VIJFDE BOEK
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
Guillaume wilde ook de executie van Salvat bijwonen; en Pierre, die zich niet gerust gevoelde, omdat hij hem niet van dat plan af had kunnen brengen, bleef ’s avonds in Montmartre, om er met hem heen te gaan. Vroeger, toen hij abbé Rose op zijn liefdadigheidsbezoeken vergezelde, had hij meermalen gehoord, dat men uit een huis op den hoek van de rue Merlin, waarin de socialistische afgevaardigde Mège woonde, de guillotine zien kon. Hij had zich dus als gids aangeboden, en daar de terechtstelling ’s ochtends tegen half vijf plaats zou hebben, gingen de beide broeders niet naar bed, maar bleven, half dommelend en slechts enkele woorden wisselend, in het groote atelier zitten. Tegen twee uur gingen zij weg.
De nacht was wonderlijk kalm en helder. In den wijden, lichten hemel scheen de volle maan als een zilveren lamp en goot haar stil droomachtig licht over het slapende Parijs, dat zich in onmetelijke verten scheen te verliezen. Men had kunnen denken het visioen van een betooverde stad van den slaap voor zich te hebben, waaruit in de uitputting van haar moeheid geen gemurmel meer opsteeg. Een meer van zachtheid en rust bedekte haar, wiegde haar in slaap en dempte tot aan het opgaan der zon het bruisen van haar arbeid en haar lijdenskreet, terwijl men in een afgelegen voorstad druk en in het geheim bezig was een guillotine op te richten, om een mensch te dooden.
In de rue Saint-Eleuthère bleven Pierre en Guillaume staan kijken naar het droomerige, nevelige, bevende, als door een sprookjesachtige schemering overgoten Parijs. Toen zij zich omdraaiden, zagen zij in het licht der volle maan de, hoewel de koepel haar nog niet kroonde, toch reeds reusachtige massa der basilica van den Sacré-Cœur. Zij scheen in dit heldere witte licht, dat de scherpe kanten tegen de groote zwarte schaduwen afteekende en daardoor accentueerde, nog grooter te worden. Zoo gezien, was zij onder den bleeken, nachtelijken hemel als een reusachtige, trotsche, uitdagende bloem. Nog nooit was zij Guillaume zoo geweldig voorgekomen, nog nooit had zij Parijs, zelfs niet in zijn sluimering, met een zoo hardnekkige en verpletterende macht beheerscht.
En dit gevoel was zóó sterk en zóó pijnlijk, dat Guillaume hardop zeide:
“Ja, zij hebben hun plaats goed gekozen! Hoe stom, dat men hen die heeft laten nemen … Ik ken geen grooteren onzin: Parijs gekroond en beheerscht door dezen tot verheerlijking van het absurde gebouwden afgodentempel! Welk een onbeschaamdheid, welk een klap in het aangezicht van de rede na zooveel arbeid, zooveel eeuwen van wetenschap en strijd! En dat juist tegenover, boven ons groot Parijs, de eenige stad in de wereld, wier voorhoofd men niet met deze vlek had mogen bezoedelen!… Te Lourdes of te Rome, à la bonne heure! Maar in Parijs, in dit zoo diep omgeploegde veld der intelligentie, waarin de toekomst kiemt! Dat is de oorlogsverklaring, dat is de brutaal erkende hoop op verovering!”
Pierre zweeg en keek eveneens naar de door de maan beschenen basilica, welke als een reusachtige sprookjesvesting oprees om de aan haar voeten sluimerende stad te verpletteren en te veroveren. Toen hij er in den laatsten tijd als met zijn marteling strijdend ongeloovig priester zijn mis las, had zij hem zooveel pijn gedaan. En op zijn beurt begon hij:
“Het nationale geloftegeschenk, ja, het nationale geloftegeschenk van arbeid, gezondheid, kracht en zedelijke verheffing!… Maar zoo vatten zij het niet op. Frankrijk heeft de nederlaag geleden, omdat het verdiende gestraft te worden. Het was schuldig en moet heden boete doen. Waarvoor? Voor de Revolutie, voor een eeuw van vrij onderzoek en wetenschap, voor zijn bevrijde rede, voor zijn arbeid van initiatief en bevrijding, dat zich naar de vier hoeken der wereld verspreid heeft … Daarin bestond de ware schuld, en slechts om ons voor onzen grooten arbeid, voor al de veroverde waarheden, voor onze grooter geworden kennis, voor de nu nabije gerechtigheid te laten boeten, hebben zij daar dien reusachtigen grenssteen gezet, welken Parijs van alle kanten zien zal, maar niet zien kan zonder zich in zijn werk en in zijn roem miskend en beleedigd te gevoelen.”
Met een breed gebaar wees hij op het in het maanlicht als in een zilveren laken slapende Parijs en liep dan met zijn broeder verder de heuvels af naar de nog zwarte en verlaten straten.
Tot den buitenboulevard toe ontmoetten zij geen levende ziel; maar daar hield het leven nooit op; de wijnrestaurants, de café’s, de danshuizen hadden hun deuren nauwlijks gesloten of de op de straat geworpen ontucht en ellende zetten daar haar nachtelijk leven voort. Daar vond men allen, die geen woning hadden, de snollen, die op zoek waren naar de een of andere slaapstee, de vagebonden, die op de banken sliepen, de zwervers, die hun slag trachtten te slaan. Dank zij het medeplichtig duister borrelde de modder, en daarmede het geheele lijden, uit de onderste lagen van Parijs naar de oppervlakte. De ledige straten behoorden aan de brood- en daklooze hongerlijders, voor wie in het volle daglicht geen plaats is, behoorden aan deze wriemelende, verwarde, wanhopige massa, die alleen maar ’s nachts te voorschijn kwam. Welk een spoken van de vreeselijkste ontbering; welk een ver gesteun als van een doodsstrijd rees uit Parijs op in dezen ochtend, waarop men bij het aanbreken van den dag een mensch zou guillotineeren, ook een van dezen, een arme dus een lijdende!
Toen Guillaume en Pierre de rue des Martyrs afliepen, zag de eerste op een bank een ouden man liggen, wiens bloote voeten uit smerige, gapende schoenen staken; met een zwijgend gebaar wees hij ernaar. Enkele passen verder maakte Pierre een zelfde gebaar naar een jong meisje, dat, in lompen gehuld, met open mond tegen een deur zat te slapen. Zij behoefden elkander niet te zeggen welk medelijden, welke woede hun hart in opstand bracht. Nu en dan kwamen twee politieagenten voorbij: schudden de ongelukkigen wakker, dwongen ze op te staan en weer verder te loopen. Ook wel namen zij, wanneer ze hun verdacht voorkwamen of niet gauw genoeg gehoorzaamden, hen mede naar een politiepost. En dan ontstond naast de ellende van deze onterfden de wrok, de besmetting der cachotten, die dikwijls van een eenvoudigen vagebond een dief of een moordenaar maakte.
In de rue des Martyrs en in de rue du Faubourg-Montmartre veranderde het beeld der nachtelijke bevolking, en de beide broeders kwamen nu nog slechts late nachtwandelaars tegen, vrouwen, die langs de huizen slopen, mannen en vrouwen, die elkander sloegen. Verder op de groote boulevards zag men mannen, die uit de clubs kwamen; heeren staken op den drempel van hooge, zwarte huizen, waarin slechts de vensters van één verdieping den nacht verlichtten, hun sigaar aan. Een dame in avondtoilet en met een grooten mantel aan, liep langzaam met een vriendin voort. Enkele rijtuigen reden nog rond; andere stonden al uren lang als dood, terwijl de koetsier en het paard sliepen. Naarmate zij verder op de boulevards kwamen—de boulevard Bonne-Nouvelle na den boulevard Poissonnière en de andere, de boulevard Saint-Denis, de boulevard Saint-Martin tot de Place de la République—begon de ellende en het lijden weer: verlatenen en hongerlijders, al het afval van de menschheid, die in den nacht op straat geworpen waren; maar reeds verscheen het leger der straatvegers, om het vuil van den vorigen dag weg te nemen en te maken, dat Parijs zich niet over al de op één dag opgehoopte onreinheid zou behoeven te schamen.
Maar vooral toen de broers na den boulevard Voltaire de wijken la Roquette en Charonne naderden, voelden zij, dat zij weer in een omgeving van den arbeid kwamen, waarin dikwijls gebrek was aan brood en het leven een smart is. Pierre voelde zich hier dadelijk weer heelemaal thuis, want van die lange, volkrijke straten was er niet één, die hij niet honderdmaal doorloopen had, wanneer hij met den goeden abbé Rose de radeloozen bezocht, zijn aalmoezen bracht en de kleinen uit de goot opraapte. Al de drama’s, die hij medegemaakt had, alle kreten, tranen en al het bloed, al de vaders, moeders en kinderen, die van gebrek, onreinheid en verwaarloozing stierven, rezen als een vreeselijk visioen voor hem op. In die vreeselijke sociale hel had hij ten slotte zijn laatste hoop achtergelaten, was hij zelf snikkend gevlucht, overtuigd, dat barmhartigheid niets meer dan een tijdpasseering der rijken, belachelijk en nutteloos is. En nu hij dezen ochtend de nog even treurige, de nog eeuwig aan de ellende gewijde wijk terugzag, kwam datzelfde gevoel met buitengewone kracht weer in hem terug. Was de oude man, dien abbé Rose op een avond weer tot het leven teruggeroepen had, niet den vorigen dag van honger gestorven? Was hij het meisje, dat hij zelf na den dood van haar ouders in zijn armen had medegenomen, later niet eens tegengekomen, toen zij gilde onder de vuist van een souteneur? Met legioenen waren de ongelukkigen, die niet meer gered konden worden, te tellen! Welk een benauwend zwijgen, welk een diepe duisternis heerschte in deze arbeidersstraten, waarin de slaap de trouwe makker van den dood schijnt te zijn! De honger sluipt door de straten, het ongeluk jammert, spookachtige, onduidelijke gestalten loopen voorbij en verliezen zich in de donkerte.
Hoe verder Guillaume en Pierre kwamen, des te meer stootten zij op donkere menschengroepen. De geheele kudde nieuwsgierigen bewoog zich stampvoetend in de richting van de guillotine. Zij stroomden uit alle hoeken van Parijs samen, als voortgestuwd door een koortsachtigen drang naar dood en bloed. Maar ondanks het doffe stampen van deze menigte bleven de straten donker, werd geen enkel venster aan de voorzijde verlicht, hoorde men zelfs niet het ademen van de door uitputting gebroken arbeiders, die eerst later bij de ochtendschemering van hun jammerlijke lijdenssponden zouden opstaan.
Toen zij op de place Voltaire kwamen en Pierre de menigte zag, die zich daar reeds verdrong, begreep hij, dat het onmogelijk was in de rue de la Roquette te komen. Bovendien zou die straat natuurlijk afgezet zijn. Toen kwam hij op het denkbeeld om verderop de achter de gevangenis om loopende rue de la Folie-Regnault te nemen, ten einde van daaruit op den hoek van de rue Merlin te komen.
En inderdaad was het daar eenzaam en donker. De ontzaglijke massa der gevangenis met haar groote, kale, door de maan beschenen muurvlakten scheen niet meer dan een koude, sedert eeuwen doode steenhoop. Aan het einde van de straat kwamen zij weder in een menigte, in een dichte, wriemelende menigte, waarin slechts de bleeke vlekken der gezichten te onderscheiden waren. Met groote moeite drongen zij door tot het huis, dat Mège op den hoek van de rue Merlin bewoonde. Maar de luiken op de vierde verdieping—Mège’s etage—waren hermetisch gesloten, terwijl voor al de andere ramen, die wijd openstonden, zich hoofden bewogen en beneden het wijnrestaurant propvol met menschen zat, die in afwachting van het schouwspel een lawaai als een oordeel maakten.
“Ik durf niet aankloppen bij Mège,” zeide Pierre.
“Neen, neen, geen quaestie van!” riep Guillaume. “Laten we hier maar binnengaan. We zullen van het balkon af wel kunnen zien.”
De zaal op de eerste verdieping had een groot balkon, dat reeds dicht met dames en heeren bezet was. Toch gelukte het den broers zich ertusschen te dringen en zij bleven daar eenige oogenblikken staan en trachtten het donker in de verte te doorboren. Tusschen de twee gevangenissen, de groote en de kleine Roquette, verbreedde de oploopende straat zich tot een soort vierkant plein, dat door vier platanengroepen, die naast de trottoirs geplant waren, beschaduwd werd. De lage gebouwen, de kwijnende boomen, de geheele armzalige, leelijke omgeving scheen zich op gelijke hoogte met de aarde uit te strekken onder den onmetelijken hemel, waarin, nu de maan ter kimme ging, de sterren weer verschenen. Het plein was geheel ledig; slechts meer naar achteren was een zwakke, onduidelijke beweging waar te nemen, terwijl twee rijen gardes de menigte in bedwang hielden en in alle zijstraten terugdreven. Vijf verdiepingen hooge huizen waren er aan de eene zijde slechts op den hoek van de veel te ver verwijderde rue Saint-Maur en aan de andere zijde alleen op de hoeken van de rue Merlin en de rue de la Folie-Regnault, zoodat het zelfs uit de best gelegen vensters bijna onmogelijk was iets van de terechtstelling te zien. De nieuwsgierigen op de straat zagen slechts de ruggen der gardes, wat echter het steeds grooter worden van den menschenstroom, waaruit men het toenemend lawaai hoorde opstijgen, niet belette.
Dank zij de gesprekken van de dames, die reeds lang over den rand van het balkon lagen te loeren, konden de twee broeders eindelijk toch iets zien. Het was half vier en de guillotine moest reeds opgericht zijn. Die flauwe, onduidelijk zich bewegende gestalten voor de gevangenis onder de boomen waren de beulsknechten, die de valbijl vastmaakten. Een lantaarn ging langzaam op en neer, vijf of zes schaduwen dansten op den grond. Verder echter was er niets te zien; het plein geleek op een groot, donker gat, waartegen van alle kanten de onophoudelijk sterker wordende golfslag der bruisende, onzichtbare menigte sloeg. Aan den anderen kant zag men niets dan de als vuurtorens hel verlichte wijnrestaurants. De armzalige arbeiderswijk sliep nog, de werkplaatsen en stellingen bleven donker, uit de hooge, koud geworden fabrieksschoorsteenen pluimde nog geen rook.
“Wij zullen niets zien,” zeide Guillaume.
Maar Pierre gaf hem een teeken om te zwijgen. Hij had in een eleganten heer, die dicht naast hem stond, den vriendelijken afgevaardigde Dutheil herkend en meende vast, dat hij in gezelschap was van de kleine prinses de Hardt, die, daar hij haar medegenomen had naar het proces, nu ook heel goed bij de terechtstelling kon zijn. Doch weldra zag hij, dat de dicht tegen hem aan gedrukte, warm ingestopte jonge vrouw de mooie Silviane met haar madonnagezichtje was. Trouwens zij verborg zich heelemaal niet, maar zij begon hardop te praten, zoodat de beide broeders al heel gauw op de hoogte waren. Blijkbaar was zij dronken. Duvillard, Dutheil en andere vrienden zaten met haar aan het souper, toen zij plotseling om een uur hoorde, dat Salvat terechtgesteld zou worden en den inval kreeg, om daarnaar te gaan kijken. Vergeefs had Duvillard getracht haar van haar plan af te brengen, en daar hij ditmaal woedend wegging, daar het hem tegen de borst stuitte getuige te zijn van de terechtstelling van den man, die zijn hôtel in de lucht had willen laten vliegen, had zij Dutheil alles beloofd wat hij zou willen, indien hij haar luim bevredigde. Hoewel hij een afschuw had van alle akelige tooneelen, had zijn vurige, steeds weer teleurgestelde begeerte naar Silviane de overwinning behaald.
“Hij snapt niet, dat je zoo iets aardig vindt,” zeide zij, sprekend over den baron. “Maar enfin, morgen ligt hij toch weer aan mijn voeten.”
“De vrede is dus weer gesloten?” vroeg Dutheil. “Heb je hem, sedert je verbintenis aan de Comédie geteekend is, zijn rechten als heer en meester weer teruggegeven?”
“Wat, de vrede?” riep zij uit. “Geen quaestie van, versta je? Ik heb eenmaal gezworen: niet zóóveel, alvorens mijn debuut plaats gehad heeft … Wanneer ik ’s avonds van het tooneel af kom, zullen we verder zien.”
Beiden lachten zij. Om haar het hof te maken, vertelde Dutheil hoe Dauvergne, de nieuwe minister van Openbaar Onderwijs en Schoone Kunsten dadelijk alles in het werk gesteld had om de moeilijkheden, welke tot nog toe de deuren van de Comédie voor haar luim en de wanhopige pogingen van Duvillard gesloten hielden, uit den weg te ruimen. Een charmant iemand, die Dauvergne, een hand als fluweel, het sieraad en de bloem zelf van dit zeer populaire ministerie, welks ijzeren vuist de vreeselijke Monferrand was.
“Hij zeide, lieve vriendin, dat een mooi meisje overal op haar plaats is.”
En toen zij zich gevleid tegen hem aan drukte:
“En overmorgenavond dus de reprise van Polyeucte, waarin je zult triompheeren … Wij komen je allemaal toejuichen.”
“Ja, overmorgen, juist op denzelfden dag, dat de baron zijn dochter uithuwelijkt. Dat zal een dag vol emoties worden.”
“Waarachtig, dat is zoo, dien dag trouwt onze vriend Gérard met mademoiselle Camille Duvillard. De menschen zullen zich eerst in de Madeleinekerk verdringen en dan in de Comédie. Ja, je hebt gelijk, er zullen dien dag in de rue Godot-de-Mauroy heel wat hartkloppingen zijn.”
Weer begonnen zij te lachen en met een afschuwelijke ruwheid en meedoogenlooze toespelingen grappen te maken over den vader, de moeder, den minnaar en de dochter.
“Zeg beste jongen, het begint me hier aardig te vervelen. Ik zie niets en ik zou vlak bij willen zijn, om goed te kunnen zien … Je moest me naar de guillotine brengen.”
Dat bracht hem in verlegenheid, te meer daar zij op dat oogenblik Massot op straat zag en hem met gebaren en luide woorden riep. Van het balcon naar het trottoir ontwikkelde zich een heel gesprek.
“Niet waar Massot, een afgevaardigde heeft overal toegang en kan een dame brengen waar hij wil?”
“Geen quaestie van! Massot weet heel goed, dat een afgevaardigde zich meer nog dan een ander voor de wet buigen moet.”
Bij dien uitroep van Dutheil begreep de journalist, dat hij het balkon niet verlaten wilde.
“Neen, u hadt een uitnoodiging moeten hebben, mevrouw. Dan had men u een plaatsje gegeven voor een der ramen van de Petite-Roquette. Een vrouw mag nergens anders komen … Maar u behoeft u heusch niet te beklagen; u hebt daar een prachtig plaatsje.”
“Maar ik zie heelemaal niets, beste Massot.”
“U zult in ieder geval meer zien dan prinses de Hardt, die ik in haar rijtuig in de rue du Chemin-Vert gezien heb, dat de politie niet door wil laten.”
Dit nieuwtje bracht Silviane weer in een goede luim, terwijl Dutheil nog beefde om de netelige positie, waarin hij zich bevonden had; want Rosemonde zou, als zij hem met een andere vrouw gezien had, ongetwijfeld een vreeselijke scène gemaakt hebben. Plotseling kreeg hij den inval om voor zijn mooie vriendin, zooals hij haar noemde, een flesch champagne en gebak te laten komen. Zij verging van den dorst en vond het heerlijk, dat zij zich, toen een kellner erin geslaagd was een tafeltje naast haar neer te zetten, verder kon bedrinken. Nu was alles even aardig en chic! Weer opnieuw te kunnen drinken en eten in afwachting van den dood van den man, die strakjes geguillotineerd zou worden.
Guillaume en Pierre konden niet langer blijven. Wat zij hoorden en zagen, vervulde hen met walging. Langzamerhand had de verveling van wachten alle nieuwsgierigen in de zaal en op het balkon in drinkers veranderd. De kellner had geen handen genoeg om bier, wijn, biscuits, ja zelfs koud vleesch rond te dienen. En toch waren er slechts rijke heeren uit de bezittende klasse, het gewone elegante publiek. Maar men moet den tijd, wanneer hij lang valt, wel dooden; vroolijk gelach, flauwe en wreede grappen, een heel koortsachtig lawaai steeg in den sigarenrook op. Toen de twee broers het lokaal op den rez-de-chaussée doorliepen, vonden zij daar hetzelfde gedrang, hetzelfde tumult terug, dat nog erger werd door de kerels in arbeiderspakken, die aan de als zilver glanzende toonbank wijn met liters tegelijk dronken. De kleine tafeltjes waren ook bezet; het was een voortdurend komen en gaan van mannen uit de lagere klassen, die hun dorst kwamen lesschen. En wat voor mannen waren het! Het schuim, het plebs, al de werkeloozen, die op zoek naar wat werk van af den morgenstond rondzwerven!
Buiten op de straat leden Guillaume en Pierre nog meer. In de door de gardes in bedwang gehouden menigte zag men hier slechts de opgewoelde modder van het uitschot van Parijs: de prostitutie en de misdaad, de toekomstige moordenaars, die zien wilden hoe men sterven moet. Vuile snollen met loshangende haren renden door de menigte heen onder het zingen van de liederlijkste refreinen. Andere bandieten stonden in groepjes te praten en twistten over de glorierijke wijze, waarop beroemde geguillotineerden gestorven waren.
Omtrent één waren zij het allen volkomen eens; zij spraken over hem als over een groot veldheer, als een held van onsterfelijken moed. In het voorbijgaan vingen de broeders brokstukken van vreeselijke zinnen, schandelijke fanfaronnades, van bloed druipende vuilheden op. En over dat alles lag een bestiale koorts, een bronstigheid van den dood, die dit volk tot razernij bracht: het warme, roode bloed moest nu toch maar gauw vloeien, opdat men het op den grond kon zien stroomen, erin rondtrappelen kon. Maar bij deze terechtstelling, welke niet die van een gewoon man was, kwamen ook zwijgende mannen met koortsachtig brandende oogen, die in een zichtbare overprikkeldheid, waarin men den besmettelijken waanzin van de wraak in het martelaarschap grooter voelde worden, rondslopen.
Guillaume dacht juist aan Victor Mathis, toen hij hem onder nieuwsgierigen, die het cordon der gardes in bedwang hield, meende te ontdekken. Hij stond daar in de eerste rij met zijn mager, baardeloos, bleek gezicht naast een groot, rossig, druk gesticuleerend meisje; hij bewoog zich niet, zeide geen woord en hield zijn ronde, vurige, de duisternis doordringende, strakke nachtvogeloogen op de gevangenis gericht. Een garde duwde hem ruw weg, maar geduldig en als met haat verzadigd drong hij weer naar voren, daar hij ondanks alles wilde zien, om te trachten nog meer te haten.
Toen Massot ditmaal Pierre zonder soutane zag, verwonderde hij zich in het geheel niet, maar zeide heel vroolijk:
“Zoo, mijnheer Froment, ook nieuwsgierig om het te zien?”
“Ja, ik ben met mijn broer medegekomen, maar ik ben bang, dat we niet veel zullen zien.”
“Zeker, als u hier blijft.”
En onmiddellijk voegde hij er als bekend journalist, voor wien alle consignes niet gelden en die graag zijn macht laat zien, welwillend aan toe:
“Wilt u met mij mede gaan? Ik ken toevallig den commissaris heel goed.”
Zonder het antwoord af te wachten, sprak hij dezen laatste aan en vertelde hem levendig en met drukke gebaren, dat het twee collega’s waren, die hij medegebracht had. Eerst aarzelde de commissaris, wilde weigeren. Dan maakte hij in de heimelijke vrees, welke de politie altijd voor de pers heeft, een moe, toestemmend gebaar.
“Komt gauw mede,” zeide Massot en trok de beide broeders voort.
Verbaasd zagen dezen, dat het politiecordon zich plotseling voor hen opende; zij waren nu op de groote, vrij gehouden ruimte. Het was voor hen, die uit de lawaaierige menigte kwamen, alsof er onder die kleine platanen een doodsche stilte en eenzaamheid heerschte. De nacht verbleekte, de schemering van het morgenrood begon als een fijne asch van den hemel te regenen.
Nadat Massot de broeders dwars over het plein gebracht had, bleef hij met hen voor de gevangenis staan en ging voort:
“Ik ga nu naar binnen, want ik wil het opstaan en het toilet maken zien. Gaat u beiden maar wat rondloopen en kijken; niemand zal u iets vragen. Straks ben ik weer bij u.”
In de schaduw stonden ongeveer een honderd personen, journalisten en nieuwsgierigen. Aan beide zijden van den korten, geplaveiden weg, die van de poort der Roquette naar de guillotine leidde, had men palen geslagen, zooals men ze in den schouwburg voor een queue neerzet. Er stonden reeds menschen tegen aan geleund, om zoo dicht mogelijk bij den veroordeelde te zijn, wanneer hij langs zou komen. Anderen liepen langzaam op en neer, terwijl zij fluisterend spraken. De beide broers kwamen dichterbij.
Onder de takken stond onder het teere groen van de eerste bladeren de guillotine. Eerst zagen zij niets dan deze; zij werd verlicht door een gaslantaarn, waarvan de vlam geel leek in den ontwakenden dag. Men was juist klaar gekomen met het opslaan, zonder dat iets anders te hooren was dan de doffe hamerslagen. De beulsknechten liepen in zwarte gekleede jassen en met hooge hoeden geduldig op en neer. Maar zij zelf—hoe gemeen en schandelijk zag zij eruit, zooals zij daar als een vuil dier plat op den grond lag, alsof zij zelf walgde van het werk, dat zij straks verrichten moest. Was dat het toestel, dat de maatschappij wreken, een voorbeeld stellen moest! Deze enkele balken vlak bij den grond, waarop twee andere korte, drie meter hooge balken, welke de valbijl tegenhielden, zich verhieven. Waar was dan het rood geschilderde schavot, waarheen een trap van tien treden leidde, dat een paar reusachtige, bloedige armen uitstrekte, de toegestroomde menigte beheerschte en het volk den afschrik van de kastijding durfde laten zien. Maar in den laatsten tijd was het dier ter aarde geworpen en daardoor gemeen, gluiperig en laf geworden. Den dag, waarop de menschelijke gerechtigheid in de armzalige rechtzaal een mensch ter dood veroordeelde, was zij zonder eenige majesteit geweest; thans op den verschrikkelijken dag, waarop zij hem terechtstelde, was het niet meer dan een afschuwelijke slachterij met behulp van de meest barbaarsche en afstootelijke werktuigen.
Guillaume en Pierre keken ernaar, terwijl afschuw en walging hun geheele wezen opwoelden. Langzamerhand werd het lichter en kwam de omgeving duidelijk uit: eerst het plein met de twee lage en grijze gevangenissen tegenover elkander, dan de verder af gelegen huizen, de wijnrestaurants, de grafsteen- en bloemenwinkels, welke hier door de nabijheid van Père-Lachaise in grooten getale gevonden werden. Men begon nu in een breeder geworden kring duidelijk de zwarte lijn der menigte te zien, de vensters en de balkons, waarop het wriemelde van hoofden; ja tot op de daken toe zaten de menschen. De kleine Roquette was in een soort tribune voor de genoodigden veranderd. In het midden van de groote, vrij gehouden ruimte bewogen zich langzaam bereden gardes. Maar de hemel werd hoe langer hoe lichter en aan gene zijde der menigte, in de geheele wijk langs de breede, eindelooze straten ontwaakte de arbeid. Langzamerhand begon men een snuiven te hooren; de machines in de gebouwen hervatten hun werk en uit het woud der hooge schoorsteenen, welke overal uit de duisternis oprezen, kronkelde reeds de rook.
Toen voelde Guillaume, dat de guillotine in dat stadsdeel der ellende volkomen op haar plaats was als een eindpunt en een bedreiging. Leidden de onwetendheid, de armoede en het lijden niet tot haar? Had zij niet ieder maal, dat zij te midden van deze werkstraten opgeslagen werd, tot taak de onterfden, de door de eeuwige ongerechtigheid verbitterde en de tot verzet steeds bereide hongerlijders in toom te houden? Men zag haar niet in de wijken van rijkdom en genietingen; dezen behoefde men geen schrik aan te jagen; daar zou zij in al haar vreeselijke afzichtelijkheid nutteloos en bezoedelend voorkomen. Het tragische, het verschrikkelijke was, dat deze man, die, van ellende krankzinnig, de bom geslingerd had, nu hier op dit plein der ellende geguillotineerd zou worden.
Nu was de dag geboren; het moest tegen half vijf zijn. De opgewonden menigte daar in de verte voelde de minuut naderen. Een rilling huiverde door de lucht.
“Hij komt dadelijk,” zeide de kleine Massot, die weer uit de gevangenis kwam. “Hij houdt zich buitengewoon flink.”
Hij schilderde het ontwaken, het binnenkomen in de cel van den directeur der gevangenis, van den rechter van instructie Amadieu, van den geestelijke en van enkele andere personen, de manier, waarop Salvat, die in een diepen slaap lag, bij den eersten oogopslag dadelijk alles begreep en, hoewel bleek, onmiddellijk zichzelf volkomen meester was. Hij had zich zonder hulp aangekleed en het glas cognac en de sigaret, die de geestelijke hem aangeboden had, geweigerd, evenals hij het crucifix met een zacht, maar beslist gebaar ter zijde had geschoven. Zonder dat er een woord gesproken werd, had men vlug zijn handen achter zijn rug gebonden, zijn beenen met een los touw gebonden en zijn hemd tot aan zijn schouders uitgesneden. Hij glimlachte, toen men hem moed insprak, en richtte zich, alleen uit vrees voor een nerveuze zwakte, in zijn volle lengte op. Hij had nog slechts één verlangen, waarin zijn geheele wezen zich spande: hij wilde als held sterven, de martelaar blijven van het vurige geloof aan waarheid en gerechtigheid, waarvoor hij stierf.
“Zij zijn nu bezig het protocol op te maken,” vertelde Massot verder. “Kom wat dichter bij en ga tegen de palen staan, wanneer u hem van dichtbij wilt zien … Wilt u wel gelooven, dat ik bleeker ben en meer beef dan hij. Ik geloof, dat ik nergens meer gevoelig voor ben; maar enfin, een mensch, die sterven gaat, is niet zoo’n heel vroolijke aanblik … U weet niet wat voor pogingen men gedaan heeft, om hem te redden. Een deel der pers heeft gratie gevraagd. Maar het heeft niet mogen gelukken; de terechtstelling scheen onvermijdelijk te zijn, zelfs in de oogen van degenen, die haar als een fout beschouwden. En toch had men een zoo roerende gelegenheid hem genade te verleenen, toen zijn dochtertje, de kleine Céline, aan den president der Republiek den mooien brief geschreven heeft, welken ik het eerst in den Globe gepubliceerd heb … Dat is een brief, die er zich op beroemen kan mij bekend gemaakt te hebben.”
Bij het hooren van den naam van Céline voelde Pierre, die door het wachten op het vreeselijke schouwspel van streek was, de tranen in zijn oogen komen. Hij zag het kleine meisje met de berustende en melancholieke madame Théodore weer voor zich in het koude, kleine kamertje, waarin de vader niet meer terugkomen zou. Daaruit was hij op een ochtend vol woede met een ledige maag en brandende hersenen weggegaan en nu was hij hier aangekomen—tusschen de beide balken onder de valbijl.
Massot bleef bijzonderheden mededeelen en vertelde nu hoe woedend de doktoren waren, dat men het lijk niet onmiddellijk na de terechtstelling aan hen geven zou. Maar Guillaume luisterde niet meer naar hem. Op de houten palen leunend wachtte hij en staarde steeds door naar de gevangenisdeur. Een beven bewoog zijn handen, zijn gezicht had een zoo angstige uitdrukking, als moest hij zelf terechtgesteld worden. De beul was te voorschijn gekomen, een klein mannetje met een boos gezicht, die eruit zag als had hij haast. In een groep van andere heeren wezen de omstanders elkaar den chef van den Veiligheidsdienst Gascogne met zijn streng ambtenaarsgezicht en den rechter van instructie Amadieu, die glimlachte en ondanks het vroege uur reeds zeer zorgvuldig toilet gemaakt had. Hij kwam uit plicht en gewichtigdoenerij, als na het vijfde bedrijf van een beroemd drama, waarvan hij zich den schrijver waande. Uit de menigte steeg een luid lawaai op, en toen Guillaume een oogenblik opkeek, zag hij onder den bleekblauwen hemel, waaraan de zon weer triomphantelijk opstijgen zou, de beide grijze gevangenissen, de platanen in haar voorjaarskleed, de met menschen volgepropte huizen.
“Daar heb je hem! Let op!”
Wie had het geroepen? Een zacht, dof geluid, het knarsen van een opengaande deur, deed alle harten beven. Men zag niets meer dan zich uitrekkende halzen en starre blikken. Alles ademde moeilijk. Salvat stond op den drempel. Toen de geestelijke, achterwaarts loopend, voor hem uitging, om de guillotine aan zijn blik te onttrekken, bleef hij staan, want hij wilde haar zien, haar leeren kennen voor er naar toe te loopen. Rechtopstaande liet hij nu zijn naakten hals zien, zijn lang, oud geworden, door het al te ruwe leven doorgroefd gezicht, waarin zijn vlammende, droomerige oogen brandden. Een geestdrift hief hem als het ware op; hij stierf voor zijn ideaal. Toen de beulsknechten naar hem toekwamen, om hem te steunen, weigerde hij dit opnieuw. Met kleine pasjes en zoo vlug en zoo hoog opgericht als het touw, waarmede zijn beenen gebonden waren, het toeliet, liep hij voort.
Plotseling voelde Guillaume de oogen van Salvat op de zijne rusten. Onder het voortloopen had de veroordeelde hem gezien en herkend; toen hij op nauwlijks twee meter afstand langs hem ging, glimlachte hij flauwtjes en boorde zijn blik zóó diep in hem, dat Guillaume het branden daarvan steeds voelen zou. Wat voor een laatste gedachte, wat voor een uiterste wilsbeschikking liet hij hem ter overpeinzing, ter uitvoering misschien, na? Het was zoo pijnlijk, dat Pierre, bang, dat zijn broer het onwillekeurig uit zou schreeuwen, zijn hand op diens arm legde.
“Leve de anarchie!”
Salvat had het uitgeschreeuwd, maar de veranderde, verstikte stem verklonk in de diepe stilte. De enkele aanwezigen verbleekten, de verre menigte was als gestorven. Midden in de groote, vrij gehouden ruimte hoorde men het paard van een garde hinniken.
Nu volgde een voorbeeldeloos ruw en schandelijk tooneel. De beulsknechten stortten zich op Salvat, die langzaam en met opgeheven hoofd voortschreed. Twee pakten hem bij zijn hoofd, vonden echter slechts weinige haren en konden dat slechts in de laagte krijgen door aan zijn nek te gaan hangen; intusschen grepen twee anderen zijn beenen en wierpen hem ruw op de plank die begon te wankelen. Met stooten werd het hoofd in het gat gedrongen. Dan viel de bijl met een zwaren en doffen schok. Twee bloedstralen sprongen uit de doorgesneden aderen, terwijl de beenen zich krampachtig bewogen. Anders zag men niets. De beul wreef zich werktuigelijk in zijn handen, terwijl een knecht het afgesneden, van bloed druipende hoofd uit de kleine mand nam, om het in de groote te leggen, waarin het lichaam reeds door een ruk geworpen was.
O, die doffe, die zware schok van de bijl! Guillaume had hem in de verte, in de geheele wijk der ellende en van den arbeid hooren weerklinken tot in de armzalige kamers, waarin op dat oogenblik duizenden arbeiders opstonden voor hun harde dagtaak. Die schok kreeg hier een vreeselijke beteekenis, sprak de verbittering over de ongerechtigheid uit, den waanzin van het martelaarschap, de smartelijke hoop, dat het vergoten bloed de overwinning der onterfden zou verhaasten.
Boven het plein, boven de menigte hing de wijde stilte van den helderen hemel. Hoe lang had het vreeselijke geduurd? Een eeuwigheid misschien, twee of drie minuten in werkelijkheid. Eindelijk ontwaakten de menschen, schudden met bevende handen, bleeke gezichten en oogen vol medelijden, afschuw en vrees de nachtmerrie van zich af.
“Dus weer een … Dat is de vierde, wien ik een kopje kleiner maken zie,” zeide Massot, die zich allesbehalve op zijn gemak gevoelde. “Ik houd per slot van rekening toch meer van huwelijksplechtigheden… Laten we gaan; ik kan nu mijn artikel schrijven.”
Werktuigelijk volgden Guillaume en Pierre hem, staken het plein over en bevonden zich weer op den hoek van de rue Merlin. Dan zagen zij precies op dezelfde plek Victor Mathis met zijn vlammende oogen in zijn bleek en zwijgend gelaat staan. Hij kon niets duidelijk gezien hebben; maar de schok van de bijl weerklonk nog in zijn hersens. Een agent duwde hem weg en schreeuwde hem toe door te loopen; door een plotselinge woede geschokt, keek hij hem een oogenblik aan, als wilde hij hem naar de keel vliegen. Dan verwijderde hij zich kalm en ging de rue de la Roquette in, aan het einde waarvan men in het licht der opgaande zon de groote boomen van Père-Lachaise zag.
De twee broeders echter vielen midden in een scène, die zij tegen hun zin bijwoonden. Prinses de Hardt kwam eindelijk, nu het schouwspel ten einde was; haar woede was des te grooter, nu zij bij de deur van het wijnrestaurant haar nieuwen vriend Dutheil in gezelschap van een vrouw zag.
“Jij bent ook een mooie, om me zoo in den steek te laten! Het is onmogelijk om met je rijtuig erbij te komen; ik moest te voet door al dat plebs gaan en me laten beleedigen en uitjouwen.”
Wel wetend, wat hij deed, stelde hij haar onmiddellijk aan Silviane voor en fluisterde haar daarna in, dat hij een vriend een dienst bewees door met haar mede te gaan. Rosemonde, die reeds lang van verlangen brandde om de actrice te leeren kennen—de over haar loopende geruchten van haar beruchte liefdesavonturen hadden haar waarschijnlijk geprikkeld—werd dadelijk kalm en buitengewoon vriendelijk.
“Ik had zoo gaarne dat schouwspel met een artiste van uw gaven gezien; ik bewonder u zoo, zonder dat ik het u nog ooit heb kunnen zeggen.”
“U hebt niet veel verloren door uw late komst! We stonden boven op het balcon en ik heb niets gezien dan mannen, die een anderen voortduwden … Het was de moeite niet waard ervoor te komen.”
“Enfin, nu wij eenmaal kennis gemaakt hebben, hoop ik, dat u mij toe zult staan uw vriendin te zijn.”
“Zeker, ook mij zal het een genoegen en een eer zijn de uwe te mogen zijn!”
Hand in hand glimlachten zij tegen elkaar. Silviane dronken, maar toch haar rein Madonnagezichtje terugvindend, terwijl Rosemonde koortsachtig was door een nieuwe nieuwsgierigheid, want zij wilde alles, zelfs dat, proeven.
Dutheil, nu weer geheel opgelucht, had nog slechts het verlangen, om Silviane naar huis te brengen, ten einde te trachten beloond te worden voor zijn welwillendheid. Hij hield Massot, die juist aankwam, staande en vroeg hem, of hij een standplaats voor rijtuigen wist. Maar reeds bood Rosemonde het hare aan, zeide, dat de koetsier in een zijstraat wachtte, en stond er op eerst de actrice en daarna den afgevaardigde thuis te brengen. Ondanks zijn wanhoop moest hij het wel goed vinden.
“Dus tot morgen in de Madeleine,” zeide Massot vroolijk weer, terwijl hij de prinses de hand gaf.
“Ja, tot morgen, in de Madeleine en in de Comédie.”
“Dat is waar ook,” riep hij uit, terwijl hij Silviane’s hand kuste, “’s Morgens in de Madeleine en ’s avonds in de Comédie … Wij zullen voor een groot succes zorgen.”
“Daar reken ik op … Tot morgen.”
“Tot morgen.”
De menigte verspreidde zich roezemoezig, moe, met een soort teleurstelling en onbehaaglijk gevoel. Enkele geestdriftigen bleven nog om den wagen, die het lijk van den terechtgestelde weg zou brengen, te zien vertrekken, terwijl de in het volle daglicht weggeteerd uitziende zwervers en snollen floten en elkaar nog een laatste liederlijkheid toeriepen. Vlug takelden de beulsknechten de guillotine af. Weldra zou het plein weer zijn gewone aanzien hebben.
Nu wilde Pierre ook Guillaume, die, door den doffen bijlslag als verdoofd, nog geen woord gezegd had, medenemen. Vergeefs wees hij met zijn hand naar de luiken van Mège’s woning, die te midden van al de andere wijd geopende ramen in den gevel van het hooge huis hardnekkig gesloten waren gebleven. Dit was, hoewel hij de anarchisten vervloekte, ongetwijfeld een protest van den socialistischen afgevaardigde tegen de doodstraf. Terwijl de menigte naar het vreeselijke schouwspel toestroomde, lag hij met zijn gezicht naar den muur gekeerd te droomen op welke wijze hij ten slotte de menschheid dwingen zou onder de gebiedende wet van het collectivisme gelukkig te zijn. Het verlies van een kind had zijn arm vaderhart een zwaren slag toegebracht. Hij hoestte veel, maar wilde toch leven. Wanneer hij nu door een interpellatie het ministerie-Monferrand ten val gebracht had, zou hij aan het bewind komen, de guillotine afschaffen en volkomen gerechtigheid en volkomen geluk decreteeren.
“Zie je wel, Guillaume,” herhaalde Pierre zacht, “Mège heeft zijn ramen niet opengemaakt. Toch een flinke kerel, al mogen onze vrienden Bache en Morin hem niet.”
En toen zijn broeder, geheel in gedachten verdiept, niet antwoordde:
“Kom, wij moeten naar huis.”
Beiden sloegen nu de rue de la Folie-Regnault in en kwamen door de rue du Chemin-Vert op de buitenboulevards. Op dit uur was in het heldere licht van de opgaande zon eindelijk de geheele wijk aan het werk; de lange, aan beide zijden met lage werkplaatsen en fabrieken begrensde straten leefden op in het lawaai der stoomketels, terwijl de rookpluimen der hooge, door de eerste zonnestralen vergulde schoorsteenen rose werden. Vooral op den boulevard Ménilmontant kregen zij een indruk van de exodus der arbeiders naar Parijs, die voortduurde op den boulevard de la Belleville, op den boulevard de la Villette, den boulevard de la Chapelle tot den heuvel van Montmartre en den boulevard Rochechouart. Steeds en steeds weer nieuwe scharen arbeiders en arbeidsters. Later kwamen de kleine ambtenaren, de fatsoenlijke armoede in jas en broek, heeren, die onder het harde voortloopen hun stukje brood opaten, vervolgd werden door den angst, dat zij hun huur niet zouden kunnen betalen, en niet wisten waarvan vrouw en kinderen tot aan het laatst der maand moesten eten. De zon steeg aan den horizont; de geheele mierenhoop was naar buiten gekomen, de werkdag begon weer met zijn voortdurende verspilling van energie, moed en lijden.
Nooit had Pierre de noodzakelijkheid van den verzoenenden en reddenden arbeid zoo duidelijk beseft. Reeds bij zijn bezoek aan de fabriek Grandidier en later toen hij zelf behoefte aan bezig zijn voelde, had hij al tegen zichzelf gezegd, dat daarin de wereldwet moest liggen. Maar welk een straal van hoop was het na dezen verschrikkelijken nacht, na dit vergoten bloed van den in den waanzin van zijn droom vermoorden arbeider de zon weer te zien opkomen en den eeuwigen arbeid zijn taak te zien opnemen. Zou, hoe verpletterend deze arbeid, hoe monsterachtig de onrechtvaardige verdeeling zijn mocht, toch die arbeid niet eenmaal gerechtigheid en geluk scheppen?
Plotseling zagen de beide broeders, toen zij de steile helling opgingen, boven hun hoofden tegenover zich de verheven en triomphantelijke basilica van den Sacré-Cœur. Het was niet meer een door de maan beschenen sprookjesverschijning, een spook der heerschappij, dat zich voor het nachtelijk Parijs verhief. De zon baadde haar in een gouden, trotschen, overwinnenden glans en deed haar in onsterfelijken roem opvlammen.
Guillaume, die nog steeds zwijgend verder liep en nog den laatsten blik van Salvat in zich voelde, scheen plotseling tot een definitief besluit te komen: hij keek haar met zijn brandende oogen aan en sprak het doodvonnis over haar uit.
II.
De inzegening van het huwelijk zou om twaalf uur plaats vinden, maar reeds een half uur te voren hadden de uitgenoodigden de met een buitengewone luxe gedecoreerde, met groene planten versierde en met bloemengeur doorbalsemde kerk gevuld. Op het hoofdaltaar brandden duizend kaarsen, terwijl de wijd openstaande deurvleugels in het felle zonlicht het met palmen vol staande voorportaal, de met een breeden looper belegde treden en de nieuwsgierige menigte, die zich op het plein tot in de rue Royale opgehoopt had, lieten zien.
Dutheil, die nog drie stoelen voor laatkomende dames gevonden had, zeide tegen Massot, die de namen in zijn reportersboekje opschreef:
“Wie nu nog verder komen, zullen moeten blijven staan.”
“Wie zijn die drie dames?” vroeg de journalist.
“Hertogin de Boisemont met haar twee dochters.”
“Bliksems, het geheele wapenboek van Frankrijk, de heele financieele en de heele politieke wereld schijnt hier te zijn. Het is nog mooier dan een echt Parijsch huwelijk.”
Inderdaad waren alle maatschappelijke kringen hier vertegenwoordigd. Terwijl de Duvillards de geldkoningen en de politici hier brachten, waren madame de Quinsac en haar zoon vergezeld door de grootste namen der aristocratie. De keuze der getuigen alleen reeds drukte dezen wonderbaarlijken mélange uit: voor Gérard zijn oom, generaal de Bozonnet en markies de Morigny; voor Camille, de groote bankier Louvard, haar neef, en Monferrand, minister van Financiën en minister-president. De rustige uittarting van dezen laatste, die zich onlangs in de zaken van den baron gecompromitteerd had en nu getuige van zijn dochter wilde zijn, omgaf zijn triomf met den glans van onbeschaamdheid. Om de nieuwsgierigheid als het ware nog meer te prikkelen, zou de huwelijksinzegening geschieden door monseigneur Martha, bisschop van Persepolis, agent van de pauselijke politiek in Frankrijk, apostel van het ralliement, de voor het Katholicisme veroverde Republiek.
“Wat zeg ik, een echt Parijsch huwelijk!” herhaalde Massot met een spotlachje. “Dat huwelijk is een symbool. Ja, waarde heer, de apotheose der bourgeoisie: de oude adel offert een van haar zonen op het altaar van het gouden kalf, opdat de goede God en de gendarmen, die weer de meesters van Frankrijk geworden zijn, ons van die schoften van socialisten bevrijden. Trouwens, er zijn geen socialisten meer,” verbeterde hij zich zelf. “Dien hebben ze gisterenavond een kopje kleiner gemaakt.”
Dutheil vond de opmerking heel grappig.
“Maar het is niet makkelijk gegaan,” zeide hij vertrouwelijk. “Heb je vanochtend dat smerige artikel van Sanier gelezen?”
“Ja, ja, maar ik wist het van te voren, iedereen wist het.”
En fluisterend, elkander met een half woord begrijpend, spraken zij verder. Wat de Duvillards betreft, de moeder had den minnaar slechts onder tranen en na een wanhopigen strijd aan haar dochter gegeven, alleen omdat zij Gérard gelukkig en rijk wilde zien, terwijl zij tegenover Camille haar vreeselijken haat van overwonnen mededingster koesteren bleef. Ook madame de Quinsac had een smartelijken tweestrijd moeten voeren; de gravin had in het huwelijk slechts toegestemd, om haar zoon te redden uit het gevaar, waarin hij, zooals zij wist, reeds vanaf zijn jeugd verkeerde. Zij was in haar moederlijke verzaking zóó ontroerend, dat markies de Morigny er zich ondanks zijn verontwaardiging bij neergelegd had getuige te zijn, zoodoende aan de vrouw, die hij steeds lief gehad had, het grootste offer, het offer van zijn geweten, brengend. En deze verschrikkelijke geschiedenis had Sanier dien ochtend onder doorzichtige schuilnamen in de Voix du Peuple verteld—ja, zooals altijd slecht ingelicht en tot leugens steeds bereid, had hij zelfs het middel gevonden, om nog meer vuiligheid eraan toe te voegen, want voor het succes van zijn verkoop was het noodig, dat de dagelijks door hem geopende goot een onophoudelijk zich verdikkende en steeds vergiftigde modder uitdruipen liet. Sedert de overwinning van Monferrand hem gedwongen had het schandaal der Afrikaansche sporen te laten rusten, wierp hij zich op particuliere schandalen, bezoedelde hij families, die hij tot op het hemd toe uitkleedde.
Plotseling vloog Chaigneux op hen af; zijn half versleten rok was nauwelijks toegeknoopt.
“En hoe staat het met uw artikel over Silviane, mijnheer Massot? Het is nu toch goed afgesproken, dat het in de courant komt?”
Duvillard was op het denkbeeld gekomen Chaigneux, die altijd te koop en altijd bereid was als lakei dienst te doen, te gebruiken als een drijver voor het aanstaande succes van Silviane. Hij had hem tot haar beschikking gesteld en zij droeg hem allerlei vernederende werkjes op, dwong hem heel Parijs af te loopen om een claque aan te werven en triompheerende kritieken te krijgen. Zijn oudste dochter was nog niet getrouwd; nog nooit hadden zijn vier vrouwen zoo zwaar op hem gedrukt; het was een ware hel—ja, hij werd zelfs geslagen, wanneer hij den eersten van iedere maand geen duizend francs thuis bracht.
“Mijn artikel,” antwoordde Massot, “zal niet in de courant komen, waarde afgevaardigde. Fonsègue vindt, dat er voor den Globe te veel ophemeling in voorkomt. Hij heeft mij gevraagd of ik wel wist voor welk blad ik het geschreven had.”
Chaigneux werd doodsbleek. Het was een van te voren, uit een mondain oogpunt geschreven artikel over het succes, dat Silviane ’s avonds in Polyeucte in de Comédie zou behalen. Om haar een pleizier te doen, had de journalist het haar zelf voorgelezen; zij was erover in de wolken en rekende er vast op het nu gedrukt in een van de meest ernstige bladen van Parijs te lezen.
“Lieve Hemel, wat moet er van ons worden?” mompelde de ongelukkige afgevaardigde. “Het artikel moet in de courant komen.”
“Ik zou niets liever zien. Maar spreek er zelf met den patroon over … Kijk daar staat hij tusschen Vignon en Dauvergne, den minister van Onderwijs.”
“Dat zal ik zeker … Maar niet hier. Strakjes in de sacristie, bij de gelukwenschen … Dan zal ik ook Dauvergne zien te spreken, want Silviane staat erop, dat hij vanavond in de ministersloge zit. Monferrand komt ook, hij heeft het aan Duvillard beloofd.”
Massot begon te lachen en herhaalde de grap, die na het engagement der actrice de rondte door geheel Parijs gemaakt had.
“Het ministerie Silviane … Dat is hij zijn peet wel schuldig.”
Maar op dat oogenblik vloog de kleine prinses de Hardt als een wervelstorm naar hen toe.
“Weet u, dat ik geen plaats heb?” riep zij.
Dutheil dacht, dat zij hier een goeden stoel wilde hebben.
“Reken niet op mij. Ik kan er niets meer aan doen. Ik heb de grootste moeite gehad hertogin de Boisemont en haar twee dochters een plaats te geven.”
“Neen ik spreek over de voorstelling van vanavond … Je moet me, het koste wat het wil, een hoekje in een loge geven. Het zou beslist mijn dood zijn, als ik onze onvergelijkelijke, onze heerlijke vriendin niet zou kunnen toejuichen.”
Sedert zij Silviane na de terechtstelling van Salvat thuis gebracht had, legde zij een onstuimige bewondering voor haar aan den dag.
“U zult geen enkele plaats meer vinden,” verklaarde Chaigneux gewichtig. “Alles is uitverkocht. Ze hebben me tot driehonderd francs voor een fauteuil geboden.”
“Dat is zoo, tot zelfs om de klapstoeltjes is gevochten,” voegde Dutheil eraan toe. “Het spijt mij vreeselijk, maar reken niet op mij … Alleen Duvillard zou u een plaatsje in zijn loge kunnen geven. Hij heeft mij gezegd, dat hij er een voor mij zou reserveeren. Maar ik geloof, dat wij maar met ons drieën zijn, zijn zoon inbegrepen … Vraag dadelijk aan Hyacinthe of hij u laat inviteeren.”
Rosemonde, die op een avond, dat Hyacinthe haar doodelijk verveelde, in de armen van den afgevaardigde gevallen was, begreep de ironische bedoeling heel goed, maar riep toch verrukt uit:
“Ja, dat kan Hyacinthe mij niet weigeren! Dank je wel voor de inlichting, beste jongen. Je bent een aardig ventje, je weet op alles raad!… En vergeet niet, dat je mij beloofd hebt mij de politiek te leeren. O, ik voel, dat ik mij nooit voor iets zoo hartstochtelijk geïnteresseerd heb als voor de politiek.”
Zij ging weg, drong door de menigte heen en wist ondanks alles ten slotte nog een plaatsje op de eerste rij te bemachtigen.
“Een leuke wildzang!” mompelde Massot.
Toen Chaigneux den rechter van instructie Amadieu tegemoet vloog, om hem onderdanig te vragen of hij zijn fauteuil ontvangen had, fluisterde de journalist den afgevaardigde in:
“Zeg, is het waar, dat Duvillard beginnen wil met dien beruchten spoorweg door de Sahara? Een reusachtige onderneming: het gaat ditmaal over honderden en nogmaals honderden millioenen … Gisterenavond haalde op de courant Fonsègue zijn schouders ervoor op, zeide, dat het krankzinnigenwerk was, dat hij er niet aan geloofde.”
“Dat zaakje komt in orde. Voor we acht-en-veertig uur verder zijn, zal Fonsègue de voeten van den baron kussen,” zeide Dutheil met een schertsend knipoogje.
En vroolijk gaf hij te verstaan welk een gouden manna weer neer zou vallen op de trouwe vrienden, op alle mannen van goeden wil. Wanneer de storm voorbij is, schudt de vogel zijn vleugels. En in de vroolijke zekerheid van het te verwachten geschenk was hij opgewekt en spraakzaam, als had de affaire met de Afrikaansche sporen hem nooit wanhopig gemaakt.
“Bliksems,” zeide Massot, nu ernstig geworden; “dit is dus meer dan een triomf; het is de belofte van een nieuwe oogst. Dan is het ook niet te verwonderen, dat men hier elkaar half dood dringt.”
Op dat oogenblik hief het orgel een triomphantelijk begroetingslied aan. Eindelijk betrad de stoet de kerk. Terwijl deze plechtig in het heldere zonlicht de treden besteeg, ontstond onder de menigte, die tot in de rue Royale stond en het rijtuig- en omnibusverkeer stremde, een luid lawaai. Nu trad hij onder de hooge, echoënde gewelven en schreed tusschen de twee dicht op elkander gedrukte rijen genoodigden naar het hoofdaltaar. Allen waren opgestaan, allen rekten, glimlachend en brandend van nieuwsgierigheid, hun halzen uit.
Eerst schreed, achter den prachtig uitgedosten kerkdienaar, Camille aan den arm van haar vader, baron Duvillard, die trotsch en hoogmoedig als een overwinnaar liep. Zij, gehuld in een sluier van bewonderenswaardige Alençon-kant, welke vastgehouden werd door een diadeem van oranjebloesem, in een japon van geplisseerde zijden mousseline op een onderkleed van wit satijn, was zóó gelukkig, straalde zóó in het bewustzijn van haar overwinning, dat zij bijna knap leek. Zij liep rechtop; het was nauwelijks zichtbaar, dat haar linkerschouder hooger was dan haar rechter. Dan volgde Gérard met zijn moeder, gravin de Quinsac, aan zijn arm: hij zeer mooi en correct, zij voornaam en waardig in haar pauwblauw met staal- en goudparelen bestikt zijden kleed. Maar vooral was het wachten op Eve; iedereen rekte zich uit, toen zij aan den arm van generaal de Bozonnet, een der getuigen en den naasten bloedverwant van den bruidegom, verscheen. Zij droeg een kleed van vieux rose taffetas met Valenciennes-kant van onschatbare waarde; nooit had zij er jonger en blonder uitgezien. Toch zeiden haar oogen, dat zij geweend had, ofschoon zij zich tot een lachje dwong. Met de lijdende gratie van haar geheele persoonlijkheid deed zij aan een weduwe denken, verried zij het smartelijke offer, dat zij met het opgeven van den geliefden man gebracht had. Hierop kwamen de drie andere getuigen, ieder met een dame aan hun arm. Monferrand vooral, die zeer vroolijk en zonder eenige majesteit met zijn dame, een kleine, lichtzinnig uitziende brunette, lachte, werd opgemerkt. In den eindeloozen, plechtigen stoet liep ook nog Hyacinthe, wiens kostuum met de symmetrisch geplooide rokspanden bijzonder in het oog viel.
Nadat het bruidspaar voor de voor hen bestemde bidstoelen en de beide families op de groote, roodfluweelen en vergulde fauteuils plaats genomen hadden, begon de ceremonie met buitengewone pracht. De pastoor der Madeleine officieerde zelf; zangers van de Opera versterkten het koor voor de gezongen mis, die het orgel met een voortdurend jubellied begeleidde. Al de luxe, alle mogelijke mondaine en kerkelijke pracht werd ten toon gespreid, als had men van dit huwelijk een openbaar feest, een overwinning, de apotheose van een klasse willen maken. Ja, zelfs de onbeschaamdheid en het uittartende van dit verschrikkelijke, aan iedereen bekende en op deze wijze geafficheerde huiselijke drama gaf aan de plechtigheid den glans van een afschuwelijke grootschheid. Doch vooral voelde men dit, toen monseigneur Martha, in koorhemd en stola, zelf het huwelijk kwam inzegenen.
Hoog opgericht, blozend en frisch, glimlachte hij half en sprak de sacramenteele woorden met de verheven zalving van een hoogepriester, die gelukkig is de twee groote rijken, wier erfgenamen hij vereenigde, te verzoenen. Met ongeduld verbeidde men zijn toespraak tot de jonggehuwden. Hij overtrof er zichzelf in; zij werd een triomf voor hem. Had hij in deze kerk niet de moeder gedoopt, de nog zoo mooie blonde Eve, de door hem tot het Katholieke geloof bekeerde Jodin? Had hij niet in deze kerk zijn drie beroemde causerieën over den nieuwen geest gehouden, waarvan, naar zijn meening, het bankroet der wetenschap, het ontwaken van het Christelijk spiritualisme, de verzoeningspolitiek, die uitloopen moest op de verovering der Republiek, het gevolg was. Hij mocht zich wel de vrijheid veroorlooven zich met fijne toespelingen met zijn werk geluk te wenschen, nu hij een armen zoon der aristocratie verbond met de vijf millioen van deze burgerlijke erfgename, in wie de overwinnaars van 1789, die thans meesters der macht waren, triompheerden. Alleen de bedrogen, bestolen vierde stand, het volk, maakte het feest niet mede.
Monseigneur Martha bezegelde in deze echtgenooten het nieuwe verbond, verwezenlijkte de politiek van den paus, den heimelijken drang van het Jezuïtische opportunisme, dat de democratie, de macht en het geld verbindt, om er zich dan meester van te maken. In zijn peroratie wendde hij zich tot den glimlachenden Monferrand en scheen het woord tot hem te richten, toen hij het jonge paar een geheel in de vrees van God opgaand leven van Christelijken deemoed en Christelijke gehoorzaamheid toewenschte. Hij bezwoer de ijzeren hand Gods, de ijzeren vuist, als die van den gendarm, welke belast is met de handhaving van den wereldvrede. Iedereen was op de hoogte van de diplomatieke verstandhouding tusschen den bisschop en den minister; er moest het een of ander geheim verdrag bestaan, waardoor beiden hun autoritairen hartstocht, hun heerschzucht bevredigen konden.
“Wat zou de oude Justus Steinberger pleizier hebben, als hij zag, dat zijn kleindochter trouwde met den laatsten de Quinsac!” fluisterde Massot, die bij Dutheil was blijven staan.
“Maar zulke huwelijken zijn juist goed,” antwoordde de afgevaardigde. “Het is de mode. Joden, Christenen, bourgeoisie en adel hebben alle reden om zich te vereenigen, ten einde de nieuwe aristocratie te vormen. We hebben er een noodig, anders zou het volk ons boven het hoofd groeien.”
Massot moest desniettemin lachen om het gezicht, dat Justus Steinberger gezet zou hebben, als hij monseigneur Martha gehoord had. Inderdaad liep het gerucht, dat de oude Joodsche bankier sedert de bekeering van zijn dochter Eve, met wie hij niet meer omging, zich voor alles, wat zij zeide of deed, interesseerde, als zag hij in haar meer dan ooit een wapen van wraak en verovering tegen deze Christenen, van wier verwoesting zijn ras, naar men zeide, droomde. Nu hij Duvillard, door haar aan hem tot vrouw te geven, niet, zooals hij gehoopt had, had kunnen veroveren, troostte hij zich blijkbaar met het buitengewone geluk van zijn bloed, dat zich nu vereenigde met dat van zijn vroegere hardvochtige meesters, welke daardoor geheel ten gronde gericht werden. Was dat niet de definitieve overwinning der Joden, waarover men sprak?
Een laatste triomflied van het orgel besloot de plechtigheid. De beide families en de getuigen gingen naar de sacristie, waar de trouwacte geteekend werd en de gelukwenschen in ontvangst genomen werden.
Intusschen bleven de menschen staan en vormden zich opgewekt pratende groepjes. Monferrand werd dadelijk door velen omringd. Massot maakte er Dutheil op opmerkzaam hoe onderdanig de advocaat-generaal Lehmann hen kwam begroeten. Bijna onmiddellijk daarna verschenen de rechter van instructie Amadieu en ook de vice-president van het Hof de Larombardière, hoewel deze laatste een der laatste getrouwen van den salon der gravin was. Zij waren de vleiende en gehoorzame leenmannen der regeering, die bevordert, benoemt en afzet. Men beweerde, dat Lehmann in de zaak der Afrikaansche spoorwegen Monferrand een grooten dienst bewezen had, door sommige dossiers te laten verdwijnen. En had men den glimlachenden, door en door Parijschen Amadieu niet het hoofd van Salvat te danken?
“Die drie komen hun bedankje halen voor hun geguillotineerde van gisteren,” prevelde Massot. “Monferrand is dien ongelukkige wel grooten dank verschuldigd, want eerst heeft hij met zijn bom den val van het ministerie verhinderd, en later, toen het er om ging een man te vinden, wiens vuist sterk genoeg was om het anarchisme te worgen, heeft hij hem het voorzitterschap van den ministerraad verschaft. Wat een strijd, hè: Monferrand aan den eenen en Salvat aan den anderen kant! Een hoofd moest ten slotte vallen! Hoor, zij praten er nu over!”
Inderdaad werden de drie magistraten, die den almachtigen minister gingen begroeten, door dames, wier nieuwsgierigheid door de verslagen in de bladen koortsachtig geprikkeld was, uitgevraagd. Amadieu, die qualitate qua de terechtstelling bijgewoond had, gaf antwoord, blij, dat hij nog eenmaal gewichtig doen kon, en vastbesloten, dat, wat hij de legende van den heldenmoed van Salvat noemde, te vernietigen. Volgens hem had die misdadiger volstrekt geen waren moed getoond; slechts trots had hem staande gehouden; maar hij was zoo bang en angstig geweest, dat hij reeds dood was alvorens hij onder de bijl kwam.
“Ja, dat is de waarheid,” riep Dutheil. “Ik was er bij.”
Massot trok hem aan zijn arm, verontwaardigd, hoewel hij altijd met alles spotte.
“Jij hebt er niets van gezien. Salvat is zeer dapper gestorven; het is gemeen dezen armen drommel tot in den dood te bezoedelen.”
Maar deze voorstelling van Salvat’s laffen dood was veel te vleiend voor de ijdelheid van vele menschen. Het was als het ware het laatste brandoffer, dat men, om Monferrand aangenaam te zijn, aan diens voeten legde. Hij bleef kalm lachen als een dapper man, die slechts wijkt voor de noodzakelijkheid. Zeer vriendelijk toonde hij zich ten opzichte van de drie magistraten, die hij bedanken wilde voor de dapperheid, waarmede zij hun taak tot het einde toe vervuld hadden. Den vorigen dag had hij, na de terechtstelling, in de Kamer een overweldigende meerderheid verkregen. Overal heerschte orde, alles ging in Frankrijk zoo goed als het maar gaan kon. Toen Vignon, die als kalm speler de huwelijksplechtigheid bij had willen wonen, naderbij kwam, sprak de minister hem aan en fêteerde hem, deels uit coquetterie, deels uit taktiek, daar hij ondanks alles nog steeds bang was, dat de naaste toekomst aan dezen zoo intelligenten jongen man zou toebehooren. Toen een gemeenschappelijke vriend hun mede kwam deelen, dat het met Barroux’ gezondheid heel slecht stond en de doktoren aan zijn herstel wanhoopten, deden zij heel meewarig. Die arme Barroux! Sedert de zitting, waarin hij gevallen was, nam hij van dag tot dag af: de ondankbaarheid van het land trof hem midden in zijn hart; hij stierf aan de afschuwelijke beschuldiging van geschacher en diefstal—hij, die zoo rechtschapen, zoo eerlijk was, die zijn leven voor de Republiek gegeven had!
“Maar wie bekent ook?” herhaalde Monferrand. “Het publiek begrijpt dat niet.”
Op dat oogenblik kwam Duvillard, zijn vaderrol in den steek latend, naar hen toe; van nu af aan werd de triomf van den minister nog grooter door den zijne. Was hij niet de meester, was hij niet het geld, de eenige vaste, eeuwige macht, die boven deze ééndaagsche macht, boven die zoo snel van hand tot hand gaande ministerportefeuilles stond? Monferrand regeerde en zou verdwijnen; Vignon zou regeeren en verdwijnen—Vignon, die reeds aan zijn voeten lag, daar hij zeer goed wist, dat men zonder de millioenen der financieele mannen niet regeeren kan. Was hij dus niet de eenige triomphator, die voor vijf millioen een zoon der aristocratie kocht, die als het ware de belichaming van de almachtig geworden bourgeoisie geworden was, die heerschte als onbeperkt koning, als meester van den algemeenen rijkdom en niets daarvan wilde prijsgeven, zelfs niet onder het springen van bommen. Dit feest was zijn feest; hij alleen zette zich aan het festijn, weigerde toe te stemmen in een nieuwe deeling, nu hij alles veroverd had, alles bezat en nog slechts tegen zijn zin aan de arme drommels van arbeiders, die de Revolutie vroeger bedrogen had, de kruimels van zijn tafel overliet.
Van dit oogenblik af was de zaak der Afrikaansche spoorwegen nog slechts een oude, in een commissie begraven, weggegoochelde zaak. Al degenen, die erin gecompromitteerd waren, de Dutheils, de Chaigneux, de Fonsègue’s lachten in hun vuistje, nu zij bevrijd waren door de ijzeren vuist van Monferrand en mede omhoog geheven werden door den triomf van Duvillard. Het gemeene artikel van Sanier, dat de Voix du Peuple dien ochtend gepubliceerd had, die vuile onthullingen, telde zelfs niet meer mede; men haalde er slechts zijn schouders voor op, zoo moe was het met modder gevoede, met onthullingen en laster oververzadigde publiek al die sensatie-schandalen geworden. Nog slechts één koortsachtige gruweling maakte zich van de menigte meester; het gerucht van het eerstdaags tot stand komen van de beroemde Trans-Sahara-baan, die millioenen op de trouwe vrienden zou doen regenen.
Terwijl Duvillard amicaal met Monferrand en Dauvergne, die zich bij hen gevoegd had stond te praten, zeide Massot fluisterend tegen zijn hoofdredacteur Fonsègue:
“Dutheil heeft mij daareven verteld, dat hun Trans-Sahara-baan klaar is en ze de zaak in de Kamer zullen wagen. Zij zeggen zeker te zijn van het succes.”
Maar Fonsègue was skeptisch gestemd.
“Onmogelijk; zij zullen niet zoo gauw opnieuw durven beginnen.”
Toch had de tijding hem ernstig gemaakt. Ten gevolge van zijn onvoorzichtigheid met de Afrikaansche sporen was hij zoo bang geworden, dat hij zichzelf gezworen had in den vervolge zijn voorzorgsmaatregelen te nemen. Maar dat behoefde niet zoo ver te gaan, om zich buiten alle zaken te houden. Men moest wachten, ze bestudeeren, maar mededoen, aan alles mededoen.
Juist toen hij naar den groep van Duvillard en de twee ministers keek, zag hij een ronselen van Chaigneux, die in de sacristie recruten werven bleef voor de tooneelvoorstelling van dien avond. Hij stak den loftrompet over Silviane, wakkerde de nieuwsgierigheid aan, voorspelde een enorm succes. Dan ging hij naar Dauvergne en zeide, terwijl zijn lange ruggegraat in tweeën boog:
“Waarde minister, ik moet u een verzoek doen uit naam van een schoone dame, wier overwinning vanavond niet volkomen zijn zou, wanneer u u niet verwaardigt uw goedkeuring daaraan te hechten.”
Dauvergne, een mooie, groote, blonde man met achter een lorgnet glimlachende blauwe oogen luisterde met de grootste welwillendheid. Hij had als minister van Openbaar Onderwijs veel succes, hoewel hij absoluut niets wist van de universiteit; maar als echt Parijzenaar uit Dijon was hij, naar men zeide, uiterst taktvol en handig, gaf feesten, waarop zijn jonge en zeer bekoorlijke vrouw schitterde, en ging als een verlicht vriend van schrijvers en kunstenaars door. Het engagement van Silviane aan de Comédie, tot nog toe zijn voornaamste werk, dat iederen anderen minister ten val gebracht zou hebben, had hem door een zeldzamen samenloop van omstandigheden populair gemaakt. Men vond dat iets onverwachts en amusants.
Toen hij begrepen had, dat Chaigneux alleen maar zekerheid wilde hebben, dat hij ’s avonds in zijn loge in de Comédie zou zitten, werd hij dubbel vriendelijk.
“Maar dat spreekt van zelf, waarde heer. Wanneer je een zoo bekoorlijk petekind hebt, laat je haar in de ure des gevaars niet in den steek.”
Monferrand, die met één oor geluisterd had, draaide zich plotseling om.
“Zeg haar, dat ik ook van plan ben te komen, zoodat zij twee vrienden meer in de zaal zal hebben.”
Duvillard boog verrukt en met van ontroering en dankbaarheid schitterende oogen, alsof de ministers hem persoonlijk een onvergetelijken dienst bewezen.
Nu eerst kreeg Chaigneux, die zelf eveneens hartelijk bedankt had, Fonsègue in het oog. Hij vloog naar hem toe en nam hem wat ter zijde.
“O, waarde collega, die zaak moest beslist in orde komen. Zij is van het allerhoogste belang.”
“Maar wat dan?” vroeg Fonsègue verbaasd.
“Dat artikel van Massot natuurlijk, dat je niet wilt opnemen.”
Ronduit verklaarde de directeur van den Globe, dat het artikel niet opgenomen zou worden. Hij verdedigde de waardigheid en den ernst van zijn blad: voor een courant, waarvan hij met zooveel moeite een voornaam orgaan van onaanvechtbare moraliteit gemaakt had, zouden dergelijke loftuitingen op een snol, ja een gewone snol, bezoedelend en bevuilend schijnen. Overigens lachte hij om de heele zaak, sprak in ruwe termen over Silviane, zeide, dat zij gerust in het openbaar haar rokken op mocht lichten, daar had hij niets tegen. Maar de Globe was iets heiligs.
“Kom, waarde collega, doe het alleen maar om mij een genoegen te doen,” drong Chaigneux wanhopig aan. “Als het artikel niet in de courant komt, zal Duvillard denken, dat het mijn schuld is. En u weet, dat ik hem noodig heb. Het huwelijk van mijn dochter zal er weer door uitgesteld worden—ik weet waarachtig niet meer wat ik doen moet.”
En toen hij zag, dat zijn persoonlijk ongeluk Fonsègue volkomen koud liet:
“Maar in uw eigen belang dan, waarde collega, in uw eigen belang. Duvillard heeft het artikel gelezen en juist omdat het zoo ophemelend is, staat hij erop, dat het in den Globe verschijnt. Bedenk toch, dat hij zeker met u breken zal.”
Een oogenblik bleef Fonsègue zwijgen. Dacht hij aan den Trans-Sahara-spoorweg? Zeide hij tot zichzelf, dat het hard zou zijn op dit oogenblik oneenigheid te krijgen, zijn deel niet te ontvangen bij de aanstaande verdeeling onder de trouwe vrienden? Maar de gedachte, dat hij voorzichtig moest zijn en afwachten, behaalde blijkbaar de overwinning.
“Neen, neen, ik kan niet, het is een gewetensquaestie.”
Intusschen bleven de gelukwenschen toestroomen. Het leek wel, alsof geheel Parijs defileerde. En steeds weer dezelfde glimlachende gezichten, dezelfde handdrukken. Het jonge paar en de beide families moesten, hoewel doodmoede, een verrukt gezicht blijven zetten. De hitte werd ondragelijk, een fijn stof steeg op van den bodem als bij het voorbijtrekken van groote kudden.
De kleine prinses de Hardt, die God weet waar en God weet waarmede zich verlaat had, sprong plotseling te voorschijn, viel Camille om den hals, gaf ook Eve een zoen en hield Gérard’s handen in de hare, terwijl zij hem overdreven complimenten maakte. Dan zag zij Hyacinthe, maakte zich van hem meester en nam hem mede in een hoek.
“Ik heb je iets te vragen.”
Hyacinthe zeide dien dag geen woord. Het huwelijk van zijn zuster vond hij een verachtelijke, onzegbaar vulgaire ceremonie. Weer eene en weer een, die deze vuile en gemeene wet der geslachten erkenden en de menschelijke absurditeit der wereld vereeuwigden. Hij had dan ook besloten het huwelijk zwijgend en met een hautain, afkeurend uiterlijk bij te wonen.
Ongerust keek hij Rosemonde aan, want hij was blij met haar gebroken te hebben, vreesde, dat de een of andere luim haar weer tot hem terugbrengen zou. Voor de eerste maal zeide hij dien dag iets.
“Als vriend wil ik alles voor u doen.”
Zij begon te lachen en zeide, dat het haar dood zou zijn, als zij het debuut van Silviane, wier vriendin en hartstochtelijke bewonderaarster zij was, niet zou kunnen bijwonen; zij bezwoer hem aan zijn vader te vragen haar uit te noodigen in zijn loge, waarin, zooals zij wist, nog een plaatsje vrij was.
Nu begon hij bij de gedachte, dat dit een einde van zeldzame en symbolische aesthetiek zou zijn, zelf te glimlachen. Die Silviane zou hem van Rosemonde bevrijden; deze beide vrouwen zouden de onvruchtbare liefde belichamen. Hij was—in naam der schoonheid—voor het éénslachtelijke huwelijk, dat geen kinderen voortbrengt.
“Afgesproken. Ik zal het tegen papa zeggen; er zal een plaats voor je zijn.”
Daar het défilé eindelijk verminderde en de sacristie wat leeggeloopen was, konden het jonge paar en de twee families eindelijk tusschen de roezemoezige menigte, die gedeeltelijk staan bleef, om hen nog eenmaal te zien, ontsnappen.
Gérard en Camille zouden dadelijk na de lunch naar een landgoed, dat Duvillard in Eure bezat, vertrekken. Deze lunch in het op enkele schreden van de Madeleine gelegen koninklijke hôtel in de rue Godot-de-Mauroy gegeven werd, was een nieuwe verrukking. De eetzaal op de eerste verdieping was herschapen in een buffet van wonderbaren overvloed en weelde, terwijl de groote roode salon, de kleine salon in blauw en zilver en al de openstaande luxueuze vertrekken een grootsche receptie mogelijk maakten. Hoewel men gezegd had, dat slechts de intieme vrienden der beide families uitgenoodigd waren, waren meer dan driehonderd personen aanwezig. De ministers hadden zich wegens drukke ambtelijke bezigheden verontschuldigd, maar men zag de journalisten, de magistraten en de afgevaardigden, kortom een groot gedeelte van den stroom, die door de sacristie gevloeid was, terug. Onder de uitgehongerden, die op den aanstaanden buit afkwamen, voelden de enkele gasten van madame de Quinsac zich het allerminst thuis; generaal de Bozonnet en markies de Morigny hadden haar naar een canapé in den grooten rooden salon gebracht en verlieten haar geen oogenblik.
Eve, die gebroken was van moeheid en wier physieke en moreele kracht zoo goed als uitgeput was, had plaats genomen In den kleinen blauwen salon, welken haar hartstocht voor bloemen in een grooten ruiker rozen veranderd had. Zij viel bijna, zij voelde den vloer onder haar voeten beven; maar toch glimlachte zij, zag zij er mooi en bekoorlijk uit, zoo dikwijls een gast haar begroeten kwam. Een onverwachte hulp kreeg zij, toen zij monseigneur Martha zag, die zich verwaardigde de lunch met zijn tegenwoordigheid te vereeren. Hij schoof een fauteuil naast haar en begon op zijn gewone vriendelijke en innemende manier met haar te praten. Ongetwijfeld kende hij het afschuwelijk drama, den vergeefs bestreden zielsangst, die dit arme schepsel verteerde, want hij was vol vaderlijke zorg en troost voor haar. Zij sprak als een ontroostbare weduwe, die van de wereld afstand doet, en liet doorschemeren, dat God alleen nog haar toeverlaat kon zijn. Dan kwam het gesprek op het Oeuvre des Invalides du Travail, en zij zeide vast besloten te zijn haar rol als presidente in den vervolge zeer ernstig op te vatten en zich daaraan geheel te zullen wijden.
“Ik zou u in dit opzicht gaarne een raad vragen, monseigneur … Ik heb iemand noodig, om mij daarbij ter zijde te staan, en ik had gedacht daarvoor een priester te nemen, dien ik bewonder, een echten heilige, abbé Pierre Froment.”
De bisschop werd ernstig en keek verlegen voor zich, toen de kleine prinses, die met Dutheil voorbij kwam, den naam hoorde. Met haar gewone onstuimigheid trad zij op het tweetal toe.
“Abbé Pierre Froment … O ja, dat heb ik u nog niet eens verteld; ik ben hem in jacquet en broek tegengekomen. En zij hebben me verteld, dat hij met een meisje in het Bois de Boulogne fietst … Niet waar Dutheil, we hebben hem gezien.”
De afgevaardigde boog glimlachend, terwijl Eve verschrikt haar handen vouwde.
“Maar dat is niet mogelijk! Zoo’n vurige naastenliefde, zoo’n apostelgeloof!”
Eindelijk kwam de bisschop tusschenbeide:
“Ja, de Kerk wordt dikwijls door diepen rouw getroffen. Ik heb van den waanzin van den ongelukkige, over wien u spreekt, gehoord; ik heb het zelfs mijn plicht geacht hem te schrijven, maar hij heeft mijn brief onbeantwoord gelaten. Ik had zoo gaarne een dergelijk schandaal willen vermijden. Maar er bestaan nu eenmaal van die afschuwelijke krachten, die wij niet overwinnen kunnen. De aartsbisschop heeft dezer dagen het interdict over hem moeten uitspreken … U zult een ander moeten kiezen, madame.”
Het was verschrikkelijk. Eve keek Rosemonde en Dutheil aan, maar durfde geen bijzonderheden vragen; zij kon zich een schepsel, dat het gewaagd had een priester afvallig te maken, niet voorstellen. Zeker de een of andere schaamtelooze deerne, een van die wulpsche schepsels! En het scheen haar toe, dat een dergelijke misdaad haar eigen ongeluk voltooide.
En met een gebaar, dat haar groote luxe, de geurige rozen, waarin zij zich baadde, en de menigte gasten, die zich bij het buffet verdrongen, tot getuigen nam, prevelde zij:
“Ja, overal heerscht bederf. Men kan zich op niemand meer verlaten.”
Op dat zelfde oogenblik was Camille, op het punt met Gérard te vertrekken, alleen in haar jonge meisjeskamer, toen haar broer Hyacinthe bij haar kwam.
“Zoo ben je daar, jongen?… Je moet je haasten, als je me nog een zoen wilt geven … Ik ga dadelijk weg.”
Hij gaf haar een zoen en zeide dan heel pedant:
“Ik had je voor sterker aangezien. Sinds vanochtend toon je een vreugde, die mij tegen de borst stuit.”
Zij bleef hem met een kalme minachting aankijken.
“Je weet heel goed,” ging hij voort, “dat zij je Gérard, dien jij met je oogen verslindt, toch weer ontneemt, zoodra je terug bent.”
Haar wangen werden bleek, haar oogen schoten vuur en met gebalde vuisten kwam zij naar haar broeder toe.
“Zij! Zij zal hem mij weer ontnemen, zeg je?”
Zij spraken over hun moeder.
“Eerder vermoord ik haar, versta je? Laat zij op die vuiligheid niet rekenen, want den man, dien ik eenmaal heb, houd ik … En jou zou ik aanraden je gemeene praatjes voor je te houden, want je weet, dat ik je ken; je bent niet meer dan een snol en een domkop.”
Hij week achteruit, als had een adder haar scherp, zwart kopje voor hem opgericht. En in zijn gewone bangheid voor haar vond hij het beter den terugtocht te aanvaarden.
Terwijl de laatste gasten het buffet bleven plunderen, kwam het jonge paar afscheid nemen alvorens naar het station te vertrekken. Generaal de Bozonnet had een vrij grooten kring om zich verzameld en was weer over den militairen dienstplicht, die hem wanhopig maakte, begonnen; markies de Morigny moest hem terughalen op het oogenblik, dat gravin de Quinsac met bevende handen en zoo ontroerd, dat de markies de vrijheid nam haar te steunen, haar zoon en haar schoondochter Camille omhelsde. Hyacinthe was zijn vader gaan zoeken, dien men nergens vinden kon. Eindelijk ontdekte hij hem in een vensternis in een druk gesprek met Chaigneux, tegen wien hij op een heftige manier tekeer ging; hij was woedend toen hij de gewetensbezwaren van Fonsègue hoorde, want wanneer het artikel niet verscheen, was Silviane in staat het hem alleen te wijten en als straf haar deur weer voor hem te sluiten. Onmiddellijk had hij zijn triomphantelijk uiterlijk weer teruggevonden en snelde toe, om zijn dochter een kus op haar voorhoofd te geven, zijn schoonzoon de hand te drukken en hun beiden op schertsenden toon prettige dagen toe te wenschen. Eindelijk kwam het afscheid van Eve, naast wie monseigneur Martha glimlachend was blijven staan. Zij toonde een ontroerende dapperheid en putte uit haar wil, om tot het einde toe mooi te zijn, een kracht, die haar in staat stelde vroolijk en moederlijk te wezen.
Vol goedheid en waarlijk heldhaftige verzaking nam zij de eenigszins bevende hand van Gérard in de hare en hield die een oogenblik vast.
“Tot ziens, Gérard, blijf gezond en wees gelukkig!”
Dan wendde zij zich tot Camille en kuste haar op beide wangen, terwijl de bisschop met toegeeflijke sympathie naar haar beiden keek.
“Tot ziens, kind!”
“Tot ziens, moeder!”
Maar haar stemmen beefden, haar blikken hadden elkaar als flikkerende zwaarden gekruist, en toen zij elkaar kusten, hadden zij elkaars tanden gevoeld. O, die woede van Camille haar ondanks haar jaren en haar tranen nog altijd mooi en begeerlijk te zien. En welk een marteling voor de moeder te moeten aanschouwen, hoe dat jonge meisje, dat ten slotte overwonnen had, voor eeuwig haar liefde medenam! Wederzijdsche vergiffenis was onmogelijk; zij zouden elkaar haten tot in het familiegraf, waarin zij eenmaal naast elkander rusten zouden.
’s Avonds echter verontschuldigde barones Duvillard zich, om naar de opvoering van Polyeucte te gaan. Zij was moe, wilde vroeg naar bed gaan en huilde den geheelen nacht met haar hoofd in haar kussen.
In de loge van Duvillard, een avant-scène de balcon, zaten dus alleen de baron, Hyacinthe, Dutheil en de kleine prinses de Hardt.
Reeds om negen uur was de zaal gevuld met het gewone roezemoezige, schitterende publiek, dat groote tooneelgebeurtenissen bezoekt. Geheel Parijs, dat ’s ochtends in de sacristie van de Madeleine gedefileerd had, vond men hier terug met dezelfde koortsachtige nieuwsgierigheid, hetzelfde verlangen naar het ongewone en buitenissige; men zag dezelfde gezichten, dezelfde glimlachjes, vrouwen, die elkaar met kleine knikjes van verstandhouding groetten, mannen, die elkander met een woord of een gebaar begrepen. Fonsègue zat met twee bevriende echtparen in de loge van den Globe. In de stalles had de kleine Massot zijn gewonen fauteuil. Ook zag men den rechter van instructie Amadieu, een der trouwe habitués der Comédie, generaal de Bozonnet en advocaat-generaal Lehmann. Maar vooral werd de aanwezigheid van Sanier, den verschrikkelijken Sanier met zijn dikken, apoplectischen kop, opgemerkt, waar hij dienzelfden ochtend nog zoo’n schandelijk artikel geschreven had. Chaigneux, die voor zichzelf slechts een bescheiden klapstoeltje gereserveerd had, liep door alle gangen, vertoonde zich op alle verdiepingen en wakkerde nog voor de laatste maal de geestdrift aan. Toen in de loge tegenover die van Duvillard de twee ministers Monferrand en Dauvergne hun plaatsen innamen, ging er een zacht huiveren door de zaal, kwam er een glimlachje op alle gezichten, want iedereen kende de rol, die zij bij het succes der debutante spelen zouden.
Toch hadden den vorigen dag nog booze praatjes de rondte gedaan: Sanier had verklaard, dat het debuut van Silviane, een algemeen bekende hoer, in de Comédie-Française, en nog wel in de zeer moreele rol van Pauline, een openlijke uittarting van het algemeen schaamtegevoel was. De buitensporige gril van het mooie meisje had trouwens al heel wat stof in de pers opgeworpen. Maar men sprak er nu al een half jaar over en Parijs, dat er al aan gewend was, stroomde in zijn behoefte, om verstrooid te worden, toe. Nog voor het gordijn opging, merkte men aan de stemming in de zaal, dat het publiek vriendelijk gezind en goedlachsch was, bereid om te applaudisseeren, als het vermaakt werd.
En werkelijk was het een buitengewoon schouwspel. Toen Silviane, kuisch gedrapeerd, in de eerste acte optrad, verbaasde zij het publiek door het zuivere ovaal van haar madonnagezichtje met den onschuldigen mond en de vlekkeloos reine oogen. Maar in het bijzonder de manier, waarop zij de rol opgevat had, verbijsterde eerst, maar bekoorde vervolgens. Van af haar vertrouwlijke bekentenis aan Stratonice en haar verhaal van den droom maakte zij van Pauline een mystieke droomgestalte, een soort kerkraamheilige, die de door de wolken rijdende Brünnhilde van Wagner op haar zadel medegenomen hebben zou. Het was volmaakt idioot, tegen alle rede en waarheid in, maar het publiek scheen er zich daardoor des te meer voor te interesseeren. Het volgde daardoor de mode, maar werd bovendien nog meer geprikkeld door het scherpe contrast tusschen deze reine lelie en de deerne met haar ignobele neigingen. Van af dat oogenblik werd het succes van bedrijf tot bedrijf grooter, in het tweede gedurende haar verklaring met Sévère, in het derde in haar scène met Félix, in het vierde in haar tooneel met Polyeucte, om het toppunt te bereiken in de zoo verheven tragische en hartverscheurende scène met Sévère. Een zacht gefluit, waarvan men Sanier verdacht, verzekerde de overwinning. Monferrand en Dauvergne gaven, zooals de couranten berichtten, het sein tot toejuichingen; de geheele zaal geraakte in vuur, Parijs klapte in zijn handen, half uit amusement, half uit ironie. Het huldigde daarbij ook Duvillard en de sterke vuist van het ministerie-Silviane, waarover men in de entr’actes gelachen had.
In de avant-scène van den baron heerschte een koortsachtig gedrang.
“Zeg,” kwam Dutheil vertellen; “die invloedrijke criticus, met wien we eens gesoupeerd hebben, is woedend. Hij blijft volhouden, dat Pauline een burgermeisje is, dat slechts op het laatste oogenblik door het wonder aangeraakt wordt, en dat het een moord is op de rol door haar dadelijk als heilige maagd op te vatten.”
“Laat hij maar kletsen,” zeide Duvillard hoogmoedig, “dan wordt erover gepraat … De hoofdzaak is, dat morgen het artikel van Massot in den Globe komt.”
Maar op dat punt waren de berichten allesbehalve gunstig. Chaigneux, die weer naar Fonsègue gegaan was, vertelde, dat deze ondanks het succes, dat hij belachelijk vond, nog aarzelde. De baron werd boos.
“Ga aan Fonsègue zeggen, dat ik het wil en dat ik een goed geheugen heb.”
Achter in de loge delireerde Rosemonde van enthousiasme.
“Ik smeek je erom, Hyacinthe, breng mij naar de loge van Silviane. Ik kan niet wachten. Ik moet haar een zoen geven.”
“Maar wij gaan er allen heen,” riep Duvillard, die het gehoord had, uit.
De couloirs waren propvol, men verdrong zich tot bij het tooneel. Doch dan deed zich een hinderpaal voor: de deur der loge was gesloten; en toen de baron klopte, antwoordde de kleedster, dat mevrouw den heeren verzocht te wachten.
“O, een vrouw komt er niet op aan,” zeide Rosemonde. en gleed vlug naar binnen. “En jij kan ook binnenkomen, Hyacinthe, dat komt er even weinig op aan.”
Silviane, half naakt, liet haar schouders en haar borst afvegen, zoo warm had zij het. Vol geestdrift vloog Rosemonde op haar af, kuste haar, en in den gloed der vlammende gaslichten en den bedwelmenden geur der bloemen, waarmede het kleine vertrek gevuld was, praatten zij bijna mond tegen mond. Hyacinthe hoorde, hoe zij met van bewondering en hartstocht brandende woorden afspraken elkaar bij den uitgang te zien en dat Silviane ten slotte Rosemonde uitnoodigde een kop thee bij haar te komen drinken.
“Je rijtuig wacht op den hoek van de rue Montpensier, niet?” zeide hij met een welwillend glimlachje tegen de actrice. “Welnu, dan zal ik de prinses daarheen brengen. Dat is wel zoo eenvoudig, dan kunnen jullie samen naar huis rijden.”
“Hoe schattig van je,” riep Rosemonde uit. “Afgesproken.”
De deur ging open; de mannen traden binnen en putten zich uit in loftuitingen. Maar men moest weer gauw terug naar de zaal voor het vijfde bedrijf. Het werd een triomf. Het publiek juichte, toen Silviane het beroemde: “Je vois, je sais, je suis désabusée” met de zielsverrukking van een heilige martelares declameerde. Toen men de artisten terugriep, bracht Parijs aan deze theatermadonna, die volgens Sanier zoo goed de rol van hoer speelde, een laatste ovatie.
Onmiddellijk ging Duvillard met Dutheil achter de coulissen, om Silviane te halen, terwijl Hyacinthe Rosemonde naar het op den hoek van de rue Montpensier staande rijtuig bracht. Dan bleef de jonge man wachten en scheen het heel aardig te vinden, toen zijn vader met Silviane kwam en deze hem met een gebaar tegenhield, toen hij ook wilde instappen.
“Neen, vanavond niet. Ik heb bezoek van een vriendin.”
Het lachende gezichtje van Rosemonde was achter in het rijtuig opgedoken. Hij bleef met open mond staan, toen het rijtuig met de beide vrouwen wegreed. Hij, die sedert zooveel dagen in de weer was, om in genade aangenomen te worden.
“Wat zal ik je zeggen!” zeide Hyacinthe tegen Dutheil, die zelf wat gechoqueerd was. “Zij hing mij de keel uit en toen heb ik haar aan Silviane gegeven.”
Verbijsterd stond Duvillard nog steeds op het trottoir; toen Chaigneux, die uitgeput naar huis ging, hem herkende; hij vloog op hem toe en zeide, dat Fonsègue zich bedacht had en het artikel van Massot opnemen zou.
Hyacinthe nam zijn vader mede en troostte hem als een verstandig kameraad, voor wien de vrouw een onrein dier is.
“Ga mee naar huis … Nu dat artikel verschijnt, kan je het haar morgenochtend brengen. Ze zal dan zeker open doen.”
De beide mannen, die loopen wilden, wandelden rookend en slechts nu en dan een woord wisselend, de op dat uur verlaten en droefgeestige avenue de l’Opéra op, terwijl over het ingeslapen Parijs een eindelooze weeklacht streek, de doodsstrijd van een wereld.
III.
Sedert de executie van Salvat was Guillaume buitengewoon stil gebleven. Hij scheen gepreoccupeerd, verstrooid. Uren achter elkaar werkte hij, maakte hij het zoo gevaarlijke kruit, waarvan hij alleen de formule kende, en waarbij hij door niemand geholpen wilde worden. Andere malen ging hij uit, om na lange eenzame wandelingen uitgeput thuis te komen. In den familiekring bleef hij ook verder zeer vriendelijk, dwong hij zich tot een glimlachen, maar wanneer men iets tot hem zeide, scheen hij, plotseling opschrikkend, als uit een verre gedachtenwereld te komen.
Pierre haalde zich in het hoofd, dat zijn broer te veel gerekend had op de heldhaftigheid van zijn verzaking en het verlies van Marie hem ondragelijk was. Was het niet de gedachte aan hem, die hem geen oogenblik losliet; verlangde hij niet naar haar, hoe meer de voor het huwelijk vastgestelde datum naderde? Op een avond waagde hij het uiting te geven aan zijn vrees, hem nogmaals aan te bieden op reis te gaan, te verdwijnen.
Reeds bij de eerste woorden viel Guillaume hem in de rede:
“Pierre, beste jongen! Ik houd te veel van jou, ik houd te veel van jou, om berouw te hebben over mijn daad … Neen, nu ik jullie samen gelukkig zie, ben ik zelf gelukkig, geven jullie mij moed en kracht … En heusch, je vergist je, ik heb niets; mijn werk neemt zeker mijn gedachten heelemaal in beslag.”
Dien avond was hij buitengewoon vroolijk en opgewekt. Onder het middagmaal vroeg hij of de behanger gauw de beide kamertjes, die Marie boven het laboratorium had, in orde zou komen maken voor het jonge paar. Marie, die, sedert de datum voor het huwelijk bepaald was, kalm en glimlachend, zonder overhaasting of verlegenheid wachtte, begon hem nu vroolijk te vertellen wat zij wilde: een met rood katoen van twintig sous per meter behangen kamer; meubelen van verlakt vurenhout, zoodat zij zou kunnen denken buiten te zijn; en eindelijk een tapijt, want een tapijt was voor haar het toppunt van luxe. Zij lachte en hij lachte vroolijk en vaderlijk mede, zoodat Pierre tot de overtuiging kwam, dat hij zich vergist had.
Maar reeds den volgenden dag viel Guillaume in zijn droomerijen terug en Pierre’s ongerustheid begon opnieuw, toen hij opgemerkt had, dat ook Grootmoeder nooit zoo stil geweest was. Daar hij haar er niet naar vragen durfde, kwam hij eerst op de nuttelooze gedachte de drie zoons aan het praten te krijgen, want noch Thomas, noch François noch Antoine wisten iets of wilden iets weten. Alle drie deden met een glimlachende opgewektheid en in grooten eerbied en vereering voor hun vader hun werk. Naast hem levend, vroegen zij hem nooit iets over zijn werk of over zijn plannen, vonden zij, dat wat hij deed slechts rechtvaardig en goed kon zijn, en waren bereid het, zonder nader onderzoek, op de eerste vraag met hem te doen. Maar blijkbaar hield hij hen ver van ieder gevaar verwijderd, wilde hij het offer alleen brengen, was Grootmoeder zijn eenige vertrouwde, de eenige, die hij om raad vroeg en naar wie hij luisterde. Pierre zag er dan ook van af, om te trachten iets van de kinderen te weten te komen, hij maakte zich nog slechts ongerust over haar ernst, vooral sedert hij meende gemerkt te hebben, dat zij en Guillaume ieder oogenblik in haar kamer langdurige conferenties hielden. Zij sloten zich daarin op en gaven zich daar blijkbaar over aan ingewikkelde bezigheden, gedurende welke de kamer als uitgestorven scheen.
Op een dag zag Pierre Guillaume met een schijnbaar zeer zwaren handkoffer uit de kamer komen. Onmiddellijk herinnerde hij zich de vertrouwelijke mededeeling van zijn broeder: het kruit, waarvan een pond genoeg was om een kathedraal in de lucht te laten vliegen, de verschrikkelijke machine, die hij aan Frankrijk wilde geven, om het de overwinning over andere naties te verzekeren. En hij herinnerde zich ook, dat Grootmoeder alleen in het geheim ingewijd was, dat zij langen tijd, toen Guillaume bang was voor een huiszoeking der politie, op de patronen van de vreeselijke springstof geslapen had. Waarom bracht hij de hoeveelheid kruit, die hij sedert eenigen tijd fabriceerde, nu weg? Een vermoeden, een heimelijke vrees gaf hem de kracht zijn broer plotseling te vragen:
“Ben je ergens bang voor, dat je hier niets bewaren wilt? Wanneer je in moeilijkheden verkeert, kan je alles in mijn huis brengen, waar toch niemand komt zoeken?”
Verwonderd keek Guillaume hem aan.
“Ja … Ik weet, dat de arrestaties en huiszoekingen, sedert zij dien ongelukkige geguillotineerd hebben, weer opnieuw begonnen zijn. Zij schijnen te vreezen, dat de een of andere wanhopige hem wreken zal. Bovendien is het heel gevaarlijk kruit, dat zulk een verwoestende kracht heeft, hier te houden. Ik breng het liever op een veilige plaats … In Neuilly, jongen, neen, neen, dat zou niet veilig genoeg zijn!”
Hij sprak heel kalm, nauwlijks beefde hij even.
“Is alles nu klaar?” vroeg Pierre verder. “Ben je van plan eerstdaags je machine aan den minister van Oorlog te geven?”
In zijn openhartige oogen verscheen een aarzeling; hij stond op het punt te liegen. Dan kalm:
“Neen, daar heb ik van afgezien. Ik ben op een andere gedachte gekomen.”
Hij zeide het met een zoo vreeselijke vastberadenheid, dat Pierre niet durfde vragen, wat die andere gedachte was. Maar van af dat oogenblik huiverde hij onder een heimelijke onrust; van uur tot uur voelde hij uit het zwijgen van Grootmoeder en uit de steeds heldhaftiger en vrijer wordende gelaatstrekken van Guillaume, dat iets ontzaglijks, iets verschrikkelijks geboren werd, grooter werd en geheel Parijs overstroomen zou.
Op een middag, dat Thomas naar de fabriek Grandidier gaan zou, hoorden zij, dat Toussaint, de oude werkman, weer een beroerte gehad had. Thomas beloofde, dat hij in het voorbijgaan bij den armen man aan zou loopen, om te zien, of ze hem misschien met iets konden helpen. Pierre wilde medegaan, en zoo gingen zij beiden tegen vier uur weg.
In het eenige vertrek, waarin de Toussaint’s woonden, aten en sliepen, vonden zij den werkman als verpletterd op een lagen stoel bij de tafel zitten. Het was een verlamming aan één zijde van het lichaam, die behalve den arm en het been, ook het rechtergedeelte van het gezicht had getroffen, zoodat hij zijn spraak zoo goed als verloren had. Hij stiet nog slechts onverstaanbare keelklanken uit. Op zijn vijftigste jaar geleek hij wel een grijsaard, tot geen werken meer in staat. Alleen zijn oogen leefden nog, keken de kamer rond, gingen van den een naar den ander, terwijl zijn vrouw, die, hoewel zij niet genoeg eten kon, toch steeds dik bleef, in het ongeluk het hoofd omhoog hield en zoo goed mogelijk voor hem zorgde.
“Een prettig bezoek, Toussaint; mijnheer Thomas met mijnheer den abbé …”
En dan zich kalm verbeterend:
“Met mijnheer Pierre, zijn oom … Je ziet wel, dat ze je nog niet vergeten.”
Toussaint wilde spreken, maar zijn machtelooze poging bracht slechts twee dikke tranen in zijn oogen. Hij keek de bezoekers met een uitdrukking van onbeschrijfelijke troosteloosheid aan; zijn kaken beefden.
“Wind je toch niet zoo op,” zeide zijn vrouw. “De dokter zegt, dat dat heelemaal niet goed voor je is.”
Bij het binnenkomen had Pierre gezien, dat twee personen opstonden en achter in het vertrek waren gaan zitten. Tot zijn groote verbazing herkende hij nu madame Théodore en de kleine Céline, beiden netjes gekleed en er flink uitziende. Toen zij het ongeluk vernomen hadden, waren zij met de goedhartigheid van arme schepsels, die het ergste lijden hadden leeren kennen, onmiddellijk naar haar zwager en oom komen kijken. Zij schenen nu voor de ellende gevrijwaard te zijn; Pierre herinnerde zich nu hoe men hem verteld had van de algemeene sympathie, die zich, na de terechtstelling van haar vader, voor het arme meisje geopenbaard had, de talrijke geschenken, den strijd, wie haar tot zich nemen zou, totdat eindelijk een oud vriend van Salvat haar als het zijne aangenomen had en haar weer op school liet gaan, om haar later ergens in de leer te doen. Madame Théodore zelf was als verpleegster in een ziekenhuis aangesteld. Daarmede waren beiden gered.
Toen Pierre naar het jonge meisje ging, om haar een zoen te geven, zeide madame Théodore tegen haar, dat zij mijnheer den abbé—zoo bleef zij hem eerbiedig noemen—nogmaals hartelijk moest bedanken.
“Ja, u hebt ons geluk aangebracht, mijnheer de abbé. Zoo iets vergeet je niet, en ik zeg haar steeds weer, dat zij u in haar gebeden niet vergeten mag.”
“En ga je weer naar school, beste meid?”
“Ja, mijnheer de abbé, en ik vind het heel prettig. We hebben nu aan niets gebrek meer.”
Een ontroering belette haar verder te spreken en met een snik stamelde zij:
“Als die arme papa ons nog eens kon zien!”
Madame Théodore nam nu afscheid.
“Nu gaan we maar weer … Ik vind het vreeselijk treurig wat jullie nu weer overkomen is … Céline, geef je oom een zoen … Beste kerel, ik hoop, dat je weer gauw op de been zult zijn.”
Zij kusten den lamme op zijn wangen en gingen weg. Toussaint, die geluisterd en rondgekeken had, volgde haar met zijn nog zoo levendige en intelligente oogen, als brandde hij van verlangen, om ook in het leven terug te keeren.
Ondanks haar gewone opgeruimdheid kon madame Toussaint een jaloersche gedachte niet onderdrukken.
“Ja, oude jongen,” zeide zij, na een kussen in zijn rug gelegd te hebben, “die twee hebben meer geluk gehad dan wij. Sedert zij dien idioot van een Salvat een kopje kleiner gemaakt hebben, lukt haar alles. Zij hebben nu altijd wat te eten.”
En zich dan tot Pierre en Thomas wendend:
“Maar wij, arme bliksems, zijn voor de haaien. Wat zal ik u zeggen? Wij zullen van honger omkomen; mijn arme man is niet geguillotineerd, hij heeft alleen maar zijn heele leven lang gewerkt, en nu is het gedaan met hem als met een oud beest, dat nergens goed meer voor is.”
Zij bood hun stoelen aan en antwoordde op hun medelijdende vragen. De dokter was reeds tweemaal geweest en had beloofd den zieke zijn spraak te zullen teruggeven, ja misschien het zóó ver te brengen, dat hij met een stok in de kamer zou kunnen loopen. Maar er was geen sprake van, dat hij ooit weer aan het werk zou kunnen gaan. Doch waartoe dienden dan die andere beloften? De oogen van Toussaint zeiden duidelijk, dat hij liever dadelijk wilde sterven. Wanneer een werkman niet meer werken en zijn vrouw niet meer onderhouden kan, is hij rijp voor de aarde.
“Er zijn menschen,” ging zij voort, “die me vragen, of we geen spaarduitjes hebben … We hadden bijna duizend francs op de spaarbank, toen Toussaint zijn eerste beroerte kreeg … Je kan je niet voorstellen hoe je sparen moet, om zoo’n som op zijde te leggen, want van tijd tot tijd wil je toch wel eens een extraatje hebben, een lekker hapje of een goede flesch wijn. En in de vijf maanden, dat hij niet werken kon, zijn met de geneesmiddelen en de versterkende middelen de duizend francs opgegaan. En nu het weer begint, zullen we niet zoo gauw weer goeden wijn of een schapenbout proeven.”
De goede vrouw, die altijd dol geweest was op een lekker hapje, verried haar angst voor de toekomst nog meer door dien uitroep dan door haar ingehouden tranen. Toch bleef zij flink en dapper; maar welk een ramp zou het voor haar zijn, wanneer zij haar kamer niet netjes meer houden, ’s Zondags niet een stuk kalfsvleesch op schotel hebben kon! Het was veel beter als men hen beiden in de goot wierp en de vuilniswagen hen medenam!
“Bestaat er niet een Asile des Invalides du Travail en zou men uw man daar geen plaatsje kunnen geven?” vroeg Thomas. “Dat is de goede plaats voor hem.”