← Table of contents
De drie steden

TWEEDE BOEK (continued 2)

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

Langzaam en als met lood in haar schoenen ging madame Théodore terug naar de rue Marcadet, waar de Toussaint’s woonden. Ook van den kant van haar broer verwachtte zij niet veel, want zij wist in welke moeilijkheden het huisgezin gekomen was. Het vorige najaar had Toussaint een aanval van een beroerte gehad, het begin van een verlamming, die hem gedurende bijna vijf maanden aan zijn stoel gekluisterd had. Tot dat oogenblik was hij een uitstekend werkman geweest, die niet dronk en zijn drie kinderen—een dochter, die haar man, een schrijnwerker, naar Havre gevolgd was, een jongen, die in Tonkin gesneuveld was, en nog een jongen, Charles, die pas uit dienst gekomen was en zijn oud beroep van werktuigkundige uitoefende—een goede opvoeding gegeven had. Maar de ziekte van vijf maanden had het weinigje geld, dat zij op de Spaarbank geplaatst hadden, opgemaakt, en Toussaint, die weer zoo goed als beter was, moest, zonder een sou, zijn leven opnieuw beginnen, als was hij twintig jaar.

Madame Théodore vond haar schoonzuster alleen in het eenige, zeer zindelijke vertrek, dat het echtpaar bewoonde; daarnaast was een klein kabinet, waar Victor sliep. Madame Toussaint was ondanks haar zorgen en haar vasten een dikke flinke matrone met een rond gezicht met kleine, heldere oogjes. Zij was een fatsoenlijke, praatzieke, eenigszins snoepachtige vrouw, die geen ander gebrek had dan dat zij graag lekkere potjes klaar maakte. Voordat de andere haar mond open had kunnen doen, begreep zij reeds het doel van haar bezoek.

“Je komt al op een heel ongelukkig oogenblik, we hebben geen sou. Eergisteren is Toussaint pas naar de fabriek terug kunnen gaan en nu moet hij vanavond al om een voorschot vragen.”

Zij keek madame Théodore eenigszins wantrouwend en weinig sympathiek aan.

“En heeft Salvat nog steeds geen werk?”

Ongetwijfeld voorzag madame Théodore de vraag, want zij loog heel rustig.

“Hij is niet meer te Parijs; een vriend van hem heeft hem meegenomen, om in België te werken; ik verwacht, dat hij ons eerstdaags wel wat zenden zal.”

Maar madame Toussaint bleef wantrouwend.

“Des te beter, dat hij niet in Parijs is! Wij hebben met al die bommengeschiedenissen aan hem gedacht; we zien hem voor gek genoeg aan, om zich daarin te mengen.”

De ander vertrok geen spier. Al mocht zij iets vermoeden, dan hield zij het toch voor zich.

“En hebt gij heelemaal geen werk?”

“Och, wat zou ik met mijn arme oogen doen? Naaien gaat niet meer.”

“Ja, dat is zoo, wij arbeidsters raken gauw afgetakeld. Toen Toussaint hier aan zijn stoel gebonden was, heb ik mijn oude vak van linnennaaister weer willen opvatten. Maar dat kan je denken, ik bedierf alles en ik schoot niet op … Het eenige, wat ik nog doen kan, is een beetje het huishouden bij anderen te gaan doen. Waarom ga jij dat ook niet doen?”

“Ik heb het geprobeerd, maar het wou niet lukken.”

Langzamerhand kwam madame Toussaint’s goed hart weer boven en werd bij het zien van die groote ellende geroerd. Zij vroeg haar te gaan zitten en zeide, dat zij haar wat geven zou, als Toussaint een voorschot meebracht. Dan begon zij haar geschiedenissen te vertellen, want zoodra er iemand was om te luisteren, kon zij haar kletszucht niet bedwingen. Het onvermijdelijke verhaal, waarop zij weer terugkwam, dat zij steeds opnieuw begon, waarbij zij altijd weer in geestdrift geraakte, was de geschiedenis van haar zoon Charles, van het dienstmeisje van den wijnhandelaar, waarmede hij zoo dom geweest was naar bed te gaan, en van het kind, dat hij bij haar had. Voor Charles soldaat werd, was hij een heel ijverig werkman en een goed zoon geweest, die altijd zijn geheele loon thuis bracht. Zeker hij was een goed werkman gebleven, maar de lust tot werken was toch wel eenigszins verdwenen door den dienst. Niet dat hij ernaar terug verlangde, want hij sprak over de kazerne als over een gevangenis, maar de gereedschappen wogen nu eenmaal zwaarder in zijn hand, toen hij ze weer moest opnemen.

“Ach ja, Charles mag zoo aardig en lief voor ons zijn, als hij wil, maar financieel kan hij niets meer voor ons doen. Ik wist, dat hij volstrekt geen zin had om zoo gauw te trouwen om de lasten, die het meebrengt. En bovendien is hij zeer voorzichtig met meisjes. En nu moest die stommiteit gebeuren—die Eugénie, die hem bediende, wanneer hij aan den overkant een borrel ging drinken. Natuurlijk deed hij het niet, om met haar te trouwen, maar toch bracht hij haar sinaasappelen, toen zij in het ziekenhuis bevallen is. Een echte slet, die er al eens met een anderen man van door geweest is … Maar het kind is en blijft er. Charles heeft het bij een min op het land gedaan en betaalt het kostgeld. Een echte ruïne voor ons, telkens weer nieuwe onkosten. In het kort, alle ongelukken zijn tegelijk op ons hoofd neergekomen.”

Madame Toussaint was zoo al een half uur aan het spreken, toen zij plotseling ophield, want zij zag madame Théodore bleek worden van het wachten.

“Begin je ongeduldig te worden? Toussaint zal wel dadelijk thuis zijn. Willen we misschien naar de fabriek gaan?”

Zij besloten te gaan, maar zij bleven onder aan de trap nog wel een kwartier staan praten met een buurvrouw, die pas een kind verloren had. Eindelijk verlieten zij het huis, toen een stem haar terugriep.

Het was Céline, die nieuwe schoenen aan had en gulzig in een broodje hapte.

“Moeder, moeder, dat is de abbé van den laatsten keer … Kijk eens wat hij voor mij gekocht heeft!”

Toen madame Théodore de schoenen en het broodje zag, begreep zij alles. Zij begon te beven en dank te stamelen, toen Pierre, die de kleine volgde, haar aansprak. Madame Toussaint kwam ook dadelijk naderbij, stelde zich voor, maar vroeg toch niets voor zichzelf, blij als zij was om het buitenkansje van haar schoonzuster, die het nog zooveel moeilijker had dan zij. Toen zij zag, hoe de priester deze laatste tien francs in haar hand drukte, zeide zij, dat zij graag wat geleend zou hebben, maar dat zij het onmogelijk kon, en begon dan weer het verhaal over de beroerte van Toussaint en Charles’ ongeluk.

“Zeg moeder,” viel Céline haar in de rede, “de fabriek, waar vader gewerkt heeft, is immers hier in de straat. Mijnheer de abbé moet er een boodschap doen.”

“De fabriek van Grandidier?” vroeg madame Toussaint. “Daar gaan we juist naar toe, we zullen mijnheer den abbé den weg wel wijzen.”

Het was een honderd pas verder. Pierre liep met de twee vrouwen en het kind wat langzaam, daar hij trachten wilde madame Théodore over Salvat aan het praten te krijgen.

Maar dadelijk werd zij voorzichtig. Zij had hem niet meer teruggezien, hij moest met een kameraad voor werk naar België gegaan zijn. De priester meende daaruit te moeten opmaken, dat Salvat het niet gewaagd had naar de rue des Saules terug te komen; zijn aanslag deed alles ten gronde gaan: het verleden vol werk en hoop, het heden met vrouw en kind.

“Kijk, mijnheer, daar hebt u de fabriek,” zeide madame Toussaint. “Mijn schoonzuster behoeft niet meer te wachten, nu u haar zoo flink geholpen hebt … Ik dank u uit haar en uit onzen naam.”

Madame Théodore en Céline bedankten ook en bleven kijken hoe Pierre de fabriek binnenging. Er waren toch ook wel aardige en goede priesters, vonden zij.

De fabriek Grandidier besloeg een groote ruimte. Aan de straatzijde zag men slechts een gebouw van baksteen met smalle vensters en een groote deur, waardoor men op een diepe binnenplaats keek. Dan volgde een rij afzonderlijke gebouwen, werkplaatsen, loodsen en tallooze daken, waarboven twee groote schoorsteenen uitstaken. Dadelijk bij het binnenkomen hoorde men het trillen van de machines, het doffe lawaai van den arbeid, de geheele ijverige, onrustige oorverdoovende bezigheid, waaronder de grond zelfs beefde.

Thans vervaardigde de fabriek voornamelijk rijwielen. Toen Grandidier, die leerling van de École des arts et des métiers te Châlons geweest was, haar overnam, stond de fabriek heel wankel; zij werd slecht bestuurd en was stil blijven staan bij het maken van motoren met behulp van verouderde machines. Grandidier, een man met een vooruitzienden blik, had zijn ouderen broeder, die administrateur aan den Bon Marché was, als vennoot genomen en nam aan dezen uitstekende rijwielen voor honderdvijftig francs te leveren. Op die wijze ontstond er een levendige handel: de Bon Marché lanceerde het populaire rijwiel de Lisette, het “rijwiel voor allen”, zooals de annonces zeiden. Maar Grandidier streed nog steeds, hij had de overwinning nog niet behaald, want door de geheel nieuwe inrichting der fabriek had hij zich diep in de schuld moeten steken. Iedere maand kwam er een vernieuwing, een vereenvoudiging, die groote bezuinigingen aanbracht. Voortdurend hield hij zijn oogen open en hij droomde er nu van weer tot de kleine motoren terug te keeren, daar hij den nabijen triomf der automobielen voorzag.

Pierre, die Thomas Froment te spreken gevraagd had, werd door een ouden werkman naar een kleine, houten werkplaats gebracht, waar hij den jongen man in werktenue en met door ijzervijlsel zwart geworden handen vond. Hij was bezig een machinedeel pasklaar te maken en niemand zou in dezen zoo aandachtig en dapper zijn zwaar werk verrichtenden kolos den schitterenden leerling van het lycée Condorcet vermoed hebben, waar de drie broeders den naam Froment beroemd gemaakt hadden. Maar als vertrouwde medewerker van zijn vader wilde hij niets anders zijn dan de hamerende arm, de uitvoerende kracht. Hij was sober, geduldig, stil, had zelfs geen maîtresse, zeide, dat hij later, wanneer hij een goede vrouw ontmoette, wel trouwen zou.

Toen hij Pierre zag, werd hij ongerust, liet hij zijn werk in den steek, vloog naar hem toe.

“Vader is toch niet erger?”

“Neen, neen … Hij heeft in de courant gelezen van de priem, die gevonden is in de rue Godot-de-Mauroy en heeft zich toen ongerust gemaakt bij de gedachte, dat er hier een huiszoeking zou kunnen plaats vinden.”

Gerustgesteld, glimlachte Thomas.

“Zeg maar aan vader, dat hij gerust kan slapen. In de eerste plaats ben ik nog niet zoo ver als ik wel graag willen zou. En bovendien is hij nog niet gemonteerd. De afzonderlijke deelen heb ik thuis en eigenlijk weet niemand precies wat ik hier doen kom. De politie mag komen zoeken, zij zal niets zien, ons geheim loopt geen gevaar.”

Pierre beloofde die woorden letterlijk aan Guillaume over te brengen, om hem van iedere vrees te bevrijden. Toen hij echter Thomas trachtte uit te hooren, om te weten hoe het met de zaak stond, wat men in de fabriek over den gevonden priem dacht en of men al vermoeden begon te krijgen op Salvat, werd Thomas weer gesloten en gaf slechts eenlettergrepige antwoorden. Was de politie nog niet geweest? Neen. Maar de werklui hadden toch zeker wel den naam van Salvat genoemd? Dat natuurlijk wel, want iedereen kende zijn anarchistische denkbeelden. En wat had Grandidier gezegd, toen hij van den rechter van instructie terugkwam? Hij wist het niet, had hem nog niet gezien.

“Maar daar is hij juist … De arme man, zijn vrouw heeft vanmorgen weer een aanval gehad!”

Dat was een treurige geschiedenis, die Pierre reeds van Guillaume gehoord had. Grandidier had uit liefde een buitengewoon mooi meisje getrouwd, dat tengevolge van het verlies van een jongetje en kraamvrouwenkoorts sedert vijf jaar krankzinnig was. Hij had er niet toe kunnen overgaan haar in een gesticht te doen, maar was met haar blijven wonen in een paviljoen, waarin de ramen, die op de binnenplaats uitzagen, steeds gesloten bleven. Nooit zag men haar, nooit sprak hij met iemand over haar. Men vertelde, dat zij als een zacht, meegaand kind en nog heel mooi was met haar prachtig blond haar. Doch meermalen had zij vreeselijke aanvallen, moest hij met haar worstelen, haar urenlang in zijn beide armen houden, opdat zij haar hoofd niet tegen de muren te pletter loopen zou. Men hoorde dan vreeselijk gegil, waarna even later alles weer in een doodelijke stilte terugviel.

