor veel, dat onze broeders en zusters op andere plaatsen te lijden hebben. Ik zou je daarvan kunnen vertellen en voorlezen dat je 't niet eens gelooven zou.”

„Voorlezen?” vroeg vrouw Huiskamp.

„Ja voorlezen. Er komt tegenwoordig elke maand een tijdschrift voor ons uit. Maar als je dat leest.... ik wist niet dat de vijanden van Gods volk zoo tekeer gingen. Als je dat leest dan versta je wat de psalmist zegt: Uwe wederpartijders hebben in 't midden van uwe vergaderplaatsen gebrult, sij hebben haere teeckenen tot teeckenen gestelt. Een yeder wert er bekent als een die de bijlen omhooge aenbrengt in de dichtigheyt van een geboomte.”

„Kijk!” zei Huiskamp; „ik mag er dan al niet glad voorleggen dat de Afgescheidenen heelemaal op den rechten weg zijn; maar ik ben toch ook zóó niet of ik wil er wel wat van hooren.”

„Ik heb,” zei Beukman, „die twee stukken die verschenen zijn meegebracht, en als je wou dan....”

.... „dan moest Gerrit er een paar berichten uit voorlezen,” vulde moeder Griet heel gevat aan; „dan kan vader z'n pijpje blijven rooken.”

Gerrit wist de oogen van allen en voelde die van Jannetje op zich gevestigd; hij waagde het niet haar aan te zien. Zou zij het liefste hèm hooren?

„Ik zal dan maar even voorlezen, vader, wat er over dominee Van Raalte instaat,” zei Gerrit, de afleveringen[45] doorbladerende. „O hier is het: Op Zondag den 23en November, laat in den avond zijn te Ommen, provincie Overijsel, een en twintig huizen, waarin gescheidenen van het Hervormd Kerkbestuur woonachtig waren, door het gemeen in onstuimige woede aangevallen, en zijn daarin door eene hagelbui van zware keisteenen, waarmede nog den volgenden morgen de weg bezaaid lag, de glazen en een menigte dakpannen vernield. De Eerw. Van Raalte had aldaar dien dag het avondmaal bediend. Voorzooverre wij weten is niemand van de vervolgde gemeente gekwetst geworden. De burgemeester dier plaats heeft geene pogingen aangewend tot stuiting van dat geweld.”

„Jongen! jongen! dat is Godgeklaagd!” riep vrouw Huiskamp.

„Wie is die dominee Van Raalte?” vroeg haar man.

Jannetje zat zwijgend met schitterende oogen Gerrit aan te zien. Hoe dacht zij over het gehoorde?

„Nog een jonge man,” antwoordde Gerrit; „ik denk zoo wat zes en twintig jaar; klein van stuk, maar sterk, en iemand die alles aandurft als hij 't maar voor recht houdt. Ik zal je even voorlezen wat er verder met hem gebeurde. „Te Heemse, provincie Overijsel, alwaar de predikant Van Raalte naar den toestand der gemeente onderzocht en lidmaten had aangenomen, zocht, in den avond van Dingsdag den 22sten November, l.l. een twintigtal met stokken gewapende mannen Zijn WelEerwaarde, het voornemen te kennen gevende om hem te dooden. De Heere had het echter zoo bestierd, dat ze Z.Eerw. niet vonden, die door de leidinge Gods naar Ane, een buurtschap onder Gramsbergen, vertrokken was. Na ook den[46] volgenden dag te Gramsbergen en 's avonds te Dedemsvaart gepredikt te hebben, vertrok Z.Eerw. naar Ommen, dezelfde plaats waar wij gemeld hebben dat de huizen der gescheidenen ten getale van vijf en twintig (niet een en twintig) vernield zijn. Aldaar werd eene bijeenkomst, waar Z.Eerw. met zeventien gescheidenen tegenwoordig was, door den Vrederegter van die plaats, die iemand beval alarm te slaan en het gepeupel, waaronder de glazeninwerpers waren, te hulp riep, aangevallen. Spoedig drong het gemeen dan ook in het voorhuis, zich aanbiedende om onzen leeraar er uit te halen, maar schoon wederom in vijf huizen de glazen werden ingeworpen, werd het oproer, door denzelfden Vrederegter nog genoegzaam in tijds gestild om verder geweld te voorkomen. In één oogenblik was de aanvaller in eenen beschermer veranderd door Hem, die de harten in zijne hand heeft. In den morgen van Zaterdag daaraanvolgende vertrok Z.Eerw. naar Den Ham, alwaar in tegenwoordigheid van slechts acht à tien personen door Z.Eerw. werd gedoopt. De burgemeester deed daarop Z.Eerw. onder betuiging dat hij geene oproermakers in de gemeente wilde hebben, arresteeren en in eene herberg brengen, alwaar de predikant gelegenheid had om vijanden der waarheid, aldaar tegenwoordig, het Evangelie te verkondigen. Vandaar werd Z.Eerw., door zeven manschappen, gewapend met pieken, naar Ommen getransporteerd, onder het gejuich der groote menigte, waaronder slechts enkele vromen hun beklag deden. In eene herberg gebracht zijnde, riep de Vrederegter aan de dienaren toe: „Breng hem naar de gevangenis!” Bij het uitgaan zocht men Z.Eerw. te laten[47] vallen en wierp Z.Eerw. in een hok, waar nog een gevangene op stroo lag. Daar werd nog een glas ingesmeten waarover de medegevangene van Z.Eerw. een vreeselijk misbaar maakte. Men bracht vervolgens eene wacht op de been, die het aan geene scheldwoorden liet ontbreken, terwijl sommigen daarvan den wensch te kennen gaven, om Z.Eerw. op te hangen en een ander met de verschrikkelijkste verwenschingen beloofde Z.Eerw. te zullen ombrengen, indien hij ooit weder te Ommen kwam. Den volgenden dag des morgens, werd onze leeraar met twee dienaars en wederom vijftien à twintig man, gewapend met pieken, geweren en pistolen, dezelfde personen, die de glazen hadden ingeworpen, te voet zeven uren ver naar Deventer begeleid. Aldaar werd Z.Eerw. in de gevangenis gebragt, maar door den Officier der Regtbank, die Z.Eerw. zeer vriendelijk toesprak en edelmoedig bijstand bood, ontslagen. Zijne Excellentie de gouverneur van Overijsel schijnt zich deze zaak, nadat zich sommigen der gescheidenen daarover bij Z.Exc. beklaagd hebben, aan te trekken, voor het minst zijn thans te Ommen de soldaten bij gescheidenen en niet-gescheidenen ingekwartierd. Het voorgevallene heeft de banden van gemeenschap versterkt, zoowel te Ommen als in de omliggende gemeenten. De gemeente te Ommen, welke sedert reeds wederom door den predikant Van Raalte bezocht is, is dienzelfden dag met drie en twintig personen vermeerderd, die liever met het volk Gods wenschen kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben (Hebr. XI:25).

