TWEEDE BOEK
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
Het huisje in de afgelegen straat van Neuilly, waar na het invallen van de schemering niemand meer door kwam, sliep op dat uur in den donkeren nacht. De luiken waren gesloten, geen lichtstraal drong naar buiten door en het was als voelde men den diepen vrede van den daarachter gelegen ledigen, dooden, door de winterkoude verstarden tuin.
Terwijl Pierre in het rijtuig met zijn gewonden broeder naar huis reed, was hij meermalen bang Guillaume in onmacht te zien vallen. In elkaar gedoken leunde hij achterover en sprak geen woord. Het was een vreeselijke stilte, zoo vol vragen en antwoorden, dat zij het nutteloos en pijnlijk vonden ze te stellen of te geven. Toch maakte de priester zich ongerust over de wond en vroeg hij zich af welken dokter hij zou moeten halen; hij kon slechts een vertrouwbaren man in het geheim nemen, daar hij zag hoe gaarne de gewonde verdwijnen wilde en zich verborg.
Tot den Arc de Triomphe werd geen woord gesproken. Toen eerst scheen Guillaume uit zijn verdooving te ontwaken en zeide:
“En denk erom, Pierre, geen dokter. Wij zullen dat samen wel in orde brengen.”
Pierre wilde zich daartegen verzetten, doch hij maakte slechts een eenvoudig gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij het wel zou doen, als hij het noodig achtte. Waartoe diende het op dat oogenblik te gaan redetwisten? Maar zijn ongerustheid was toegenomen, en het was een groote verlichting voor hem toen het rijtuig eindelijk voor het huisje stilhield en hij zijn broer zonder bijzondere zwakheid zag uitstappen. Vlug betaalde hij den koetsier en was erg blij, dat niemand, zelfs niet een van zijn buurlieden, op straat was. Dan maakte hij de deur met zijn sleutel open en steunde den gewonde, om hem de drie treden van het bordes op te helpen.
In de vestibule brandde een klein nachtlichtje. Onmiddellijk was, bij het opengaan van de deur, de oude dienstbode Sophie uit de keuken gekomen. Thans zestig jaar, mager en gerimpeld, was zij reeds meer dan dertig jaar in het huis, daar zij eerst in dienst geweest was bij de moeder, alvorens in dien van den zoon over te gaan. Zij kende Guillaume, dien zij als jongen man gezien had. Ongetwijfeld herkende zij hem, hoewel hij in geen tien jaar den drempel overschreden had. Maar zij toonde geen enkele verbazing, scheen dien plotselingen terugkeer heel natuurlijk te vinden in het gewone discrete zwijgen, dat zij zich eigen gemaakt had. Zij leefde geheel in afzondering en sprak slechts, wanneer de dienst dat noodzakelijk maakte. En ook nu zeide zij slechts:
“Mijnheer de abbé, mijnheer Bertheroy zit al een kwartier in uw studeerkamer op u te wachten.”
“Zoo, komt Bertheroy nog altijd hier?” vroeg Guillaume, wiens gezicht weer opklaarde. “Nu, hem wil ik wel zien; hij is een van de beste en meest vrijzinnige geesten van den tegenwoordigen tijd. Hij is mijn meester gebleven.”
Bertheroy, vroeger de vriend van hun vader, den beroemden scheikundige Michel Froment, was nu op zijn beurt een der corypheeën van Frankrijk, aan wien de scheikunde den buitengewonen vooruitgang te danken had, welke haar tot de moederwetenschap, die bezig is het aangezicht der aarde te hernieuwen, gemaakt hebben. Hoewel lid van het Institut en overladen met allerlei eere-ambten, had hij toch voor Pierre een groote genegenheid behouden en kwam hij hem dikwijls voor het diner opzoeken, om, zooals hij zeide, wat afleiding te hebben.
“Heb je hem in mijn studeerkamer gelaten? Prachtig! We zullen naar hem toegaan,” zeide Pierre tegen de dienstbode. “Breng een lamp in mijn slaapkamer en maak mijn bed op, dan kan mijn broeder dadelijk gaan liggen.”
Terwijl Sophie, zonder eenige verbazing te toonen of een woord te zeggen, het bevel uitvoerde, gingen de twee broeders naar het vroegere laboratorium van hun vader, waarvan Pierre een groote studeerkamer gemaakt had. Toen de geleerde hen samen, de een steunend op den ander, binnenkomen zag, ontving hij hen met een uitroep van blijde verbazing.
“Wat, samen!… Beste jongens, jullie kondt me geen grooter pleizier doen. Ik heb zoo dikwijls dat nare misverstand tusschen jullie betreurd!”
Hij was een groote, magere zeventiger met hoekige trekken. De geelachtig geworden huid kleefde als een stuk perkament op de vooruitspringende juk- en wangbeenderen. Hij had absoluut niets imponeerends, zag er eerder als een oude kruidenhandelaar uit. Maar zijn voorhoofd was mooi, breed en glad en onder zijn grijs verwilderd haar brandden nog een paar vlammenoogen.
Toen hij de verbonden hand zag, riep hij uit:
“Wat, ben je gewond, Guillaume?”
Pierre bleef zwijgen en liet het aan zijn broer over de geschiedenis te vertellen, zooals hij dat zelf wilde. Maar deze had begrepen, dat hij, eenvoudig, de waarheid bekennen moest, met weglating van de bijzondere omstandigheden.
“Ja, bij een ontploffing. Ik geloof, dat ik mijn pols gebroken heb.”
Bertheroy keek hem aan, zag, dat zijn snor verbrand was, dat zijn oogen verschrikt stonden. Hij werd ernstig, maar trachtte toch niet door vragen tot vertrouwelijkheden te dwingen.
“Kom, kom, een ontploffing … Mag ik de wond eens zien? Zooals je weet, heb ik, voor ik mij door de scheikunde verleiden liet, in de medicijnen gestudeerd en ben ik nog zoo’n beetje chirurg.”
“Ja, ja, kijk u eens naar de wond!” riep Pierre, niet in staat dien uitroep te bedwingen. “Ik maak me zoo ongerust … Het is een onverhoopt geluk, dat u hier bent.”
De geleerde keek hem aan en voelde den ernst der omstandigheden, die men voor hem verborgen hield. En toen Guillaume glimlachend, maar verbleekend van zwakheid, toestemde, wilde hij eerst, dat hij naar bed ging. De dienstbode kwam zeggen, dat het bed opgemaakt was, en allen gingen in de kamer ernaast, waar de gewonde ontkleed en op bed gelegd werd.
“Licht mij wat bij, Pierre, en laat Sophie een kom met water en wat linnen halen!”
En nadat hij zacht de wond gewasschen had:
“Alle duivels!… De pols is niet gebroken, maar het ziet er toch leelijk uit. Ik ben bang, dat het been gekwetst is. Er zijn spijkers doorgegaan, niet waar.”
Daar hij geen antwoord kreeg, zweeg hij verder. Zijn verwondering werd grooter, hij begon aandachtig de hand, die zwart geworden was door de vlam, te onderzoeken, en rook zelfs ten slotte aan de mouw van zijn hemd, om zich beter rekenschap te kunnen geven. Blijkbaar herkende hij de uitwerking van een dier nieuwe ontploffingsmiddelen, die hij zelf zoo grondig bestudeerd en, om zoo te zeggen, geschapen had. Maar toch moest deze hem op een dwaalspoor brengen, want er waren sporen voorhanden, die hem onbekend waren.
“Heb je je,” vroeg hij eindelijk, medegesleept door zijn geleerdennieuwsgierigheid, “in een laboratorium-ontploffing zoo mooi toegetakeld?… Wat voor een gevaarlijke springstof was je aan het fabriceeren?”
Sedert Guillaume hem zijn wond zoo zag bestudeeren, voelde hij, ondanks zijn pijn, een toenemende onrust, alsof het echte geheim, dat hij bewaren wilde, gelegen was in die springstof, de eerste proef waarmede hem zoo wreed getroffen had.
“Ik verzoek u dringend, meester, mij niets verder te vragen. Ik kan u toch niet antwoorden … Ik weet, dat u edel genoeg bent, om mij te verplegen en toch nog van mij te houden, zonder mij de biecht af te nemen.”
“Maar natuurlijk, beste jongen,” riep Bertheroy uit, “bewaar jij je geheim maar! Wanneer je een ontdekking gedaan hebt, behoort die aan jou toe, en ik weet dat je het beste gebruik daarvan zult maken. Bovendien weet je heel goed, dat ik te zeer bezield ben door den hartstocht voor de waarheid en het mijn principe is nooit de daden van anderen—waarin zij ook bestaan mogen—te beoordeelen, voordat ik alle gronden daarvoor ken.”
Een breed gebaar gaf zijn groote verdraagzaamheid, zijn verheven, van onwetendheid en bijgeloovigheid bevrijden geest te kennen, die van hem, ondanks de vele ordeteekenen, welke zijn borst versierden, ondanks de universitaire en academische titels als officieel geleerde, tot den vermetelsten, meest vrijen, en zooals hij zeide, alleen door waarheidsliefde bezielden mensch maakte.
Hij had de noodige instrumenten niet bij zich en stelde er zich mede tevreden de wond zorgvuldig te verbinden, nadat hij zich vergewist had, dat er geen stukje scherf in het vleesch was blijven steken. Eindelijk ging hij weg met de belofte den volgenden ochtend vroeg terug te komen, en toen de priester hem uitliet, stelde hij hem gerust: als het been niet te diep beleedigd was, zou alles wel goed afloopen.
Toen Pierre weer bij het bed terugkwam, vond hij zijn broer nog in zittende houding; uit zijn verlangen aan de zijnen te schrijven, teneinde hen gerust te stellen, putte hij nog eenige kracht. De priester moest, nadat hij hem papier en potlood gegeven had, de lamp weer nemen en hem bijlichten. Gelukkig kon Guillaume zijn rechterhand gebruiken en aan madame Leroi, zijn schoonmoeder, die na den dood van zijn vrouw bij hem gebleven was en haar drie kleinzoons opgevoed had, schrijven, dat hij niet thuis komen zou. Bovendien woonde, zooals Pierre wist, in het huis, een jong meisje van vijf of zes-en-twintig jaar, de dochter van een vroegeren vriend van Guillaume, die haar na den dood van haar vader opgenomen had en, ondanks het groote verschil van leeftijd, binnenkort met haar trouwen wilde. Doch dit waren voor den priester allemaal onduidelijke, verwarde zaken, en hij had zich steeds gehouden, alsof hij van die verhouding niets wist.
“Wou je, dat die brief dadelijk naar Montmartre werd gebracht?”
“Ja, dadelijk. Het is nou even zeven uur, dan kunnen ze hem vóór achten hebben … Je stuurt toch zeker een vertrouwd man?”
“Het beste zal zijn, dat Sophie met een rijtuig gaat. Met haar kan je gerust zijn, zij zal niet praten … Ik zal het dadelijk even in orde maken.”
Sophie werd geroepen en begreep dadelijk alles; zij beloofde, als men haar uitvroeg, te zullen zeggen, dat mijnheer Guillaume dien nacht bij zijn broer zou slapen, maar dat zij niet wist waarom. En zonder zelfs een opmerking te maken, ging zij weg met de woorden:
“Het eten is klaar, mijnheer de abbé; u behoeft de soep en den ragout maar van het vuur te nemen.”
Maar toen Pierre ditmaal weer naast het bed van zijn broer kwam zitten, lag Guillaume, met twee kussens onder zijn hoofd, zeer moe en bleek op zijn rug. Hij had koorts. Op den hoek van een tafel brandde de lamp met een zacht licht; de stilte was zóó diep, dat men de groote klok in de eetkamer ernaast kon hooren tikken. Een oogenblik omhulde die groote vrede de beide broeders, die na een scheiding van zoovele jaren, eindelijk weer vereenigd en alleen waren. Dan strekte de gewonde zijn gezonde hand uit de dekens; de priester nam die en drukte haar liefdevol in de zijne. En deze druk hield aan; de beide handen bleven broederlijk in elkaar rusten.
“Neem me niet kwalijk, beste Pierre, dat ik hier zoo binnen kom vallen,” prevelde Guillaume zacht. “Ik leg beslag op je huis, neem je bed in beslag, belet je te eten.”
“Kom, praat nu niet meer en vermoei je niet verder,” viel Pierre hem in de rede. “Waar wil je anders naar toe dan naar hier, wanneer je in moeilijkheden bent?”
De koortsachtige hand van den gewonde drukte die van Pierre nog warmer, terwijl zijn oogen vochtig werden.
“Ik dank je Pierre. Je bent nog precies de oude, wees zacht en liefderijk als vroeger. Je weet niet hoe goed me dat op dit oogenblik doet.”
Nu kwam ook voor de oogen van den priester een tranensluier. Te midden van deze groote kalmte, van deze op zoovele heftige opwindingen volgende stilte, was het voor die beide broeders een onuitsprekelijke bekoring zoo in het huis van hun jeugd terug te zijn. Hier waren hun vader en moeder gestorven—hun vader op tragische wijze door een ontploffing in zijn laboratorium, hun moeder vroom als een echte heilige. Hier in dit zelfde bed had Guillaume Pierre verpleegd, toen deze, na den dood van zijn moeder zelf bijna gestorven was; en nu verpleegde Pierre Guillaume. Alles, de onvoorziene omstandigheden van hun ontmoeting, de vreeselijke catastrophe, waardoor zij geschokt waren, de geheimzinnige kant van de zaak, die onopgehelderd bleef tusschen hen; dit alles vervulde hen met een diepe ontroering. En bij deze na een zoo langen tijd van scheiding gevolgde toenadering ontwaakten hun gemeenschappelijke herinneringen, sprak het oude huis van hun jeugd, van hun overleden ouders, van de verre dagen, waarin zij lief gehad en geleden hadden. Daar, onder het raam, lag de tuin, de nu door de vorst verstarde tuin, die vroeger in het vroolijke zonlicht van hun spelen weerklonk. Links bevond zich het laboratorium, het groote vertrek, waarin hun vader hun had leeren lezen. In de eetkamer rechts zagen zij hun moeder weer boterhammen snijden. En het gevoel, dat zij op dit oogenblik alleen waren, dit bleeke, rustige licht der lamp, de diepe, zwijgende eenzaamheid van den tuin, van het huis, van het geheele verleden vervulde hen met een vreemden, zachten weemoed, waaraan zich een eindelooze bitterheid paarde.
Zij hadden willen praten, hun hart voor elkaar uitstorten. Maar wat moesten zij elkander zeggen? Scheidde hen, niettegenstaande hun handen nauw ineengestrengeld waren, niet een onoverbrugbare afgrond? Dat geloofden zij tenminste. Guillaume had de overtuiging, dat Pierre een vrome, vurig-geloovige priester was, die geen twijfel kende, die noch in gedachte, noch in de praktijk des levens iets met hem gemeen had. Een bijlslag had hen gescheiden—zij bewoonden twee verschillende werelden. En evenzoo hield Pierre Guillaume voor een gedeclasseerde, voor een man van verdachten levenswandel, die met de vrouw, bij wie hij drie kinderen had, niet eens getrouwd was en nu op het punt stond met dat veel te jonge meisje, dat God weet waarvandaan kwam, in het huwelijk te treden. Bovendien schrikten hem de geëxalteerde denkbeelden van den geleerde en van den revolutionnair, zijn ontkenning van alles, zijn aanvaarding, ja zelfs de provocatie van de ergste gewelddaden en het onduidelijk zich op den achtergrond vertoonende monster van het anarchisme hem af. Op welk terrein zou de overeenstemming, de eensgezindheid bereikt moeten worden, daar ieder van de beide broeders zijn vooroordeel tegen den ander behield en hem aan de tegenovergestelde zijde van den afgrond zag, zonder dat een plank dien kon overbruggen? En hun arme harten snikten in hartstochtelijke, broederlijke liefde.
Pierre wist, dat Guillaume indertijd reeds bijna in een anarchistisch complot betrokken was geweest. Hij vroeg hem niets, maar als van zelf kwam de gedachte bij hem op, dat hij zich niet zoo verbergen zou, als hij niet bang was als medeplichtige gearresteerd te worden. Was hij inderdaad een medeplichtige van Salvat? En Pierre beefde; want, om zich een meening te kunnen vormen, had hij nog steeds geen ander materiaal dan de woorden, die zijn broeder na den aanslag ontsnapt waren, den kreet, waarmede hij Salvat beschuldigde hem een bom ontstolen te hebben, alsmede het feit, dat hij zoo heldhaftig onder de koetspoort van het hôtel Duvillard gevlogen was, om de lont uit te trappen. Doch welk een duisterheden heerschten er nog! Maar wanneer men hem een patroon van een zoo vreeselijke springstof ontstolen had, dan moest hij ze toch fabriceeren en hebben! Zeker, zelfs wanneer hij geen medeplichtige was, kon hij met zijn gewonde hand niets beters doen dan verdwijnen; want wanneer men hem, die zich reeds eenmaal bloot gegeven had, daar met zijn bloedende hand had aangetroffen, dan zou het hem nooit gelukt zijn de wereld van zijn onschuld te overtuigen. Maar toch bleef er nog een dichte duisternis heerschen, bleef de mogelijkheid van een misdaad bestaan. Het was vreeselijk.
Guillaume moest aan het beven van de vochtig-klamme hand, die nog altijd in de zijne rustte, iets van de neerslachtigheid merken, waarin dit door den twijfel reeds verpletterde en nu door de catastrophe geheel tegen den grond geworpen arme wezen gevallen was. Het graf was ledig, zelfs de asch was er uitgeveegd.
“Mijn arme Pierre,” begon hij weer langzaam; “neem me niet kwalijk, als ik je niets zeg. Ik kan je niets zeggen …. En bovendien, waartoe dient dat? Wij zouden elkaar toch zeker niet begrijpen …. Laten we niets zeggen, laten we slechts genieten van de vreugde samen te zijn, en ondanks alles elkaar liefhebben.”
Pierre keek naar hem op, en lang rustten hun blikken in elkaar.
“Hoe vreeselijk is dat alles!” stamelde hij.
Maar Guillaume had de stomme vraag goed begrepen. Zijn oogen gaven er het antwoord op, terwijl zij zich niet afwendden en een zeer reine, hooge vlam erin òplichtte.
“Ik kan je niets zeggen,” antwoordde hij. “Maar laten we elkaar toch blijven liefhebben, Pierre!”
Toen voelde Pierre een oogenblik, dat zijn broeder boven alle lage ongerustheid, boven de vrees van den schuldige, die voor zichzelf siddert, verheven was; integendeel, de hartstocht voor een groot doel, de edele bezorgdheid, om zijn verheven idée, het geheim te bewaren, hief hem boven de gewone stervelingen op. Maar ongelukkigerwijze was dat slechts het vluchtige visioen van een vage hoop op overwinning en verlossing; want reeds zonk alles weer weg in den twijfel, in het wantrouwen van den mensch, die zichzelf niet kent.
Plotseling rees de herinnering aan een ontzettend schouwspel in Pierre op en dreigde hem krankzinnig te maken.
“Broeder,” stamelde hij, “heb je onder de deur dat blonde kind, dat met haar opengereten buik en haar aardig verwonderd glimlachje op den rug lag, gezien?”
Op zijn beurt rilde Guillaume nu ook. En zacht en moeilijk zeide hij:
“Ja, ja, ik heb haar gezien. Het ongelukkige kind! O, die verschrikkelijke noodzakelijkheden, de verschrikkelijke dwalingen der gerechtigheid!”
Toen viel Pierre in een vreeselijke rilling over het voorgevallene, in zijn verbijstering over de gewelddaad aan den rand van het bed op zijn knieën. Hij snikte wanhopig en liet zijn hoofd op de dekens vallen. Zwak als een kind lag hij daar in deze plotselinge crisis, die zijn oogen met tranen overstroomde. Alles, wat hem sedert den ochtend zoo had doen lijden, brak als het ware samen; de vreeselijke smart over de ongerechtigheid, het leed over de wereld barstte los in dien tranenvloed, welken niets scheen te kunnen tegenhouden. Guillaume, die eveneens zijn ontroering niet bedwingen kon, had met het gebaar, waarmede hij vroeger het haar van het kind gestreeld had, zijn hand gelegd op het hoofd van zijn broeder, om hem te kalmeeren, en zweeg, daar hij geen troost wist. Hij legde zich neer bij de ieder oogenblik mogelijke uitbarsting, die de langzame evolutie in de natuur altijd verhaasten kan. Maar welk een lot voor de ongelukkige schepsels, voor de levens, die de lava met milliarden medesleept! Te midden van de diepe stilte begonnen ook zijn tranen te stroomen.
“Pierre,” zeide hij eindelijk zacht, “ik wil datje eet … Kom, ga eten. Bedek het licht wat en laat mij alleen. Dat zal mij goed doen.”
Pierre moest hem zijn zin geven. Maar hij sloot de deur van de eetkamer niet, en geheel krachteloos van den honger, dien hij tot dusver niet eens opgemerkt had, at hij staande, steeds scherp toeluisterend, of zijn broer niet steunde of hem niet riep. De stilte scheen nog grooter te worden, het kleine huis scheen geheel in de zachte melancholie van het verleden weg te zinken.
Toen Sophie tegen half negen van Montmartre terugkwam, hoorde Guillaume haar ondanks haar zachte loopen. Hij begon te woelen, wilde weten hoe het daar was. Pierre ging het hem onmiddellijk zeggen.
“Maak je maar niet ongerust. Sophie is ontvangen door een oude dame, die, na den brief gelezen te hebben, eenvoudig tegen haar gezegd heeft, dat het goed was. Zij heeft haar niets gevraagd en scheen heelemaal niet nieuwsgierig te zijn.”
Guillaume, die voelde, dat zijn broer zich over die kalmte verwonderde, zeide eveneens heel kalm:
“O, het is voldoende als grootmoeder gewaarschuwd is. Zij weet, dat ik, als ik niet thuis kom, dat ook niet kan.”
Maar hij kon den slaap niet vatten. Het hielp niet, of het licht van de lamp bedekt werd, steeds weer opende hij zijn oogen, keek rond en scheen door de muren heen in de richting van Parijs te luisteren. De priester moest de dienstbode laten komen en haar vragen, of zij, toen zij naar Montmartre ging, niets buitengewoons opgemerkt had. Zij scheen verbaasd over die vraag; neen, zij had niets opgemerkt. Trouwens het rijtuig had over de bijna verlaten buitenboulevards gereden.
Om negen uur begreep Pierre, dat zijn broer niet slapen zou, als hij hem zonder nieuws liet. In zijn opkomende koorts begon de gewonde angstig te worden, liet het verlangen om te weten, of Salvat gearresteerd was en hij gesproken had, hem niet meer los. Hij bekende dat niet en scheen niet ongerust voor zijn eigen persoon, en dat was ongetwijfeld waar ook, maar zijn groot geheim verstikte hem, hij rilde bij de gedachte, dat een zoo hoog doel, zooveel werk en zooveel verwachtingen afhingen van dezen door de ellende verblinden ongelukkige, die de gerechtigheid met het werpen van bommen herstellen wilde. Vergeefs trachtte de priester hem aan zijn verstand te brengen, dat men op dit oogenblik nog niets weten kon, maar Guillaume werd van minuut tot minuut onrustiger, zoodat hij eindelijk besloot ten minste een poging te wagen, om hem gerust te kunnen stellen.
Maar waar moest hij heengaan? Waar aankloppen? In den loop van het gesprek noemde Guillaume, die naging aan wien Salvat onderdak had kunnen vragen, den naam Janzen, en een oogenblik dacht hij erover daar te laten informeeren. Doch dan bedacht hij, dat Janzen, als hij den aanslag vernomen had, er niet de man naar was om de politie bij zich thuis af te wachten.
“Ik zou de avondbladen wel voor je willen gaan koopen,” zeide Pierre, “maar daar staat natuurlijk toch niets in. In Neuilly ken ik bijna iedereen, maar ik weet niemand, die … ja toch misschien Bache …”
“Ken je Bache, het lid van den gemeenteraad?” viel Guillaume hem in de rede.
“Ja, we hebben samen voor liefdadigheidsinstellingen gewerkt.”
“O, Bache is een van mijn oude vrienden. Ik ken geen vertrouwder man. Ga hem halen, als je wilt!”
Een kwartier later kwam Pierre met Bache, die in een naburige straat woonde, terug. Maar hij bracht niet alleen hem mede, maar ook Janzen, dien hij tot zijn groote verbazing bij Bache aangetroffen had. Zooals Guillaume vermoedde, was Janzen, die aan het diner bij prinses de Hardt den aanslag gehoord had, zoo voorzichtig geweest niet naar zijn kleine woning in de rue des Martyrs, waar de politie wel eens een val voor hem opengezet kon hebben, terug te gaan. Zijn betrekkingen tot de anarchisten waren bekend, hij wist, dat hij nagegaan werd en dat hij, als buitenlandsch anarchist ieder oogenblik gearresteerd en uitgewezen kon worden. Hij had het dan ook verstandiger geoordeeld voor enkele dagen gastvrijheid te gaan vragen aan Bache, een zeer dienstvaardig en behulpzaam man, aan wiens handen hij zich zonder vrees toevertrouwde. Nooit zou hij bij Rosemonde gebleven zijn, dat bekoorlijke, maar half onwijze vrouwtje, dat hem in haar razende begeerte naar sensaties nu reeds een maand lang in opspraak bracht.
Guillaume was in de wolken, toen hij Bache en Janzen binnenkomen zag en wilde weer rechtop gaan zitten. Maar Pierre eischte, dat hij rustig met zijn hoofd op het kussen zou blijven liggen en vooral dat hij zoo weinig mogelijk sprak. Terwijl Janzen zwijgend bleef staan, nam Bache een stoel en ging onder een stortvloed van vriendschapswoorden naast het bed zitten. Het was een dikke zestiger met een breed en bol gezicht, een vollen, grijzen baard en lang grijs haar. Zijn kleine oogjes keken droomerig en om zijn dikken mond lag een vriendelijk, hoopvol glimlachje. Zijn vader, een vurig aanhanger van Saint-Simon, had hem in den eeredienst van het nieuwe geloof opgevoed, terwijl hij zelf, ofschoon hij den eerbied voor dat geloof steeds hield, door een persoonlijke behoefte aan orde en godsdienstigheid, tot de denkbeelden van Fourier overgegaan was, zoodat men in hem als het ware een opeenvolging en verkorting van die beide doctrines vond. Op dertigjarigen leeftijd had hij zich ook met spiritisme bezig gehouden. Hij bezat een klein, maar goed belegd vermogen en had in zijn leven geen ander avontuur gehad dan dat hij in 1871, zonder zelf precies te weten hoe en waarom, deel had uitgemaakt van de Commune. Hoewel hij tot de gematigden behoorde, was hij toch bij verstek ter dood veroordeeld en had hij tot de amnestie in België gewoond. Neuilly, dat zich die dingen herinnerde, had hem naar den gemeenteraad afgevaardigd—echter minder, om het slachtoffer der burgerlijke reactie te verheerlijken dan wel om den rechtschapen, in de geheele wijk populairen man te beloonen.
In zijn verlangen naar nieuws moest Guillaume den bezoeker alles wel vertellen; de geschiedenis van de bom, de vlucht van Salvat, de manier, waarop hij gewond werd, toen hij de lont wilde uittrappen. Janzen met zijn koel gezicht, zijn blonden, mageren Christuskop en zijn krullende haren, die naar hem luisterde, zeide eindelijk:
“Zoo, is het Salvat?… Ik dacht, dat het de kleine Mathis zou zijn … Salvat, dat verwondert me. Hij was het niet van plan.”
En toen Guillaume, angstig, hem vroeg, of hij dacht, dat hij spreken zou, riep hij eerst:
“O, neen, geen quaestie van!”
Doch dan, iets van minachting in zijn heldere, chimerische, harde oogen:
“En toch weet ik het zoo zeker niet … Salvat is sentimenteel.”
Bache, die door den aanslag geheel van streek was, werd ongerust en overlegde dadelijk hoe zij, in geval van verklikking, Guillaume, van wien hij heel veel hield, buiten de zaak houden zouden. En deze leed er bij het zien van Janzen’s minachtende koelheid onder, dat men hem voor vreesachtig aanzien en gelooven kon, dat het eenige, waar hij aan dacht, was zijn eigen leven te redden. Maar wat moest hij tegen hen zeggen, hoe zou hij hun de bezorgdheid, die hem rillen deed, begrijpelijk kunnen maken, zonder hun het geheim toe te vertrouwen, dat hij zelfs voor zijn broeder verborgen had?
Op dat oogenblik kwam Sophie aan haar meester zeggen, dat mijnheer Théophile Morin en een andere mijnheer hem wilden spreken. Zeer verwonderd over dat late bezoek, ging Pierre naar de kamer ernaast om ze te ontvangen. Hij had Morin na zijn terugkeer uit Italië leeren kennen en hem geholpen bij de vertaling en bewerking van zijn uitstekend résumé der tegenwoordige wetenschappen voor de Italiaansche scholen. Als zoon van Franche-Comté was hij een landsman van Proudhon, met wiens arme familie hij, de zoon van een horlogemaker, veel had omgegaan, opgegroeid in diens denkbeelden, een warm vriend der armen, en koesterde hij een instinctieven haat tegen rijkdom en bezit. Later was hij als onderwijzer naar Parijs gekomen, had daar een waren hartstocht opgevat voor de studie en zich met geheel zijn ziel aan Auguste Comte gegeven. Op die wijze zou men in hem, den vurigen positivist, den vroegeren aanhanger van Proudhon, den persoonlijken opstand van den arme, den haat tegen de ellende terug kunnen vinden. Overigens hield hij zich aan het wetenschappelijk positivisme, daar hij in zijn afkeer van alles wat naar mystiek zweefde, den in latere jaren zoo godsdienstig geworden Comte verloochend had. Zijn rechtschapen, eentonig en droefgeestig leven had slechts één roman gekend—den plotselingen koortsaanval, die hem medegesleept had om gedurende de legendarische epopee der Duizend aan de zijde van Garibaldi op Sicilië te strijden. En daarna was hij weer het Parijsche onderwijzertje geworden, dat in vergetelheid zijn droevig brood verdiende.
Toen Pierre weer in de slaapkamer terugkwam, zeide hij met ontroerde stem tegen zijn broer:
“Morin heeft Barthès medegebracht, die in gevaar meent te zijn en mij gastvrijheid vraagt.”
“Nicolas Barthès, die held, die antieke geest!” riep Guillaume vol geestdrift uit. “Ik ken en bewonder hem … Je moet je huis wijd voor hem open zetten.”
Bache en Janzen hadden elkaar glimlachend aangekeken. Dan zeide de laatste langzaam en op zijn koud-ironischen toon:
“Waarom verstopt mijnheer Barthès zich? Velen beschouwen hem als dood, en hij is een spook, waarvoor niemand meer bang is.”
Barthès, die nu vier-en-zeventig was, had bijna vijftig jaar in de gevangenis doorgebracht. Hij was de eeuwige gevangene, de vrijheidsheld, dien alle regeeringen van de eene vesting in de andere gebracht hadden. Van af zijn jongelingsjaren leefde hij in zijn droom van broederschap, streed hij voor een ideale republiek van waarheid en gerechtigheid en kwam ten slotte steeds in de gevangenis, waar hij achter slot en grendel zijn humanitaire droomen voortzette. Als Carbonaro, als republikein, als evangelisch sectariër had hij altijd en overal samengezworen, zonder ophouden gestreden tegen iedere mogelijke macht. En toen de Republiek gekomen was, die Republiek, welke hem zooveel jaren kerkerstraf gekost had, had ook deze hem in de gevangenis gezet en nog meer donkere jaren aan de zoovele zonlooze toegevoegd. Hij bleef de martelaar der vrijheid en verlangde ondanks alles naar haar—naar haar, die nooit bestond.
“Je vergist je leelijk,” zeide Guillaume, geprikkeld door Janzen’s spottenden toon. “Men wil Barthès, wiens intransigente rechtschapenheid onze politici hindert, weer een tijdje opsluiten; hij heeft groot gelijk voorzorgsmaatregelen te nemen.”
Nicolas Barthès kwam binnen, een groote, magere, slanke grijsaard met een adelaarsneus en nog vurige oogen. De tandenlooze, maar nog fijn geteekende mond verdween bijna geheel onder zijn sneeuwwitten baard, terwijl zijn haar, dat glansde als een aureool, in dichte lokken op zijn schouders viel. Achter hem kwam bescheiden Théophile Morin met zijn grijze bakkebaarden, zijn grijze, en brosse geknipte haren, zijn bril, zijn geel, verweerd onderwijzersgezicht. Zij schenen volstrekt niet verbaasd te zijn of een verklaring te verwachten, toen zij den gewonde met zijn verbonden pols op bed zagen liggen; voorgesteld werd niemand: zij, die elkaar kenden, glimlachten elkaar toe.
Barthès boog zich over Guillaume en kuste hem op zijn beide wangen.
“O,” zeide deze laatste; “het doet me goed je te zien, dat geeft me weer moed.”
Maar de beide nieuw aangekomenen brachten eenig nieuws. Op de boulevards heerschte een buitengewone opwinding; de tijding van den aanslag had zich van café tot café verspreid, en men ontrukte elkaar de late uitgave van een courant, waarin het verhaal heel slecht en met ongelooflijke details gedaan werd. Per slot van rekening wist men niets met zekerheid.
Pierre, die Guillaume bleek zag worden, dwong hem weer te gaan liggen. Maar toen hij de heeren mede wilde nemen naar de kamer ernaast, zeide de gewonde zacht:
“Neen, neen, ik beloof je, dat ik me niet meer bewegen en geen woord meer zeggen zal. Blijf hier en praat fluisterend. Heusch het zal mij goed doen niet alleen te zijn en jullie te hooren.”
Nu begon onder het slapende licht der lamp een op fluisterenden toon gevoerd gesprek. De oude Barthès sprak naar aanleiding van dien aanslag, welken hij schandelijk en idioot vond, met de verbazing van een dier legendarische strijders voor de vrijheid, die van de nieuwere tijden niets begrijpen. Zou de eindelijk veroverde vrijheid niet voor allen voldoende zijn? Bestond er een ander probleem dan de stichting der ware Republiek? Toen het gesprek op Mège en diens redevoering van dien middag in de Kamer kwam, viel hij heftig het collectivisme aan, dat hij een der democratische vormen van het despotisme noemde. Théophile Morin verklaarde zich ook tegen de collectivistische inlijving der sociale krachten, maar zijn haat richtte zich toch nog meer tegen de verfoeielijke gewelddaden der anarchisten, want hij verwachtte slechts vooruitgang van de evolutie en toonde zich vrij onverschillig voor de politieke middelen, die de toekomstige wetenschappelijke maatschappij moesten verwezenlijken. Ook Bache scheen met de anarchisten niet veel op te hebben; toch voelde hij iets voor hun idyllischen droom, voor de humanitaire hoop, die op den bodem van hun vernielingswoede kiemde. Ook hij ging heftig te keer tegen Mège, dien hij beschuldigde na zijn intrede in de Kamer een rhetor, een van de dictatuur droomende theoreticus geworden te zijn. Janzen was nog steeds blijven staan en luisterde naar hem met zijn ironisch vertrokken mond in zijn ijskoud gezicht; slechts nu en dan sprak hij een kort woord, dat sneed als een vlijmscherp lemmet, om zijn anarchistische meeningen te verdedigen: alles moest verwoest worden, om alles weer te kunnen opbouwen.
Pierre, die naast het bed was blijven zitten, luisterde eveneens met hartstochtelijke aandacht. In de instorting van al zijn overtuigingen, in het Niet, waartoe hij gekomen was, roerden deze mannen, die uit alle vier punten der denkbeelden van de eeuw gekomen waren, het verschrikkelijke probleem, waaronder hij leed, van het probleem van het nieuwe, door de democratie van de komende eeuw verwachte geloof. Welke onophoudelijke ideeëngolven volgden elkander op, stootten tegen elkaar aan sedert de onmiddellijke voorgangers, sedert Voltaire, sedert Diderot, sedert Rousseau! De eene verwekte de andere en alle braken in een storm, waarin het moeilijk was helder te zien. Vanwaar woei de wind? Waarheen ging het scheepje des heils, naar welke haven moest men zich inschepen? Reeds had hij tot zichzelf gezegd, dat hij de balans der eeuw opmaken, dat hij, nadat hij de erfenis van Rousseau en andere voorloopers aanvaard had, de denkbeelden van Saint-Simon, Fourier, van Cabet zelfs, van Auguste Comte, van Proudhon en ook van Karl Marx, bestudeeren moest, om zich ten minste rekenschap te geven van den doorloopen weg, van het kruispunt, dat men bereikt had. Bood zich niet een prachtige gelegenheid aan, nu een toeval in zijn huis deze mannen, deze vertegenwoordigers der levende, tegengestelde doctrines, die hij wilde onderzoeken, samenbracht?
Maar toen Pierre zich omkeerde, zag hij, dat Guillaume zeer bleek was en zijn oogen gesloten hield. Had hij zelf, in zijn geloof in de wetenschap, den twijfel der elkaar tegensprekende theorieën, de wanhoop te zien, dat de strijd voor de waarheid de dwaling deed toenemen, langs zich voelen gaan?
“Heb je pijn?” vroeg de priester ongerust.
“Ja, een beetje. Ik wil probeeren te slapen.”
Allen gingen weg met een zwijgenden handdruk. Alleen Nicolas Barthès bleef; hij sliep in een kamer op de eerste verdieping, die Pierre voor hem klaar gemaakt had. Om bij zijn broer te kunnen blijven, ging Pierre op een canapé liggen. En het kleine huis verviel weer in zijn grooten vrede, in de stilte van de eenzaamheid van den winter, waarin de zwaarmoedige huiveringen der jeugdherinneringen beefde.
Den volgenden ochtend om zeven uur moest Pierre de couranten gaan halen. Guillaume had slecht geslapen, er was een zware koorts opgekomen. Maar toch moest Pierre hem de eindelooze artikelen over den aanslag voorlezen. Het was een buitengewone dooreenhaspeling van waarheid en verzinsels, van juiste berichten, die verdronken in de meest onverwachte uitspattingen der phantasie. De Voix du Peuple, het blad van Sanier, vooral onderscheidde zich door zijn hoofdjes en onderhoofdjes in groote letters. Plotseling had het de beruchte lijst der twee-en-dertig in de zaak der Afrikaansche sporen gecompromitteerde Kamer- en Senaatsleden tot later uitgesteld; daarentegen hielden de bijzonderheden over den aanblik der koetspoort van het hôtel Duvillard, van het weggeslagen plaveisel, van het uit elkaar gesprongen plafond der eerste verdieping en van de uit haar hengsels gerukte deur niet op. Dan kwam het verhaal der twee als door een wonder gespaard gebleven kinderen van den baron, van den intact gebleven landauer, terwijl de ouders, naar men beweerde, zich verlaat hadden bij de zoo interessante conférence van monseigneur Martha. Een geheele kolom was gewijd aan het eenige slachtoffer, het blonde, knappe loopmeisje van de modiste, welks identiteit nog niet vastgesteld was, hoewel een zwerm reporters naar haar patrones op de avenue de l’Opera en daarna naar den faubourg Saint-Denis, waar men meende, dat de grootmoeder van het ongelukkige schepseltje woonde, gevlogen was. In een ernstig, blijkbaar door Fonsègue geïnspireerd artikel, werd een beroep gedaan op het patriotisme der Kamer, om te midden van de smartelijke gebeurtenissen, die het land doormaakte, iedere ministerieele crisis te vermijden. Het ministerie zou nog enkele weken rustig voortleven.
Maar Guillaume werd slechts door één bijzonderheid getroffen: de dader van den aanslag bleef onbekend: Salvat was blijkbaar niet gearresteerd en werd evenmin verdacht. Integendeel scheen men juist op een verkeerd spoor te zijn: een buurman beweerde een goedgekleed heer met handschoenen aan op het oogenblik van de ontploffing het hôtel te hebben zien binnengaan. En Guillaume scheen een weinig gerust gesteld te worden, toen zijn broer hem een andere courant voorlas, waarin bijzonderheden gegeven werden over de helsche machine, die blijkbaar gebruikt was: een betrekkelijk klein conservenbusje, waarvan men de overblijfselen gevonden had. Doch de angst kwam weer boven, toen hij hoorde, dat men zich erover verwonderde, dat een zoo kleine helsche machine zulke geweldige verwoestingen had kunnen veroorzaken, en dat men vermoedde hier met een nieuwe onberekenbaar krachtige springstof te doen te hebben.
Om acht uur kwam Bertheroy weer. Hij was ondanks zijn zeventig jaar frisch en opgewekt als een jong student in de medicijnen, die een vriend den dienst bewijst een kleine operatie te doen. Hij had een verbandtasch, linnen en pluksel bij zich. Maar hij werd boos, toen hij den gewonde zoo rood, zenuwachtig en koortsachtig vond.
“Ik zie wel, beste jongen, dat je niet verstandig geweest bent. Je hebt natuurlijk veel te veel gepraat en je opgewonden.”
Nadat hij de wond onderzocht en zorgvuldig gesondeerd had, zeide hij onder het verbinden:
“Het been is beleedigd en ik sta voor niets in, als je niet verstandig bent. Iedere complicatie zou een amputatie noodzakelijk maken.”
Pierre rilde, terwijl Guillaume eenvoudig zijn schouders optrok, als wilde hij zeggen, dat hij zich gaarne liet amputeeren, als alles om hem heen instortte. Bertheroy was gaan zitten en keek hen beiden scherp onderzoekend aan. Nu wist hij alles van den aanslag, dacht daar het zijne over.
“Beste jongen,” begon hij plotseling op zijn kort-aangebonden manier, “ik ben overtuigd, dat jij die afschuwelijke stommiteit in de rue Godot-de-Mauroy niet uitgehaald hebt. Maar ik geloof wel, dat je in de buurt geweest bent … Neen, je behoeft je niet te verdedigen. Ik weet niets en wil niets weten, zelfs niet de formule van die verdomde springstof, waarvan jouw hemdsmouw de sporen droeg en die zulk verschrikkelijk werk gedaan heeft.”
En toen de twee broers verrast en ondanks zijn verzekeringen van angst verstijvend zwegen, voegde hij er met een breed gebaar aan toe:
“Ach, beste jongens, als je eens wist, hoe nutteloos zoo’n daad mij toeschijnt—nog meer nutteloos dan misdadig. Ik heb een souvereine minachting voor het ijdele drijven van de politiek, zoowel van de revolutionnaire als van de conservatieve. Is de wetenschap niet voldoende? Waartoe dient het den tijd te willen verhaasten, terwijl een schrede der wetenschap de menschheid veel nader brengt tot de stad van gerechtigheid en waarheid dan honderd jaar politiek en sociaal verzet? Kom, alleen de wetenschap vaagt de dogma’s weg, stoot de goden van hun voetstuk, brengt licht en geluk … Ik, lid van het Institut, rentenier, gedecoreerde, ik ben de eenige revolutionnair.”
Hij begon te lachen en Guillaume begreep de vriendelijke ironie van dat lachje. Ook al bewonderde hij in hem den grooten geleerde, toch had het hem pijn gedaan te zien, dat hij als een bourgeois door het leven ging, dat hij hooge betrekkingen en eerbewijzen aanvaardde, dat hij onder de republiek republikein was, maar steeds bereid onder onverschillig welken meester de wetenschap te dienen. En nu ontpopte zich deze opportunist, deze gehiërarchiseerde geleerde, deze arbeider, die uit alle handen rijkdom en roem aannam, zich als een kalme, besliste revolutionnair, die zich bewust was, dat zijn werk ondanks alles de wereld verwoesten en weer hernieuwen zou.
Hij stond op en ging weg.
“Ik kom nog terug. Weest verstandig en houdt veel van elkaar!”
Toen zij weer alleen waren en Pierre naast het bed zat, zochten hun handen elkaar weer en bleven ineengestrengeld in een druk, waarin al hun angst brandde. Hoeveel onbekends, hoeveel dreigende wanhoop was er om en in hen! De sombere winterdag viel binnen, ze zagen de zwarte boomen van den tuin, terwijl het kleine huisje van stilte huiverde. Een dof geluid van stappen liet zich slechts boven hun hoofden hooren, de stap van Nicolas Barthès, den heldhaftigen vriend van den vrede, die, nadat hij hier geslapen had, bij het aanbreken van den dag weer begonnen was als een leeuw in zijn kooi te loopen, het gewone heen-en-weer-loopen van den eeuwigen gevangene. Op dat oogenblik vielen de blikken der twee broeders op een courant, die opengeslagen op het bed was blijven liggen en bezoedeld was met een potloodteekening, die de pretentie had het doode loopmeisje met haar opengereten buik, naast de doos en den hoed, voor te stellen. En het was zoo vreeselijk, zoo ontzettend van leelijkheid, dat weer twee dikke tranen uit Pierre’s oogen rolden, terwijl de omsluierde, wanhopige en in de verte starende blikken van Guillaume de toekomst zochten.
II.
Het kleine, zoo kalme en arbeidzame huisje boven op Montmartre, dat Guillaume reeds sedert zoovele jaren met de zijnen bewoonde, stond in den bleeken winterdag rustig te wachten.
Na het ontbijt kwam Guillaume, die zeer terneergeslagen was en bedacht, dat hij misschien in geen drie weken naar huis zou kunnen gaan, op het denkbeeld Pierre er heen te zenden, om alles te vertellen en uit te leggen.
“Luister eens, Pierre, je moet mij dien dienst bewijzen. Ga hun de waarheid vertellen. Zeg, dat ik hier niet ernstig gewond lig en dat ik ze dringend verzoek niet naar mij te komen kijken, omdat ik bang ben, dat men hen volgen en mijn schuilplaats ontdekken zal. Door mijn brief van gisteravond zouden zij misschien ongerust worden, als ik hun geen bericht gaf.”
Dan kwam de eenige angst, die sedert den vorigen dag zijn helderen blik benevelde:
“Voel eens in den rechterzak van mijn vest … Daar zit een kleine sleutel in … Geef dien aan madame Leroi, mijn schoonmoeder, en zeg haar, dat zij, wanneer mij een ongeluk overkomt, doen moet wat zij te doen heeft. Dat is al voldoende; zij zal het begrijpen.”
Even had Pierre geaarzeld, maar hij zag, dat Guillaume door die lichte inspanning zóó uitgeput was, dat hij hem vroeg te zwijgen.
“Spreek niet verder, blijf rustig liggen. Ik zal ze bij je thuis gaan geruststellen, daar je wilt, dat ik me daarmede belast.”
Deze stap viel hem zóó zwaar, dat hij het eerste oogenblik overwogen had, of hij Sophie niet zou kunnen laten gaan. Al zijn oude vooroordeelen ontwaakten; hij had een gevoel, alsof hij naar het huis van den weerwolf ging. Hoe dikwijls had hij zijn moeder niet “dat schepsel” hooren zeggen, wanneer zij sprak over de vrouw, met wie haar oudste zoon leefde. Nooit had zij de drie uit dit vrije huwelijk geboren zoons willen zien, maar vooral hinderde het haar, dat de grootmoeder, die madame Leroi, daar in huis was gebleven, om de kinderen op te voeden. En de kracht van die herinnering was zoo groot, dat hij nu nog, wanneer hij naar den Sacré-Cœur ging, in het voorbijgaan met een schuwen blik naar het huisje keek en het vermeed als een verdacht huis, waarin zonde en ontucht woonden. Zeker, de moeder der drie groote zoons was nu reeds tien jaar dood, maar bevond zich er thans niet een ander “schepsel” in het huis, die jonge wees, die zijn broeder opgenomen had en met wie hij, niettegenstaande hij twintig jaar ouder was, wilde trouwen? In zijn oogen was dat alles tegen de zeden, abnormaal, aanstootgevend; hij stelde zich een met alle zeden spottend huishouden voor, waarin het ongeregelde, gedeclasseerde leven op een moreelen en materieelen ondergang, waarvoor hij terugschrok, uitloopen moest.
Guillaume riep hem terug.
“En zeg aan madame Leroi ook, dat gij, voor het geval ik mocht sterven, het haar zult komen zeggen en dat zij dan onmiddellijk doet, wat zij doen moet.”
“Ja, ja, wees nou maar kalm, ik zal alles wel zeggen … Sophie zal bij je in de kamer blijven voor het geval je haar noodig hebben mocht.”
En nadat hij de dienstbode zijn laatste bevelen gegeven had, ging Pierre weg en stapte in de tram met de bedoeling tot den boulevard Rochechouart te rijden en dan te voet den heuvel op te gaan.
En onderweg, tijdens het in slaap wiegende voortglijden van de zware tram, herinnerde hij zich die hem slechts gedeeltelijk bekende geschiedenissen, waarvan hij de bijzonderheden eerst later te weten kwam. In 1850 was Leroi, een jonge aan het lyceum te Montauban terechtgekomen Parijsche professor met hartstochtelijk republikeinsche denkbeelden, getrouwd met Agathe Dagnan, de jongste der vijf dochters van een Protestantsche familie uit de Cevennes. De jonge mevrouw Leroi was zwanger, toen haar man na den Staatsgreep ten gevolge van heftige artikelen, die hij in een plaatselijk blad geschreven had, uit vrees voor een arrestatie naar Genève had moeten vluchten; daar was in 1852 hun dochter Marguerite, een teer kind, geboren. Gedurende zeven jaar, tot 1859, had het jonge huishouden met de grootste armoede te kampen, daar de vader slechts weinige en dan nog slecht betaalde lessen vond, terwijl de moeder door de voortdurende zorgen, die het kind eischte, aan huis gebonden was. Na hun terugkeer in Parijs scheen het ongeluk hen nog meer te vervolgen: de vroegere professor klopte vergeefs aan alle deuren, werd overal wegens zijn denkbeelden afgewezen en was wel verplicht particuliere lessen te geven. En juist kon hij weer tot de universiteit terugkeeren, toen een laatste bliksemstraal hem tegen den grond wierp: hij kreeg een beroerte, zijn beide beenen waren verlamd en voor zijn verdere leven was hij aan zijn stoel vastgenageld. Nu kwam de bitterste armoede; hij moest allerlei minderwaardig werk—artikelen voor dictionnaires, copieën van manuscripten, bandjes voor couranten schrijven—doen, waarvan het huishouden in een klein woninkje in de rue Monsieur-le-Prince nauwlijks leven kon.
Daar groeide Marguerite op. Leroi, door de onrechtvaardigheid en het lijden verbitterd, voorspelde de Republiek, die de dwaasheden van het Keizerrijk wreken, en de heerschappij der wetenschap, die den ouden valschen en wreeden God der dogma’s wegvagen zou. In Agathe, wier Protestantsch geloof te Genève geheel ten gronde gegaan was, bleef slechts de giststof van vroegeren opstand achter. Zij was nu geheel het hoofd van het gezin geworden, ging het werk halen en weer terugbrengen, maakte het zelf grootendeels, zorgde voor het huishouden en voor de opvoeding van het kind, dat niet naar school ging, alles wat zij wist van haar moeder en vader geleerd had, zonder dat er ooit sprake van godsdienstonderwijs geweest was. Door den geestelijken omgang met haar man had madame Leroi, die zich in haar Protestantsch atavisme van vrij onderzoek van alle geloof bevrijd had, zich een soort rustig atheïsme, een voorstelling van plicht, van menschelijke en verheven gerechtigheid geschapen, die zij dapper boven alle maatschappelijke conventies uit, verwezenlijkte. De langdurige ongerechtigheid, waaronder haar man leed, het onverdiende ongeluk, dat haar in hem en in haar dochter trof, schonk haar op den langen duur een buitengewoon weerstandsvermogen, een opofferingskracht, die van haar een leidster en troosteresse van een onvergelijkelijke energie en adel maakten.
Daar, in dat huis, leerde na den oorlog Guillaume de Leroi’s kennen. Hij had op hetzelfde portaal tegenover hun klein woninkje een groote kamer, waarin hij hartstochtelijk werkte. In den beginne groette men elkaar nauwlijks; de buren waren heel trotsch, heel ernstig en leidden hun armoedig bestaan in een soort schuwe teruggetrokkenheid. Dan volgden eenige vriendschappelijke aanrakingen: de jonge man bezorgde den voormaligen professor enkele artikelen, die voor een nieuwe encyclopedie bewerkt moesten worden. Plotseling kwam de catastrophe. Leroi stierf op een avond in zijn fauteuil, toen zijn dochter hem van de tafel naar het bed reed. De twee wanhopig bedroefde vrouwen hadden geen geld voor de begrafenis. Het geheele geheim van haar bittere ellende openbaarde zich in haar tranen; zij moesten Guillaume, die van af dat oogenblik haar raadsman en vertrouwde werd, voor haar laten handelen. Dat, wat gebeuren moest, gebeurde op de meest eenvoudige en teedere wijze onder de stilzwijgende goedkeuring der moeder, die in haar minachting voor een maatschappij, waarin de goeden van honger stierven, de noodzakelijkheid van maatschappelijke banden weigerde te erkennen. Er was geen sprake van een huwelijk. Op een goeden dag was de twintigjarige Marguerite de vrouw van den drie-en-twintigjarigen Guillaume. Beiden waren mooi, gezond en krachtig; ze aanbaden elkaar en werkten vol hoop op de toekomst.