Op dat oogenblik kwam Grandidier, een knappe veertiger met een energiek gezicht, een dikke snor en heldere oogen, de kleine werkplaats, waar Thomas bezig was, binnen. Hij hield veel van dezen laatste en had hem zijn leertijd verlicht door hem als zijn zoon te behandelen. Thomas mocht komen werken als hij lust had en zooveel gebruik maken van de machines als hij zelf wilde. En hoewel Grandidier heel goed wist, dat hij zich voornamelijk bezighield met kleine motoren, waarin hij zelf ook zoo’n groote belangstelling toonde, legde hij de grootste discretie aan den dag en wachtte rustig zonder te vragen.

Thomas stelde den priester voor.

“Mijn oom, abbé Pierre Froment, die eens naar me komt kijken.”

De gewone beleefdheidsphrases volgden.

“Zeg eens, Thomas,” zeide hij dan; “ik heb je mijn onderhoud met den rechter van instructie nog niet verteld. Wij staan daar goed aangeschreven, anders hadden we al de smerissen van de prefectuur al op ons dak gehad. Ik moest hem verklaren, hoe die met mijn naam gemerkte priem in de rue Godot-de-Mauroy gevonden kon zijn. En ik heb heel goed begrepen, dat hij dacht, dat de dader van den aanslag hier had moeten werken … Ik heb dadelijk aan Salvat gedacht. Maar ik verklik niemand. Hij heeft mijn werkboekje. Ik heb hem over Salvat alleen verteld, dat hij verleden jaar herfst drie maanden in de fabriek gewerkt heeft en zich daarna niet meer heeft laten zien. Laat hij hem nu maar gaan zoeken!… O, die rechter! Een blond, zeer gesoigneerd, mondain mannetje, dat met kattenoogen in deze geschiedenis speurt.”

“Is dat niet mijnheer Amadieu?” vroeg Pierre.

“Precies. De man schijnt erg in zijn nopjes over het geschenk, dat die anarchistische bandieten hem met hun aanslag gegeven hebben.”

Angstig luisterde de priester. Dat was het, waar zijn broeder zoo bang voor geweest was; dat was het eindelijk gevonden goede spoor, de eerste goede draad. Hij keek Thomas aan om te zien, of die ook ongerust was. Maar hetzij, dat de jonge man niets wist van den band, die Salvat aan zijn vader bond, hetzij dat hij een groote zelfbeheersching bezat, de jonge man lachte eenvoudig om het portret van den rechter.

Terwijl Grandidier naar het machinedeel, waarmede Thomas bijna klaar was, keek en zij er samen lang over praatten, ging Pierre naar een openstaande deur, om een blik te werpen in de groote machinekamer ernaast. De priester hoorde drie arbeiders, die aan een fonteintje hun handen kwamen wasschen, praten. Zijn aandacht werd onmiddellijk geboeid, toen hij een van hen een ander Toussaint en den derde Charles hoorde noemen. Dat waren vader en zoon. Toussaint was een gezette man met breede schouders en pezige armen, wien men zijn vijftig jaar pas aanzag, wanneer men naar zijn rond, gerimpeld, gegroefd en door het werk weggevreten gezicht zag, dat omgeven was door een grijzenden baard, dien hij alleen Zondags kamde. Zijn rechterarm was door de verlamming reeds aangetast en maakte veel langzamere bewegingen. Charles, het sprekend evenbeeld van zijn vader, had een dikke zwarte snor en was met zijn sterke spieren, die duidelijk onder de blanke huid te zien waren, in de volle kracht van zijn zes-en-twintig jaren. Ook zij spraken over de bom van hôtel Duvillard, over den gevonden priem en over Salvat, die nu door allen verdacht werd.

“Alleen een bandiet kon zoo’n streek uithalen,” zeide Toussaint. “Ik wil met die anarchie niets te maken hebben. Maar de bourgeois mogen wel oppassen, anders laat men ze gewoon in de lucht vliegen. Dat gaat hen aan; zij hebben het zelf gewild.”

Op den bodem van die onverschilligheid lag een lang verleden van ellende en onrechtvaardigheid. De oude man had alle hoop opgegeven, was het strijden moede; wat hem betrof, mocht de wereld, waarin honger den ouden, lam geworden werkman dreigde, ten gronde gaan.

“Ik heb die anarchisten nog al eens hooren praten,” zeide Charles; “en ze zeggen waarachtig dikwijls zeer ware en verstandige dingen … Kijk eens vader, jij werkt nu al meer dan dertig jaar—en is het nu niet afschuwelijk, dat het heel goed mogelijk is, dat je, zoodra je ziek bent, als een uitgeknepen citroen weggegooid wordt. En wanneer ik bedenk, dat het met mij precies eender gaan kan … Verdomme, als dat alle menschen gelukkig maken kan, dan heb ik bliksems veel lust met hun omverwerpen van de maatschappij mede te doen.”

Uit zijn woorden sprak niet de heilige hartstocht, maar slechts de zucht om een beter leven te hebben; de kazerne had hem reeds gedeclasseerd en uit zijn verplichten diensttijd had hij een voorstelling van gelijkheid, van den strijd om het bestaan, een drang om het hem wettig toekomend deel van het genot te nemen, medegebracht. Het was de onvermijdelijke stap van de eene generatie naar de andere: de vader, teleurgesteld in zijn verwachting van de broederrepubliek, was sceptisch en vol minachting voor alles geworden; de zoon, na het schijnbare bankroet der vrijheid voor het geweld gewonnen, stond op het punt zich bij het nieuwe geloof aan te sluiten.

Maar toen de derde, een brave kerel, boos werd en schreeuwde, dat men Salvat, als hij het gedaan had, onmiddellijk zonder vorm van proces naar de guillotine moest sturen, gaf Toussaint hem ten slotte gelijk.

“Ja zeker, ik vind het ook, ook al is hij met een zuster van me getrouwd … Maar toch zou het me sterk verwonderen, als hij het gedaan had … Hij is niet slecht, hij zou geen vlieg kwaad doen.”

“Wat zal ik je zeggen?” merkte Charles op. “Wanneer ze je tot het uiterste drijven, dan wordt je woedend.”

Alle drie hadden zich flink gewasschen; Toussaint, die den patroon gezien had, bleef op hem wachten, om hem een voorschot te vragen. Toevallig ging Grandidier, na Pierre hartelijk de hand gedrukt te hebben, zelf naar den ouden werkman, dien hij hoogachtte, toe. Hij luisterde naar hem en gaf hem op een kaartje een paar woorden voor den kassier mede, hoewel hij zeer sterk tegen het voorschotsysteem gekant was. De arbeiders voelden geen sympathie voor hem; hielden hem, ondanks zijn werkelijke goedheid, voor hardvochtig, omdat hij meende zijn positie als patroon krachtig te moeten verdedigen en in niets toe te kunnen geven, als hij zichzelf niet ten gronde wilde richten. Hoe kan men, waar de concurrentie zoo fel is en het kapitalistische stelsel een zoo vreeselijken strijd noodzakelijk maakt, zelfs de gerechtvaardigde eischen van den arbeider inwilligen?

Een diep medelijden greep Pierre aan, toen hij, na met Thomas eerst nog precies afgesproken te hebben, wat hij zijn vader antwoorden zou, Grandidier in de richting zag gaan van het gesloten paviljoen, waar hem het vreeselijke drama van zijn hart wachtte. Was er onder de armen, die van honger stierven, onder de arbeiders, onder de door den arbeid overwonnenen, die hem vervloekten en benijdden, één, die ongelukkiger en beklagenswaardiger was?

Toen Pierre weer op straat kwam, zag hij daar tot zijn verwondering madame Toussaint en madame Théodore nog staan met de kleine Céline. Nog steeds wachtten zij op Toussaint, die eindelijk, gelukkig met zijn voorschot, naar buiten kwam. Dadelijk vertelde hij madame Théodore de geschiedenis van den priem en zeide, dat hij, evenals trouwens al zijn kameraden, van meening was, dat Salvat dien aanslag wel gepleegd kon hebben. Zij werd heel bleek en protesteerde er tegen, zonder te laten merken wat zij wist of wat zij vermoedde.

“Ik zeg je nogmaals, dat ik hem niet meer gezien heb. Hij moet ergens in België zijn. Hij een bom gooien? En je zegt zelf, dat hij te goed is en dat hij geen vlieg kwaad zou doen.”

Toen Pierre met de tram naar Neuilly terugging, verzonk hij in een diep gepeins. De drukte van de arbeiderswijk, het gedreun van de machine klonk nog in zijn ooren. En voor de eerste maal, sedert hij zoo door zijn zieleangst gefolterd werd, werd hem de noodzakelijkheid van den arbeid duidelijk als een noodlot, dat zich openbaarde als gezondheid en kracht. Hier ontdekte hij eindelijk een vasten bodem, dat was de kracht, die staande houdt en redt. Was dat het eerste glanzen van een nieuw geloof? Maar welk een hoon! Deze onzekere, hopelooze arbeid leidde tot de eeuwige onrechtvaardigheid! Steeds loerde de ellende op den arbeider, wurgde hem bij de minste werkeloosheid en slingerde hem, zoodra de ouderdom kwam, als een gecrepeerden hond in de goot!

Te Neuilly vond Pierre Bertheroy aan het bed van Guillaume. De oude geleerde had hem juist verbonden en scheen nog niet geheel gerust omtrent de complicaties, die de wond zou kunnen veroorzaken.

“Maar je houdt je ook niet kalm. Ik vind je altijd in een opgewonden koortsachtigen toestand, die fataal voor je is. Heusch je moet je rustig houden, jongen, en je door niets laten kwellen.”

Een paar minuten later zeide hij, voor hij wegging:

“Stel je voor, dat ze me naar aanleiding van die bom in de rue Godot-de-Mauroy zijn komen interviewen. Die journalisten verbeelden zich, dat je alles weet. Ik heb hem geantwoord, dat het heel vriendelijk van hem zou zijn als hij zelf mij een paar inlichtingen over de gebruikte springstof gaf … Dat is waar ook, ik geef morgen in mijn laboratorium een college over explosiemiddelen. Kom jij ook luisteren, Pierre, dan kon je het aan Guillaume oververtellen; hij zal het wel interessant vinden.”

Op een wenk van zijn broer nam Pierre de uitnoodiging aan. Toen zij weer alleen waren en Pierre hem verteld had, dat Salvat verdacht werd en de rechter van instructie op het goede spoor was, werd Guillaume opnieuw door een hevige koorts aangegrepen. Zijn hoofd viel op het kussen en met gesloten oogen stamelde hij als in een nachtmerrie:

“Dat is het einde … Salvat gearresteerd—Salvat ondervraagd … Zooveel werk, zooveel hooge verwachtingen … alles weg!”

IV.

Om half twee was Pierre in de rue d’Ulm, waar Bertheroy een vrij groot huis bewoonde, dat de Staat hem gegeven had, om er een laboratorium in te richten. De geheele eerste etage was verbouwd tot een groote zaal, waarin de beroemde scheikundige meermalen een beperkt aantal leerlingen en bewonderaars ontving, voor wie hij voordrachten hield, proeven deed en een uiteenzetting gaf van zijn nieuwe ontdekkingen en theorieën.

Bij zulke gelegenheden werden enkele stoelen gezet voor de lange, massieve, met flesschen en toestellen overvulde tafel. Daarachter stond de oven, terwijl met glazen fleschjes en allerlei modellen gevulde vitrines om het vertrek heen liepen. De stoelen waren reeds ingenomen, hoofdzakelijk door collega’s van den geleerde, enkele jongelieden, zelfs dames en journalisten. Er heerschte een familiare toon, er werd met den meester gesproken, als ware men bij hem thuis.

Zoodra Bertheroy Pierre zag, ging hij naar hem toe, drukte hem vriendschappelijk de hand en bracht hem naar de tafel, om hem een plaatsje te geven naast François Froment, die reeds eerder gekomen was. De jonge man was nu bijna aan het einde van het derde jaar aan de École Normale, die vlak in de buurt was, zoodat hij maar een paar stappen behoefde te doen, om bij zijn meester te komen, den man, dien hij eerbiedig als het grootste genie van dien tijd beschouwde. Pierre was zeer ingenomen met die ontmoeting, want de flinke jongen met zijn levendige oogen in zijn hoog, intellectueel gezicht had na zijn bezoek aan Montmartre een zeer prettigen indruk bij hem achtergelaten. De jonge man begroette met de oprechte expansie der jeugd zijn oom hartelijk, blij tevens weer iets van zijn vader te hooren.

Bertheroy begon. Hij sprak familiaar, heel eenvoudig en met gelukkige woordvondsten. Eerst gaf hij een résumé van de reeds door hem gedane onderzoekingen over en proeven met springstoffen. Lachend vertelde hij, dat hij meermalen bommen onder handen had, om de geheele wijk in de lucht te laten vliegen. Maar hij stelde zijn gehoor gerust; hij was voorzichtig. Ten slotte sprak hij over de bom van de rue Godot-de-Mauroy, waarover geheel Parijs sedert enkele dagen sprak. De overblijfselen waren nauwkeurig onderzocht door deskundigen, en ook hem had men een stuk gebracht, om er zijn meening over te zeggen. De bom scheen van een tamelijk slecht maaksel; zij was met stukjes ijzer geladen en met een lont van kinderlijke constructie voorzien. Het buitengewone was de vreeselijke kracht van de binnenpatroon, welke, hoe klein zij ook geweest moest zijn, die verschrikkelijke uitwerking gehad had. Men vroeg zich af welke een onberekenbare vernielingskracht men krijgen zou, als die lading vertien- of verhonderdvoudigd werd.