Bij vonnis van de Regtbank van Zwolle, in dato 24[48] November l.l. is onze leeraar Van Raalte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, omdat Z.Eerw. eenen burgemeester, die de godsdienstoefening stoorde, vermaand en hem onder het oog gebracht had, dat hij zich een vijand van God en van het volk Gods betoonde. Van dat vonnis is, zoo wij ons niet bedriegen, geappelleerd.””

Meermalen was Gerrit onder het lezen gestoord door uitroepen van medelijden en verontwaardiging.

„Dat had ik nooit kunnen denken!” zei eindelijk met nadruk vader Huiskamp, zijn pijp uitkloppende.

„Maar is daar dan niets tegen te doen?” jammerde zijn vrouw.

„Wij worden nu eenmaal buiten alle wetten gesteld,” antwoordde Klaas Beukman. „Overal mogen minder dan twintig menschen vrijelijk samenkomen, maar wij niet.”

„Neen, dàt hebben we gisteren nog ondervonden!” zuchtte moeder Beukman.

„Ik denk haast,” mengde Jannetje zich voor het eerst in het gesprek, „dat de sergeant dat niet geweten heeft, anders zou hij toch...”

„Denk dat maar niet, Jannetje,” viel Gerrit haar in de rede. „De burgemeesters doen precies zóó en die kennen de wet toch wèl. En zelfs de nóg hooger-geplaatsten zijn niet beter dan die sergeant. Wat dunkt je anders van deze kennisgeving:

„De waarnemende burgemeester; belast met de politie der stad Hattem, brengt ter kennis van de belanghebbenden, welke in hunne huizen verzamelingen van minder dan twintig personen tot het houden van godsdienstige oefeningen toelaten, dat hem van hooger hand bevelen zijn[49] toegezonden, onder welke bepalingen dezelve zullen gedoogd worden, en zich daarnaar niet gedragende, aan geregtelijke vervolgingen zullen blootstellen.

Deze zijn:

1. Dat het verboden is:

a. Dat in dergelijke vergaderingen gehouden worden, dezelfde of soortgelijke openbare godsdienstoefeningen, als door de erkende Kerkgenootschappen in bepaaldelijk daartoe bestemde gebouwen worden gevierd, en tot welke elk en een iegelijk vreije toegang heeft, waarin een aan den geestelijken stand toegewijd persoon of leeraar, in geestelijk ambtgewaad optreed, om het werk van de Eeredienst of godsdienst te verrigten.

b. Het inzamelen van gaven of giften tot instandhouding van hunne oefeningen.

c. Het bedienen van sacramenten, van doop, avondmaal, inzegenen van huwelijken, als andersints.

d. Het beroepen van leeraren en het benoemen van ouderlingen, diaconen etc. en het houden van categisatien.