Van af dien dag begon een nieuw leven. Guillaume, die geheel met zijn broeder gebroken had, was na den dood van zijn vader in het bezit van een rente van tweehonderd francs per maand gekomen. Het dagelijksch brood was daardoor verzekerd; en hij verdubbelde die som reeds door zijn chemische analyses, onderzoekingen en toepassingen op de industrie. Het jonge huishouden ging zich boven op den heuvel in een klein huisje van achthonderd francs vestigen, dat een klein tuintje had, waarin zij later een houten laboratorium zouden kunnen maken. Madame Leroi was bij hen komen inwonen, hielp hen, spaarde een tweede dienstbode uit en wachtte, zooals zij zeide, op haar kleinkinderen, om ze op te voeden. En zij waren gekomen, telkens met twee jaar tusschenruimte: drie zoons, drie kleine, flinke kereltjes, Thomas, François en Antoine. En zooals zij zich geheel gegeven had aan haar man en aan haar dochter, zooals zij zich geheel gaf aan haar schoonzoon, gaf zij zich aan de drie kinderen, die uit deze gelukkige verbintenis geboren waren; zij werd Grootmoeder zooals men haar noemde, Grootmoeder voor het geheele huis, zoowel voor de jongen als voor de ouden. Zij was het verstand, de wijsheid, de dapperheid—zij waakte onophoudelijk over alles, bestuurde alles, haar raadpleegde men over alles, haar raad volgde men steeds op; en zoo heerschte zij daar onbeperkt, als almachtige koningin-moeder.
Zoo duurde in het kleine bescheiden huisje, waarin de meest strikte spaarzaamheid de uitgaven regelde en in alle behoeften voorzag, dit leven van ingespannen arbeid en vreedzame liefde. Dan verloor Guillaume zijn moeder, erfde en kon eindelijk zijn oude begeerte verwezenlijken: het huis koopen en in den hoek van den tuin een ruim, zelfs uit steen opgetrokken laboratorium bouwen. Nauwlijks was men daarmede klaar en scheen het leven voor hen allen een beteren keer te nemen, of het ongeluk kwam terug en rukte ruw Marguerite weg, die binnen een week aan typheuze koortsen stierf. Zij was pas vijf-en-dertig jaar, haar oudste zoon Thomas veertien en Guillaume bleef op zijn acht-en-dertigste jaar als weduwnaar met drie zoons achter, wanhopig over het verlies, dat hij had geleden. Het denkbeeld, om in dit van de wereld als afgestorven huis, waarin de harten zoo nauw verbonden waren, een vreemde vrouw te brengen, scheen hem zoo laag en onverdragelijk, dat hij besloot niet te hertrouwen. Het werk nam hem geheel in beslag; hij bracht zijn hart en zijn zinnen tot zwijgen. Gelukkig bleef Grootmoeder gezond en krachtig; het huis behield zijn koningin en de kinderen vonden in haar de leidster en opvoedster terug, die opgevoed was in de school van de heldhaftig gedragen armoede.
Twee jaren verliepen. Dan werd het huishouden plotseling grooter door een jong meisje, Marie Couturier, de dochter van een vriend van Guillaume. Deze Couturier was een uitvinder, een geniale krankzinnige, die een tamelijk groot vermogen in de allerdwaaste phantasieën en hersenschimmen verspild had. Zijn zeer vrome vrouw was van verdriet gestorven, en hoewel hij zijn dochter aanbad en de enkele malen, dat hij haar zag, met liefkoozingen en geschenken overlaadde, had hij haar eerst op een lyceum gedaan en later, zonder zich verder om haar te bekommeren, ondergebracht bij een verre bloedverwante. Op zijn sterfbed dacht hij slechts aan haar door Guillaume te smeeken haar bij zich te nemen en met haar te trouwen. De verre bloedverwante was juist failliet gegaan. De toenmaals negentienjarige Marie stond zonder een sou op straat; zij bezat niets dan haar groote kennis, haar gezondheid en haar moed. Nooit had Guillaume toegestaan, dat zij thuis of buitenshuis lessen gaf; zij moest alleen Grootmoeder, die niet meer zoo vlug ter been was, in het huishouden helpen. Deze gaf daarvoor gaarne haar toestemming, blijde over de komst van deze jeugd en deze vroolijkheid, die wat opgewektheid brengen zou in het sedert Marguerite’s dood sombere huis. Marie zou de oudste zuster zijn, te oud reeds dan dat den jongens, die nog op het gymnasium waren, het hoofd op hol gebracht zou worden. Zij zou in dit huis, waar ieder werkte, eveneens werken en medewerken aan het gemeenschappelijk geluk, totdat zij een fatsoenlijken jongen ontmoeten en met hem trouwen zou.
Weer vijf jaar verliepen, zonder dat Marie het gelukkige huis verlaten wilde. Het uitstekende onderwijs, dat zij genoten had, was in een flink hoofd gevallen; zij was blijde alles te weten, hoewel zij zeer rein, zeer gezond, ja zelfs naïef gebleven was. Daarbij was zij echt vrouwlijk, maakte zich met niets mooi, amuseerde zich met niets, was altijd vroolijk en tevreden; zeer practisch en volstrekt niet droomerig aangelegd, was zij steeds met het een of ander bezig, verlangde van het leven niets anders dan wat het geven kon, zonder zich in het minst om het hiernamaals te bekommeren. Met groote liefde dacht zij terug aan haar zoo vrome moeder, die haar onder tranen haar eerste communie had laten doen; maar toen zij alleen overgebleven was, was zij als van zelf opgehouden met naar de kerk te gaan, want haar gezond verstand kwam tegen al die dingen op. Om braaf te blijven, had zij de moreele politie niet noodig; integendeel zij vond het absurde gevaarlijk, beschouwde het als den verwoester van de ware gezondheid.
Evenals Grootmoeder was zij tot een rustig, bijna onbewust atheïsme gekomen; zij redeneerde niet veel, was eenvoudig een gezond, braaf meisje, dat lang arm geweest was zonder daaronder te lijden, dat slechts aan de noodzakelijkheid van den arbeid geloofde en door de zekerheid, dat het geluk in de levensvreugde van een normaal en dapper geleid bestaan gelegen is, staande gehouden werd. Haar mooi evenwicht had haar steeds gelijk gegeven, haar altijd geleid en gered. Zij luisterde dan ook alleen naar haar instinct en zeide met haar lief lachje steeds, dat dat haar beste raadgever was. Tweemaal had zij een huwelijksaanzoek afgeslagen, en toen Guillaume bij het tweede aandrong, dat zij het aannemen zou, had zij hem verwonderd gevraagd of zij te veel in huis was. Zij voelde zich er zeer gelukkig, zij bewees hem diensten. Waarom zou zij het verlaten, waarom de risico loopen elders minder gelukkig te zijn?
Dan was langzamerhand het denkbeeld van een eventueel huwelijk tusschen Marie en Guillaume ontstaan. Inderdaad wat zou verstandiger en beter voor allen zijn? Dat hij niet hertrouwd was, vond zijn oorzaak daarin, dat hij een offer aan zijn zoons bracht, daar hij bang was een vreemdelinge, die misschien de vreugde en den vrede van het huis verstoord zou hebben, in hun leven te brengen. Maar nu was die vrouw reeds in huis, een vrouw, die moederlijk voor de kinderen zorgde en wier stralende jeugd zijn hart ten slotte getroffen had! Hij was nog krachtig en gezond en had altijd verkondigd, dat de man niet alleen moest leven, ofschoon hij, die zoo geheel in zijn werk opging, tot dusverre weinig onder zijn weduwnaarschap geleden had. Doch wel bestond er een groot verschil van leeftijd, en hij zou zich heldhaftig op den achtergrond gehouden en een jongeren man voor haar gezocht hebben, wanneer niet zijn drie zoons, wanneer niet de grootmoeder zelve zich tot medeplichtigen van zijn geluk gemaakt hadden. Deze allen zwoeren samen voor een verbintenis, die alle banden nauwer toehalen en als het ware een nieuwe lente in het huis brengen zouden. Marie, die voor de wijze, waarop Guillaume haar sedert vijf jaar behandelde, zeer dankbaar was, had dadelijk toegestemd, toegevend aan een opwelling van oprechte toegenegenheid, waarin zij liefde meende te voelen. Zoo was dan het sedert een maand besproken huwelijk bepaald op het aanstaande voorjaar, tegen het einde van April.
Toen Pierre uit de tram gestapt was en de eindelooze treden naar de rue Saint-Eleuthère opging, voelde hij bij de gedachte, dat hij dat verdachte huis van den weerwolf, zou binnengaan, waarin alles hem natuurlijk zou hinderen en prikkelen, weer een gevoel van onbehagen in zich opkomen. En bovendien moest hij er zich niet op voorbereiden het huis, na den brief, dien Sophie er den vorigen avond gebracht had en die meldde, dat de vader niet thuis komen zou, in opwinding en ongerustheid te vinden. Doch toen hij de laatste treden opging en angstig opkeek, kwam het hem voor alsof het kleine huisje daar in de hoogte in een oneindige rust en vrede onder de heldere winterzon lag, die weer was gaan schijnen als om het met een liefdevolle liefkoozing te omgeven.
Bijna tegenover den grooten, naar de basilica van den Sacré-Cœur leidenden weg kwam wel een klein deurtje in den ouden tuinmuur in de rue Saint-Eleuthère uit, maar om in het huis te komen moest men naar de place du Tertre gaan, waar de voorgevel en de hoofdingang waren. Kinderen speelden op het plein, een vierkant provinciestadjesplein, met kwijnende boompjes beplant en door eenvoudige winkeltjes omzoomd. In den hoek links liet het in de vorige lente opnieuw geverfde huis zijn lichten gevel met zijn vijf ramen zien, die echter steeds uitgestorven geleken, want het leven was aan de andere zijde, aan den kant van den tuin, die den onmetelijken horizont van Parijs beheerschte.
Pierre vatte moed en trok aan de als goud schitterende, koperen bel. Er werd echter niet dadelijk opengedaan, en hij wilde voor de tweede maal bellen, toen de deur open ging en den geheelen ingang zien liet, een corridor, aan het einde waarvan men in het volle licht den oceaan van Parijs, het grenzenlooze huizenveld, zien kon. En nu stond daar, zich afteekenend tegen de lijst van die oneindigheid, een jong meisje van zes-en-twintig jaar in een eenvoudige, door een groot, blauw schort half bedekte, zwartwollen japon. De mouwen waren tot boven de ellebogen opgeslagen, haar armen en haar handen nog vochtig van het niet geheel afgedroogde water.
Een oogenblik heerschte er een verbaasd en verlegen zwijgen. Het jonge meisje, dat met een lachend gezicht aan was komen loopen, was bij het zien van de soutane ernstig geworden, terwijl haar gelaat onbewust een vijandige uitdrukking aangenomen had. De priester begreep, dat hij zijn naam noemen moest.
“Ik ben abbé Pierre Froment.”
Dadelijk vond zij haar verwelkomend glimlachje terug.
“Neem me niet kwalijk, mijnheer … Ik had u moeten herkennen, want ik heb u eens in het voorbijgaan Guillaume zien groeten.”
Zij zeide Guillaume. Het was dus Marie. Pierre keek haar verbaasd aan en vond haar heel anders dan hij haar zich voorgesteld had. Zij was niet groot, maar krachtig en mooi gebouwd, met breede heupen, een breede borst en een kleine, stevige amazonenhals. Aan haar lichten, makkelijken gang, waarin zij al de bekoorlijkheid van een jonge, krachtige vrouw legde, zag men haar gezondheid, de kracht van haar spieren. Zij was een brunette met een heel blanke huid en een zware, prachtige, zwarte haarkroon, die zij blijkbaar zonder eenige coquetterie opmaakte. Het zuivere, intelligente voorhoofd, de fijne neus en de vroolijke oogen maakten een levenskrachtigen indruk, terwijl de volle lippen en de ernstige kin haar rustige goedheid verrieden.
Maar bij deze eerste ontmoeting scheen zij Pierre met haar dik, weelderig haar, met haar prachtige, zoo onschuldig bloote armen te gezond, te zelfbewust toe. Zij viel niet in zijn smaak, zij maakte hem bang als een anders geaard wezen, dat hem vreemd bleef.
“Ik kom juist uit naam van mijn broer Guillaume.”
Weer veranderde haar gezicht; het werd weer ernstig en zij haastte zich hem in de gang te laten, waarop zij de deur sloot.
“Brengt u ons nieuws van hem?… Neem me niet kwalijk, dat ik u zoo ontvang. Maar onze dienstboden zijn juist met de wasch bezig en ik heb toegekeken, of zij het goed deden … U moet mij heusch excuseeren, dat ik u verzoek hier een oogenblik binnen te gaan. Het is misschien beter, wanneer ik het het eerste hoor.”
Zij had hem in een links van de keuken gelegen vertrek gebracht, dat als waschhok gebruikt werd. Er stond een tobbe vol zeepsop, terwijl het waschgoed op houten stangen hing uit te druipen.
“En wat is er met Guillaume?”
Heel eenvoudig zeide Pierre de waarheid: hoe zijn broer aan den pols gewond was, hoe het toeval hem getuige gemaakt had van het ongeluk; hoe hij bij hem in Neuilly gevlucht was; hoe hij wilde, dat men hem daar kalm zou laten genezen, zonder dat men zelfs naar hem kwam kijken. Onder het vertellen keek hij naar de uitwerking, die zijn verhaal op haar maakte; hij zag, hoe zich op haar gelaat eerst schrik en medelijden afteekenden, dan een poging, om kalm te blijven en rustig te oordeelen. Eindelijk zeide zij:
“Gisteravond heeft zijn brief mij vreeselijk angstig gemaakt. Ik was er zeker van, dat er een ongeluk gebeurd was. Maar je moet dapper zijn en je vrees niet aan de anderen laten zien … Gewond aan den pols, maar toch niet ernstig, is het wel?”
“Dat niet, maar toch wel een wond, die groote voorzichtigheid eischt.”
Met haar groote, vrijmoedige oogen keek zij scherp in de zijne, als wilde zij tot in het diepst van zijn ziel lezen, terwijl zij heel zichtbaar de tallooze vragen, die haar op de lippen kwamen, terugdrong.
“En is dat alles? Heeft hij u niets anders opgedragen dan te zeggen, dat hij bij een ongeluk gewond is?”
“Neen, hij wil alleen, dat u zich niet ongerust over hem maakt.”
Nu drong zij niet meer aan, maar vergenoegde zich, den wil van Guillaume eerbiedig gehoorzamend, met wat hij zeggen liet, om het huishouden gerust te stellen. Zij trachtte niet er meer van te hooren. En evenals zij ondanks den heimelijken angst na den brief van den vorigen avond haar werk weer opgevat had, zoo vond zij ook nu weer haar schijnbare vroolijkheid, haar vredigen glimlach, haar helderen, dapperen blik terug.
“Guillaume heeft mij maar één opdracht gegeven, n.l. om een sleuteltje aan madame Leroi te overhandigen.”
“Uitstekend,” antwoordde Marie eenvoudig. “Grootmoeder is daar en de kinderen moeten u trouwens ook zien. Ik zal met u medegaan.”
Gerustgesteld nu nam zij Pierre wat nauwkeuriger op, zonder dat het haar gelukte haar nieuwsgierigheid, die eerder welwillend te noemen was en een ondergrond van onbestemd medelijden bezat, te verbergen. Haar frissche, blanke armen, die een heerlijken geur van jeugd van zich gaven, waren bloot gebleven. Zonder zich te haasten en in alle onschuld trok zij de mouwen neer. Dan deed zij het groote, blauwe schort af en kwam haar ronde, krachtig-elegante taille in de eenvoudige, zwarte japon te voorschijn. Hij keek haar aan: neen, zij viel beslist niet in zijn smaak, en zonder dat hij wist waarom, steeg een verzet in hem op, dat hij haar zoo natuurlijk, zoo gezond en zoo dapper voor zich zag staan.
“Als u mij volgen wilt, mijnheer de abbé. We moeten den tuin door.”
Aan den anderen kant van de gang, tegenover de keuken en het waschhok, waren twee vertrekken, de bibliotheek, die op de place du Tertre, en de eetkamer, die op den tuin uitzag. De vier vertrekken van de eerste verdieping dienden als slaapkamers voor den vader en de drie zoons. De vroeger toch reeds kleine tuin was thans tot een soort binnenplaats ingekrompen door den bouw van het laboratorium, dat een geheelen hoek innam. Toch waren er van de oude boomen nog twee groote, kwastige pruimeboomen overgebleven, evenals een groot, buitengewoon sterk seringenboschje, dat in de lente met bloemen getooid was. Vóór dat boschje had Marie een breed bloemperk aangelegd, waarin zij enkele rozen, nagelbloemen en reseda’s kweekte.
Met een gebaar wees zij naar de zwarte pruimeboomen, de seringen en de rozestruiken, waaraan nauwlijks enkele groene puntjes te zien waren, naar dit geheele hoekje natuur, waar dat nog in den winterslaap rustte.
“Zeg aan Guillaume, dat hij gauw beter en bij de eerste knoppen hier zijn moet.”
Toen Pierre haar op dat oogenblik aankeek, kleurden haar wangen zich plotseling hoogrood. Dikwijls kreeg zij zoo, bij de meest onschuldige woorden, plotseling een blos, wat haar wanhopig maakte. Zij vond het belachelijk zich zoo op te winden als een klein meisje, wanneer men een zoo dapper hart had. Maar haar rein bloed had een zoo groote teerheid, een zoo natuurlijk schaamtegevoel behouden, dat zoo’n blos dikwijls aan haar heerschappij ontsnapte. Ongetwijfeld had zij slechts gebloosd, omdat zij bang was door zoo naar de lente te verlangen, tegenover den priester een toespeling op haar huwelijk gemaakt te hebben.
“Ga binnen, mijnheer de abbé. De kinderen zijn er toevallig alle drie.”
En zij liet hem in het laboratorium.
Het was een groot, vijf meter hoog vertrek met een tegelvloer en kale, grijs geverfde muren. Een groote vlakte van licht, als het ware een lauw bad van zonneschijn, drong door de groote op het Zuiden en het onmetelijke Parijs uitziende ramen tot in de verste hoeken van het vertrek. Voor de ramen waren groote houten horren, die ’s zomers neergelaten werden om de hevige warmte buiten te sluiten. De geheele familie leefde in nauwe arbeidsgemeenschap van ’s morgens tot ’s avonds in dat vertrek. Ieder had er zich naar zijn smaak ingericht en bezat er zijn lievelingsplekje, waar hij zich met zijn werk afzonderen kon. De helft van het vertrek nam de vader in met zijn laboratorium, den oven, de proeftafels, de planken voor het neerzetten van zijn toestellen, fleschjes enz. Naast hem had Thomas, de oudste zoon, een kleine smidse ingericht met een aambeeld, een bankschroef en al de gereedschappen van den werktuigkundige, die hij na zijn baccalaureaat wilde worden, om zijn vader niet te behoeven te verlaten en hem bij verschillende toepassingen behulpzaam te kunnen zijn. In den anderen hoek hadden de twee jongsten, François en Antoine, zich aan de twee einden van een groote werktafel tusschen een hoop kartons en boeken ingericht. François, die reeds universitaire lauweren behaald had, was thans aan de École Normale, waar hij zich voor een examen voorbereidde; Antoine, die in het derde leerjaar een tegenzin in de klassieke studiën gekregen had, werd door zijn hartstocht voor het teekenen beheerscht en wijdde zich thans geheel aan de houtgravures. Voor het raam hadden midden in het volle licht, tegenover den eindeloozen horizont, ook grootmoeder en Marie haar werktafeltje.
“Kinderen, kinderen,” riep zij met haar kalme stem, waaraan zij een geruststellenden en vroolijken klank trachtte te geven; “kinderen, mijnheer de abbé komt nieuws van je vader brengen.”
Kinderen! Welk een jonge moederlijkheid legde zij in dat woord, wanneer zij tot die drie groote jongens sprak, als wier oudste zuster zij zich langen tijd beschouwd had. De nu drie-en-twintigjarige Thomas was een reus met een reeds sterk ontwikkelden baard; hij geleek sprekend op zijn vader, had een hoog voorhoofd en krachtige trekken, was lichamelijk en geestelijk een beetje langzaam, stil, schuw bijna, ging geheel in zijn liefde voor zijn vader op en was volkomen tevreden met zijn handwerk, dat hem tot een eenvoudigen helper van zijn vader maakte. François, die twee jaar jonger was, had fijnere trekken, maar bijna hetzelfde figuur, hetzelfde breede voorhoofd, denzelfden krachtigen mond en hetzelfde ensemble van gezondheid en kracht, waarin slechts het levendiger vlammen den fijneren geest en den wetenschappelijken seminarist verried. De jongste, Antoine, die op zijn achttiende jaar niet minder krachtig, even mooi en bijna even groot was, onderscheidde zich van de anderen door het blonde haar en de blauwe, zachte, droomerige oogen, die hij van zijn moeder geërfd had. Toen zij jonger waren en alle drie op het gymnasium-Condorcet gingen, was het moeilijk hen van elkander te onderscheiden, alleen wanneer men ze op een rij naast elkaar zette, kon men verschil in grootte zien. Ook nu kon men zich nog makkelijk vergissen, wanneer ze niet naast elkaar stonden, zoodat men de met de jaren grooter wordende verschillen waarnemen kon.
Toen Pierre binnen kwam, waren zij alle drie zoo in hun werk verdiept, dat zij de deur niet eens hoorden opengaan. En weer viel Pierre deze door hem reeds bij Marie opgemerkte discipline en zielskracht op, waarmede hier het dagelijksche werk zelfs te midden van de grootste ongerustheid weer opgevat werd. Maar de heldere stem van Marie deed hen opkijken.
“Vader laat nieuws van zich hooren, kinderen!”
Alle drie lieten nu tegelijk hun werk liggen en kwamen dichterbij. Zooals zij daar naar den leeftijd naast elkaar stonden, deden zij denken aan drie reuzenzonen uit een sterke en krachtige familie. Men voelde het: zoodra het om hun vader ging, werden zij als het ware plotseling samengesmolten, klopte nog slechts één hart in hun breede borsten.
Doch op dat oogenblik ging een deur achter in het laboratorium open en kwam Grootmoeder van de bovenverdieping, waar zij, evenals Marie, haar slaapkamer had. Zij was er een streng wol gaan halen. Strak en zonder er iets van te begrijpen, keek zij den priester aan.
“Grootmoeder,” moest het jonge meisje uitleggen; “dit is mijnheer de abbé Froment, de broer van Guillaume, die hem hier gestuurd heeft.”
Pierre keek nu op zijn beurt haar aan en verwonderde zich, dat zij op haar zeventigste jaar nog zoo recht was, er nog zoo levenskrachtig en sterk uitzag. In het eenigszins lange gezicht, welks vroegere schoonheid in een ernstigen charme voortleefde, schitterden de bruine oogen nog steeds met jeugdig vuur; de bleeke mond, waarin de tanden nog volkomen gaaf waren, had den vastberaden trek behouden. Slechts enkele grijze haartjes vertoonden zich in het zwarte haar, dat zij nog altijd volgens de ouderwetsche mode opmaakte. Haar wangen waren eenvoudig wat ingedroogd en waren met diepe, symmetrische rimpels doorgroefd, die aan het heele gelaat een grooten adel verleenden, de souvereine uitdrukking van koningin-moeder, die zij behouden had, hoewel zij, in haar eeuwigen zwartwollen japon er nooit tegen opzag de eenvoudigste bezigheden te doen.
“Zendt Guillaume u, mijnheer de abbé?” vroeg zij. “Hij is gewond, niet waar?”
Verbaasd, dat zij het dadelijk raadde, deed Pierre het verhaal nogmaals.
“Ja gewond aan zijn pols, maar zonder onmiddellijk gevaar.”
Hij voelde, dat de drie zoons beefden, hoe hun geheele wezen hun vader te hulp wilde snellen, om hem te verdedigen. Om hunnentwil zocht hij naar hoopvolle woorden.
“Hij is bij mij in Neuilly. Met een goede verpleging is een ernstige complicatie niet te vreezen. Hij heeft mij gestuurd, om u te zeggen, dat u niet ongerust behoeft te zijn.”
Grootmoeder liet niet de minste vrees blijken. Zij bleef heel kalm; het was alsof zij iets hoorde dat zij reeds lang wist. Zij scheen zelfs verlicht, bevrijd van den angst, waarvan zij niemand deelgenoot gemaakt had.
“Wanneer hij bij u is, mijnheer, dan is hij zeker in de beste handen en tegen ieder gevaar beschermd … Zijn brief van gisteravond, die heelemaal geen verklaring van zijn wegblijven gaf, had ons verbaasd, en zeker zouden we ons ten slotte ongerust gemaakt hebben … Maar nu is alles goed!”
En evenmin als Marie, vroegen Grootmoeder en de drie zoons verdere bijzonderheden. Op een tafel zag Pierre de wijd opengeslagen ochtendbladen met hun vele bijzonderheden over den aanslag liggen. Natuurlijk hadden zij die gelezen en waren zij bang geweest, dat hun vader in dat verschrikkelijk voorval betrokken was. Wat wisten zij precies? Salvat moest hun onbekend zijn, en de onvoorziene keten der omstandigheden, die de ontmoeting en daarna de verwonding veroorzaakt hadden, konden zij niet opnieuw samenvoegen. Grootmoeder wist ongetwijfeld meer. Maar zij, de drie zoons, wisten evenmin als Marie iets, veroorloofden zich zelfs niet iets te weten. Welk een kracht van eerbied en liefde lag er in hun onwankelbaar vertrouwen op den vader, in hun rust, zoodra hij hun zeggen liet, dat er geen reden was zich ongerust over hem te maken.
“Madame,” begon Pierre weer; “Guillaume heeft mij gevraagd u dit kleine sleuteltje te geven en u eraan te herinneren, dat u, voor het geval hem een ongeluk mocht overkomen, zijn opdracht uitvoeren moet.”
Zij beefde nauwlijks, toen zij den sleutel aannam, en zij antwoordde eenvoudig, alsof het den meest gewonen wensch van een zieke betrof:
“Goed; zeg hem, dat zijn wensch vervuld zal worden … Maar ga toch zitten, mijnheer!”
Inderdaad was Pierre tot nog toe blijven staan. Hij moest, ondanks zijn blijvende verlegenheid, die hij in dit huis, waar hij zich toch eigenlijk in den familiekring bevond, niet kon laten blijken, een stoel nemen. Marie, die niet leven kon, zonder dat haar vingers bezig waren, was weer aan haar borduurwerk begonnen, een van die fijne handwerkjes, die zij voor een magazijn van huwelijksuitzetten bleef maken, omdat zij, zooals zij lachend zeide, tenminste haar eigen zakgeld wilde verdienen. Grootmoeder was weer begonnen met haar eeuwig kousen-stoppen, waarvoor zij boven de wol was gaan halen. Ook de drie jongens waren weer tot hun werk teruggekeerd. Het was als het ware een klein oogenblikje van ontspanning, dat zij zich gegund hadden, alvorens hun taak af te maken.
“Maar we kunnen morgen allemaal naar vader gaan kijken,” zeide Thomas.
Zonder Pierre tijd tot antwoorden te laten, keek Marie op.
“Neen, neen, hij wil niet, dat iemand van hier naar hem komt kijken, want wanneer wij nagegaan en gevolgd werden, zou zijn schuilplaats ontdekt worden … Is het niet zoo, mijnheer de abbé?”
“Het zou inderdaad voorzichtiger zijn niet te gaan, maar te wachten, tot hij zelf weer zal kunnen terugkeeren. Het is een quaestie van twee of drie weken.”
“Zeker, dat is heel verstandig,” stemde Grootmoeder dadelijk toe.
De drie zoons drongen niet verder aan, aanvaardden de heimelijke ongerustheid, waarin zij zouden leven, zagen dapper af van dat bezoek, dat hun zooveel vreugde gegeven zou hebben; want dat was het uitdrukkelijk bevel van hun vader en zijn redding hing er misschien van af.
“Dan wilt u zeker wel zoo goed zijn te zeggen, mijnheer de abbé,” zeide Thomas, “dat ik gedurende zijn afwezigheid van plan ben naar de fabriek te gaan, waar ik onderzoekingen, waaraan wij thans bezig zijn, beter kan doen.”
“En zeg hem uit mijn naam,” voegde François er aan toe; “dat hij zich niet ongerust over mijn examen behoeft te maken. Alles gaat heel goed. Ik geloof zeker te zullen slagen.”
Pierre beloofde niets te zullen vergeten. Maar Marie keek glimlachend Antoine aan, die was blijven zwijgen en als in het verre Niet staarde.
“En heb jij hem niets te zeggen, kleintje?”
Alsof hij uit een droom ontwaakte, begon de jonge man eveneens te lachen.
“Zeker wel—dat jij veel van hem houdt, en dat hij gauw terugkomen moet, opdat je hem gelukkig kunt maken.”
Allen lachten, ook Marie zelf, zonder eenige verlegenheid, met kalme vreugde, in de zekerheid der toekomst. Tusschen de zoons en haar bestond niets dan een mooie toegenegenheid. De bleeke lippen van Grootmoeder glimlachten ernstig; ook zij verheugde zich in het geluk, dat het leven hun scheen te beloven.
Pierre wilde nog een paar minuten blijven. Er werd over allerlei dingen gesproken, en zijn verwondering werd steeds grooter. Hij viel van de eene verbazing in de andere in dit huis, waarin hij verwacht had een verdacht, ongeregeld leven, wanorde en de verwoestende revolutie van alle moraal te zullen vinden, en nu kwam hij in een zoo liefdevolle kalmte, in een zóó sterke tucht, dat zij het bijna met den ernst en de strengheid van een klooster vulden, die echter door jeugd en vroolijkheid verzacht werden. Het meest viel hem echter de krachtige opvoeding, de moed van geest en hart op, waarmede de zoons, zonder iets van hun persoonlijke gevoelens te laten merken, zonder zich te veroorloven hun vader te beoordeelen, zich vergenoegden met wat hij hun zeggen liet, zwijgend en stoïcijnsch de gebeurtenissen afwachtten en weer tot hun dagelijksch werk terugkeerden. Men kon zich niets eenvoudigers, niets waardigers, niets edelers denken. Daarbij kwam nog de glimlachende heldhaftigheid van Grootmoeder en Marie, die beiden sliepen boven het laboratorium, waarin met de vreeselijke springstoffen proeven genomen werden, in het voortdurende gevaar van een altijd mogelijke ontploffing.
Maar die moed, die regelmaat, die waardigheid verwonderden Pierre slechts, zonder hem te ontroeren. Hij had geen reden om zich te beklagen: de ontvangst was correct, zooal niet hartelijk, want hij was daar toch nog slechts een vreemdeling, een priester. En toch bleef zijn stemming vijandig. Hem hinderde het gevoel, dat hij zich in een omgeving bevond, waar geen enkele van zijn kwellingen gedeeld, ja zelfs niet vermoed kon worden. Hoe was het mogelijk, dat deze menschen in hun godsdienstig ongeloof, in hun eenig geloof aan de wetenschap, zoo rustig, zoo kalm waren bij het zien tegenover zich van dat vreeselijke Parijs, dat voor hen de gruwelen van zijn ongerechtigheid en van zijn lijden uitstrekte? Hij zag om en keek ernaar door het groote raam; daar lag het in zijne oneindigheid, steeds tegenwoordig, steeds zijn reusachtig leven levend. Op dit uur scheen Parijs onder de schuine stralen van de winterzon door een lichtend stof bedekt, alsof een onzichtbare zaaier, die zich in den stralenkrans der dagvorstin verborg, met volle handen dat zaad, welks gouden vloed overal neerviel, uitwierp. Het reusachtige ontgonnen veld was ermede bedekt, de eindelooze chaos van daken en monumenten was niets meer dan een groot bouwland, waardoor een reuzenploeg voren getrokken had. En ondanks zijn onbehaaglijk gevoel door een onbedwingbare behoefte aan hoop bewogen, vroeg Pierre zich af, of dit door de goddelijke zon met licht bezaaide Parijs niet het goede zaad voor den oogst der toekomst was, dien oogst van waarheid en gerechtigheid, waaraan hij wanhoopte.
Eindelijk stond Pierre op en ging weg, terwijl hij beloofde dadelijk terug te zullen komen, als er slechte tijding te melden viel. Marie liet hem uit. Bij de voordeur kreeg zij plotseling weer zoo’n blos, waaraan zij zich zoo ergerde. Zij werd vuurrood, toen zij ook van haar kant een liefdevollen groet aan den gewonde wilde laten overbrengen. Maar dapper sprak zij hem toch uit, terwijl haar blikken zich vroolijk en helder op die van den priester richtten.
“Tot weerziens, mijnheer de abbé.… Zeg aan Guillaume, dat ik hem liefheb en op hem wacht.”
III.
Drie dagen verliepen. In het kleine huisje van Neuilly voelde Guillaume, die, brandend van koorts en ongeduld, aan zijn bed gebonden was, zich door een nieuwen angst aangegrepen, wanneer de couranten aankwamen. Pierre had wel getracht die te doen verdwijnen, maar hij zag, dat zijn broer zich dan nog meer opwond, en zoo moest hij zelf wel alles voorlezen wat over den aanslag geschreven werd: een buitengewonen vloed, die niet ophield in de kolommen te blijven vloeien.
Nog nooit had zoo’n overstrooming de pers onder water gezet. De anders zoo voorzichtige, zoo ernstige Globe werd niet gespaard en bezweek eveneens onder dezen aanval van reporterswaanzin. Maar vreeselijk om te zien was het hoe de gewetenlooze bladen, zooals de Voix du Peuple, de algemeene koorts exploiteerden, de openbare meening schrik aanjoegen, en het hoofd op hol brachten, alleen maar om een grootere oplaag te kunnen geven en meer te verkoopen. Iederen ochtend was het een nieuwe sensatie, een nieuw verhaal, om de menschen te doen rillen en beven. Er werd verteld, dat baron Duvillard iederen avond dreigbrieven kreeg, dat men zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon vermoorden, hem zelf worgen, zijn hôtel in de lucht zou laten springen, zoodat het hôtel dag en nacht door een schaar agenten in burgerkleeding bewaakt werd. Een andermaal was er sprake van een buitengewone ontdekking: naast de Madeleine was een riool, waarin anarchisten waren afgedaald. Zij hadden de geheele kerk ondermijnd en er vaten met buskruit onder gebracht—het was een ware vulkaan, waarin de helft van Parijs zou verslonden worden. Nog een derden keer werd beweerd, dat men het spoor van een ontzaglijke samenzwering ontdekt had, die geheel Europa van af het binnenland van Rusland tot achter in Spanje omvatte. Het signaal zou van Frankrijk uitgaan, er zou drie dagen lang een bloedbad aangericht worden, de straten van Parijs zouden door geweervuur leeggevaagd worden, de Seine rood zien. En dank zij dat prachtige en verstandige werk der pers heerschte overal schrik en ontsteltenis, verlieten de vreemdelingen bij massa’s hun hôtels. Parijs was nog slechts een krankzinnigengesticht, waarin zelfs de meest idiote schrikbeelden geloof vonden.
Maar niet dat was het wat Guillaume zoo angstig maakte. Hij maakte zich slechts ongerust ten opzichte van Salvat, van de nieuwe sporen, waarop de couranten zich wierpen. Salvat was nog niet gearresteerd, ja zelfs was er geen enkele aanwijzing, dat men hem op het spoor was. Dan las plotseling Pierre een berichtje, dat den gewonde deed verbleeken.
“Zoo, het schijnt dat ze tusschen de puinhoopen onder de koetspoort van het hôtel Duvillard een stuk gereedschap, een priem gevonden hebben, op het handvat waarvan de naam van Grandidier, een bekend fabrikant, stond. Die Grandidier moet vandaag voor den rechter van instructie verschijnen.”
Guillaume maakte een wanhopig gebaar.
“Nu zijn zij op het goede spoor. Salvat heeft natuurlijk dat gereedschap laten vallen. Hij heeft bij Grandidier gewerkt voor hij een paar dagen bij mij geweest is.… Door Grandidier zullen zij alles te weten komen; zij behoeven den draad slechts te volgen.”
Pierre herinnerde zich nu die fabriek, waarover hij in Montmartre had hooren spreken en waar Thomas, de oudste zoon, die er zijn opleiding ontvangen had, soms nog ging werken. Maar nog steeds durfde hij niets verder vragen aan zijn broer, want hij voelde, hoe ernstig, voornaam en vrij van lage vrees voor zijn eigen persoon diens angst was.
“Je hebt mij juist verteld, dat Thomas gedurende mijn afwezigheid in de fabriek zou gaan werken voor den nieuwen motor, dien hij zocht en bijna gevonden heeft,” ging Guillaume voort. “Stel je voor, dat er een huiszoeking gehouden wordt, dat men hem ondervraagt en dat hij niet antwoorden wil, om zijn geheim te verdedigen … Hij moet gewaarschuwd, dadelijk gewaarschuwd worden!”
Zonder hem tijd te laten zijn wensch nader te formuleeren, bood Pierre aan dat te doen.
“Als je dat wilt, zal ik vanmiddag Thomas in de fabriek opzoeken. Misschien tref ik dan tevens mijnheer Grandidier en kan ik hooren wat er bij den rechter van instructie gezegd is en hoe het met de zaak staat.”
Met tranen in zijn oogen en een warmen handdruk dankte Guillaume hem.
“Ja, ja, Pierre, doe dat, dat is goed en braaf van je.”
“Ik had vandaag nog naar Montmartre willen gaan,” ging Pierre voort. “Ik heb je er niets van gezegd, maar ik heb een gedachte, die me niet loslaten wil. Wanneer die Salvat gevlucht is, dan heeft hij daar zijn vrouw en zijn dochter alleen achter moeten laten. Ik heb ze den ochtend van den aanslag in zulk een ellendigen toestand aangetroffen, dat ik niet, zonder dat mijn hart verscheurd wordt, aan die arme, verlaten, misschien van honger stervende schepsels denken kan. Wanneer de man er niet meer is, moeten vrouw en kind omkomen.”
Guillaume, die Pierre’s hand in de zijne gehouden had, drukte die nog inniger en met een bevende stem zeide hij:
“Ja, dat zou goed en braaf zijn … Doe dat, Pierre.”
Dat huis in de rue des Saules, dat vreeselijke huis van lijden en ellende, was Pierre steeds in de gedachte gebleven als een afschuwelijk riool, waarin het oude Parijs met den dood worstelde. En toen hij er in dien middag weer naar toeging, vond hij dezelfde kleverige vuiligheid terug, de donkere vochtige trappen in denzelfden verwaarloosden, troosteloozen en stinkenden toestand. Terwijl ’s winters de mooie wijken van het centrum droog waren en gereinigd werden, bleven de wijken der armen somber en vuil onder het voortdurend heen en weer trappelen der jammerlijke kudde.
Pierre, die de trap der Salvats kende, klom die dadelijk op te midden van het luide geschreeuw van kinderen, die huilden en plotseling weer zwegen, om het huis in een doodelijke stilte te doen verzinken. De gedachte aan den ouden Laveuve, die hier als een hond in een goot gestorven was, kwam weer in zijn herinnering terug en deed hem verstijven. Hij rilde, toen hij, boven gekomen, aan de deur klopte en slechts een diepe stilte antwoordde. Geen geluid, geen ziel …
Toen klopte hij nogmaals en daar er nog geen antwoord volgde, dacht hij, dat er niemand was. Misschien was Salvat vrouw en kind komen halen, misschien hadden zij hem naar een ander gat in den vreemde gevolgd. Doch dat kon hij niet goed gelooven: de armen veranderen niet gauw van woonplaats, sterven waar zij lijden. En hij klopte voor de derde maal.
Eindelijk liet zich in de stilte een zacht geluid hooren, het geluid van kleine voetjes.
“Wie is daar?” vroeg een fijn kinderstemmetje.
“Mijnheer de abbé.”
Weer een stilte. Besluiteloosheid, aarzeling.
“Mijnheer de abbé, die laatst ook geweest is.”
Dat maakte een einde aan de onzekerheid; de deur ging op een kiertje open en Céline, het kleine meisje, liet den priester binnen.
“Neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé; moeder Théodore is uit en zij heeft mij op het hart gedrukt niemand open te doen.”
Een oogenblik had Pierre zich ingebeeld, dat Salvat zeker hier was. Maar met één blik had hij vlug het eenige vertrek, waarin de familie samenhokte, overzien. Madame Théodore was blijkbaar bang voor een bezoek der politie. Had zij haar vader teruggezien? Wist zij, waar hij zich schuil hield? Was hij haar beiden komen geruststellen?
“En is je vader er ook niet, beste meid?”
“O neen, mijnheer, hij heeft zaken en is weg.”
“Hoe bedoel je dat?”
“Ja, hij is niet meer komen slapen, wij weten niet waar hij is.”
“Heeft hij werk?”
“Neen, dan zou hij ons geld zenden.”
“Is hij dan op reis?”
“Ik weet het niet.”
“Maar hij heeft toch zeker wel aan moeder Théodore geschreven?”
“Ik weet het niet.”
Pierre vroeg niet verder door; hij schaamde zich een beetje dat kind van elf jaar zoo uit te hooren. Het was mogelijk, dat zij niets wist, dat Salvat uit voorzichtigheid niets van zich liet hooren. Haar blond, zacht en intelligent gezichtje zag er waarheidlievend uit; het bezat reeds de ernstige uitdrukking, welke bittere ellende aan kinderen geeft.
“Het spijt mij, dat madame Théodore niet thuis is, ik had haar graag willen spreken.”
“Maar kunt u niet even op haar wachten, mijnheer?… Zij is naar oom Toussaint in de rue Marcadet; zij zal wel gauw terug zijn, zij is al een uur weg.”
Zij maakte een van de stoelen leeg, waarop wat hout lag.
In het onverwarmde, akelig kale vertrek was blijkbaar geen brood voorhanden. Men voelde de afwezigheid van den man, het verdwijnen van hem, die de wil en de kracht is, op wien men zelfs na weken van werkeloosheid rekent. De man gaat uit, trekt de stad door, brengt ten slotte nog altijd het onmisbare, de broodkorst, terug, die dan gedeeld wordt en het sterven belet. Maar is de man weg, dan zijn vrouw en kind geheel verlaten, zonder hulp of steun.
Pierre ging zitten en keek naar dat arme, kleine schepseltje met haar heldere, blauwe oogen en haar grooten mond, die ten slotte ondanks alles glimlachte. Hij kon het niet nalaten haar nog verder uit te hooren.
“En ga je niet naar school, beste meid?”
“Ik heb geen schoenen,” antwoordde zij, ietwat blozend.
Inderdaad zag hij, dat zij oude, aan flarden hangende schoenen had, waaruit haar kleine, roode teentjes gluren kwamen.
“En bovendien,” ging zij voort, “moeder Théodore zegt, dat je niet naar school gaat, als je niets te eten hebt.—Moeder Théodore heeft willen werken, maar zij kon niet door haar oogen, die dadelijk begonnen te steken en te tranen … Wij weten niet wat wij beginnen moeten; sinds gisteren hebben we niets meer, en wanneer oom Toussaint ons geen twintig sous geven kan, is het uit.”
Zij glimlachte nog steeds onbewust, terwijl twee dikke tranen in haar oogen kwamen. Dit in deze ledige kamer opgesloten, van de gelukkigen als afgesneden meisje was een zoo hartverscheurende aanblik, dat de priester zijn woedend verzet tegen de ellende, zijn vurig verlangen naar sociale rechtvaardigheid weer in zich boven voelde opkomen.
Na een minuut of tien begon hij ongeduldig te worden, want hij bedacht, dat hij ook naar de fabriek Grandidier moest.
“Ik begrijp niet, dat moeder Théodore nog niet terug is,” zeide Céline. “Zij praat zeker weer.”
Daar viel haar iets in.
“Als u het goed vindt, mijnheer de abbé, dan zal ik u bij oom Toussaint brengen. Het is hier vlak bij, alleen even den hoek om.”
“Maar je hebt geen schoenen, kindlief.”
“O, dat hindert niet, ik kan zoo best loopen.”
“Wijs mij dan den weg maar even,” zeide hij opstaande. “Dan kan ik gelijk een paar schoenen voor je koopen.”
Céline kreeg een vuurroode kleur en volgde hem gauw, nadat zij als goed, klein huisvrouwtje zorgvuldig de deur gesloten had.
Voor madame Théodore bij haar broer Toussaint aanklopte om twintig sous, was zij op het denkbeeld gekomen eerst haar geluk te beproeven bij haar zuster Hortense, die met een ambtenaar, den kleinen Chrétiennot, getrouwd was en op den boulevard Rochechouart vier kamers had. Maar dat was een pijnlijke stap, waartoe zij eerst bevend besloten had bij de gedachte, dat Céline sinds den vorigen dag niets gegeten had.
De oudste broer Toussaint was vijftig jaar en een zoon uit het eerste huwelijk. Later was zijn vader hertrouwd met een jong naaistertje, dat hem drie dochters, Pauline, Léonie en Hortense geschonken had. Dat gaf de verklaring waarom Pauline, de oudste, tien en Hortense, de jongste, achttien jaar jonger was dan Toussaint. Na den dood van zijn vader, had Toussaint korten tijd voor zijn stiefmoeder en zijn drie zusters moeten zorgen. Het ergste daarbij was, dat hij, hoe jong ook nog, zelf reeds een vrouw en een kind had. Gelukkigerwijze echter wist de ijverige en intelligente schoonmoeder zich te redden. Zij ging weer als arbeidster terug naar het atelier, waar Pauline reeds als leerlinge was, en bracht daar ook Léonie. Maar Hortense, die bedorven, mooier en fijner was, liet zij langer op school. Later, toen Pauline met den metselaar Labitte en Léonie met den werktuigkundige Salvat getrouwd was, maakte Hortense, die als winkeljuffrouw bij een confiseur in de rue des Martyrs in dienst was, kennis met den ambtenaar Chrétiennot, die, daar zij weigerde zijn maîtresse te worden, met haar trouwde. Léonie was enkele weken na haar moeder aan typhus gestorven. Pauline, door haar man verlaten, leefde met haar zwager Salvat, wiens dochtertje haar “moeder” noemde, en stierf bijna van honger. Alleen Hortense droeg ’s Zondags een lichte zijden japon, woonde in een nieuw huis en was een bourgeoise—maar ten koste van een helleleven en vreeselijke ontberingen.
Madame Théodore kende heel goed de moeilijkheden, waarin haar zuster verkeerde, wanneer het einde der maand naderde, zoodat zij dan ook met vreezen en beven een poging, om iets van haar te leenen, waagde. Bovendien verweet Chrétiennot, die langzamerhand door zijn eigen middelmatigheid verbitterd was, zijn vrouw, sedert haar schoonheid verwelkte, de oorzaak te zijn van zijn mislukt bestaan, en wilde haar familie, voor wie hij zich schaamde, niet meer zien. Toussaint was nog een fatsoenlijk werkman, maar die Pauline, die madame Théodore, welke onder de oogen van het kind met haar zwager Salvat leefde, die van de eene werkplaats naar de andere ging, die dolleman, van wien geen enkele patroon iets wilde weten—al die ongeregelde verhoudingen, al die ellende waren den correcten, ijdelen, door de levensomstandigheden verbitterden kleinen ambtenaar een doorn in het oog. Hij had dan ook Hortense verboden haar zuster te ontvangen.
Toch voelde madame Théodore, toen zij de met een looper belegde trap van het huis op den boulevard Rochechouart opging, een zekeren trots in zich opkomen bij de gedachte, dat een zuster van haar in al die luxe woonde. De kamers, die zevenhonderd franc kostten en op de binnenplaats uitzagen, lagen op de derde verdieping. De meid, die altijd tegen vier uur terug kwam, om voor het middageten te zorgen, was er reeds. Zij liet de bezoekster, die zij kende, doorloopen, hoewel het haar wel eenigszins verbaasde, dat zij het waagde zoo slecht gekleed te verschijnen. Maar reeds op den drempel van den kleinen salon bleef madame Théodore verwonderd staan, toen zij haar zuster Hortense snikkend en terneergeslagen zitten zag in een der blauwe rips-fauteuils, waarop zij zoo trotsch was.
“Wat heb je? Wat is er?”
Hoewel pas twee-en-dertig jaar was zij reeds lang de mooie Hortense niet meer. Zij zag er nog steeds uit als een blonde, groote, slanke pop met aardige oogen en mooi haar. Maar zij, die vroeger zoo netjes en proper was, begon zich te verwaarloozen, droeg peignoirs, die twijfelachtig zindelijk waren, haar oogen kregen roode randen, haar huid verlepte. Twee op elkaar volgende bevallingen—twee meisjes, waarvan de oudste negen en de jongste zeven was—hadden haar schoonheid ten gronde gericht. Bovendien betreurde de hoogmoedige en trotsche vrouw eveneens haar huwelijk, want zij had vroeger zichzelf voor een schoonheid gehouden, die het paleis en de karossen van een sprookjesprins waardig was.
Haar wanhoop was zóó groot, dat zij er zich zelf niet over verwonderde haar zuster te zien binnenkomen.
“Ben jij het? Als je eens wist wat een pech we nou weer hebben bij al die andere beroerdigheden!”
Onmiddellijk dacht madame Théodore aan de kleine, Lucienne en Marcelle.
“Zijn je dochtertjes ziek?”
“Neen, zij zijn met een buurvrouw op den boulevard aan het wandelen … Maar ik ben weer zwanger! Eerst dacht ik het, dat het een verlating was, maar het is nu de tweede maand al. Toen ik het daarnet na het dejeuner aan Chrétiennot vertelde, is hij vreeselijk woedend geworden en heeft hij mij met allerlei gemeene woorden toegeschreeuwd, dat het mijn schuld was. Alsof het alleen van mij afhangt!… Ik heb er het meeste last van!”
Weer begon ze te snikken. Zij bleef doorstamelen, vertelde van haar schrik, want zij hadden vast besloten geen derde kind meer te hebben. Goddank, dat hij wist, dat zij niet in staat was hem te bedriegen; zij was zoo slap en indolent, dacht alleen maar aan haar rust.
“Lieve Hemel, jullie zult dat kind, evenals de twee andere, wel grootbrengen,” zeide madame Théodore eindelijk.
Onmiddellijk droogde de woede de tranen van Hortense. Zij stond op en riep:
“Jij bent ook een mooie! Je kan wel zien, dat je niet met onze beurs behoeft rond te komen? Waarvan moeten wij het kind groot brengen, nu het toch al zoo moeielijk is het eind van de maand te halen?”
Zij vergat haar armzaligen bourgeois-trots, die haar er gewoonlijk toe bracht te zwijgen of zelfs te liegen, legde haar armoede, het vreeselijke geldgebrek, dat jaar in jaar uit aan haar knaagde, bloot. De huur alleen was al zevenhonderd francs. Van de drie duizend francs, die haar man verdiende, bleven dus nauwlijks tweehonderd francs per maand over. Hoe kon je daarvan met je vieren eten, je kleeden, je stand ophouden? De man moest zijn rok, mevrouw een nieuwe japon hebben, de meisjes versleten een paar schoenen per maand, waarbij nog allerlei andere uitgaven kwamen, waarop je niet bezuinigen kon. Ja, je kon eens wat minder eten of drinken, maar daartegenover stond, dat er weer avonden waren, dat je in ieder geval een rijtuig hebben moest. In het kort het waren de ondragelijke levensomstandigheden van den kleinen ambtenaar, die al even beroerd waren als de zwarte ellende van den arbeider, het was de valsche uiterlijke schijn, de leugenachtige luxe, alles, wat de intellectueele trots om niet aan een bankschroef of op een stelling te werken, aan jammer en lijden verbergt.
“Enfin, je zult de kleine niet wurgen,” herhaalde madame Théodore.
Hortense liet zich weer in haar fauteuil vallen.
“Neen, zeker niet, maar alles is nu uit. Twee waren al te veel en nu komt het derde. Lieve God, wat moet er van ons worden? Wat moet er van ons worden?”
Haar peignoir was open gegaan, en weer begonnen de tranen uit haar roode oogen te stroomen.
Madame Théodore vond het zeer onaangenaam, dat zij het met haar vraag om een leening zoo slecht trof; toch waagde zij het eindelijk en vroeg twintig sous. Maar dat bracht Hortense’s wanhoop tot het uiterste.
“Op mijn woord, ik heb geen centime in huis. Daarnet heb ik voor de kinderen tien sous van de meid geleend. Eergisteren heb ik op de bank van leening op een ringetje tien francs gekregen. En zoo is het altijd tegen het eind van de maand … Chrétiennot krijgt vandaag zijn traktement en komt vroeg thuis om mij het geld voor het middageten te brengen. Ik beloof je, dat ik je morgen wat zal sturen, als ik kan.”
Maar op dat oogenblik kwam de meid, die wist, dat mijnheer niets van de familie van zijn vrouw hebben moest, binnenvliegen.
“Madame, madame, ik hoor mijnheer de trap opkomen.”
“Ga gauw weg,” riep Hortense uit. “Anders zou ik weer een scène krijgen … Als ik kan, morgen, dat beloof ik je.”
Madame Théodore moest zich in de keuken verstoppen, om niet door Chrétiennot gezien te worden. Zij keek den mageren, kleinen man met zijn ijdel, smal gezicht en zijn grooten, gesoigneerden baard na; hij was als altijd correct gekleed en droeg een nauwsluitende overjas. Zijn veertien bureaujaren hadden hem al uitgedroogd, en zijn hartstocht, om uren lang in een café in de buurt te zitten, gaf hem den genadeslag.