Hier begon de moeilijkheid: zoodra men over samenstelling van de gebruikte springstof redeneerde, werd het probleem door de discussies verward. Van de drie deskundigen beweerde de een, dat het eenvoudig dynamiet was, terwijl de beide anderen—zonder het onderling eens te zijn—aan een mengsel geloofden. Wat hem betreft, hij had, heel bescheiden, zijn meening niet willen zeggen, de brokstukken, die men hem voorgelegd had, hadden te weinig sporen behouden dan dat hij ze aan een analyse had kunnen onderwerpen. Hij wist niets, kon geen conclusie geven. Maar het was zijn overtuiging, dat men hier te doen had niet een nieuw explosiemiddel, welks kracht alles wat men tot nu toe gevonden had, overtrof. Hij vermoedde, dat de een of andere onbekende geleerde of wel een van die naïeve uitvinders, welke een gelukkige hand bezaten, in het geheim de formule van dit explosiemiddel ontdekt had. En hier wilde hij juist op neerkomen, op de talrijke, nog onbekende springstoffen, op de binnenkort te verwachten ontdekkingen, die hij voorzag. Hij wees zelfs den weg aan, dien men betreden moest. Volgens zijn oordeel lag daarin de toekomst. Dan zeide hij in een uitgewerkte, prachtige peroratie, dat men tot nog toe de explosiemiddelen onteerd had door ze te gebruiken, om op dolzinnige wijze zijn wraak te koelen en verwoestingen aan te richten, terwijl er misschien juist de door de wetenschap gezochte bevrijdende kracht in lag, de hefboom, die de wereld omhoog heffen en veranderen zou, zoodra men ze getemd en ertoe beperkt zou hebben, om niets anders te zijn dan de gehoorzame dienaren des menschen.

Gedurende deze geheele, nauwelijks anderhalf uur lange voordracht voelde Pierre, hoe François, die naast hem zat, bij het zien van de wijde horizonten, die de meester opende, beefde en in geestdrift geraakte. Hem zelf had de voordracht buitengewoon geïnteresseerd, want hij moest of hij wilde of niet sommige toespelingen begrijpen en zekere betrekkingen tusschen hetgeen hij gehoord had en dat wat de angst van Guillaume hem verraden had—het geheim, dat deze zoo bang was prijsgegeven te zien aan den rechter van instructie—voelen. Toen hij, alvorens met François weg te gaan, Bertheroy de hand ging drukken, zeide hij dan ook met een bepaalde bedoeling:

“Het zal Guillaume wel spijten, dat hij u deze wondermooie denkbeelden niet heeft hooren ontwikkelen.”

“Kom, kom!” zeide de geleerde glimlachend. “Resumeer jij maar voor hem wat ik gezegd heb. Hij zal het best begrijpen, want hij weet er meer van dan ik.”

François, die in tegenwoordigheid van den beroemden geleerde als een eerbiedig leerling het zwijgen bewaard had, kon, toen zij samen een paar passen op straat gedaan hadden, zich niet weerhouden te zeggen:

“Hoe jammer toch dat een man met een zoo breed inzicht, bevrijd van alle bijgeloof en voor geen waarheid terugdeinzend, zich heeft laten classificeeren, etiquetteeren en opsluiten in titels en Academies! Wat zouden wij nog meer van hem houden, als hij minder van de staatsruif at en zijn ledematen niet zoo door grootkruisen gebonden waren!”

“Wat zal ik je daarvan zeggen?” zeide Pierre verzoenend. “Je moet nu eenmaal leven! En trouwens ik geloof, dat hij in den grond der zaak van dat alles vrij is!”

Daar zij bij de École Normale waren, bleef Pierre, die dacht, dat de jonge man daarheen terug moest, staan. Maar deze keek slechts even naar het oude gebouw.

“Neen, neen, het is Donderdag, ik ben vrij … We hebben veel vrij, eigenlijk te veel. Niet, dat ik het niet prettig vind, want daardoor ben ik in staat dikwijls naar Montmartre te gaan en daar aan mijn oude tafel te werken. Dáár alleen voel ik mijn hersens heelemaal vrij en helder.”

François, die zoowel tot de École Polytechnique als tot de École Normale toegelaten was, had deze laatste gekozen en was in de wetenschappelijke afdeeling ingeschreven. Zijn vader wilde, dat hij een beroep en wel dat van onderwijzer koos; later zou het hem, wanneer de omstandigheden dat veroorloofden, vrijstaan onafhankelijk te blijven en zich alleen met zijn studies bezig te houden. Hoewel nog heel jong, was hij nu reeds bijna aan het eind van zijn derde jaar en bereidde hij zich voor voor zijn laatste examen, dat thans al zijn tijd in beslag nam. Hij gunde zich geen andere rust dan zijn bezoeken aan Montmartre en lange wandelingen in den Jardin du Luxembourg.

Werktuigelijk ging François ook nu weer naar dien tuin, waarheen Pierre hem al pratend volgde. Het was een lente-zachte Februarimiddag, waarop een bleeke zon op de nog zwarte boomen scheen, een van die eerste mooie dagen, welke de kleine groene puntjes der seringen doen ontspruiten. Het gesprek liep over de École Normale.

“Ik moet je eerlijk zeggen,” zeide Pierre, “dat ik den heelen opzet daarvan niet gelukkig vind. Zeker er wordt uitstekend werk geleverd, en het eenige middel, om goede leerkrachten te vormen, bestaat blijkbaar daarin, dat men ze volpropt met al de vereischte kennis. Maar de verkeerde kant der zaak is, dat niet allen, die voor het onderwijs opgeleid worden, onderwijzers worden. Velen verstrooien zich over de wereld, gaan in de journalistiek, doen niets anders dan de kunst, de litteratuur en de maatschappij bedillen. En die zijn feitelijk onverdragelijk … Nadat zij eerst slechts bij Voltaire gezworen hebben, wenden zij zich eensklaps tot het spiritualisme, de mystiek, de laatste mode der salons. Het dilettantisme en het kosmopolitisme werpen verder nog een duit in het zakje. Sedert het vaste geloof aan de wetenschap iets ruws en onelegants geworden is, meenen zij de professorale toga uit te trekken door een beminlijken twijfel, een opzettelijke onwetendheid, een aangeleerde onnoozelheid te huichelen. Hun grootste vrees is naar de École te ruiken; zij zijn op en top Parijzenaars en nemen, louter om te behagen het air van jonge gedresseerde beren aan. Vandaar die sarcastische pijlen, die zij op de wetenschap afschieten—zij, die er aanspraak op maken, alles te weten en die, omdat het zoo voornaam lijkt, terugkeeren tot het geloof der eenvoudigen, tot het naïeve en lieflijke idealisme van Jezus in de kribbe.”

“Het portret is een beetje overdreven, maar het is zoo, het is zoo,” lachte François.

Verwonderd keek François den priester aan. Deze bemerkte het en hield zich wat in. Maar toch braken zich wanhoop en woede baan, wanneer hij sprak over de intellectueele jeugd, zooals hij zich die in zijn aanval van vertwijfeling voorstelde. Zooals hij daar in die wijk der ellende medelijden gehad had met de van honger stervende arbeiders, zoo was hij hier vol van een smartvolle verachting voor de jonge geesten, aan wie het tegenover de wetenschap aan moed ontbrak, die tot den troost van een leugenachtig spiritualisme, tot de belofte van een eeuwig geluk in den gewenschten, uitbundig geprezen dood terugkeerden. Was de laffe gedachte het leven niet ter wille van het leven zelf, ter wille van den eenvoudigen plicht om te bestaan en zijn krachten te geven, niet de moord zelf op het leven? Steeds vormt het Ik het middelpunt, steeds eischt het individu gelukkig te zijn door zich en in zich. O, hoe wanhopig stemde het hem te moeten gelooven, dat deze jeugd, van wie hij gedroomd had, dat zij dapper de taak aanvaardt de waarheid steeds meer tegemoet te gaan, dat zij het verleden slechts bestudeerde, om zich van haar te bevrijden en de toekomst tegen te gaan, hoe wanhopig stemde het hem te moeten gelooven, dat hij haar uit uitputting en traagheid en misschien ook ten gevolge van de overspanning van een ten einde spoedende, door menschenarbeid overladen eeuw in metaphysische dubbelzinnigheden zou zien terugvallen.

François begon weer te glimlachen.

“Maar u vergist u, als u denkt, dat wij allen op de École zoo zijn … U schijnt slechts de leerlingen der litteraire afdeeling te kennen en u zoudt ongetwijfeld van meening veranderen, als u die der natuurwetenschappelijke afdeeling leerde kennen … Het is ongetwijfeld waar, dat bij onze litteraire kameraden een reactie tegen dat positivisme duidelijk merkbaar is, dat het denkbeeld van het beruchte bankroet der wetenschap hen overal vervolgt. Dat staat natuurlijk in verband met de leermeesters, die zij hebben, met de neo-spiritualisten en dogmatische rhetorici, in wier handen zij gevallen zijn. En nog meer staat het in verband met de mode, met den tijdgeest, die, zooals u zoo juist hebt opgemerkt, wil, dat de wetenschappelijke waarheid plomp, zonder gratie en zoo ruw is, dat zij voornamer en fijner besnaarden geesten onaanneembaar toeschijnt. Een jongmensch, dat op eenigszins hoogere beschaving aanspraak maakt en in den smaak vallen wil, moet noodgedwongen aan den nieuwen geest meedoen.”

“O, de nieuwe geest,” riep Pierre uit met een kreet, dien hij niet onderdrukken kon; “die nieuwe geest bezit niet de onschuld van een vluchtige mode; hij is een taktiek, en een vreeselijke taktiek, een reactie van de duisternis tegen het licht, van de slavernij tegen de bevrijding der geesten, tegen waarheid en gerechtigheid.”

Toen de jonge man hem weer, steeds meer en meer verbaasd aankeek, zweeg hij. De gestalte van monseigneur Martha was voor hem opgerezen en hij meende te hooren, hoe deze op den kansel der Madeleine trachtte Parijs weer te heroveren voor de Roomsche politiek, voor het zoogenaamde neo-Katholicisme, dat van de democratie en van de wetenschap aanvaardde, wat hij zich toeëigenen kon, om het dan te verwoesten. Dat was de beslissende strijd, en al het vergif, dat de jeugd toegediend werd, kwam van daar. Hij wist heel goed, welke pogingen er in de geestelijke kweekscholen gedaan werden, om in de waanzinnige hoop daardoor de nederlaag der wetenschap te bespoedigen, aan deze herleving van het mysticisme mede te werken. Men zeide, dat monseigneur Martha op de Katholieke universiteit almachtig was, dat hij zich meermalen tegen zijn vertrouwde vrienden uitgelaten had, dat er drie generaties geloovige en gedweeë leerlingen noodig waren, voor de Kerk weer de souvereine meesteres van Frankrijk zou kunnen zijn.

“Neen, wat de École Normale betreft, vergist u zich beslist,” zeide François nogmaals. “O, zeker er zijn ongetwijfeld enkele strenggeloovigen. Maar zelfs in de letterkundige afdeeling is de groote meerderheid in den grond der zaak skeptisch aangelegd. Voor alles zijn zij, hoewel zij zich daarover een beetje schamen, onderwijzers en worden daardoor door de ironie van geëmancipeerde schoolvossen aangestoken, en, tot oorspronkelijke scheppingen niet in staat, door een kritischen geest verteerd. Het zou mij dan ook zeer verwonderen, indien uit hun rangen het verwachte genie te voorschijn kwam. Het ware te wenschen, dat een barbaarsch genie, zonder geleerdheid, zonder kritiek, zonder overwegingen en zonder nuances, de eeuw van morgen met bijlslagen onder een mooi opvlammen van waarheid en werkelijkheid opensloeg. En wat mijn kameraden der natuurwetenschappelijke afdeeling betreft, verzeker ik u, dat het neo-Katholicisme, het mysticisme, occultisme en alle mode-phantasmagorieën op hen geen enkelen invloed hebben. Zij denken er niet aan van de wetenschap een godsdienst te maken, blijven zeer toegankelijk voor den twijfel, maar zijn over het algemeen heldere en krachtige, zekerheid wenschende koppen, die zich geheel geven aan het onderzoek, welks arbeid zich over het ontzaglijke veld der menschelijke kennis verbreidt. Zij wankelen niet, zij blijven overtuigde positivisten, revolutionnisten, deterministen, die van de waarneming en de ervaring de slotoverwinning over de wereld verwachten.”

Hij zelf wond zich nu op en liet in de rustige, zonnige lanen van den tuin, aan zijn geloof den vrijen loop.

“Kent men de jeugd ooit? Het maakt je aan het lachen, wanneer men ziet hoe alle soorten van apostelen om haar strijden, haar tot zich trekken, haar wit of zwart of grijs noemen, al naar mate de kleur, die zij voor den triomf van hun denkbeelden noodig hebben. De ware jeugd huist in de scholen, in de laboratoria, in de bibliotheken. Die jeugd werkt, die jeugd brengt de toekomst, niet de zoogenaamde jeugd der vereenigingen, manifesten en dergelijke buitensporigheden. Natuurlijk maakt die veel lawaai, hoort men haar slechts. Maar als u de aanhoudende pogingen, den hartstocht eens kende van de anderen, die, opgesloten in hun taak, zwijgen. Zoo ken ik er veel. Zij gaan mede met de eeuw, hebben geen enkele van haar verwachtingen verworpen en schrijden steeds—vastbesloten het werk van hun voorgangers voort te zetten—de nieuwe eeuw, steeds meer het licht, steeds meer de vrijheid tegemoet. Ga met hen spreken en praat met hen over het bankroet der wetenschap! Zij zullen de schouders ophalen, want zij weten heel goed, dat de wetenschap nooit de harten meer ontvlamd, nooit wonderdadiger veroveringen gemaakt heeft. Laat men de scholen, de laboratoria, de bibliotheken sluiten, den maatschappelijken bodem geheel veranderen—dan eerst zou men kunnen vreezen, dat de dwaling weer opnieuw opschoot, de dwaling, die zoo zoet is voor zwakke harten en bekrompen hersens!”