e. De aanneming van ledematen, en in een woord alles wat maar eenigsints kan gerekend worden tot kerkelijke of eeredienst te behoren of bij de uitoefening voor de eeredienst der erkende en wettige godsdienstige genootschappen gebruikelijk is, en deze vergaderingen zich enkel kunnen en moeten bepalen tot het zoogenaamde oefening houden, waardoor verstaan wordt, dat eenige personen, in meerder of minder getal, doch altijd onder de twintig (tenzij vergunning gevraagd en verleend zal zijn dit getal te boven te gaan) zich te zamen kunnen vereenigen, om in stilte binnen's huis, met gesloten deuren[50] elkander door onderlinge gesprekken, het lezen van den bijbel, van psalmen, gezangen, of andere godsdienstige werken of geschriften, het doen eener verhandeling, of gemeenschappelijke mededeeling en overdenking hunner denkbeelden en gevoelens, over godsdienstige onderwerpen te leeren, te stichten en te oefenen, zonder verder eenige van die daden te verrigten, die hierboven als de kenmerken en eigenschappen eener eeredienst zijn opgegeven.

Almede wordt uitdrukkelijk verstaan, dat de zamenkomsten tot het houden van oefeningen, nergens anders mogen plaats hebben, dan binnenshuis in bewoonde en geslotene woningen en geensints in schuren of andere dergelijke gebouwen, als wordende alle openlijkheid der verrigtingen van die zamenkomsten ten ernstigsten verboden.

Hattem, den 17 September 1836. De Waarnemend Burgemeester voornoemd W. C. van Braam.””

„Neen maar!” zei vrouw Huiskamp, „daar is het eind van weg!”

„En,” ging Gerrit voort; „wat volgde er nu op? Den 26en November werden er ongeveer vijf en zestig militairen ingelegerd bij de gescheidene gemeente te Hattem, tien derzelve bij den predikant Brummelkamp, zes bij den diaken Geerlings, en zes bij den man, in wiens huis bijeenkomsten gehouden waren.

Het huis van Ds. Brummelkamp werd tevens tot een wachthuis gesteld, waar steeds drie manschappen moesten blijven, en een derzelve gedurende den nacht als schildwacht stond. Een der plaatselijke autoriteiten[51] verklaarde aan den predikant, nadat de militairen den 5en December weer vertrokken waren, dat deze inlegering had plaats gehad als een lesje tot straf wegens het houden van openbare godsdienstoefening, en dat, indien het weder gebeurde, de straf veel zwaarder zou zijn.

Aan een paar leden der gemeente, die zich bij het plaatselijk bestuur tot bekoming van schadevergoeding hebben aangemeld, is verklaard, dat die niet zoude betaald worden. Het plaatselijk bestuur heeft tevens kunnen goedvinden bij een meisje, dat alleen woont en slechts één vertrek heeft, een der militairen in te legeren.”

„Wat zal daar nog eens het eind van wezen!” zei Huiskamp, toen Gerrit zijn lectuur geëindigd had. „Want zoo kan het niet voortgaan!”

Neen! dàt vroegen en oordeelden tienduizenden in den lande met hem. Maar waar 't ook op uitloopen zou: niemand dacht op Kerstdag 1836, dat het eind nog zóó ver in 't verschiet lag. Nog nooit heeft een vervolger van de gemeente zijn berekening goed gemaakt. Is de uitslag der vervolging volslagen mislukking, dan heeft de vijand van Gods Kerk zichzelf staatkundig en maatschappelijk onherstelbaar benadeeld. Daarvan is Spanje sedert 1578 een voorbeeld. Maar nog erger is het, wanneer de vervolger schijnbaar triomfeert en de poorten der hel naar zijn schatting de gemeente overweldigen. Dat toont Frankrijk sedert 1685 bij den dag meer.

Zou Nederland—eens de „Herberg van Gods Kerk”—daaraan zich spiegelen?

Op geen der Huiskamp's had het gehoorde dieper indruk gemaakt dan op Jannetje. Ze begon de dingen in een[52] ander licht te beschouwen. Toen Gerrit Beukman naar Bunschoten verhuisde, had ze hem vèr, vèr van zich verwijderd geacht. Wat ze gisteren gezien en vandaag gehoord had, plaatste hem in haar oogen ver boven haar. En naarmate hij hooger steeg, gevoelde zij hem minder ver. Dat iemand zijn kerk verliet, zooals zij het noemde, kon ze nog niet goedkeuren. Doch in elk geval was het geen lichtzinnige stap, en iemand die er zich zulke onheilen door op den hals haalde, toonde daardoor zijn moed en oprechtheid.

„Dat komt van die akelige Afscheiding!” had Jannetje eenige maanden geleden gejammerd. Maar nu was haar oordeel zooveel zachter geworden, dat ze treurde: „Ik wou dat die Afscheiding nooit gekomen was!”

Op zeer verschillende gronden waren alle belanghebbenden dát met haar eens!

[53]

Illustration from De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings