Note 1 — TWEEDE BOEK (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
“Ik heb er verscheidene zoo gekend,” ging Pierre, die zich opwond en in geestdrift geraakte, voort. “En bij allen heb ik dien angst teruggevonden, om voor onnoozel aangezien te worden, een angst, die uitloopt op de reactie tegen alle inspanning, tegen al het werk der eeuw: tot afkeer van de vrijheid, tot wantrouwen tegenover de wetenschap, tot het loochenen der toekomst. Mijnheer Homais1 is voor hen het toppunt van het belachelijke; de vrees, om op hem te gelijken drijft hen ertoe niets te gelooven of slechts het ongelooflijke te gelooven. Nu is mijnheer Homais ongetwijfeld belachelijk, maar hij blijft tenminste op vasten bodem. En waarom zou hij den eerbied voor het oordeel der wereld niet trotseeren en zelfs waarheden als koeien zeggen, terwijl zooveel anderen dien trotseeren—ja zich zelfs daarop beroemen—door neer te knielen voor het absurde? Al is het banaal geworden, om te zeggen, dat tweemaal twee vier is, daarom blijft het toch vier. En dat te zeggen is nog minder dwaas en krankzinnig dan bijvoorbeeld aan de wonderen van Lourdes gelooven.”