Maar zijn mooie geestdrift werd onderbroken. Een groote, blonde jonge man bleef staan, om François de hand te drukken. Tot zijn verbazing zag Pierre, dat het de zoon van baron Duvillard, Hyacinthe, was, die hem overigens zeer correct groette. De jongelieden tutoyeerden elkaar.

“Wat, jij in onze oude wijk, in de provincie?”

“Ja, ik moet achter het Observatorium, bij Jonas, zijn … Ken je Jonas niet? God, een geniaal beeldhouwer, die er bijna in geslaagd is de materie te onderdrukken. Hij heeft “De Vrouw” gemodelleerd, niet langer dan een vinger—niets dan ziel, zonder de ignobele gemeenheid der vormen, en toch geheel de Vrouw in haar essentieel symbool. Het is grootsch, het is verpletterend. Het is een schoonheidsleer, een godsdienst!”

François keek hem glimlachend aan. De lange, nauwsluitende jas en zijn opgemaakt gezicht met het gesoigneerde hoofd- en baardhaar gaven hem geheel het uiterlijk van een hermaphrodiet.

“En jij? Ik dacht, dat je aan het werk was, dat je eerstdaags een gedicht zou publiceeren?”

“Och, beste kerel, het scheppen kost mij zooveel moeite! Een vers kost mij weken … Ja, ik heb een klein gedichtje gemaakt: Het einde der Vrouw. Je ziet, dat ik niet zoo exclusief ben als men wel zegt, want ik bewonder Jonas, die nog aan de noodzakelijkheid van het bestaan der Vrouw gelooft. Zijn excuus is die ruwe, materieele beeldhouwkunst! Maar lieve hemel, wat heeft men in de poëzie de Vrouw misbruikt! Wordt het heusch geen tijd haar daaruit te verjagen, om den tempel eindelijk eens te reinigen van het vuil, waarmede haar gebreken als vrouw haar bezoedeld hebben? Hoe walgelijk is die vruchtbaarheid, het moederschap en al wat erbij komt! Als we allen rein en fijngevoelig genoeg waren, om er geen een meer aan te raken, en ze allen onvruchtbaar zouden sterven! Dat zou tenminste een fatsoenlijk einde zijn, niet waar?”

En met deze woorden, die hij op zijn gewone, kwijnende manier gezegd had, ging hij heupwiegelend verder.

“Ken je hem?” vroeg Pierre.

“Ja, ik heb op het Lyceum Condorcet alle klassen met hem doorloopen. Een zeldzaam grappig type! Een luilak, die tot in zijn dassen toe geurde met de millioenen van zijn vader en zich aanstelde, alsof hij er zijn neus voor optrok; hij poseerde als een revolutionnair en zeide, dat hij de bom, die de wereld in de lucht zou laten vliegen, met zijn sigaret aansteken zou. Schopenhauer, Nietzsche, Tolstoi en Ibsen vereenigd! En nu ziet u wat er van hem geworden is: een zieke en een hansworst!”

“Het is een verschrikkelijk symptoom, dat juist de zonen der gelukkigen en bevoorrechten uit verveling en moeheid ten gevolge van de aanstekelijke vernielingswoede, het slooperswerk beginnen willen.”

François was doorgeloopen tot den vijver, waarin kinderen een heel eskader bootjes lieten varen.

“Dit is nu nog maar een hansworst … Maar hoe kan men deze mystiek, deze herleving van het spiritualisme, welke door de doctrinairen van het beruchte bankroet der wetenschap gepropageerd wordt, werkelijk als ernst beschouwen, wanneer men ziet hoe het na een zeer korte evolutie uitloopt op dergelijke dolzinnigheden in litteratuur en kunst? Enkele jaren van invloed zijn voldoende geweest en het satanisme, het occultisme en al dergelijke afdwalingen staan in vollen bloei—afgezien er nog van, dat Sodom en Gomorrha, naar het heet, zich met het nieuwe Rome verzoend hebben. Aan de vruchten kent men den boom, niet waar? En lijkt het niet, alsof wij in plaats van getuige te zijn van een renaissance, van een het verleden terugbrengende, diepe sociale beweging, eenvoudig een voorbijgaande reactie, die door heel wat oorzaken verklaard kan worden, bijwonen? De oude wereld wil niet sterven, verzet zich in een laatste stuiptrekking en schijnt voor een uur weer te herleven, alvorens door den buiten zijn oevers getreden stroom der menschelijke kennis, die steeds grooter golven vormt, meegesleurd te worden. Dat is de toekomst, dat is de nieuwe wereld, die de ware jeugd zal wekken—de jeugd, die werkt, die men niet kent, die men niet hoort … Maar luister eens scherp toe, misschien zult u haar dan hooren, want wij zijn hier in haar woning: de groote stilte, die ons omgeeft, is het gevolg van den vlijt der vele jonge koppen, die zich over de werktafel, het boek, de geschreven bladzijde buigen en de waarheid dagelijks meer veroveren.”

Met een breed gebaar wees François aan de andere zijde van den Jardin du Luxembourg naar de instituten, de lycea, de hoogescholen, de juridische en geneeskundige faculteit, het Institut met zijn vijf Académies, de tallooze bibliotheken en musea, het geheele gebied van den intellectueelen arbeid, dat een reusachtig veld van het onmetelijke Parijs uitmaakt. Pierre was bewogen, werd in zijn loochening geschokt. Hij meende inderdaad uit de schoollokalen, uit de sectiekamers, uit de laboratoria, uit de bibliotheken, uit de studeerkamers zelfs, het geweldige, doffe geluid van den arbeid van al die druk bezige hersens te hooren. Het was niet het stootende, ademlooze sidderen, het lawaaiige dreunen der fabrieken, waarin het handwerk zich aftobt en prikkelt. Maar ook hier klonk de zucht even mat, was de inspanning even moorddadig, de vermoeiende arbeid even vruchtbaar. Was het dus waar, dat de intellectueele jeugd steeds in haar zwijgende smidse staat, geen enkele hoop laat varen, geen verovering opgeeft en in volle vrijheid van geest de waarheid en gerechtigheid van morgen met de onoverwinlijke hamers van waarneming en ervaring smeedt?

François keek op de klok van het Paleis van Justitie.

“Ik ga naar Montmartre. Loopt u nog een eind mede?”

Pierre nam de uitnoodiging aan, te meer daar de jonge man eraan toevoegde, dat hij eerst zijn broer Antoine in het Musée du Louvre halen wilde. Op den helderen namiddag heerschte in de bijna ledige zalen der schilderijengalerij, wanneer men van de lawaaierige en drukke straten komt, een warme, voorname rust. Er waren slechts copiisten, die in een diepe, slechts door de stappen van enkele ronddwalende vreemdelingen gestoorde stilte werkten. Antoine zat aan het einde der Primitievenzaal, waar hij met iets als vrome toewijding een studie naar Mantegna teekende. Maar bij die Primitieven wekte niet de mystiek, de ideëele vlucht, welke de mode erin ziet, zijn hartstocht op, maar integendeel—en wel met volle recht—de oprechtheid der naïeve realisten, hun bescheiden eerbied voor de natuur, de tot in de kleinste bijzonderheid afdalende eerlijkheid, waarmede zij haar zoo getrouw mogelijk trachtten weer te geven. Heele dagen lang was hij ijverig bezig ze te copieeren, ze te bestudeeren, om van hen de strengheid van teekening, de hooge oorspronkelijkheid, die zij aan hun oprechtheid van eerlijke kunstenaars te danken hebben, te leeren kennen.

Pierre werd door de reine vlam, welke dit ingespannen werken in de lichtblauwe oogen van Antoine gebracht had, getroffen. Het gewoonlijk in zacht gepeins verzonken gelaat van den blonden kolos was als verhit en gloeide koortsachtig; het hooge torenvormige voorhoofd, dat hij van zijn vader geërfd had, maakte den indruk van een citadel, die ten volle gewapend was voor de verovering der waarheid en der schoonheid. De geheele geschiedenis van den achttienjarige bestond hierin: in zijn derde studiejaar had een weerzin tegen de klassieke studiën zich van hem meester gemaakt, zijn hartstocht voor het teekenen bracht zijn vader ertoe hem van het lyceum te nemen, waar hij absoluut geen vorderingen maakte; daarna bracht hij zijn dagen door, om zichzelf te zoeken, om de diepe oorspronkelijkheid, waarvan het gebiedende bewustzijn zoo luid in hem gesproken had, in zichzelf los te maken. Hij had het met kopergravures en met etsen geprobeerd. Maar al heel gauw was hij teruggekeerd tot de houtsnede en bleef daarbij, niettegenstaande deze, door de industrieele procedé’s verlaagd, in discrediet geraakt was. Was hier niet een geheele kunst te verbreeden, haar nieuw leven te schenken?

Hij droomde ervan zijn eigen teekeningen in hout te snijden, het brein te zijn, dat leven verwekte, en de hand, die uitvoerde, om nieuwe uitwerkingen van goede kracht van visie en uitdrukking te verkrijgen. Om zijn vader, die eischte, dat al zijn zoons een beroep zouden uitoefenen, te gehoorzamen, verdiende hij zijn dagelijksch brood door houtsneden voor geïllustreerde bladen te maken. Maar naast dit gewone werk had hij reeds eenige platen van buitengewoon krachtige en levensware uitdrukking gemaakt: copieën naar de werkelijkheid, tooneelen uit het dagelijksch leven, die een voor een zoo jongen man verbijsterend meesterschap verrieden.

“Wil je dat in hout snijden?” vroeg François, toen zijn broeder de copie weer in zijn portefeuille deed.

“Neen, dit is maar een les, om bescheiden en eerlijk te leeren zijn. Het tegenwoordige leven is zoo heel anders.”

Op straat begon Antoine tegen Pierre, die voor de broers een steeds grootere sympathie voor zich voelde opkomen, over zijn kunstdroom te spreken.

“De kleur is een macht, een hooge bekoring; men kan zeggen, dat zonder haar geen volkomen levenswaarheid bestaat. Toch—en dat is vreemd—is zij voor mijniet onontbeerlijk. Het is mij alsof ik met wit en zwart het leven even krachtig, even beslist kan weergeven; ik verbeeld mij zelfs, dat ik zulks zonder de bedriegelijke huichelarij der kleuren nog ernstiger, nog essentieeler maken kan … Maar welk een taak. Kijk eens naar het groote Parijs, dat wij doorgaan! Ik zou het tegenwoordige oogenblik in enkele tooneelen, in enkele typen willen vastleggen, die als het ware eeuwige getuigen zouden kunnen zijn. En dat zou ik heel nauwkeurig, heel naïef willen doen, want de uitdrukking der eeuwigheid ligt slechts in de eenvoudige onschuld van den kunstenaar, die deemoedig en geloovig tegenover de altijd mooie natuur staat. Ik heb al een paar figuren, ik zal ze u laten zien … O, als ik het zou durven wagen het hout onmiddellijk met de graveerstift aan te grijpen, zonder eerst mijn hartstocht door het teekenen af te korten!

“Trouwens ik maak alleen maar een potloodschets; de stift kan dan nog gelukkige invallen, onverwachte kracht en fijnheden uitvoeren. Vandaar dat de teekenaar en de graveur in mij slechts één persoon vormen, zoodat ik alleen maar mijn houtsneden uitvoeren kan. De teekeningen zouden, wanneer zij door een ander gesneden werden, zonder leven zijn. Wanneer men een schepper van wezens is, ontspringt het leven evenzeer uit de vingers als uit de hersenen.”

Toen zij met hun drieën beneden aan den Montmartre-heuvel waren en Pierre met de tram naar Neuilly terug wilde gaan, vroeg Antoine, in wien de hartstocht koortsachtig brandde, of hij den beeldhouwer Jahan kende, die voor den Sacré-Cœur werkte. En op Pierre’s ontkennend antwoord:

“Ga u dan een oogenblik mee naar boven; het is een jongen met een groote toekomst. U moet het ontwerp van een engel, dat zij geweigerd hebben, eens zien.”

Toen ook François dezen engel prees, besloot de priester mede te gaan. Jahan had boven op den heuvel, onder de door den bouw van de Basilica noodzakelijk geworden barakken in een loods een atelier kunnen inrichten, dat groot genoeg was om daarin den reusachtigen engel uit te voeren. De drie bezoekers troffen hem aan in zijn werkkiel, terwijl hij toezicht hield op het werk van zijn twee helpers; zij waren bezig het blok steen, waaruit de engel ontstaan moest, af te houwen. Jahan was een flinke kerel van zes-en-dertig jaar met een grooten, bruinen baard, een sterken, gezonden mond en mooie, schitterende oogen. Hij was een geboren Parijzenaar, had de École Normale bezocht en bezat een hartstochtelijk temperament dat hem voortdurend onaangenaamheden bezorgde.

“Zoo, komt u naar mijn engel zien, waarvan men in het aartsbisschoppelijk paleis niets weten wil. Daar is hij.”

Het een meter hooge beeld, waarvan de klei reeds aan het drogen was, bezat een prachtige vlucht met zijn twee groote ontplooide vleugels. Het naakte lichaam was dat van een slanken, krachtigen jongeling met een van vreugde stralend gezicht en scheen als door verrukking omhoog gedragen te worden.

“Zij vonden mijn engel te menschelijk. En waarachtig, zij hadden gelijk … Een engel is het moeilijkste wat men zich denken kan. Je weifelt reeds omtrent het geslacht—is het een jongen of een meisje? Wanneer bovendien het geloof ontbreekt, dan moet men wel het eerste het beste model nemen en copieeren … Toen ik dezen maakte, trachtte ik mij een mooi kind voor te stellen, waaraan vleugels groeiden en dat door de bedwelming der vlucht in de vreugde der zon omhoog gedragen wordt. Dat heeft hun aanstoot gegeven, zij hebben iets godsdienstigers gewild en toen heb ik dat prutswerk daar gemaakt. Je moet toch leven.”

Met een handgebaar wees hij op een andere maquette, aan de uitvoering waarvan zijn helpers juist begonnen waren: een correcten engel met symmetrischen ganzevleugels, een lichaam, dat noch op een jongen, noch op een meisje geleek, en een banalen kop, welke de door de traditie voorgeschreven onnoozele uitdrukking toonde.

“Wat zal ik je zeggen?” ging hij voort. “Die geheele kerkelijke kunst is tot de afschuwelijkste banaliteit vervallen. Men gelooft niet meer, men bouwt kerken als kazernes, men versiert ze met Onze Lieve Heeren en Madonna’s, waar je bij zoudt kunnen huilen. Het genie kan slechts opbloeien uit den socialen bodem; de groote kunstenaar kan slechts voortkomen uit het geloof van zijn eeuw … Zoo ben ik bijvoorbeeld de kleinzoon van een boer uit Beauce en opgegroeid bij mijn vader, die naar Parijs gekomen is, om zich in de rue de la Roquette als marmerbewerker te vestigen. Ik zelf ben ook als werkman begonnen, mijn geheele jeugd heb ik onder het volk doorgebracht, zonder dat ook maar het denkbeeld bij mij opgekomen is een voet in de kerk te zetten … Wat moet er van de kunst worden in een tijd, die niet meer aan God noch aan de schoonheid gelooft? Men moet wel overgaan tot het nieuwe geloof, en dat is het geloof in het leven, in den arbeid, in de vruchtbaarheid, aan alles wat werk en leven schept …”

Hij viel zich plotseling in de rede, om uit te roepen:

“Zeg, ik heb weer aan mijn beeld der Vruchtbaarheid gewerkt en ik ben er aardig tevreden over … Ga eens mee kijken!”

Hij stond er op hen mede te nemen naar zijn eigen atelier, dat hij dicht bij het huisje van Guillaume had. Men kwam er door de rue du Calvaire, die straat, welke eigenlijk niet meer dan een als een ladder zoo steile, eindelooze trap is. De deur kwam uit op een der kleine portalen en na eenige treden bevond men zich in een groot, met maquetten, pleisterbeelden, schetsen overvuld vertrek. Op een voetstuk stond het beeld der Vruchtbaarheid, waaraan hij bezig was, in vochtige doeken gewikkeld. Toen hij deze eraf genomen had, kwam zij te voorschijn met haar krachtig ontwikkelde heupen, haar buik, waaruit een nieuwe wereld ontstaan zou, haar door de voedende en verlossende gezwollen boezem van echtgenoote en moeder.

“Nou,” riep hij met een gelukkig lachje; “ik zou zoo denken, dat het kind van deze niet zoo’n uitgemergeld en verpieterde jongen zal zijn als de bleeke aesthetici van tegenwoordig en dat hij ook niet bang zal zijn eveneens kinderen te maken!”

Maar terwijl Antoine en François het beeld bewonderden, werd Pierre’s aandacht voornamelijk in beslag genomen door een jong meisje, dat de deur van het atelier voor hen geopend had en dadelijk daarna weer met een vermoeid uiterlijk aan een klein tafeltje in een boek was gaan zitten lezen. Het was Lise, Jahan’s twintig jaar jonger zusje, dat na den dood van haar ouders bij haar broer was komen inwonen. Teer en zwak van gezondheid, had zij een zeer zacht gezicht, dat door prachtig aschblond haar omlijst was. Zij kon zich slechts met moeite voortbewegen en ook haar geest was achterlijk en kinderlijk naïef gebleven. In den beginne had haar broeder er veel verdriet over gehad, maar thans was hij aan haar onnoozelheid gewend geraakt, en daar hij zelf steeds druk in de weer en vol nieuwe plannen was, moest hij haar wel wat verwaarloozen, liet hij haar als een vleiend kind in zijn huis leven, zooals zij dat zelf verkoos.

Pierre had opgemerkt met welk een zusterlijke geestdrift Lise Antoine ontving. En onmiddellijk zag hij, hoe deze, toen hij Jahan met zijn Vruchtbaarheid geluk gewenscht had, naast het jonge meisje ging zitten, zich met haar bezig hield, haar allerlei dingen vroeg en naar het boek, dat zij las, keek. Sedert een half jaar was er tusschen hen een reine, teere band ontstaan. Hij kon haar van uit den tuin van zijn vader op de place du Tertre zien door het groote glazen dak van het atelier, waarin zij haar onschuldig meisjesleven leefde. In den beginne had zij zijn belangstelling opgewekt, omdat hij haar daar altijd alleen, bijna verlaten zag; later, toen hij kennis gemaakt had en haar tot zijn verrukking zoo eenvoudig en bekoorlijk gevonden had, was het hartstochtelijke verlangen in hem opgekomen haar door liefde tot begrip en leven te wekken; hij wilde de geest en het hart zijn, die bevruchten. Wat de broeder niet had kunnen zijn, werd hij voor de teere plant, die zoozeer een zorgvuldige verpleging, zon en liefde noodig had. Reeds was hij erin geslaagd haar te leeren lezen, een taak, waarvoor alle onderwijzeressen teruggeschrikt waren. Zij luisterde naar hem, begreep hem. Haar mooie heldere oogen in haar onregelmatig gelaat werden langzamerhand door een vlam van geluk verlevendigd. Dit was het wonder der liefde: de adem van den jongen geliefde, die zijn geheele wezen gaf, schiep de vrouw. Weliswaar bleef haar gezondheid zoo teer, dat men altijd bang was haar in een zachten zucht te zien verscheiden, ook kon zij nog niet loopen, daar haar voeten te zwak waren, maar zij was niet meer de kleine wilde, het kwijnende bloempje van de vorige lente.

Jahan, vol verbazing over het wonder, was naar de jonge lui gekomen.

“Nu, doet je leerling je geen eer aan? Ze leest al heel vloeiend en begrijpt de mooie boeken, die je voor haar medebrengt, heel goed. Waarachtig, ze leest me tegenwoordig iederen avond voor.”

Zij sloeg haar reine oogen op en keek Antoine met een glimlach van oneindige dankbaarheid aan.

“O, ik zal alles kunnen en alles doen, wat hij mij leert.”

Allen begonnen zachtjes te lachen. Toen de drie bezoekers eindelijk afscheid namen, bleef François voor een maquette, die tijdens het drogen gesprongen was, staan.

“Een mislukt ontwerp,” zeide de beeldhouwer. “Ik wou een Barmhartigheid maken, een bestelling voor de een of andere instelling. Maar al mijn zoeken hielp niets—wat ik vond was zoo banaal, dat ik de klei heb laten barsten. Maar toch zal ik er weer aan dienen te beginnen.”

Weer buiten kwam Pierre op het denkbeeld naar de basilica van den Sacré-Cœur te gaan in de hoop daar abbé Rose te zullen aantreffen. Hij ging dus met de twee broers de rue Gabrielle op en kwam weer op de trappen van de rue Chappe, die zij opliepen. Toen zij boven voor de met haar woud van stellingen in den helderen hemel oprijzende kerk kwamen, vonden zij daar Thomas, die door de rue Lamarck, waar hij aan een gieter een opdracht wou gaan geven, van de fabriek huiswaarts ging.

“Wat ben ik blij,” riep hij, die gewoonlijk zoo stil en in zichzelf gekeerd was, stralend van geluk uit. “Ik geloof, dat ik voor onzen kleinen motor … Zeg aan vader, dat alles goed gaat en dat hij gauw beter worden moet.”

Bij den blijden uitroep hadden François en Antoine zich in een plotselinge, gelijktijdige opwelling tegen hun broeder aangedrukt. Zoo stonden zij daar alle drie tot één dappere groep vereenigd; zij hadden slechts één hart, dat bij de gedachte, dat de vader zich verheugen, dat een goede tijding van hen hem helpen zou weer gauw beter te worden, van één vreugde klopte. Pierre, die ze nu kende, ze op hun waarde schatte en van hen begon te houden, werd diep getroffen door deze drie zoo sprekend op elkander gelijkende kolossen, die zoodra hun kinderliefde opvlamde, zich dadelijk nauwer verwant gevoelden en zoo tot een heldhaftige phalanx vereenigd werden.

“U moet tegen hem zeggen, dat wij op hem wachten en dat wij op het eerste teeken bij hem zullen zijn.”

Alle drie drukten den priester krachtig de hand. En toen hij hen nakeek, terwijl zij zich verwijderden in de richting van het huisje, waarvan de tuin boven den muur van de rue Saint-Eleuthère zichtbaar was, meende hij een fijne silhouette, een blank, door de zon bestraald gezichtje onder een zwarte haarkroon te onderscheiden, ongetwijfeld Marie, die naar het uitloopen der seringen keek.

Onbeweeglijk bleef Pierre op dezelfde plaats staan. De meest tegenstrijdige gevoelens en gedachten maakten zich van hem meester en maakten hem zoo verward, dat het hem onmogelijk was duidelijk in zichzelf te lezen. Nu wendde hij zijn blikken naar de stad. Het onmetelijke Parijs ontrolde zich aan zijn voeten, een in het helder rose van den lenteavond teer en doorzichtig Parijs. De eindelooze huizenzee teekende zich heel duidelijk af, zoodat men de schoorsteenen en de kleine, zwarte strepen der ramen bijna bij millioenen tellen kon. In de stille lucht deden de monumenten aan voor anker liggende schepen denken, aan een op zijn vaart tegengehouden eskader, welks lange masten in de afscheid nemende zon glansden. Nooit nog had Pierre de groote afdeelingen van dezen menschelijken oceaan zoo duidelijk onderscheiden: daar beneden in het Oosten en Noorden de werkstad met de snuivende rookende fabrieken; in het Zuiden, aan de overzijde der rivier, de stille, rustige stad der studie en van den geestelijken arbeid. Daarentegen heerschte de hartstocht van den handel overal, voornamelijk echter in het centrum, terwijl in het Westen, in den langzamerhand bloedrooden brand der ondergaande zon, de stad der gelukkigen en der machtigen haar ophooping van paleizen uitbreidde.

Toen voelde Pierre uit de diepte van het Niet, waarin hij door het verlies van zijn geloof gevallen was, de heerlijke frischheid, de nog onduidelijke komst van een nieuw geloof opstijgen. Zelfs zijn verwachtingen zou hij niet onder woorden hebben kunnen brengen, maar reeds te midden van de ruwe fabrieksarbeiders was het handwerk hem ondanks de ellende en de vreeselijke onrechtvaardigheid, waartoe het leidde, als iets noodzakelijks en verlossends toegeschenen. En zie, nu had de intellectueele jeugd, die hij opgegeven had, die generatie van morgen, welke naar zijn meening verdorven in de dwaling en in de vroegere verrotting teruggevallen was, zich vol mannelijke beloften aan hem geopenbaard, vast besloten het werk der ouderen voort te zetten en door de wetenschap de waarheid en de gerechtigheid te veroveren.

V.

Het was nu reeds ruim een groote maand geleden, dat Guillaume naar zijn broer in het kleine huisje van Neuilly gevlucht was. Daar zijn pols zoo goed als genezen was, kon hij al geruimen tijd opstaan en uren lang in den tuin zitten. Maar hoe graag hij ook naar Montmartre terug wilde, om de zijnen weer te zien en zijn werk weer te hervatten, toch deden de berichten uit de couranten hem iederen ochtend zijn vertrek weer uitstellen. De toestand bleef altijd en eeuwig dezelfde: de politie verdacht nu Salvat, had hem een avond bij de Halles gezien, maar dan weer uit het oog verloren: ieder oogenblik kon hij echter gearresteerd worden. Wat zou er gebeuren; zou hij spreken, zouden nieuwe huiszoekingen volgen?

Een week lang hadden de couranten zich met niets anders bezig gehouden dan met de onder de koetspoort van het hôtel Duvillard gevonden priem. Alle Parijsche reporters hadden de fabriek Grandidier bezocht, de arbeiders en den patroon ondervraagd, teekeningen gegeven. Sommigen gingen zelfs zoover persoonlijk op onderzoek uit te gaan, om zelf de hand op den schuldige te leggen. Men maakte grappen over de onmacht der politie; er was een heele hartstocht ontstaan voor deze jacht op dien man; de dagbladen stonden vol van de meest ongerijmde phantasieën, de schrik verdubbelde zich, want er was met nieuwe bommen gedreigd; Parijs zou zeker op een goeden dag in de lucht vliegen. De Voix du Peuple verzon iederen dag een nieuw sensatieverhaal; dreigbrieven, bedreigingen met brandstichting, wijdvertakte en duistere samenzweringen. Nog nooit was een zoo belachelijke besmetting van waanzin over een stad gestreken.

Van af zijn wakker worden wachtte Guillaume met een koortsachtig ongeduld op de couranten en beefde ieder oogenblik bij de gedachte, dat hij de arrestatie van Salvat zou lezen. De heftige campagne, die de bladen voerden, de domheden en de wreedheden, die hij erin vond, brachten hem buiten zichzelf, het wachten maakte hem zenuwachtig-overspannen. Men had het net op goed geluk af over de geheele in den reuk van anarchie staande schaar dichtgetrokken en verdachten gearresteerd—fatsoenlijke arbeiders en bandieten, dwepers en nietsdoeners. Het was het vreemdsoortigste samenraapsel, dat de rechter van instructie Amadieu in een reusachtigen bond van misdadigers trachtte te veranderen. Op een ochtend las Guillaume zelfs zijn naam, die genoemd werd naar aanleiding van een huiszoeking bij een talentvol revolutionnair journalist, met wien hij bevriend was. Zijn hart klopte van woede, maar was het niet voorzichtiger nog wat geduldig in het kleine asyl te Neuilly te blijven, daar de politie ieder uur het huisje in Montmartre kon binnenvallen en hem daar, als zij hem er vond, arresteeren?

In dezen voortdurenden angst leidden de beide broers een stil en eenzaam leven. Ook Pierre vermeed het nu uit te gaan en bleef geheele dagen thuis. Men was nu in het begin Mei; de vroeg ingevallen lente gaf aan den tuin een jeugdige bekoring en een heerlijke warmte. Maar bij voorkeur had Guillaume, zoodra hij op mocht staan, zijn tenten opgeslagen in het vroegere, thans als een groote studeerkamer ingerichte laboratorium van hun vader. Alle papieren en alle boeken van den beroemden scheikundige bevonden zich daar nog, en de zoon had er pas begonnen studies ontdekt, waarvan de opwindende lezing hem van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat boeide; en zonder dat hij het zich bewust was, verdroeg hij alleen door dat werken geduldig zijn vrijwillige opsluiting. Ook Pierre las het grootste gedeelte van den tijd; maar hoe dikwijls sloeg hij zijn oogen van het boek op en ging hij geheel op in zijn overpeinzingen, in het Niet, waarin hij steeds weer terugviel. Uren lang konden de twee broers zonder een woord te zeggen en gehuld in een diepe stilte zoo tegenover elkaar zitten. Toch bezaten zij het bewustzijn, de gelukkige en vertrouwen gevende zekerheid, dat zij samen waren. Dikwijls ontmoetten hun blikken elkaar, wisselden zij een glimlach, zonder er behoefte aan te gevoelen op een andere wijze tegen elkaar te zeggen hoe zij weer van elkaar begonnen te houden. De innige en warme toegenegenheid van vroeger bloeide weer in hen op, zij voelden het oude huis van hun kindsheid, hun vader en hun moeder in de rustige lucht, die zij inademden, herleven. De groote glazen deur zag uit op den tuin en op Parijs, en zij ontwaakten slechts uit hun lezen en hun lang gepeins, om, dikwijls ongerust, te luisteren naar het verre gerommel of het luidere lawaai van de groote stad.

Menigmaal braken zij midden in hun gesprek af, wanneer zij iemand boven hun hoofden heen en weer hoorden loopen. Het was Nicolas Barthès, die, sedert Théophile Morin hem op den avond van den aanslag had medegebracht, zijn onderdak niet meer verlaten had. Hij kwam zelden beneden, waagde zich nauwlijks in den tuin, uit vrees, naar hij zeide, dat men hem uit een huis in de verte, waarvan de ramen door een boomgroep gemaskeerd werden, zien en herkennen zou. Deze angst van den ouden samenzweerder voor de politie kon een glimlachje verwekken, terwijl dat als een ijsbeer heen en weer loopen, dat hardnekkige wandelen van den eeuwige gevangene, die voor de vrijheid van anderen twee derden van zijn leven in alle kerkers van Frankrijk doorgebracht had, aan het kleine huisje iets roerends melancholiek gaf: het was als het ware het rhythme van het goede en mooie, van alles, waarop men hoopte en wat ongetwijfeld nooit komen zou.

Bezoeken kwamen de eenzaamheid der beide broeders slechts weinig storen. Sedert de wond van Guillaume dichttrok, liet ook Bertheroy zich minder zien. Een geregeld bezoeker bleef Théophile Morin, wiens bescheiden belletje om den anderen dag ’s avonds op hetzelfde uur weerklonk. Hij had voor Barthès, ofschoon hij diens denkbeelden niet deelde, de vereering, die men voor een martelaar pleegt te hebben. Hij ging dan altijd een uur naar boven, maar zij praatten blijkbaar niet, want geen geluid drong uit de kamer door. Wanneer hij een oogenblik in het laboratorium kwam zitten, werd Pierre steeds getroffen door zijn uitdrukking van groote moeheid, zijn aschgrauwen baard en haar, zijn uitgeteerd gelaat. Slechts wanneer er over Italië gesproken werd, vlamden zijn oogen als gloeiende kolen op. Op een dag, dat hij den naam van Orlando Prada, den grooten patriot, zijn krijgsmakker in de legendarische expeditie der Duizend hoorde noemen, werd Pierre diep getroffen door den vurigen geestdrift, die op zijn dood gelaat verscheen. Doch dat waren slechts korte bliksemstralen van vreugde, want weldra kwam de oude professor weer te voorschijn, vond men in hem slechts den landgenoot en vriend van Proudhon terug, die later een trouwe leerling van Auguste Comte geworden was. Van Proudhon had hij den opstand van den arme tegen den rijke, den vurigen drang naar een rechtvaardiger verdeeling van den rijkdom gehouden.

Maar de nieuwere tijden vervulden hem met angst en beven; noch zijn doctrines, noch zijn temperament deden hem iets voelen voor de revolutionnaire middelen. Comte had hem een onwankelbare zekerheid in intellectueele wetten gegeven; hij hield zich aan de logica, aan de heldere, besliste methode van het positivisme, dat alle menschelijke kennis als het ware hiërarchiseert, de onnoodige metaphysische methoden verwerpt en overtuigd is, dat het menschelijke, sociale en religieuze probleem slechts door de wetenschap opgelost kan worden. Maar bij al zijn bescheidenheid, bij al zijn geresigneerdheid ontbrak aan dat steeds onwankelbaar gebleven geloof niet een zekere bitterheid, want niets scheen op redelijke wijze zijn doel tegemoet te gaan: Comte zelf was ten slotte bij de meest verwarrende mystiek terecht gekomen, de groote geleerden werden bij het zien der waarheid door angst aangegrepen, de barbaren bedreigden de wereld met een nieuwe macht, wat hem in politiek opzicht bijna reactionnair maakte; bij voorbaat legde hij zich neer bij de komst van een dictator, die wat orde in den chaos brengen zou, opdat de opvoeding der menschheid verder zou kunnen gaan.

Hij herinnerde dan aan de motie, die hij in 1871, toen hij in de Commune zat, voorgesteld had, om de denkbeelden van Fourier toe te passen op de Fransche Republiek, en hij scheen overtuigd te zijn, dat de troepen van Versailles, door de communistische gedachte in het bloed te verstikken, den triomf van het communisme een halve eeuw vertraagd hadden. Wanneer er tegenwoordig sprake was van dansende tafels, dwong hij zich tot een lachje, wat niet belette dat hij in den grond der zaak een verstokte spiritist gebleven was. Sedert hij lid van den gemeenteraad was, zwenkte hij van de eene socialistische secte naar de andere, al naar mate zij min of meer zijn oude overtuiging naderden. Hij ging geheel op in dien drang naar geloof, in die kwellende begeerte naar het goddelijke, die hem, nadat zij hem eerst God uit de kerken hadden doen verjagen, dezen nu in den poot van het een of andere meubelstuk zoeken lieten.

Janzen daarentegen was even stil als zijn vriend Bache praatziek. Nu en dan liet hij een korten zin hooren, maar deze striemde als een geeselslag, was scherp als een dolk. Zijn ideeën en theorieën bleven daardoor dan ook duister, te meer daar de moeite, die het hem kostte zich in het Fransch uit te drukken, alles wat hij zeide, in een soort nevel hulde. Hij kwam uit verre streken—een Rus, een Pool, een Oostenrijker, een Duitscher misschien—niemand kon het met zekerheid zeggen. In ieder geval was hij een vaderlandslooze, die zijn droom van bloedige broederschap overal met zich ronddroeg. Wanneer hij met zijn bleeken, blonden Christuskop een van zijn verschrikkelijke woorden, met een ijzige koude en zonder een gebaar, van zijn lippen vallen liet, sprak daaruit nooit iets anders dan de noodzakelijkheid om de volkeren uit te roeien en de aarde met een jong en beter volk te bezaaien. Bij iedere meening van Bache, dat de arbeid door politieverordeningen aangenaam gemaakt, de phalanstère als een kazerne georganiseerd, de godsdienst als een pantheïstisch of spiritistisch deïsme hervormd moest worden, haalde hij medelijdend zijn schouders op.

Wanneer op sommige avonden Théophile Morin in het huisje te Neuilly Bache en Janzen vond en zij met Guillaume tot heel laat in den nacht bleven praten, zat Pierre in zijn donker hoekje onbeweeglijk naar hen te luisteren, zonder ooit aan de discussies deel te nemen. In den beginne had hij er zich hartstochtelijk voor geïnteresseerd als iemand, die, krankzinnig gemaakt door zijn behoefte aan waarheid en gemarteld door zijn twijfel, erover dacht de balans van de denkbeelden der eeuw op te maken en alle, die tot stand gekomen waren, te bestudeeren, om daaruit den doorloopen weg, de verkregen voordeelen af te leiden. Maar dadelijk bij de eerste stappen schrikte hij terug, toen hij ze alle vier met elkander hoorde redetwisten, zonder dat een verzoening mogelijk was.

Na het echec, dat hij bij zijn onderzoekingen in Lourdes en Rome en bij zijn derde poging in Parijs geleden had begreep hij heel goed, dat het ging om den geest der eeuw, om de nieuwe waarheden, om het onverwachte Evangelie, welks prediking het aangezicht der aarde veranderen zou. Van te veel ijver gloeiend, ging hij van de eene overtuiging over tot de andere en verwierp deze weer, om een derde te omhelzen. In den beginne had hij zich met Théophile Morin positivist, met zijn broer Guillaume evolutionnist en determinist, met Bache humanitair communist gevoeld. Zelfs Janzen, die met een zoo woesten trots aan zijn theoretischen droom van een onbeperkt individualisme geloofde, had hem een oogenblik aangetrokken. Maar dan verloor hij den vasten grond onder zijn voeten, had hij nog slechts de tegenspraken, de chaotische onsamenhangendheid van de voorwaarts schrijdende menschheid gezien. Het was niets meer dan een hoop slakken, waarin hij verdwaalde. Het had niets te beteekenen, dat Fourier uitgegaan was van Saint-Simon: hij verloochende hem toch gedeeltelijk, en terwijl de leer van den laatste zich verstarde tot een soort mystiek sensualisme, scheen de leer van den eerste op een niet te aanvaarden inlijvingscodex uit te loopen.

Op een avond dat Pierre, na het vertrek der drie bezoekers, met Guillaume alleen bleef, zag hij, dat deze met een somber gezicht en langzame passen op en neer liep. Hij bleef spreken zonder er zich rekenschap van te geven, dat zijn broeder alleen nog maar naar hem luisterde. Hij betuigde zijn afkeer tegen den collectivistischen Staat van Mège, tegen den dictatuurstaat, die de oude dienstbaarheid nog strenger invoerde. Alle elkaar wederkeerig verslindende socialistische secten zondigden door de willekeurige organisatie van den arbeid, knechtten den individu ten voordeele van de gemeenschap. Daarom was hij er, daar hij de beide groote stroomingen—de rechten der gemeenschap en de rechten van den individu—in één bedding leiden moest, ten slotte toe gekomen, al zijn vertrouwen in het libertaire communisme, in de anarchie te stellen, de anarchie, waarin, zooals hij droomde, de individu bevrijd worden en zich zonder eenigen dwang tot zijn eigen welzijn en dat van anderen ontwikkelen zou. Bestond de eenige wetenschappelijke theorie niet daarin, dat de eenheden de wereld scheppen, dat de atomen door de aantrekkingskracht, de vurige, vrije liefde, het leven verwekken? De onderdrukkende minderheden verdwenen—niets bleef meer over dan het bevrijde spel der capaciteiten en krachten van ieder afzonderlijk, wat op zijn beurt weer leidde tot de harmonie in het al naar gelang van de behoeften en van de werkzaam zijnde krachten der voorwaarts schrijdende menschheid steeds wisselend evenwicht.

Hij stelde zich een volk voor, dat, beschermd tegen de voogdijschap van den Staat, geen meester en bijna geen wet kende—een gelukkig volk, waarin iedere burger afzonderlijk, nadat hij door de vrijheid de volkomen ontwikkeling van zijn wezen verkregen had, het met zijn buurlieden eens werd over de duizenderlei noodzakelijkheden van het leven. Daaruit ontstond de maatschappij, de in vrijheid samenwerkende associatie, ontstonden honderden verschillende associaties, die het sociale leven regelden, maar overigens steeds veranderlijk waren, tegenstrijdige belangen hadden, ja zelfs vijandig tegenover elkander stonden, want vooruitgang kon slechts geboren worden uit conflict en strijd: de wereld was slechts geschapen door den strijd van tegenover elkaar staande krachten. Dat was alles: geen onderdrukkers, geen rijken en armen meer; het gemeenschappelijke gebied der aarde met haar gereedschappen en haar natuurlijke schatten was aan het volk, den rechtmatigen eigenaar, teruggegeven, die er, wanneer niets abnormaals meer zijn ontwikkeling tegenhield, op gezonde en logische wijze van genieten zou.

Dan eerst zou de wet der liefde werken, zou de menschelijke solidariteit, die onder de menschen de levende vorm van de universeele aantrekkingskracht is, haar geheele kracht ontplooien, hen nader tot elkaar brengen en tot een liefderijke familie vereenigen zien. Het was een mooie, zeer edele en zeer reine droom van de volkomen vrijheid, van den vrijen mensch in de vrije maatschappij, waartoe een hoogstaande geest wel komen moest, wanneer hij de andere, geheel door de tyrannie bevlekte, socialistische secten bestudeerd had. De anarchistische droom is ongetwijfeld de hoogste en verhevenste. Welk een zaligheid zich aan de hoop op deze harmonie van het leven over te geven, dat, aan zijn natuurlijke krachten overgelaten, uit zichzelf het geluk scheppen zou!

Toen Guillaume zweeg, scheen hij als uit een droom te ontwaken. Hij keek Pierre eenigszins angstig aan, want hij was bang te veel gezegd en hem gegriefd te hebben. Pierre was ontroerd en een oogenblik als door hem overwonnen; maar dadelijk daarop voelde hij de tegenspraak, de vreeselijke, alle hoop doodende, praktische tegenspraak in zich oprijzen. Waarom had de harmonie niet in de eerste dagen der wereld, bij de geboorte der maatschappij gewerkt? Hoe had de tyrannie, door de volkeren aan de onderdrukkers over te leveren, kunnen triompheeren? En zelfs wanneer men ooit dat onoplosbare probleem alles te verwoesten, om alles opnieuw te beginnen, verwezenlijken kon—wie kon beloven, dat de aan dezelfde wetten gehoorzamende menschheid niet weer denzelfden weg inslaan zou. Per slot van rekening was zij thans dat, wat het leven van haar gemaakt had, en niets bewees, dat het leven haar niet weer tot hetzelfde maken zou. Opnieuw beginnen, o ja! Maar dan voor iets anders! En was dat andere werkelijk in den mensch—moest men den mensch zelf niet veranderen? Ongetwijfeld gaat het langzaam, moet men lang wachten, wanneer men weer uitging van het punt waar men was, om de begonnen evolutie voort te zetten, maar welk een gevaar schuilt erin, welk een vertraging zal het geven, wanneer men terug gaat, zonder te weten langs welken weg men te midden van den chaos der puinhoopen der verloren tijd inhalen moet!

“Laten we naar bed gaan,” zeide Guillaume glimlachend. “Ik lijk wel dwaas, om je lastig te vallen met al die dingen, welke je niets interesseeren.”

Pierre wilde zijn hart voor zijn broeder openen, den vreeselijken strijd, die daarin gevoerd werd, laten zien, maar nog hield een gevoel van schaamte hem ervan terug: zijn broeder kende van hem niets dan de leugen van den geloovigen, aan zijn geloof trouwen priester. En zonder te antwoorden ging hij naar zijn kamer.

Toen Guillaume en Pierre den volgenden avond in de groote studeerkamer zaten te lezen, kwam tegen tien uur de oude dienstbode zeggen, dat Janzen er met een vriend was. Het was Salvat. Alles ging eenvoudig in zijn werk.

“Hij wou je zien,” legde Janzen aan Guillaume uit. “Ik heb hem ergens ontmoet en toen hij hoorde, dat je gewond was en je ongerust maakte, heeft hij mij gesmeekt hem naar je toe te brengen. Maar voorzichtig is anders.”

“Mijnheer Froment,” zei eindelijk Salvat, die er verlegen en beschroomd bij bleef staan; “het heeft mij vreeselijk gespeten, toen ik hoorde in welke onaangenaamheden ik u gebracht heb, want ik zal nooit vergeten hoe goed u eens voor mij geweest bent, toen alle anderen mij de deur wezen.”

Hij wiegelde op zijn eene been, terwijl hij zijn ouden hoed van zijn eene hand in de andere deed.

“Daarom stond ik erop u zelf te zeggen, dat ik bij die heele geschiedenis maar van één ding berouw heb—n.l. dat ik op een avond, toen u u omkeerde, een patroon van u gestolen heb, want dat kan u in moeilijkheden brengen … En ik wil u ook zweren, dat u van mij niets te vreezen hebt, want ik zal me liever twintigmaal laten guillotineeren dan uw naam te noemen … Dat is alles wat ik u zeggen wilde.”

Hij viel weer in zijn verlegen zwijgen terug, terwijl zijn trouwe honde-oogen, zijn droomerige, liefdevolle oogen met een uitdrukking van eerbiedige vereering op Guillaume rusten bleven. Pierre keek hem nog steeds aan; zijn binnenkomen had een vreeselijk visioen voor zijn geest geroepen: het ongelukkige modiste-loopmeisje, het aardige, blonde kind, dat met een opengereten buik onder de koetspoort van het hôtel Duvillard lag. Was het mogelijk, dat die krankzinnige, die moordenaar daar stond en vochtige oogen had?

Ontroerd was Guillaume den man de hand gaan drukken.

“Ik weet heel goed, Salvat, dat je geen slecht mensch bent; maar wat voor een vreeselijke domheid heb je uitgehaald, beste kerel?”

Zacht en zonder boos te worden glimlachte Salvat.

“O mijnheer Froment, als het nog eens gedaan moest worden, zou ik het doen. U weet, dat het nu eenmaal mijn idee is. En ik zeg u nogmaals—afgezien van u is alles in orde. Ik ben tevreden.”

Hij wilde niet gaan zitten, maar bleef nog een oogenblik met Guillaume staan praten, terwijl Janzen, alsof de zaak hem absoluut niet interesseerde, in een boek met platen zat te bladeren. Hij keurde een dergelijk gevaarlijk en onnoodig bezoek af. Guillaume hoorde Salvat uit omtrent wat hij op den dag van den aanslag gedaan had: zijn dolle jacht dwars door Parijs, hoe hij als een geslagen hond rondgedwaald had met zijn bom, die hij eerst in zijn gereedschapstasch en onder zijn boezeroen gestoken had, hoe de koetspoort van het hôtel Duvillard dicht was, hoe de deurwaarders hem belet hadden de Kamer binnen te gaan, hoe hij er bij den Cirque te laat aan gedacht had een hekatombe van bourgeois te offeren, en hoe hij eindelijk, als aangetrokken door de kracht zelf van het noodlot, weer voor het hôtel Duvillard terechtgekomen was. Zijn gereedschapstasch lag op den bodem der Seine; hij had die er in een plotselingen aanval van haat tegen den arbeid, die zelfs niet in staat was hem en de zijnen te voeden, weggeworpen en alleen de bom gehouden, om tevens zijn handen vrij te hebben.

Dan schilderde hij zijn vlucht, de achter hem de geheele wijk schokkende, vreeselijke ontploffing, zijn vreugde en zijn verbazing, toen hij zich heel ver weg in de rustige straten, waar men nog van niets wist, terugvond. Sedert een maand leefde hij nu op goed geluk af, zonder te weten waar en hoe, dikwijls sliep hij onder den blooten hemel, terwijl hij niet alle dagen te eten had. Op een avond had de kleine Victor Mathis hem honderd sous gegeven. Ook andere kameraden hielpen hem, gaven hem een nacht onderdak en lieten hem bij het minste gevaar vluchten. Tot nu toe had een geheele stille medeplichtigheid hem uit de handen van de politie gehouden. Naar het buitenland vluchten? Hij had er wel een oogenblik over gedacht, maar zijn signalement zou natuurlijk overal zijn en aan de grenzen werd op hem geloerd. Zou hij niet juist door een vlucht zijn arrestatie verhaasten? Parijs was een oceaan, nergens liep hij minder gevaar. Trouwens hij bezat noch den wil noch de energie om te vluchten; hij was op zijn manier een fatalist, die niet de kracht in zich voelde Parijs te verlaten en wachtte in den wakenden droom, die hem medevoerde, tot hij gearresteerd zou worden.

“En heb je het gewaagd je dochter, je kleine Céline nog eens op te zoeken?” vroeg Guillaume.

Salvat maakte een onbestemd gebaar.

“Neen, hoe zou ik? Zij is bij moeder Théodore. Vrouwen komen altijd terecht. En bovendien waarom zou ik het doen? Met mij is het uit, ik kan voor niemand iets doen. Het is alsof ik al dood ben.”

Toch kwamen er tranen in zijn oogen.

“De arme kleine! Ik heb haar, vóór ik weg ging, aan mijn hart gedrukt. Als ik haar en die vrouw niet van honger had zien krepeeren, zou ik misschien nooit op de gedachte gekomen zijn.”

Dan zeide hij eenvoudig, dat hij bereid was om te sterven. Hij had de bom bij baron Duvillard neergelegd, omdat hij hem goed kende en wist, dat hij de rijkste van de bourgeois was, wier voorvaderen bij de Revolutie het volk bedrogen hadden door alle macht en al het geld tot zich te trekken. Thans hielden zij het hardnekkig vast, wilden zelfs de kruimels ervan niet teruggeven. Van de Revolutie maakte hij zich op zijn manier een voorstelling, als ongeletterde, die zijn wijsheid uit couranten en volksvergaderingen gehaald had. Hij sprak over zijn eerlijkheid, terwijl hij met zijn vuist op zijn borst sloeg, en duldde vooral niet, dat er aan zijn moed getwijfeld werd, omdat hij ontvlucht was.

“Ik heb nooit iemand bestolen, en wanneer ik me niet bij de smerissen aangeef, dan doe ik dat alleen, omdat ze best de moeite nemen kunnen mij te zoeken en te arresteeren. Er valt aan mijn schuld niet te twijfelen, sedert ze die priem hebben en mij kennen, dat weet ik heel goed. Maar daarom behoef ik nog niet zoo dom te zijn om alles voor hen voor te kauwen. Wanneer het morgen niet is, zal het overmorgen zijn, want ik begin er genoeg van te krijgen als een dier nagezeten te worden en niet meer te weten hoe ik eigenlijk leef.”

Janzen bladerde niet langer in het plaatjesboek, maar keek hem nieuwsgierig aan. Een minachtend glimlachje speelde in zijn koude oogen.

“Je vecht, je verdedigt je, je doodt de anderen en tracht zelf niet gedood te worden. Dat is de oorlog,” zeide hij in zijn stootend Fransch.

Deze woorden vielen in een diep zwijgen. Salvat scheen het niet gehoord te hebben en stamelde in groote phrases zijn geloofsbelijdenis: hij had zijn leven geofferd, om de ellende eindelijk te doen ophouden; hij had het voorbeeld gegeven van een groote daad en was er zeker van, dat andere helden daaruit ontstaan zouden, om den strijd voort te zetten. Maar bij deze volkomen oprechte overtuiging, bij zijn verlossingsdweperij kwam ook de trots martelaar, de vreugde een der stralende en vereerde heiligen der ontstaande revolutionnaire Kerk te zijn.

Zooals hij gekomen was, ging hij weg. Toen Janzen hem medegenomen had, was het alsof de macht, die hem gebracht had, hem ook weer medevoerde in het onbekende donker. Toen eerst stond Pierre op en zette de groote glazen deur van de studeerkamer wijd open; hij had het benauwd en voelde een plotselinge behoefte aan versche lucht. Het was een zachte, maanlooze nacht, waarin slechts het wegstervend lawaai van het aan den rand van den horizont daar in de verte onzichtbaar liggende Parijs opsteeg.

Zooals hij meestal deed, begon Guillaume langzaam op en neer te loopen. Dan sprak hij weer, opnieuw vergetend, dat zijn broeder een priester was.

“De arme kerel! Hoe begrijpelijk is die daad van geweld en hoop. Zijn geheel verleden van nutteloozen arbeid en steeds toegenomen ellende is er een maar al te goede verklaring voor. Daarbij komt nog de besmettelijke kracht der idee, daarbij komen nog de volksvergaderingen, waarin men zich met woorden bedwelmt, de geheime onder-onsjes met kameraden, waarin het geloof versterkt en de geest verhit wordt … Dit is er een, dien ik goed meen te kennen. Hij is een goed, sober, braaf werkman. De ongerechtigheid heeft hem altijd verbitterd. Langzamerhand heeft het verlangen naar geluk hem alle begrip der werkelijkheid doen verliezen, waarvan hij ten slotte een afschuw gekregen heeft. Is het dan zoo te verwonderen, dat hij in den droom leeft, een droom van verlossing, die tot moord en brandstichting overgaat?… Toen ik hem daareven zoo voor mij zag staan, meende ik een van de eerste Christelijke slaven van het oude Rome te zien. De geheele onrechtvaardigheid van de oude heidensche maatschappij, die in doodsstrijd worstelde onder het bederf van geld en ontucht, drukte op zijn schouders, verpletterde hem. Hij keerde uit de katakomben terug, waar hij te midden van het donker met zijn ongelukkige broeders woorden van bevrijding en verlossing gefluisterd had. De dorst naar het martelaarschap verteerde hem, hij spuwde de Caesars in het gelaat, beleedigde de goden, opdat eindelijk de aëra van Jezus een einde maken zou aan de slavernij. En hij was bereid onder de tanden van de wilde dieren te sterven.”

Pierre antwoordde niet dadelijk. Reeds vroeger was het hem opgevallen, dat de geheime propaganda, het militante dogma der anarchisten een zekere overeenkomst met die van de Christelijke sectarissen in den beginne bezaten. Dezen zoowel als genen, wierpen zich in een nieuwe hoop, opdat eindelijk gerechtigheid ten deel vallen zou aan de nederigen. Het heidendom verdween ten gevolge van de uitputting der zinnen, ten gevolge van het vurige verlangen naar iets anders, naar een rein en hooger staand geloof. Deze droom van het Christelijk paradijs, dat het hiernamaals met al zijn compensaties opende, was de nieuwe hoop, die volgens de regelmaat der geschiedenis op het voor haar bestemde uur kwam. Thans, nu achttien eeuwen die hoop uitgeput hadden, nu de lange proef genomen en de eeuwige slaaf gedupeerd was, geeft de arbeider zich weer over aan een nieuwe hoop, om het geluk op deze wereld terug te brengen, want de wetenschap bewijst hem iederen dag meer, dat het geluk in het hiernamaals een leugen is. Laat dit ook weer een illusie zijn, maar moge zij jong en levend in den zin van de veroverde waarheid hernieuwd worden! Het is niets dan de eeuwige strijd van den arme en den rijke, de eeuwige strijdvraag of er meer gerechtigheid en minder lijden heerschen zal. Maar de samenzwering der ongelukkigen is nog altijd dezelfde, nog steeds is het dezelfde mystieke exaltatie, dezelfde waanzin, om een voorbeeld te geven en bloed te vergieten.

“Maar,” zeide Pierre eindelijk, “je kan het toch niet eens zijn met die bandieten, met die moordenaars, wier woeste gewelddaden mij met afgrijzen vervullen. Gisteren heb ik je laten praten, toen droomde je van een groot, gelukkig volk, van de ideale anarchie, waarin ieder wezen bij de vrijheid van alle wezens vrij zal zijn. Maar welk een gruwel, wat komen je verstand en je hart in opstand, wanneer de theorie in propaganda en praktische uitvoering overgaat. Wanneer jij het denkend brein bent—wat voor een vervloekte hand is er dan werkzaam, die kinderen doodt, deuren inslaat en laden leegt? Neem jij die verantwoordelijkheid op je? Komt de mensch, die je bent, je opvoeding, je beschaving, het geheele sociale atavisme, dat je achter je hebt, niet in verzet bij de gedachte aan stelen en moorden?”

Guillaume bleef plotseling rillend voor zijn broeder stilstaan.

“Stelen, moorden! Neen, neen, dat weet ik niet! Maar we moeten alles zeggen, de geschiedenis van het vreeselijk uur, dat wij thans doormaken, vaststellen. Een waanzin waait door de wereld, maar de waarheid is, dat men al het noodige gedaan heeft, om dezen in het leven te roepen. De eerste, nog onschuldige daden der anarchisten zijn zoo gewelddadig onderdrukt, de politie heeft de enkele arme drommels, die in haar handen gevallen zijn, zóó ruw mishandeld, dat langzamerhand een ware woede ontstaan is, die tot de vreeselijke vergeldingsmaatregelen aanleiding gegeven heeft. Denk toch eens aan de vaders, die mishandeld en in de gevangenis geworpen werden, aan de moeders, aan de kinderen, die op de straat van honger crepeerden, aan de krankzinnige wrekers, die iedere op het schavot stervende anarchist achterlaat. De vrees der bourgeois heeft de woestheid der anarchisten in het leven geroepen. En weet je eigenlijk wel, waaruit de misdaad van een Salvat bestaat? Uit onze eeuwen van schaamteloosheid en zonde, uit alles, wat de volkeren geleden hebben, uit al de tegenwoordige kankergezwellen, die ons wegvreten, uit de genotzucht, uit de minachting voor den zwakke, uit het vreeselijke schouwspel, dat onze verrottende maatschappij biedt.”

Hij begon weer op en neer te loopen en ging, als dacht hij hardop, voort:

“Wat heb ik moeten denken, welk een strijd heb ik moeten voeren, om te komen waar ik nu ben! Ik was slechts een positivist, een geleerde, die geheel en al opging in waarnemingen en proeven, die niets toegaf dan het vastgestelde feit. In wetenschappelijk en sociaal opzicht aanvaardde ik de eenvoudige en langzame evolutie, die de menschheid verwekt, zooals het menschelijk leven zelf verwekt is. Toen echter moest ik—eerst in de geschiedenis van den aardbol, dan in die van de maatschappijen—aan den vulkaan, aan den plotselingen ondergang, aan de plotselinge uitbarsting, die iedere geologische phase, iedere historische periode gekenmerkt hebben, een plaats inruimen. Zoo komt men tot de meening, dat nooit een vooruitgang tot stand gekomen is zonder hulp van verschrikkelijke catastrophes. Iedere schrede voorwaarts heeft milliarden levens gekost. Onze beperkte gerechtigheid komt daartegen op; wij noemen de natuur een wreede moeder, maar indien wij den vulkaan ook al niet verontschuldigen, zoo moeten wij hem toch, wanneer hij uitbarst, als van te voren gewaarschuwde geleerden aanvaarden … En dan, en dan … Ach, misschien ben ik ook maar een dweper als de anderen … Ik heb mijn ideeën.”

En met een breed gebaar gaf hij te kennen welk een sociale droomer hij was naast den nauwgezetten, methodischen, tegenover de natuurverschijnselen zoo bescheiden geleerde. Voortdurend was zijn streven erop gericht alles tot de wetenschap terug te brengen en het was zijn grootste verdriet, dat hij niet wetenschappelijk in de natuur de gelijkheid, ja zelfs niet de rechtvaardigheid vaststellen kon, waarnaar hij in maatschappelijk opzicht zoo verlangde. Hij was er wanhopig onder, dat het hem niet gelukken mocht de logica van den man der wetenschap in overeenstemming te brengen met de liefde van den hersenschimmigen apostel. In dat dualisme speelde zijn groot verstand een rol op zichzelf, terwijl zijn kinderhart van algemeen geluk, van broederschap tusschen louter gelukkige volkeren droomde: voortaan zouden er geen misdaden, geen oorlog meer zijn, was de liefde slechts de eenige meesteres der wereld.

Maar Pierre, die naast het groote, open raam was blijven staan en zijn blik gericht hield op Parijs, waaruit het laatste grommen van Parijs opsteeg, werd door den overstroomenden vloed van zijn twijfel in zijn wanhoop medegesleept. Deze broeder, die met zijn geloof van geleerde en apostel in zijn huis gevallen was, deze mannen, die van alle einden der moderne gedachtenwereld hier samen kwamen, om te redetwisten, deze Salvat eindelijk, die de verbittering van zijn waanzinnige daad met zich bracht—dat alles was te veel. Hij, die tot dusverre zwijgend en zonder een gebaar te maken naar allen geluisterd had, die zich voor zijn broeder schuil gehouden had achter de mooie leugen van den priester, hij voelde plotseling zoo’n bitterheid in zijn hart opstijgen, dat hij niet langer liegen kon. En in een uitbarsting van woede en smart ontsnapte zijn geheim hem.

“O Guillaume, jij mag je droom hebben, ik heb mijn wond in mijn borst, die mij weggevreten en bijna leeggehaald heeft. Maar zie je dan niet in, dat je anarchie, dat je droom naar een rechtvaardig geluk, waaraan Salvat met bomaanslagen werkt, de finale waanzin is, die alles wegvagen zal? De eeuw eindigt te midden van puinhoopen. Nu reeds meer dan een maand luister ik naar jullie. Fourier heeft Saint-Simon ten gronde gericht, Proudhon en Comte rukken Fourier om; allen hoopen contradicties en onsamenhangendheden op, laten niets achter dan een chaos, waarin men geen keuze durft doen. Socialistische secten schieten als paddestoelen op; de verstandigste daarvan voeren tot een dictatuur, de andere zijn slechts gevaarlijke hersenschimmen. En aan het einde van zulk een ideeënstorm staat niets dan anarchie, jouw aanslagen, die de oude wereld den genadeslag geven en haar in stof veranderen willen.

“… O, ik heb deze laatste catastrophe, dezen broedermoordwaanzin, den onvermijdelijken klassenstrijd, waarin onze beschaving ten ondergaan moest, voorzien en verwacht. Alles wees erop: de ellende in de laagste, de zelfzucht in de hoogste klassen, het kraken van het oude menschelijke gebouw, dat op het punt staat onder te veel misdaden en al te veel lijden in te storten. Toen ik naar Lourdes ging, wilde ik zien, of de God der eenvoudigen het verwachte wonder wrochten, het geloof der eerste tijden aan het volk, dat door zooveel lijden in opstand kwam, teruggeven zou. En naar Rome ben ik gegaan in de naïeve hoop, daar den nieuwen, voor onze democratieën noodigen godsdienst te vinden, den eenigen godsdienst, die de wereld vrede geven kan door haar terug te brengen tot de broederschap der gouden eeuw. Maar hoe onnoozel was dat van mij! Zoowel hier als daar raakte ik slechts den bodem van het Niets aan.

“Daar, waar ik zoo vurig het heil der anderen hoopte te vinden, verloor ik mijzelf slechts—als een schip, dat recht in het water zinkt, en waarvan nooit meer een wrak teruggevonden wordt. Eén band slechts verbond mij nog met de menschen, de naastenliefde, die op den langen duur misschien de wonden verbinden, heelen en genezen kon; maar dat laatste ankertouw is nu ook doorgesneden: de naastenliefde staat nutteloos en belachelijk tegenover de hooge, verheven gerechtigheid, die zich opdringt, die voortaan niemand meer tegenhouden kan. Het is uit—ik ben in mijn afschuwelijke innerlijke troosteloosheid niets meer dan asch, dan een ledig graf. Ik geloof aan niets, niets, aan niets meer.”

Pierre had zich hoog opgericht en breidde zijn beide armen uit, als wilde hij het Niet van zijn hart en van zijn brein daaruit laten vallen. En tot in het diepst van zijn hart geschokt bij het zien van dezen woesten loochenaar, van dezen wanhopigen nihilist, die zich aan hem openbaarde, ging Guillaume huiverend naar hem toe.

“Wat zeg je daar, Pierre? Jij, dien ik voor zoo vast en zoo rustig in je geloof hield! Jij, de bewonderenswaardige priester, de heilige, dien deze heele parochie vereert? Ik wilde niet met jou over je geloof spreken—en jij loochent alles, gelooft aan niets!”

Weer breidde Pierre langzaam zijn armen in het ledige uit.

“Er bestaat niets—ik heb getracht alles te weten en niets anders gevonden dan de vreeselijke smart over dit Niet, dat mij verplettert.”

“O, Pierre, wat heb je moeten lijden! Droogt de godsdienst dan nog meer uit dan de wetenschap, dat ze je zoo verwoest, terwijl ik nog een oude dwaas vol hersenschimmen gebleven ben!”

Hij nam Pierre’s beide handen en drukte die. Een angstig makend medelijden greep hem aan bij het zien van deze groote, vreeselijke gestalte—deze gestalte van den ongeloovigen priester, die over het geloof van anderen waakte, die in de hautaine droefheid over zijn leugen kuisch en eerlijk zijn dienst waarnam. Hoe moest die leugen op zijn geweten drukken, dat hij op die wijze, in zoo’n débâcle van zijn geheele wezen biechtte! Een maand geleden zou hij het in de dorheid van zijn hoogmoedige eenzaamheid nooit gedaan hebben! Heel veel dingen moesten hem door zijn ziel gegaan zijn, dat hij zoo spreken kon: zijn verzoening met zijn broeder, de gesprekken, die hij iederen avond hoorde, het vreeselijke drama, waarin hij betrokken was, zijn gedachte over den met de ellende strijdenden arbeid, de onbewuste hoop, die de intellectueele jeugd van morgen weer in zijn hart opwekte. Huiverde in zijn overdreven loochening niet een nieuw geloof?

Guillaume begreep hem; hij voelde, dat in zijn broeder, nu hij zijn lang volgehouden, grimmig zwijgen varen liet, een onbevredigde teederheid trilde. Hij liet hem dicht bij het raam op een stoel plaats nemen en ging dan, zonder zijn handen los te laten, naast hem zitten.

“Maar ik wil niet, dat je lijdt, beste jongen. Ik laat je niet meer alleen, ik zal voor je zorgen. Want ik ken je veel beter dan jij jezelf kent. Jij hebt nooit anders geleden dan door den strijd van je hart tegen je rede, en op den dag, dat tusschen deze beide vrede zal zijn, dat je liefhebben zult wat je begrijpt, zal je lijden ophouden.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings