VIERDE BOEK. (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
“Sedert achttienhonderd jaar belemmert het Christendom het voortschrijden der menschheid naar waarheid en gerechtigheid,” besloot Pierre. “Eerst op den dag, dat zij het afschaft door het Evangelie te plaatsen bij de boeken der wijzen, zonder daarin een absoluten en alles beslissenden codex te zien, zal zij haar evolutie weder kunnen voortzetten.”
Abbé Rose hief zijn bevende handen op.
“Zwijg toch, mijn zoon, zwijg toch! Je lastert!… Ik wist, dat je gekweld werd door twijfel; maar ik hield je voor zoo geduldig en zoo bereid om te lijden, dat ik op je verzaking en berusting rekende! Wat is er toch gebeurd, dat je zoo plotseling de Kerk den rug toekeert? Ik herken je niet meer; een passie is in je opgestoken, een onoverwinlijke kracht sleurt je mede … Wat is er toch? Wie heeft je zoo veranderd?”
Verwonderd luisterde Pierre naar hem.
“Maar ik verzeker u heusch, dat ik dezelfde ben, dien u altijd gekend hebt—dat is slechts de onvermijdelijke ontknooping, het onvermijdelijke resultaat! Wie zou zijn invloed op mij hebben kunnen doen gelden, daar niemand in mijn leven gekomen is? Welke nieuwe gevoelens zouden mij kunnen veranderen, waar ik geen nieuwe vind, wanneer ik mijzelf ondervraag. Ik ben dezelfde, precies dezelfde gebleven.”
Toch was er een weifeling in zijn stem. Was het werkelijk waar, dat er niets nieuws in hem gekomen was? Hij onderzocht zijn geweten nogmaals, maar hij kon niets vinden. Het was slechts een heerlijk ontwaken, een onmetelijke begeerte om te leven, een drang zijn armen wijd genoeg te kunnen openen, ten einde al wat bestond aan zijn hart te kunnen drukken. Een storm van jubel hief hem op en sleurde hem mede.
Hoewel abbé Rose veel te onschuldig was, om hem te kunnen begrijpen, schudde hij weer zijn hoofd en dacht aan de valstrikken van den duivel. Deze afval van zijn kind, zooals hij Pierre noemde, sloeg hem terneer. Hij sprak nog en kreeg de ongelukkige ingeving hem den raad te geven met monseigneur Martha te gaan spreken, want hij hoopte, dat een geestelijke van zulk een autoriteit de juiste woorden zou weten te vinden, om hem tot het geloof terug te brengen. Maar Pierre had den moed te zeggen, dat hij uit de Kerk ging, juist omdat hij daarin zoo’n leugenaar en despoot aangetroffen had, die van den godsdienst een verderf aanbrengende diplomatie maakte en ervan droomde de menschen door list tot God terug te brengen. Toen stond abbé Rose wanhopig op; hij vond geen argument meer en wees slechts met een gebaar op de basilica, die met zijn reusachtige, onvoltooide, vierkante massa stond te wachten op den koepel, welke haar bekronen moest.
“Dit is het huis Gods, mijn kind, het monument van verzoening en van triomf, van boete en vergiffenis. Je hebt er de mis gelezen en je verlaat het als een heiligschennende meineedige.”
Pierre was ook opgestaan en in een exaltatie van kracht en gezondheid antwoordde hij:
“Neen, neen, ik verlaat de Kerk vrijwillig, zooals men een kelder verlaat, om in de vrije lucht, naar de zon terug te keeren. God is daar niet, het is daar slechts een uitdaging van de rede, van de waarheid en van de gerechtigheid, een reusachtig gebouw, dat men zoo hoog mogelijk opgericht heeft als een citadel van het absurde, die Parijs, dat hij beleedigt en bedreigt, beheerschen moet.”
En toen hij zag, dat de oogen van den ouden priester zich weer met tranen vulden, en daar hij zelf wanhopig was over hun breuk, wilde hij vluchten.
“Vaarwel! Vaarwel!”
Maar abbé Rose had hem reeds in zijn armen genomen en kuste hem als het verdoolde schaap, dat den herder het liefst is.
“Niet vaarwel, niet vaarwel, mijn kind! Zeg: tot ziens! Zeg dat we elkaar nog terug zullen vinden, tenminste onder hen, die weenen en honger hebben. Al geloof je ook, dat de naastenliefde bankroet gemaakt heeft, toch zullen we elkander altijd in onze armen blijven liefhebben!”
Pierre, die de kameraad van zijn drie groote neven geworden was, had van hen in enkele lessen leeren fietsen, om hen op hun ochtendritjes te kunnen vergezellen; reeds was hij een paar maal met hen en met Marie over de hard geplaveide wegen in de richting van het meer van Enghien gereden. Op een ochtend, dat Marie zich voornam met hem en Antoine naar het bosch van Saint-Germain te gaan, kreeg deze laatste plotseling een verhindering. Zij had haar fietskostuum al aan: een korten rok van zwarte serge en een jakje van dezelfde stof op een écru zijden overhemdje—en de Aprilochtend was zoo helder en zacht, dat zij vroolijk uitriep:
“Dat hindert niet, ik neem je mede, dan zijn we met ons beiden! Ik wil, dat je het genot leert kennen om op een goeden weg tusschen mooie boomen te rijden.”
Maar daar hij nog niet zoo erg getraind was, besloten zij dat zij met hun fietsen den trein tot Maisons-Laffitte nemen zouden, om vandaar door het bosch te rijden en dan weer met den trein terug te komen.
“Zijn jullie weer vóór het déjeuner terug?” vroeg Guillaume, die pret had in dit uitstapje, en zijn broer, die ook geheel in het zwart was, glimlachend aankeek.
“Natuurlijk,” antwoordde Marie. “Het is net acht uur, we hebben dus allen tijd. Maar ga in ieder geval maar dejeuneeren, wij zullen wel invallen, als het noodig is.”
Het was een heerlijke ochtend. Bij het weggaan dacht Pierre, dat hij met een goeden kameraad was, wat dit uitstapje met hun tweeën in de lekkere lentezon heel natuurlijk maakte. De bijna gelijke kostuums werkten door de vrijheid van beweging, die zij veroorloofden, ongetwijfeld tot die vroolijke, rustige en gemoedelijke stemming mede. Maar er was ook nog iets anders: de gezonde, vrije lucht, het genot van de gemeenschappelijke lichaamsbeweging, de vreugde zich vrij te gevoelen in de vrije natuur.
In den coupé, waar zij alleen waren, kwam Marie op haar lyceumherinneringen terug.
“O, je hebt er geen idee van hoe heerlijk we krijgertje konden spelen! Om harder te kunnen loopen, bonden wij onze rokken met touwtjes vast, want toen durfden ze ons niet zooals nu in een broek te laten loopen. Het was een geschreeuw, een geloop, een geren, onze haren vlogen in den wind en we hadden kleuren als boeien!… En dat belette je niet om te werken, integendeel! Wanneer we eenmaal aan het studeeren waren, hielden we ook een wedloop wie het meest weten en de eerste van de klas zijn zou.”
Zij lachte er nog hartelijk om, terwijl Pierre haar verwonderd aankeek—zoo blozend en gezond zag zij er uit onder den zwart vilten hoed, dien een lange zilveren haarpen op haar dikken wrong vasthield. Haar prachtig bruin haar, dat hoog opgenomen was, liet haar frisschen nek, die kinderlijk teer gebleven was, vrij, en nog nooit had hij haar in al haar kracht zoo lenig gezien; haar heupen waren krachtig, haar borst breed, maar tevens fijn en bekoorlijk. Wanneer zij zoo lachte, schitterden haar oogen van genot, terwijl het onderste gedeelte van haar gelaat, haar ietwat krachtige mond en kin, een uitdrukking van eindelooze goedheid kregen.
“Ja, die broek!” ging zij schertsend voort. “En dan te denken, dat sommige vrouwen zoo eigenzinnig blijven, om met een rok te fietsen.”
En toen hij, zonder aan galanterie te denken, maar alleen om het feit te constateeren, zeide, dat zij er in haar costuum heel goed uitzag:
“O, ik tel niet mede … Ik ben niet mooi, ik ben alleen maar gezond, dat is alles … Maar kan jij je begrijpen, dat vrouwen, die hier zoo’n prachtige gelegenheid hebben, om het zich makkelijk te maken, als een vogel te vliegen en eindelijk haar beenen uit hun gevangenis te bevrijden, dat gewoonweg weigeren? Als ze denken, dat zij met haar korte schoolmeisjesrokken mooier zijn, dan vergissen zij zich leelijk. En wat het kieschheidsgevoel betreft, ik vind, dat je beter je kuiten dan je schouders kunt laten zien. En bovendien, wie denkt aan zoo iets, als je fietst … Er bestaat niets dan de broek, de rok is ketterij.”
Zij keek nu op haar beurt hem aan en zij werd op dat oogenblik blijkbaar getroffen door de buitengewone verandering, welke in hem had plaats gevonden sedert zij hem voor het eerst zoo somber in zijn lange soutane en met zijn mager, vaal, door het lijden verwoest gezicht gezien had. Daarachter had zij een eindelooze wanhoop, de leegte van een graf, waaruit de wind zelfs de asch verstrooid had, gevoeld. En nu was het als het ware een herrijzenis, een opstanding: zijn gezicht leefde op, het voorhoofd had weer de kalmte der hoop gekregen, terwijl de oogen en de mond, in zijn eeuwigen honger naar liefde, overgave en leven, iets van hun vroegere vertrouwelijke teederheid teruggevonden hadden. Alleen de minder lange haren op de plaats der tonsuur, die trouwens niet zoo zichtbaar meer was als vroeger, verrieden nog den priester.
“Waarom kijk je me zoo aan?” vroeg hij.
“Ik kijk ernaar hoeveel goed het werken en de buitenlucht ook jou doen,” zeide zij openhartig. “Zoo mag ik je veel liever zien. Je zag er zoo slecht uit, dat ik heusch dacht, dat je ziek was.”
“Dat was ik ook,” zeide hij eenvoudig.
Maar de trein stopte bij Maisons-Laffitte. Zij stapten uit en sloegen dadelijk den weg naar het bosch in.
“Ik zal maar voorop rijden, hè?” riep Marie vroolijk. “Je bent immers altijd nog wat bang voor rijtuigen.”
Slank en recht in het zadel reed zij voorop; dikwijls keek zij vriendelijk glimlachend om, om te zien of hij haar volgde. Bij ieder rijtuig, dat zij voorbij reden, stelde zij hem gerust en somde de verdiensten van hun fietsen, die beide uit de fabriek Grandidier kwamen, op. Het waren Lisette’s, het populaire merk, waaraan Thomas medegewerkt had en dat in den Bon Marché grifweg voor honderdvijftig francs verkocht werd. Misschien zagen zij er een beetje log uit, maar zij waren sterk en tegen een stootje bestand. Echte fietsen om te toeren, zeide zij.
“Ha, daar is het bosch! Nu behoeven wij niet meer de helling op te trappen en zal je eens prachtige lanen zien. Je rijdt er als op fluweel.”
Pierre bleef nu niet langer achter en beiden reden zij nu in denzelfden regelmatigen gang naast elkaar over den breeden, rechten weg tusschen het dubbele, majestueuze gordijn der groote boomen. En zij praatten heel amicaal.
“Nu ben ik zeker van mijn zaak. Je zult zien, dat je leerling je eer aandoet.”
“Daar twijfel ik niet aan. Je zit heel goed in je zadel. Binnenkort zal je me in den steek laten, want een vrouw kan in zulke dingen niet tegen een man op. En toch, wat een goede opvoeding is het fietsen voor een vrouw.”
“Hoe zoo?”
“O, daar heb ik zoo mijn eigen ideeën over … Als ik ooit een dochter krijg, dan zet ik haar op haar tiende jaar op de fiets, om haar te leeren, hoe ze leven moet.”
“Dus een opvoeding door ervaring?”
“Natuurlijk. Kijk nu die groote meisjes eens, die de moeders in haar rokken opvoeden. Men maakt haar voor alles bang, verbiedt haar ieder initiatief, oefent noch haar wil noch haar oordeel, zoodat ze zelfs, door de gedachte aan een mogelijken hinderpaal verlamd, de straat niet over durven steken … Maar zet haar heel jong op de fiets en laat ze aan haar lot over: dan moeten zij wel uitkijken naar een steentje, zorgen, dat zij tijdig en in de goede richting uitwijken, als het noodig is. Een wagen komt in vollen draf aan, het een of ander gevaar doemt op en zij moet dadelijk beslissen, met vaste hand sturen, als zij geen ongeluk krijgen wil … Is het niet een voortdurend trainen van je wilskracht, een uitstekende les in de kunst, om te weten wat je doen moet om je te verdedigen?”
“Jullie zult allemaal te gezond worden,” zeide hij lachend.
“O, gezond zijn, dat spreekt van zelf. Om goed en gelukkig te wezen, moet je in de eerste plaats zoo gezond mogelijk zijn. Maar ik geloof, dat zij, die steenen weten te vermijden en op het juiste oogenblik kunnen omkeeren, ook beter in staat zullen zijn in het maatschappelijke en gevoelsleven de moeilijkheden te overwinnen en met een vrij, eerlijk en krachtig oordeel de beste besluiten te nemen … Weten en willen, daarin bestaat de geheele opvoeding.”
“Dus de emancipatie der vrouw door de fiets?”
“Lieve Hemel, waarom niet?… Het klinkt grappig, en toch, kijk eens wat een heelen weg we al afgelegd hebben: de broek, die de beenen bevrijdt; de gemeenschappelijke uitstapjes, die de geslachten gelijk maken; vrouw en kind volgen den man overal heen; kameraden als wij tweeën kunnen door veld en bosch rijden, zonder dat men er aanstoot aan neemt. En dan bestaat vooral de gelukkige verovering hierin: in de lucht- en zonnebaden, die je in de vrije natuur neemt; in den terugkeer tot onze gemeenschappelijke moeder, de aarde; in de nieuwe kracht en in de nieuwe vreugde, die je weer uit haar begint te scheppen! Is dit bosch, waarin we nu samen rijden, niet heerlijk? En wat een frissche lucht krijg je weer in je longen. Hoe kalmeert je dat en wat een nieuwen moed geeft het je!”
Inderdaad was het in de week stille bosch met zijn diep en zonnig kreupelhout rechts en links onzegbaar heerlijk. De nog schuin vallende zon wierp haar stralen slechts op een kant van den weg en verguldde de hooge, groene draperieën der boomen, terwijl aan de andere zijde het loof in de schaduw bijna zwart leek. Welk een genot was het, als langs den grond strijkende zwaluwen, in de frissche lucht en in den adem der kruiden en bladeren, welker krachtige geur je in het gezicht slaat, door die koninklijke laan te vliegen! Zij raakten nauwlijks den grond aan—vleugels waren hun aangegroeid, die hen in eenzelfde vlucht door de zonnestralen en door de schaduwen, door het leven van het groote, huivrend bosch met zijn mossen en zijn bronnen, zijn geuren en zijn insecten droegen.
Bij het kruispunt Croix-de-Noailles wilde Marie niet ophouden. ’s Zondags heerschte hier altijd een groote drukte en bovendien kende zij stille, behoorlijk-rustige plekjes. Later, op de helling naar Poissy, spoorde zij Pierre aan en lieten zij hun fietsen in volle vaart gaan. En nu volgde die heerlijke roes der snelheid, het bedwelmende gevoel van het evenwicht, hoewel men in zulk een vaart voortsnelt, dat men bijna buiten adem raakt, terwijl de grijze weg onder de voeten wegvlucht en de boomen aan beide kanten draaien als de baleinen van een waaier, dien men openslaat. De bries waait als een storm, en men vliegt als het ware den horizont, de oneindigheid, die echter steeds weer terugwijkt, tegemoet. Het is de grenzenlooze hoop, de bevrijding van te zware banden in de ruimte. Er bestaat geen betere lichaamsbeweging; de harten kloppen sneller in de vrije natuur.
“Zeg, we moesten niet naar Poissy rijden, maar links afslaan!” riep zij.
Zij namen den weg van Achères naar Loges, die smaller en schaduwrijk steeg, en minderden, daar zij nu flink aan moesten trappen, hun vaart. De weg was minder goed, zandig en door de laatste stortregens wat omgewoeld. Maar was die krachtsinspanning ook niet een genot?
“Je zult er wel aan wennen, het overwinnen van hindernissen is zoo prettig … Ik voor mij heb het land aan wegen, die te lang glad en mooi blijven. Een kleine stijging, die je beenen niet al te veel vermoeit, geeft weer eens een afwisseling, die je aanzweept en wakker maakt … En dan het is zoo goed om sterk te zijn en ondanks regen, storm en helling vooruit te komen.”
Haar opgewektheid en haar moed verrukten hem.
“Dus zijn we eigenlijk op een tocht door heel Frankrijk?” vroeg hij lachend.
“Neen, neen, we zijn al waar we wezen moeten. Nou, je zult er zeker niets tegen hebben, om wat te rusten. Maar zeg eens eerlijk, was het niet de moeite waard tot hier te rijden, om op dit heerlijke, rustige en frissche plekje wat uit te rusten?”
Lenig sprong zij van haar fiets en sloeg een voetpad in, terwijl zij hem riep haar te volgen. Na een pas of vijftig zetten zij hun machines tegen een boomstam en waren zij op een kleine open plek. Het was inderdaad het bekoorlijkste bladerennestje, dat men zich droomen kon. Het bosch had daar een eenzame en verheven schoonheid en grootschheid. De lente gaf het de eeuwige jeugd, het bladerdak was rein en licht als groene, fijne kant, die de zon met goud bestrooide. De adem van het leven steeg op uit het gras, kwam uit het door den krachtigen geur der aarde doorbalsemde kreupelhout.
“Het is gelukkig nog niet al te warm,” zeide zij, terwijl zij aan den voet van een jongen eik ging zitten. “In Juli hebben de dames een beetje te roode kleur en gaat de poudre-de-riz gauw weg … Je kan niet altijd even mooi zijn.”
“Ik kan niet zeggen, dat ik het koud heb,” zeide Pierre, die naast haar kwam zitten en zijn voorhoofd afveegde.
Zij lachte en zeide, dat zij hem nog nooit met zoo’n kleur gezien had. Eindelijk kon je merken, dat hij bloed onder zijn huid had. En zij begonnen te praten als twee kinderen, als twee kameraden, vonden de kinderlijkste dingen grappig. Zij was bang, dat hij koude zou vatten, wilde niet, dat hij in de schaduw bleef, omdat hij het zoo warm had, zoodat hij, om haar haar zin te geven, met zijn rug in de zon moest gaan zitten. Dan bevrijdde hij op zijn beurt haar van een spin, een groote zwarte spin, die met haar pooten in haar kroezende nekhaartjes verward raakte. In het schrikgilletje, dat zij uitstiet, kwam de vrouw in haar weer te voorschijn. Het was toch eigenlijk dwaas om zoo bang te zijn voor spinnen! Maar het lukte haar niet om zich te beheerschen, zij bleef bleek en beefde.
Een zwijgen volgde, zij keken elkaar glimlachend aan en voelden te midden van dit heerlijke bosch een teedere vriendschap voor elkaar, die beiden broederlijk waanden. Zij was gelukkig, dat zij zich voor hem was gaan interesseeren, hij dankbaar voor de genezing en de gezondheid, die grootendeels haar werk waren. Maar zij sloegen hun oogen niet neer, hun handen raakten elkaar zelfs niet aan, terwijl zij door het gras streken, want zij waren zoo onschuldig en zoo rein als de groote eiken om hen heen. Toen zij hem in haar afkeer voor alle vernietiging belet had de spin te dooden, begon zij weer verstandig over allerlei dingen te spreken als een meisje, dat alles wist en door het leven niet verlegen gemaakt wordt, zoo zeker was zij ervan nooit iets te doen dan wat zij doen wilde.
“Zeg eens,” riep zij eindelijk; “laten we erom denken, dat ze ons met het dejeuner thuis verwachten.”
Zij stonden op en duwden hun fietsen naar den straatweg. In flinke vaart gingen zij weer terug en reden door de prachtige laan, die bij het kasteel uitkomt, over les Loges naar Saint-Germain. Ze vonden het heerlijk weer zoo naast elkander voort te snellen. En vertrouwelijk zetten zij hun gesprek voort.
In den trein, die hen van Saint-Germain naar Parijs terugbracht, zag Pierre, dat Marie plotseling een hoogroode kleur kreeg. Twee dames zaten met hen in dezelfde coupé.
“Nou heb jij het warm!”
Zij protesteerde, maar alsof een gevoel van schaamte haar aangreep, werd haar gezicht nog rooder.
“Ik heb het heelemaal niet warm, voel mijn handen maar … Is het niet belachelijk om zonder eenige reden een kleur te krijgen!”
Hij begreep het: het was weer een van die onwillekeurige opwellingen van haar jonkvrouwelijk hart, welke het bloed naar haar wangen joegen en waarover zij zich zoo ergerde. Zonder eenige reden, zeide zij. Maar het hart, dat daar in de eenzaamheid van het woud onschuldig sliep, klopte thans, zonder dat zij het zelf wist.
Intusschen was Guillaume na het vertrek van de kinderen, zooals hij ze noemde, weer begonnen aan het vervaardigen van zijn geheimzinnig kruit, waarvan hij de patronen boven in de kamer van Grootmoeder bewaarde. De vervaardiging was buitengewoon gevaarlijk, de minste onachtzaamheid gedurende het werk, het te laat sluiten van een kraan, kon een vreeselijke ontploffing veroorzaken, die het huis en zijn bewoners in de lucht zou doen vliegen. Hij wachtte daarom liever tot hij alleen was en geen gevaar voor anderen of afleiding voor zichzelf behoefde te vreezen. Maar ditmaal werkten zijn drie zoons toch in het groote atelier. Zooals gewoonlijk zat Grootmoeder rustig bij de kachel te naaien. Maar zij telde niet mede; zij was dapper, verliet nooit haar plaats, zat rustig te midden van het gevaar; ja zij hielp zelfs Guillaume bij zijn werk, kende even goed als hij de verschillende phases van de moeilijke bewerking met al haar vreeselijke bedreigingen.
Toen zij zag, hoe afgetrokken hij dien ochtend was, keek zij dikwijls op van het linnengoed, dat zij ondanks haar zeventig jaar noch steeds zonder bril verstelde. Met één oogopslag vergewiste zij zich, dat hij niets vergat, en ging dan weer aan haar werk. Gewoonlijk sprak zij weinig, discussieerde nooit, handelde en leidde, en opende haar mond slechts om een verstandigen, flinken, dapperen raad te geven. Wat zij dacht en wat zij wilde kon men slechts uit haar antwoorden te weten komen, korte woorden, waaruit haar rechtvaardige en dappere ziel sprak.
Vooral in den laatsten tijd scheen zij nog stiller te worden, terwijl zij in het huis, waarin zij de onbeperkte heerscheres was, druk bezig was en met haar mooie, peinzende oogen haar klein volkje, de drie zoons, Guillaume, Marie en Pierre, die haar allen als een erkende koningin gehoorzaamden, gadesloeg. Had zij veranderingen gezien, feiten opgemerkt, die niemand om haar heen nog zag of opmerkte? Zij was nog ernstiger geworden, als verwachtte zij, dat het oogenblik nabij was, waarop men haar wijsheid en autoriteit noodig hebben zou.
“Let wat beter op, Guillaume, je bent zoo verstrooid vanochtend,” zeide zij eindelijk. “Is er iets, dat je hindert?”
“Niets hoor,” antwoordde hij, terwijl hij haar glimlachend aankeek. “Ik dacht aan onze goede Marie, die zoo blij was, dat zij op dezen mooien, zonnigen dag naar het bosch kon.”
Antoine had opgekeken, terwijl de beide andere broers in hun werk verdiept bleven.
“Jammer dat ik juist vandaag die houtsnede af moest hebben. Ik zou zoo graag met haar meegegaan zijn.”
“Kom,” zeide de vader met zijn kalme stem, “Pierre is bij haar; Pierre is heel voorzichtig.”
Een oogenblik nog nam Grootmoeder hem onderzoekend op; dan ging zij weer aan haar werk. Haar heerschappij over het huishouden, waaraan ouden en jongen zich onderwierpen, vond haar oorzaak in de lange toewijding, in den takt, in de goedheid, waarmede zij regeerde. Van geboorte Protestant, had zij zich later van alle godsdienstige geloofsbelijdenissen bevrijd, paste zij op alles slechts die idee van menschelijke gerechtigheid toe, welke zij zichzelf, na zooveel geleden te hebben door de onrechtvaardigheid, waaraan haar man gestorven was, had gevormd. Zij was daarbij buitengewoon dapper, kende geen vooroordeelen, deed volkomen haar plicht, zooals zij dien opvatte. En zooals zij zich aan haar echtgenoot en dan aan haar dochter Marguerite gewijd had, zoo wijdde zij zich thans aan den man van haar dochter en aan haar kleinzoons, aan Guillaume en zijn kinderen. Nu was ook Pierre, dien zij eerst vol onrust gadegeslagen had, in haar familie gekomen en maakte deel uit van het kleine, gelukkige wereldje, waarover zij heerschte. Ongetwijfeld had zij hem die eer waardig gekeurd. Zij vertelde nooit gaarne de diepere oorzaken, die haar tot een besluit brachten. Na eenige dagen van zwijgen had zij op een avond aan Guillaume slechts gezegd, dat hij er goed aan gedaan had zijn broer mede te brengen.
Tegen twaalven riep Guillaume, die nog steeds aan zijn werk was, uit:
“Nou zijn de kinderen nog niet thuis; wij zullen nog maar even wachten voor we aan tafel gaan.”
Een kwartier nog verliep. De drie jongens legden hun werk neer en gingen in den tuin hun handen wasschen.
“Marie blijft lang weg,” zeide Grootmoeder. “Als er maar niets met haar gebeurd is.”
“O, zij rijdt goed, zij is zeker van zichzelf,” antwoordde Guillaume. “Ik maak mij meer ongerust over Pierre.”
Weer keek zij hem aan.
“Zij zal wel voor hem gezorgd hebben; ze rijden samen al heel goed.”
“O zeker, maar ik wou toch liever maar, dat zij thuis waren.”
Dan meende hij plotseling de bellen der fietsen te hooren; hij riep, dat zij het waren en in zijn blijdschap vergat hij alles, liet zijn werk in den steek, om hen in den tuin tegemoet te gaan.
Grootmoeder bleef kalm doornaaien, zonder er zelf ook aan te denken, dat vlak naast haar stoel het kruit bijna klaar was. En toen twee minuten later Guillaume terugkwam en zeide, dat hij zich vergist had, werd hij doodsbleek en staarde naar den oven. Het juiste oogenblik, waarop het sluiten van een kraan alle mogelijke gevaar voor een ontploffing voorkwam, was gedurende zijn korte afwezigheid voorbijgegaan; nu zou ieder oogenblik de vreeselijke explosie kunnen volgen, wanneer niet een dappere hand de kraan durfde gaan dichtdraaien. Het moest reeds te laat zijn, de dappere, die dat deed, zou verpletterd worden.
Dikwijls had Guillaume den dood op die wijze met volmaakte onverschrokkenheid onder de oogen gezien. Maar ditmaal bleef hij als aan den grond vastgenageld; hij durfde geen stap voorwaarts te doen, zijn geheele wezen kwam door dien angst voor vernietiging in verzet. Hij klappertandde, stamelde in afwachting van de catastrophe, die het huis in de lucht dreigde te doen vliegen:
“Grootmoeder, Grootmoeder!… Het apparaat, de kraan!… Uit, uit, uit …”
De oude vrouw had opgekeken zonder nog te begrijpen.
“Wat is er? Wat heb je toch?”
Maar hij zag er zoo door angst vertrokken uit, hij week, van schrik krankzinnig, zoo achteruit, dat zij naar den oven keek en het verschrikkelijke gevaar bemerkte.
En zonder overhaasting, alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld was, legde zij haar werk op het tafeltje, stond op en sloot met een hand, die zelfs niet beefde, de kraan.
“Ziezoo, dat is alweer klaar. Maar waarom heb je het zelf niet gedaan, beste jongen?”
Met open mond en verstijfd als was hij door de hand des doods aangeraakt, had hij haar met zijn oogen gevolgd. Toen het bloed weer naar zijn wangen kwam en hij weer levend voor het nu ongevaarlijke toestel stond, stootte hij, nog steeds rillend en verschrikt, een diepen zucht uit:
“Waarom ik de kraan niet dichtgedraaid heb?… Omdat ik bang was!”
Op dat oogenblik kwamen Marie en Pierre, verrukt over hun fietstocht, terug; zij praatten, lachten en brachten de vroolijkheid van den helderen zonnedag mee in huis. De drie broers, die uit den tuin terugkwamen, plaagden hen, wilden met alle geweld, dat zij bekennen zouden, dat Pierre met een koe gevochten had en dwars door een veld met haver gereden was. Maar toen zij het vertrokken gelaat van hun vader zagen, maakte een plotselinge ongerustheid zich van hen meester.
“Kinderen, ik ben laf geweest … Vreemd hè, lafheid is een gevoel, dat ik tot nog toe niet gekend heb.”
En hij vertelde zijn vrees voor het ongeluk, zijn schrik, de kalme manier, waarop Grootmoeder hen allen van een wissen dood gered had. Zij maakte een klein gebaar, als wilde zij zeggen, dat het omdraaien van een kraan zoo’n groote heldendaad niet was; maar de oogen van de drie jongens schoten vol tranen en de een na den ander gingen zij haar een kus geven, waarin zij de dankbaarheid, de vereering legden, die zij voor haar hadden. Sedert hun jeugd had zij hun alles gegeven, en nu gaf zij hun ook het leven. Marie had zich ook in haar armen geworpen en kuste haar vol dankbaarheid en ontroering. Alleen Grootmoeder weende niet; zij kalmeerde hen allen: men moest niet overdrijven en altijd verstandig blijven.
“Neen, nu moet u mij ook nog toestaan u een zoen te geven, want dat ben ik u wel schuldig,” zeide Guillaume, die zijn zelfbeheersching terugkreeg. “En Pierre zal dat ook doen; u bent net zoo goed voor hem als u altijd voor ons geweest is.”
Toen zij eindelijk aan tafel zaten, kwam hij op dien angst, dien hij nog niet begreep en waarvoor hij zich schaamde, terug. Sedert eenigen tijd had hij, die vroeger nooit aan den dood dacht, gemerkt, dat hij voorzichtig begon te worden. Tweemaal reeds had hij voor de mogelijkheid van een catastrophe gebeefd. Hoe kwam het, dat hij thans zoo aan het leven hechtte?
“Ik geloof eigenlijk, Marie, dat de gedachte aan jou mij laf maakt,” zeide hij eindelijk vroolijk en met iets van ontroerde teederheid in zijn stem. “Dat ik minder dapper ben, komt zeker, omdat ik tegenwoordig wat kostbaars op het spel heb te zetten. Ik moet het geluk behoeden … Daareven, toen ik geloofde, dat wij allen sterven moesten, zag ik jou voor mij; de angst jou te verliezen verstijfde en verlamde mij.”
Marie begon vriendelijk te lachen. Toespelingen op hun aanstaand huwelijk kwamen niet veel voor, maar zij nam ze steeds met een gelukkig, liefdevol gezicht op.
“Zes weken nog,” zeide zij eenvoudig.
Grootmoeder, die naar hen gekeken had, wendde nu haar blikken naar Pierre. Deze luisterde eveneens glimlachend.
“Het is waar, over zes weken zijn jullie getrouwd,” zeide zij. “Ik heb er dus maar goed aan gedaan het huis niet in de lucht te laten vliegen.”
Op hun beurt begonnen nu ook Thomas, François en Antoine te lachen, zoodat het dejeuner in een vroolijke stemming eindigde.
’s Middags voelde Pierre hoe langzamerhand een zwaar gewicht op zijn hart begon te drukken. Het woord van Marie: “Zes weken nog” kwam telkens in zijn geest terug. Ja, binnen zes weken zou zij getrouwd zijn. En het scheen hem toe, alsof hij dat vroeger nooit geweten, alsof hij daar nooit aan gedacht had. ’s Avonds in zijn kamer te Neuilly werd het een ondragelijke smart. Het woord martelde, doodde hem. Waarom had hij niet dadelijk geleden, toen hij het glimlachend hoorde? Waarom was de smart zoo langzaam, zoo hardnekkig, zoo wreed over hem gekomen? Plotseling werd hem de waarheid in al haar verplettering duidelijk. Hij had Marie lief, had haar lief met echte liefde, tot stervens toe.
En deze plotselinge openbaring wierp op alles een helder licht. Hij zag, hoe hij sedert de eerste ontmoeting onweerstaanbaar deze liefde tegemoet gegaan was, hoe hij zich eerst gekwetst gevoeld en de opwinding, waarin het jonge meisje hem had gebracht, voor vijandigheid aangezien had, om dan door de goddelijke zachtmoedigheid van haar overwonnen te worden. Tot haar werd hij na zooveel marteling en zooveel strijd gevoerd; in haar vond hij eindelijk slechts rust. Maar vooral die heerlijke fietstocht van vandaag verscheen hem nu in het ware licht als een verlovingsochtend in den schoot van het gelukkige en medeplichtige bosch. De natuur had hem weer in haar armen genomen, hem van zijn marteling bevrijd en hem, gezond en krachtig, aan de vrouw, die hij aanbad, gegeven.
Zijn huivering, zijn gevoel van geluk, zijn volkomen zich één voelen met de boomen, de dieren en den hemel, alles, wat hij zich niet verklaren kon, kreeg nu een zeer duidelijke beteekenis. Slechts Marie was zijn genezing, zijn hoop, de zekerheid, dat hij herboren en eindelijk gelukkig worden zou. Reeds had hij in haar gezelschap de angstaanjagende problemen, alles wat hem vervolgde en verpletterde, vergeten; ja, sedert een week was de gedachte aan den dood, die zoo lang zijn makker van ieder uur geweest was, niet meer bij hem opgekomen. De strijd tusschen geloof en twijfel, de wanhoop van het Niet in hem, zijn toorn tegen het onrechtvaardige lijden, dat alles had zij met haar frissche handen weggenomen; zij zelf was zoo gezond, zoo levenslustig, dat zij hem den levenslust teruggegeven had. Dat was het: zij maakte van hem den man, den werker, den minnaar en den vader.
Plotseling dacht hij aan het pijnlijke en smartelijke gesprek, dat hij op een ochtend met den goeden abbé Rose gehad had. Dit onschuldige, in liefdeszaken zoo onwetende hart was dus het eenige geweest, dat alles had doorzien en begrepen. Hij had hem gezegd, dat hij veranderd, dat er een ander mensch in hem gevormd was. En hij was als een dwaas blijven zweren, dat hij dezelfde was, nadat Marie hem reeds geheel veranderd had door de geheele natuur aan zijn borst te leggen: de zonnige velden, de bevruchtende winden, den wijden hemel, die de oogsten rijpen doet. Dat was de reden, waarom het Katholicisme, de godsdienst van den dood, hem tot zoo’n wanhoop gebracht, waarom hij het uitgeschreeuwd had, dat het Evangelie uitgediend had en de wereld een anderen codex, een wetboek van aardsch geluk, van menschelijke rechtvaardigheid, van levende liefde en vruchtbaarheid verwachtte!
Maar Guillaume? Hij zag plotseling het beeld van zijn broeder voor zich oprijzen, van zijn broeder, die hem in zijn werkzaam, vreedzaam en liefderijk huis gebracht had, om hem te genezen. Dat hij Marie kende had hij aan Guillaume te danken. “Zes weken nog” klonk het hem weer in de ooren. Over zes weken zou zijn broer met het jongemeisje trouwen. Het was alsof een dolk in zijn hart gestooten werd! Geen seconde aarzelde hij: als hij erdoor sterven moest, zou hij erdoor sterven, maar niemand zou zijn liefde kennen; hij zou zich overwinnen, vluchten, ver weg, als hij zich laf worden voelde. Zijn broeder, die zijn opstanding gewild had, die de bewerker van zijn vurigen hartstocht was, die zijn vertrouwen zoo ver uitgestrekt had hem alles van zijn hart en van de zijnen te geven! Neen, neen, liever dan hem één uur verdriet te veroorzaken zou hij zichzelf tot een eeuwige marteling veroordeelen. En inderdaad begon zijn marteling opnieuw, want als hij Marie verloor, zou hij weer in de wanhoop van het Niet terugvallen. Reeds begon op zijn bed, waarin hij slapeloos woelde, het verschrikkelijke: de negatie van alles, de nutteloosheid van alles, het geloochende en vervloekte leven. Weer kwam de angst voor den dood. Sterven, sterven zonder geleefd te hebben!
O, welk een vreeselijke strijd! Tot het aanbreken van den dag martelde hij zich en steunde. Waarom had hij zijn soutane afgelegd? Een woord van Marie had hem er toe gebracht haar uit te trekken; een woord van Marie gaf hem de wanhopige gedachte het priesterkleed weer aan te nemen. Zijn kerker kan men niet ontsnappen. Dat zwarte kleed plakte aan zijn huid; hij verbeeldde zich het niet meer te dragen, maar het brandde nog op zijn schouders: het eenige verstandige was zich er voor altijd in te begraven! Op die wijze zou hij tenminste rouw dragen over zijn manlijkheid!
Nog een andere gedachte bracht hem geheel van streek. Waarom streed hij zoo? Marie had hem niet lief. Gedurende hun fietstocht was er niets gebeurd, dat hem kon doen gelooven, dat zij anders van hem hield dan als een goede, lieve zuster. Ongetwijfeld had zij Guillaume lief. Hij verstikte zijn luide snikken in zijn kussen en zwoer weer zichzelf te overwinnen en glimlachend getuige te zijn van hun geluk.
IV.
Pierre ging den volgenden dag weer naar Montmartre, maar leed daar zóó, dat hij de twee volgende dagen niet ging. Hij sloot zich in zijn huisje op, waar niemand zijn koortsachtige opwinding zien kon. Op een ochtend, dat hij nog wanhopig en moedeloos in bed lag, zag hij tot zijn verbazing zijn broer Guillaume binnenkomen.
“Ik moet me wel de moeite geven naar jou te gaan, nu jij ons zoo alleen laat zitten … Ik kom je halen voor de zaak-Salvat; het proces komt vandaag voor. Ik heb met groote moeite twee plaatsen kunnen krijgen … Allo, sta op, wij zullen in een restaurant dejeuneeren en zorgen vroegtijdig in de zaal te zijn.”
Hij zelf scheen gepreoccupeerd en onrustig, en toen Pierre zich aan het kleeden was, vroeg hij:
“Heb je ons iets te verwijten?”
“Wel neen! Hoe kom je op het idee?”
“Waarom kom je dan niet meer? We zagen je iederen dag en nou blijf je eensklaps weg!”
Pierre zocht vergeefs naar een leugen.
“Ik moest hier werken … En bovendien, die melancholieke buien zijn ook weer teruggekomen, zoodat ik jullie ook maar treurig gestemd zou hebben.”
“Geloof je soms, dat je wegblijven ons vroolijk maakt?” vroeg Guillaume met een bruusk gebaar. “Marie, die altijd zoo gezond en opgewekt is, had eergisteren zoo’n migraine, dat zij haar kamer heeft moeten houden. Ook gisteren voelde zij zich nog alles behalve goed, zenuwachtig en stil. We hebben een beroerden dag gehad.”
Hij keek hem recht in zijn gelaat met zijn open oogen, waarin de ontwakende argwaan, dien hij niet uitspreken wilde, duidelijk te lezen was.
Verschrikt door het denkbeeld, dat hij zichzelf zou kunnen verraden, slaagde Pierre er ditmaal in te liegen; met kalme stem antwoordde hij:
“Ja, ze voelde zich al niet lekker, toen we samen dien fietstocht maakten … En wat mij betreft, ik heb het erg druk gehad. Ik wou juist opstaan, om weer naar jullie te komen.”
Een oogenblik nog keek Guillaume hem aan; dan begon hij, blijkbaar gerustgesteld of het tot later uitstellend, om achter de waarheid te komen, over andere dingen te praten; maar ondanks deze in hem zoo krachtige broederlijke teederheid bleef zulk een rilling van niet bekende en misschien onbewuste smart in hem achter, dat zijn broeder nu op zijn beurt vroeg:
“Maar ben jij soms ziek? Het is alsof je niet de gewone kalme rust van altijd hebt!”
“Ik? Neen, ik mankeer niets, hoor! Maar mijn gewone kalme rust wordt wel in gevaar gebracht. Dat proces van Salvat brengt me heelemaal uit mijn gewone doen. Zij zullen me met hun schandelijke onrechtvaardigheid, waarmede zij allen dien ongelukkige verpletteren willen, nog razend maken.”
Van af dat oogenblik sprak hij nog slechts over Salvat, wond hij zich op, als wilde hij in deze zaak een verklaring zoeken voor al zijn woede, voor al zijn lijden. Onder het dejeuner in een restaurant op den boulevard du Palais zeide hij, hoezeer hij getroffen was door het zwijgen van Salvat zoowel wat betreft den aard van het kruit, waarmede hij de bom gevuld had, als wat de enkele dagen aangaat, die hij bij hem gewerkt had. Dank zij dat zwijgen had men hem met rust gelaten en zelfs niet als getuige opgeroepen. Vol ontroering kwam hij weer op zijn uitvinding terug, die vreeselijke machine, welke aan het bevrijdende Frankrijk de almacht verzekeren moest. De resultaten van zijn onderzoekingen der laatste tien jaar waren nu buiten alle gevaar, gereed en definitief, zoodat zij iederen dag aan de Fransche regeering gegeven konden worden. Maar afgezien van sommige heimelijke gewetensbezwaren, die hij tegenover de schaamteloosheid der financieele en politieke wereld voelde, wilde hij nog slechts op zijn huwelijk met Marie wachten, om haar met een roerende galanterie deel te laten nemen aan het prachtige geschenk, dat hij de wereld geven wilde: den wereldvrede.
Door bemiddeling van Bertheroy had Guillaume met groote moeite twee plaatsen gekregen; maar toen hij om elf uur, het uur, waarop de deuren geopend werden, met Pierre kwam, geloofden zij niet meer binnen te zullen komen. Alle hekken waren gesloten, de corridors door middel van planken afgezet, een storm van schrik en angst loeide door het ledige Paleis, als waren de magistraten bang voor een invasie van met bommen gewapende anarchisten. Men vond er weer de rilling van den ontzettenden angst, die Parijs sedert drie maanden doorschokte. De twee broers moesten bij alle door militairen bewaakte deuren en gangen onderhandelen, en toen zij eindelijk in de zaal kwamen, was deze reeds propvol met het opgehoopte publiek, dat zich daar een uur lang voor het binnenkomen van het Hof verdrong en er zich in schikte zich daar acht of negen uur niet te kunnen verroeren, want het gerucht ging, dat men het proces in één zitting wilde doen afloopen. In het zoo kleine, voor het publiek gereserveerde deel verdrong zich een dichte menigte nieuwsgierigen, waaronder enkele vrienden en kameraden van Salvat, aan wie het ondanks alle voorzorgsmaatregelen gelukt was binnen te komen. In het andere gedeelte, waarin de getuigen samengeperst werden, zaten op de eikenhouten banken de genoodigden, zij, die door de een of andere gunst binnen mochten komen; er waren er echter te veel, zoodat men bijna op elkaars schoot zat. In het praetorium waren als in een schouwburg stoelen gezet, die de open ruimte tot achter het Hof innamen. Daar zat de bevoorrechte beau monde, politici, journalisten, terwijl de groote stroom advocaten in toga op goed geluk af in alle hoekjes ondergebracht was.
Pierre en Guillaume konden nog juist twee plaatsen vinden op de laatste bank der getuigenafdeeling tegen het schot van de publieke tribune. Toen Guillaume ging zitten, zag hij den kleinen Victor Mathis, die, met zijn ellebogen op het beschot leunende, zijn kin in zijn gevouwen handen liet rusten; zijn oogen in het bleeke gezicht met de magere lippen brandden. De twee mannen herkenden elkaar, maar Victor verroerde zich niet en Guillaume begreep, dat het niet raadzaam was elkander hier te groeten.
Intusschen had Pierre den afgevaardigde Dutheil en de kleine prinses Rosemonde, die voor hem zaten, herkend. Te midden van het vreeselijke lawaai der menigte, die, om den tijd te verdrijven, praatte en lachte, klonken hun stemmen het vroolijkst en verrieden hoe blij zij waren dit schouwspel, dat zooveel menschen trok, bij te kunnen wonen. Hij legde haar de zaal uit; alle banken, de kleine houten hokjes van de jury, den beklaagde, den verdediger, den ambtenaar van het openbaar ministerie, den griffier, de tafel met de overtuigingsstukken, en het getuigenbankje. Alles was nog ledig: een bediende wierp nog een laatsten onderzoekenden blik op alles; advocaten liepen vlug door de zaal. Men had kunnen gelooven in een schouwburg te zijn, waarvan het tooneel nog leeg was, terwijl de op hun plaatsen samengeperste menigte op het begin van het stuk wachtte. Om den tijd wat te bekorten, zocht de kleine prinses naar kennissen.
“Zeg, zit daar achter het Hof mijnheer Fonsègue niet naast die dikke dame in het geel? En daar aan den anderen kant onze vriend generaal de Bozonnet?… Is baron Duvillard er niet?”
“Neen,” antwoordde Dutheil; “dat zou moeilijk gaan. Het zou den schijn hebben, alsof hij hier wraak kwam eischen.”
Dan vroeg hij haar op zijn beurt.
“Hebt u onaangenaamheden gehad met uw mooien vriend Hyacinthe, dat u mij het groote genoegen gedaan hebt mij als cavalier te kiezen?”
Met een lichte schouderbeweging gaf zij te kennen, dat de dichters haar begonnen te vervelen. In een nieuwe gril was zij naar de politiek overgegaan en in de laatste acht dagen interesseerde zij zich hartstochtelijk voor de ministerieele crisis. De jonge afgevaardigde van Angoulême wijdde haar in de geheimen in.
“Ach, mijn waarde,” zeide zij; “de Duvillards zijn allemaal aan den overspannen kant … U weet natuurlijk, dat het huwelijk tusschen Camille en Gérard een uitgemaakte zaak is. De barones heeft er zich bij neergelegd en ik heb uit goede bron vernomen, dat madame de Quinsac, Gérard’s moeder, haar toestemming gegeven heeft.”
Dutheil lachte als wilde hij bewijzen, dat hij ook op de hoogte was.
“Ja, ja, ik weet het. Het huwelijk zal binnenkort in de Madeleine ingezegend worden—een huwelijk, waarvan de pracht de menschen nog lang zal doen praten … Een betere oplossing was bijna niet te vinden. In den grond der zaak is de barones de goedheid zelve; ik heb altijd gezegd, dat zij zich zou opofferen, om het geluk van haar dochter en Gérard te verzekeren … In het kort, dit huwelijk maakt alles weer goed, brengt alles weer in orde!”
“En wat zegt de baron ervan?” vroeg Rosemonde.
“De baron is in den zevenden hemel. U hebt vanochtend toch zeker wel gelezen dat Dauvergne de portefeuille van Openbaar Onderwijs gekregen heeft. Dat beteekent: Silviane in de Comédie-Française. Dat is de eenige reden, waarom Dauvergne minister geworden is.”
Hij schertste nog verder, maar op dat oogenblik zag de kleine Massot, die ruzie had met een bode, uit de verte een ledige plaats naast de prinses, en toen hij een vragend gebaar maakte, knikte zij toestemmend.
“Ja, het ging niet makkelijk,” zeide hij, terwijl hij naast haar plaats nam. “De journalistenbank is propvol, en bovendien moet ik nog een kroniek schrijven … Prinses, u bent de beminnelijkste van alle vrouwen, om wel een klein plaatsje in te ruimen voor uw zeer trouwen bewonderaar.”
Dan gaf hij Dutheil een hand en ging zonder eenigen overgang voort.
“Het ministerie is dus gevormd, mijnheer de afgevaardigde?… Het heeft lang geduurd, maar het is nu ook een prachtstuk!”
Inderdaad waren de besluiten dien ochtend in den Officiel verschenen. Na een lange crisis was, toen Vignon voor de tweede maal door onontwarbare moeilijkheden zijn combinatie had zien mislukken, Monferrand, dien men uit wanhoop op het Elysée geroepen had, op het tooneel verschenen. Binnen vier-en-twintig uur had hij de portefeuilles verdeeld en zijn lijst laten goedkeuren, zoodat hij nu triomphantelijk terugkeerde tot de macht, van welker hoogte hij met Barroux zoo jammerlijk gevallen was. Hij verwisselde als minister-president de portefeuille van Binnenlandsche Zaken met die van Financiën, wat van oudsher af zijn grootste eerzucht geweest was. Nu kwam de schoonheid van zijn heimelijk intrigeeren in het volle daglicht; de meesterlijke manier, waarop hij zichzelf weer opgevischt had door de arrestatie van Salvat, dan de buitengewone ondergrondsche campagne tegen Vignon, de tallooze hinderpalen, waarmede hij hem tot tweemaal toe den weg versperd had, en tenslotte de bliksemsnelle oplossing, die geheel gereed zijnde lijst, het in één dag in elkaar gezette ministerie.
“Een kranig stukje werk, mijn compliment,” herhaalde Massot spottend.
“Maar ik heb er niets aan gedaan,” zeide Dutheil bescheiden.
“Wat, niets aan gedaan? Maar dat kan iedereen u anders vertellen!”
De afgevaardigde glimlachte gevleid en de andere bleef dan ook met zijn toespelingen en sous-entendu’s doorgaan. Hij sprak van de bende van Monferrand, van de protégé’s, die hem, omdat zij zijn overwinning noodig hadden, zoo krachtig hadden gesteund. Hoe meedoogenloos had Fonsègue zijn ouden, lastig geworden vriend Barroux in den Globe laten afmaken! Een maand lang nu al verscheen er iederen ochtend een artikel, dat Barroux en Vignon vernietigde en den terugkeer van den redder, wiens naam niet genoemd werd, voorbereidde. Verder hadden de millioenen van Duvillard in het geheim den oorlog medegestreden en waren de creaturen van den baron in grooten getale als een leger in een geregeld gevecht ten strijde getrokken, afgezien nog van Dutheil, den pijper en den tamboer, en van Chaigneux, die zich nederig geschikt had in allerlei vuile opdrachten, waarmede niemand anders zich belasten wilde. En daarom zou het debuut van den triomphator Monferrand zeker hierin bestaan, dat hij de ergerlijke zaak der Afrikaansche sporen door het benoemen van een enquête-commissie in den doofpot stoppen zou.
Dutheil zette een gewichtig gezicht.
“Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? In ernstige uren, wanneer de maatschappij in gevaar geraakt, zijn er sterke mannen, staatslieden, die vanzelf op den voorgrond komen … Monferrand had onze vriendschap niet noodig; de toestand eischte gebiedend, dat hij aan het bewind kwam. Hij is de eenige vuist, die ons redden kan.”
“Ik weet het,” zeide Massot spottend. “Men heeft mij zelfs verzekerd, dat men het ministerie zoo vlug in elkaar gezet heeft, zoodat de benoemingen vanochtend nog in den Officiel kwamen, om de jury en den rechters moed te geven; nu Monferrand met zijn vuist achter hen staat, kunnen zij gerust vanavond het doodvonnis uitspreken.”
“Zeker, mijn waarde, een doodvonnis is in het openbaar belang; degenen, die voor onze sociale veiligheid zorgen moeten, behooren te weten, dat het ministerie aan hun zijde staat en hen, als het noodig is, zal weten te beschermen.”
“Zeg eens,” viel de prinses hen met een vriendelijk lachje in de rede, “is die dame, die naast Fonsègue is komen zitten, Silviane niet?”
“Het ministerie Silviane,” prevelde Massot. “Als Dauvergne met de actrices op goeden voet staat, zal je je bij hem niet vervelen.”
Guillaume en Pierre luisterden en hoorden, zonder het zelf te willen. Vooral de eerste werd door die mondaine kletspraatjes en politieke indiscreties zeer onaangenaam getroffen. Salvat ter dood veroordeeld nog voor hij gehoord was! Salvat moest boeten voor de fouten van allen, was niet meer dan een gunstige gelegenheid voor den triomf van een bende eerzuchtige genotzoekers! Moest eigenlijk niet alles instorten? Was deze plechtige zitting van menschelijke gerechtigheid niet een belachelijke parodie, waar hier slechts gelukkige bevoorrechten waren, die het in ruïne vallende gebouw, dat hen beschermde, verdedigden en de reusachtige macht, waarover zij nog beschikten, ontplooiden om een vlieg te verpletteren, een armen, half ontoerekenbaren drommel, dien zijn heftige en bedwelmende droom van een andere, hoogere en wrekende gerechtigheid hier gebracht had?
Maar er ging een huivering door de zaal: het sloeg twaalf uur, de jury trad binnen en ging als een onordelijke kudde op haar bank zitten. Het waren goedige gezichten, dikke mannen in hun Zondagsche pakjes, anderen weer mager met levendige oogen, baarden en kale hoofden; maar alles grijs en als uitgewischt, bijna niet te onderscheiden in de donkerte, waarin dat gedeelte der zaal gehuld was. Dan verscheen het Hof. Mijnheer de Larombardière, een der vice-presidenten van het Cour d’appèl, had dien dag het gevaarlijke eere-ambt van voorzitter. Hij overdreef nog de majestueuze uitdrukking van zijn lang, smal gezicht en zag er nog strenger uit, nu rechts en links van hem twee kleine bijzitters met roode wangen zaten, de een bruin en de ander blond. Reeds had mijnheer Lehmann, een der meest bekende en handige advocaten-generaal, een Elzasser met breede schouders en sluwe oogen, plaats genomen op de bank van het Openbaar Ministerie, wat wel bewees, welk een groot gewicht men aan de zaak hechtte. En eindelijk werd Salvat door de zwaar stappende gendarmes binnengebracht. Hij verwekte een zoo groote nieuwsgierigheid, dat de geheele zaal opstond. Hij droeg nog de muts en den zwaren, wijden paletot, dien hij van Victor gekregen had. Maar de aanblik van dat lange, vleeschlooze, teere, melancholieke gezicht met de enkele rossige en reeds grijzende haren en de mooie, zacht droomerige, brandende, blauwe oogen was voor allen een verrassing. Hij wierp een blik op het publiek en glimlachte tegen iemand, dien hij kende—Victor misschien of mogelijk Guillaume. Maar dan bewoog hij zich niet meer.
De president wachtte tot er weer een stilte ingetreden was, waarna al de formaliteiten, die de opening van een zitting vereischen, volgen konden. Vervolgens werd door een griffier met schelle stem de eindelooze acte van beschuldiging voorgelezen. Het aspect van de zaal was geheel veranderd; het publiek luisterde met een eenigszins ongeduldige moeheid, want sedert weken vertelden de couranten deze geschiedenis. Thans was er geen plaats leeg meer, voor het tribunaal was nog nauwlijks een kleine ruimte vrij voor de getuigen, die gehoord moesten worden. In deze saamgedrongen massa vormden de lichte toiletten der dames en de zwarte toga’s der advocaten bonte vlekken, waaronder de drie roode toga’s der rechters verdwenen. De estrade, waarop zij zaten, was zoo laag, dat men boven de andere hoofden het lange gezicht van den president nauwlijks onderscheiden kon. Velen keken vol belangstelling naar de jury, trachtten die in het duister gehulde, uitdrukkingslooze gezichten te ontcijferen. Anderen hadden geen oog af van den beschuldigde, verwonderden zich over zijn moe, onverschillig gezicht. Hij antwoordde nauwlijks op de vragen, welke zijn advocaat, een jong, talentvol man met een opgewekte stem, die zenuwachtig op de gelegenheid wachtte, om zich met roem te overdekken, hem halfluid deed. Maar de grootste belangstelling gold de tafel met de overtuigingsstukken, waarop alle mogelijke overblijfselen lagen: een splinter uit de koetspoort van het hôtel Duvillard, stukken kalk van het gewelf, een straatsteen, die door de kracht der ontploffing in tweeën gescheurd was. Doch de harten werden vooral getroffen door de intact gebleven kartonnen hoedendoos en in een met spiritus gevulde bokaal iets vaags en wits, het kleine, afgerukte handje van het loopmeisje, dat men op die wijze geconserveerd had, daar men het jammerlijke lichaam met de door de bom opengereten buik niet had kunnen bewaren of op de tafel leggen.
Eindelijk stond Salvat op en begon de president het verhoor, waarbij hij onmiddellijk een minachtenden toon aansloeg. Hij was over het algemeen een man met een eerlijk karakter, een der laatste vertegenwoordigers van de oude, nauwgezette en rechtschapen magistratuur; maar hij begreep niets van den nieuweren tijd en behandelde de beklaagden met de strengheid van den Bijbelschen God. Het kleine gebrek, dat de wanhoop van zijn leven uitmaakte, een lispelen, dat hem volgens zijn meening belet had als advocaat zijn geniale redenaarsgaven te ontwikkelen, maakte hem prikkelbaar, knorrig, deed hem onvatbaar zijn voor zachtheid. Toen zijn dun, scherp stemmetje de eerste vragen deed, werd er in de zaal geglimlacht, en hij voelde dat. De zoo grappige stem nam nog het beetje majesteit weg, dat overbleef in deze rechtszitting, waarvan het leven van een mensch afhing. Salvat beantwoordde de eerste vragen op zijn moede en beleefde manier. Toen de president hem trachtte te vernederen, hem de antecedenten van zijn ongelukkige jeugd voor de voeten wierp, zijn gebreken vergrootte en zijn leven met madame Théodore en de kleine Céline voor zedeloos uitmaakte, zeide hij kalm ja of neen als iemand, die niets te verbergen heeft en de volle verantwoordelijkheid voor zijn daden aanvaardt.
Hij had een volledige bekentenis afgelegd en herhaalde die in alle kalmte, zonder er een woord aan te veranderen. Hij had, zoo legde hij uit, het hôtel Duvillard uitgekozen om zijn bom neer te leggen, omdat hij aan zijn daad haar volle beteekenis wilde geven, de rijken, de geldmenschen, die zich door diefstal en leugen op een schandelijke wijze verrijkt hadden, aanmanen onmiddellijk aan de armen, aan de arbeiders, aan hun vrouwen en kinderen, die van honger crepeerden, hun aandeel in den gemeenschappelijken rijkdom terug te geven. Nu eerst kwam er leven in hem; al de geleden ellende steeg als een koorts naar het verwarde brein van den half-ontwikkelde, waarin zich de theorieën, de overprikkelde theorieën van onbeperkte gerechtigheid en algemeen geluk opgehoopt hadden. Van dat oogenblik leek hij wat hij in werkelijkheid was: een gevoelsmensch, een door het lijden geëxalteerde droomer, een nuchtere, trotsche, eigenzinnige man, die de wereld volgens zijn sectariërslogica herscheppen wilde.
“Maar je bent gevlucht,” zeide de president met zijn stem als een ratel. “Zeg dus niet, dat je je leven voor de goede zaak gaf en tot den martelaarsdood bereid was!”
Het eenige, waar Salvat bitter berouw over had, was, dat hij aan zijn drang om te vluchten in het Bois de Boulogne toegegeven had.
“Ik vrees den dood niet,” zeide hij, boos wordend; “dat zult u wel zien … O, mochten allen mijn moed hebben, dan zou morgen uw verrotte maatschappij weggevaagd zijn en het geluk eindelijk komen.”
Nu volgde een eindeloos verhoor over de vervaardiging van de bom zelf. Terecht merkte de president op, dat dit het eenige duistere punt in de zaak was.
“Dus je blijft er bij, dat het kruit, dat je gebruikt hebt, dynamiet is. Je zult straks de deskundigen hooren, die het weliswaar niet eens zijn, maar die aldus geconcludeerd hebben, dat er een andere springstof, die zij verder niet kunnen preciseeren, gebruikt moet zijn … Verberg dus niets voor ons, waar je er een eer in stelt verder alles te zeggen.”
Plotseling was Salvat kalm geworden; uiterst voorzichtig antwoordde hij nog slechts met monosyllaben.
“Zoek, als u mij niet gelooft … Ik heb mijn bom heelemaal alleen gemaakt en wel op de manier, die ik reeds honderdmaal herhaald heb … U verwacht toch zeker niet, dat ik namen noemen, dat ik kameraden verraden zal.”
En van die verklaring week hij niet af. Eerst tegen het einde maakte een onoverwinlijke ontroering zich van hem meester, toen de president terugkwam op het ongelukkige slachtoffer, het zoo blonde en knappe loopmeisje, dat het wreede noodlot daar gebracht had, om er een afschuwelijken dood te vinden.
“Een uit je eigen kringen heb je getroffen, een arm kind, dat haar oude grootmoeder met haar enkele sous loon ondersteunde.”
“Dat is het eenige, waar ik spijt van heb,” zeide Salvat met verstikte stem. “Zeker was mijn bom niet voor haar bestemd; mogen alle arbeiders, alle hongerlijders zich herinneren, dat zij haar bloed gegeven heeft, zooals ik het mijne geven zal.”
Zoo eindigde het verhoor te midden van een diepe ontroering. Pierre had Guillaume naast zich voelen beven, terwijl de aangeklaagde zoo kalm en hardnekkig bleef zwijgen over de gebruikte springstof en de geheele verantwoordelijkheid voor de daad, die hem zijn hoofd kosten kon, op zich nam. En toen Guillaume zich met een niet te bedwingen beweging omgekeerd had, zag hij den kleinen Victor Mathis, die zich niet bewoog, maar nog steeds met zijn elleboog op het schot en zijn kin in zijn handen, met zwijgenden hartstocht stond te luisteren. Maar zijn gezicht was nog bleeker, zijn vurige oogen geleken op twee groote gaten, waardoor men den wrekenden brand zag, welks vlammen niet meer uitgaan zouden.
In de zaal heerschte eenige minuten een geroezemoes van stemmen.
“Die Salvat ziet er heel goed uit,” zeide de prinses; “hij heeft zulke liefdevolle oogen … Neen, neen, mijnheer de afgevaardigde, u mag geen kwaad van hem zeggen. U weet, dat ik ook anarchistisch aangelegd ben.”
“Ik zeg heelemaal geen kwaad van hem,” antwoordde Dutheil vroolijk, “evenmin als onze vriend Amadieu recht heeft dat te doen, want deze zaak heeft hem op het toppunt van zijn roem gebracht … Nooit heeft men zooveel over hem gesproken, en dat vindt hij heerlijk. Nu is hij de meest bekende en beroemde rechter van instructie, die doen en worden kan wat hij wil.”
Massot vatte met zijn ironische onbeschaamdheid den toestand samen.
“Ja, als het de anarchie goed gaat, gaat alles goed … Deze bom heeft de zaken van verscheidene personen, die ik de eer heb te kennen, weer in het reine gebracht … Gelooft u bijvoorbeeld, dat mijn patroon Fonsègue, die zijn buurvrouw zoo galant het hof maakt, zich te beklagen heeft? En gelooft u, dat Sanier, die zoo’n hooge borst zet achter den president en die veel meer zou thuis hooren tusschen de vier gendarmes, Salvat niet uiterst dankbaar zijn moet voor de reclame, die hij op den rug van dien ongelukkige heeft kunnen slaan. En nu spreek ik nog niet eens van de politici of van de geldmannen of van al degenen, die in troebel water visschen …”
“Maar zeg eens,” viel Dutheil hem in de rede; “ik geloof, dat u ook een aardig voordeeltje uit het geval geslagen hebt … Dat interview van de kleine Céline zal u wel een aardigen duit opgeleverd hebben.”
Inderdaad was Massot op het geniale denkbeeld gekomen madame Théodore en de kleine Céline op te zoeken en zijn bezoek met allerlei roerende en intieme bijzonderheden in den Globe te vertellen. Het artikel had een buitengewoon succes gehad; de aardige antwoorden, die Céline over haar gevangen genomen vader gegeven had, troffen alle gevoelige zielen zoo zeer, dat dames in equipages naar de beide arme schepsels kwamen, de aalmoezen toestroomden en zelfs de menschen, die het hoofd van den vader eischten, voor het kind de grootste sympathie hadden.
“Maar ik klaag heelemaal niet over het voordeeltje,” antwoordde de journalist. “Ieder verdient wat hij kan en zooals hij kan.”
Op dat oogenblik herkende Rosemonde achter zich Guillaume en Pierre, en haar verbazing, toen zij den laatste in een gewone jas zag, was zóó groot, dat zij hem niet durfde aanspreken. Zij boog zich wat voorover en deelde ongetwijfeld haar verbazing aan Dutheil en Massot mede, want zij keerden zich beiden om; maar uit discretie deden beiden ook of zij niets zagen. De hitte werd onverdragelijk; een dame was flauw gevallen. En weer verkreeg de lispelende stem van den president stilte.
Salvat stond met enkele blaadjes papier in zijn hand en wist met moeite te kennen te geven, dat hij zijn verhoor wilde aanvullen door een verklaring, die hij van te voren gereed gemaakt had en waarin hij de redenen, die hem tot zijn daad hadden gebracht, uiteenzette. Verbaasd en heimelijk boos aarzelde mijnheer de Larombardière en trachtte een dergelijke verklaring te beletten, maar daar hij begreep, dat hij den beschuldigde den mond niet snoeren kon, gaf hij hem met een geprikkeld en tevens minachtend gebaar verlof zijn verklaring voor te lezen. Salvat begon; eerst stotterde hij, vergiste hij zich en legde hij enkele malen een buitengewonen nadruk op woorden, waarover hij zichtbaar zeer voldaan was. Het was de kreet van lijden en opstand, dien reeds zoovele onterfden uitgestooten hadden: de vreeselijke ellende in de laagste klassen, de arbeider kon van zijn werk niet leven, een geheele klasse, en nog wel de talrijkste en de meest waardige, stierf van honger, terwijl anderzijds de bevoorrechten, de met rijkdom volgepropten, zelfs de kruimels van hun tafel weigerden en niets van het gestolen fortuin wilden teruggeven. Men moest hun dus alles weer ontnemen, hen door vreeselijke waarschuwingen uit hun egoïsme wekken, hun met bomaanslagen aankondigen, dat de dag der gerechtigheid gekomen was.
En dit woord gerechtigheid stiet de ongelukkige uit met een donderende stem, die de geheele zaal vulde. Maar de grootste ontroering verwekte de prophetie, waarmede hij eindigde, nadat hij zijn leven ten offer gebracht had, terwijl hij den gezworenen toeriep, dat hij van hen niets anders dan den dood verwachtte: andere martelaars zouden uit zijn bloed geboren worden. Men kon hem naar het schavot zenden, hij wist, dat zijn voorbeeld andere helden zou verwekken. Na hem een andere wreker, en nog een, steeds weer andere, totdat de oude verrotte maatschappij instorten zou, om plaats te maken voor de maatschappij van gerechtigheid en geluk, waarvan hij de apostel was.
Tot tweemaal toe was de ongeduldig wordende president hem in de rede gevallen, maar Salvat bleef met de onverstoorbaarheid van een dweper, die bang is de belangrijke woorden slecht te zeggen, doorlezen. Aan deze verklaring had hij blijkbaar, sedert hij in de gevangenis zat, gewerkt. Hij bezegelde daarmede zijn zelfmoord, hij gaf daarmede zijn leven in ruil voor den roem voor de menschheid gestorven te zijn. Toen hij klaar was, ging hij weer met schitterende oogen, roodgekleurde wangen en een uitdrukking van groote, innerlijke vreugde tusschen de gendarmen zitten.
Om het effect van deze verklaring te niet te doen, ging de president onmiddellijk tot het hooren der getuigen over. Het was een eindelooze reeks, die slechts matig belang inboezemde, daar geen van allen opzienbarende onthullingen te doen had. De fabrikant Grandidier vertelde eenvoudig, dat hij Salvat wegens anarchistische propaganda had moeten ontslaan, terwijl Toussaint, Salvat’s zwager, zonder te liegen, alles zoo gunstig mogelijk voorstelde. Een lange discussie had plaats tusschen de deskundigen, die het nu in het openbaar evenmin eens worden konden als in hun rapporten, want, al stemden zij allen overeen in hun verklaring, dat het gebruikte kruit geen dynamiet kon zijn, over de samenstelling daarvan gaven zij de meest uiteenloopende en tegenstrijdige meeningen te kennen.
Vervolgens werd een rapport van den beroemden geleerde Bertheroy voorgelezen, die alles zeer juist resumeerde door te concludeeren, dat men hier te doen had met een nieuwe, buitengewoon krachtige springstof, waarvan hij zelf de formule niet kende. Na Mondésir en Dupot, die van de klopjacht in het Bois de Boulogne vertelden, en de grootmoeder van het jonge loopmeisje, die men de wreedheid gehad had als getuige te dagvaarden, volgde een groot aantal getuigen à décharge, een eindelooze rij meesterknechts, kameraden en vrienden van Salvat, die allen verklaarden, dat hij een fatsoenlijke man, een knap en dapper werkman was, die nooit dronk, zijn dochtertje aanbad en niet in staat was, om een laagheid te begaan.
Het was reeds vier uur vóór het getuigenverhoor ten einde liep. In de brandend-heete zaal heerschte een koortsachtige uitputting, die het bloed naar het gelaat dreef, terwijl een soort roodachtig stof het door de ramen binnenvallende, verbleekende licht verduisterde. Vrouwen bewogen haar waaiers op en neer, mannen veegden hun voorhoofd af. Maar de hartstocht, dien het schouwspel opwekte, deed in aller oogen een harde vreugde ontvlammen.
“Ik had zoo gehoopt om vijf uur bij een vriendin een kop thee te drinken,” zuchtte Rosemonde. “Ik zal nog omkomen van honger.”
“We zullen minstens tot zeven uur blijven moeten,” zeide Massot; “maar ik durf u niet aanbieden een broodje voor u te halen, want ze zouden mij niet meer binnenlaten.”
Onder de voorlezing van Salvat’s verklaring had Dutheil ieder oogenblik zijn schouders opgehaald.
“Alles wat hij zegt, is zoo vreeselijk kinderachtig! Om voor zoo iets te willen sterven! Rijken en armen zullen er altijd zijn! En het staat ook vast, dat men, als men arm is, niets anders wil dan rijk worden. Dat hij hier op deze bank zit, komt alleen, omdat het hem niet gelukt is rijk te worden.”
Pierre was zeer ontroerd en maakte zich ongerust over zijn broeder, die bleek en zwijgend naast hem zat. Hij zocht zijn hand, drukte die heimelijk en vroeg zacht:
“Voel je je niet goed? Willen we liever weggaan?”
Maar Guillaume beantwoordde zijn handdruk; hij had niets, hij zou, niettegenstaande alles hem bitter stemde, blijven tot het einde.
Nu nam de procureur-generaal Lehmann streng het woord. Men wist, dat hij, ondanks zijn stijfhoofdig Jodengezicht in alle politieke kringen relaties had en zich door zijn soepelheid steeds wist aan te sluiten bij hen, die aan het bewind waren, wat zijn vlugge carrière en de gunsten, waarmede hij overladen werd, zeer goed verklaarde. Het was algemeen bekend, dat hij de advocaat der regeering was, en inderdaad maakte hij dadelijk bij de eerste zinnen een toespeling op het dien ochtend benoemde nieuwe ministerie, op den sterken man, die het op zich genomen had de goeden gerust te stellen en de slechten te doen beven. Dan viel hij met een buitengewone heftigheid op Salvat aan, herhaalde de geheele geschiedenis, schilderde hem als een bandiet, een geboren misdadiger, een monster, dat eindelijk wel tot den lafst denkbaren aanslag komen moest.
Vervolgens werd de anarchie gegeeseld; de anarchisten waren slechts een troep vagebonden en dieven. Men had bij de plundering van het hôtel de Hardt gezien wat die apostelen der ware leer eigenlijk waren. Ziedaar, waarop de toepassing van die theorieën uitliep: op geplunderde en bevuilde huizen, tot eindelijk de groote plunderingen en moordpartijen komen zouden. Bijna twee uur sprak hij op die wijze door, waarbij hij weinig lette op waarheid en logica, doch vooral trachtte te werken op de phantasie, den schrik, die Parijs reeds drie maanden lang doorschokte, uitbuitte en het arme kleine slachtoffer als een bloedig vaandel zwaaide. En hij eindigde, zooals hij begonnen was: hij sprak den gezworenen moed in, zeide hun, dat zij hun plicht doen en den moordenaar veroordeelen konden, nu de regeering vast besloten was niet terug te wijken voor bedreigingen.
Nu sprak op zijn beurt de met de verdediging belaste advocaat. Wat hij te zeggen had, zeide hij met een werkelijk volmaakte juistheid en helderheid. Hij behoorde tot een andere school, was zeer eenvoudig, alleen geestdriftig voor de waarheid. Hij bepaalde er zich toe de geschiedenis van Salvat in het ware licht te plaatsen, aan te toonen, hoe hij van zijn jeugd af aan onder den druk van de sociale verhoudingen gestaan had, uit te leggen hoe deze laatste daad samenhing met alles wat hij geleden had, met alles, wat in zijn dwepersbrein ontkiemd was. Was zijn misdaad niet de misdaad van allen? Voelde een ieder zich niet eenigszins mede-verantwoordelijk voor deze bom, die een arme, van honger omkomende werkman was gaan werpen in de woning van een rijke, wiens naam voor hem de onrechtvaardige verdeeling: aan de eene zijde zooveel genot, aan de andere zooveel ontberingen, beteekende? Wanneer in onze onrustige en woelige tijden te midden van de brandende problemen, die opgeworpen waren, een van ons het hoofd verliest en het geluk op weldadige wijze verhaasten wil, moeten wij hem dan in naam der gerechtigheid uit den weg ruimen, terwijl toch ook geen onzer zweren kan, dat hij niet medeplichtig is aan dien dood van waanzin? Lang weidde hij uit over het historische oogenblik, waarop deze zaak zich afspeelde: zooveel schandalen, zulk een ineenstorting van alles, nu onder zoo vreeselijk lijden en strijden een nieuwe wereld zoo pijnlijk uit de oude geboren werd. En ten slotte bezwoer hij de gezworenen hun menschelijk hart te laten spreken, zich niet te laten medesleepen door de hartstochten van de straat, de verschillende klassen te verzoenen door een wijs oordeel in plaats van den strijd tot in het oneindige te rekken door den hongerlijders een nieuwen martelaar te geven, die gewroken moest worden.
Het was reeds over zessen, toen mijnheer de Larombardière met zijn scherp en zoo grappig stemmetje aan de jury de talrijke vragen, die haar gesteld werden, voorlas. Dan trok het Hof zich weer terug en begaf de jury zich weer naar de zaal, waar zij moest beraadslagen, terwijl men den aangeklaagde wegleidde. Onder het publiek heerschte een lawaaierige spanning, een koortsachtig-ongeduldig geroezemoes. Weer waren dames flauw gevallen; ook een heer, die niet tegen de benauwde hitte bestand was, had men uit de zaal moeten brengen. De anderen echter bleven hardnekkig wachten; geen enkele ging weg.
“Het zal niet lang duren,” zeide Massot. “De gezworenen hebben het doodvonnis in hun zak medegebracht. Ik heb naar hen gekeken, toen die kleine advocaat zoo flink tegen hen sprak. Je kon ze nauwlijks zien, maar hun in het donker gedompelde gezichten hadden een slaperige uitdrukking. Ik zou wel eens willen weten, wat er in hun hersens omging?”
“En hebt u nog altijd honger?” vroeg Dutheil aan de prinses.
“O, ik verga … Ik zal onmogelijk eerst naar huis kunnen gaan. U zult ergens iets met me moeten gaan gebruiken!… Maar het is toch wel interessant om te zien hoe met een Ja en een Neen over het leven van een mensch beslist wordt.”
Toen Pierre merkte hoe koortsachtig opgewonden en wanhopig Guillaume was, had hij diens hand weer in de zijne genomen. Geen van beiden sprak een woord in de diepe troosteloosheid, welke zich om tallooze redenen, die zij zelf niet precies zouden hebben kunnen omschrijven, van hen meester maakte. Het kwam hun voor alsof al de menschelijke ellende, hun eigen ellende, de liefde, de hoop, de smart, waaronder zij leden, in deze zaal zweefden, die doorhuiverd werd door het drama, dat de zelfzucht van sommigen en de lafheid van anderen hier zouden afspelen.
“Heb ik niet gezegd, dat het niet lang zou duren,” vroeg Massot.
En inderdaad kwam na een beraadslaging van een kwartier de jury weer binnen en schuifelde met luid schoenenlawaai langs de eikenhouten bank. Dan verscheen ook het Hof weer. De spanning in de zaal was verdubbeld. Sommigen waren opgestaan, anderen stootten onwillekeurig lichte kreten uit. De voorzitter der jury, een dikke man met een rood, breed gezicht, moest wachten voor hij het woord nemen kon. Dan zeide hij met een scherpe, eenigszins stotterende stem:
“Op eer en geweten, voor God en de menschen, het antwoord der jury luidt op de vraag: Moord? Ja, met meerderheid van stemmen.”
De avond was bijna gevallen, toen Salvat weer binnengeleid werd. Terwijl hij zich, eveneens staande, tegenover de half in het donker gehulde jury bevond, werd zijn gelaat door de laatste zonnestralen verlicht. De rechters zelf verdwenen, hun roode toga’s schenen zwart. Welk een aanblik bood dit magere, vleeschlooze gezicht van Salvat, die met droomerige oogen luisterde, terwijl de griffier de beslissing der jury voorlas!
Toen het weer stil werd, zonder dat er van verzachtende omstandigheden sprake was, begreep hij alles en lichtte zijn gelaat, dat een kinderlijke uitdrukking behield, op.
“Dus de dood? Dank u, heeren!”
Dan wendde hij zich naar het publiek en trachtte in het toenemend donker de gezichten van zijn kameraden, die hij wist, dat daar waren, te zien. Ditmaal had Guillaume den beslisten indruk, dat hij hem herkend had, hem nog eenmaal een liefdevollen groet toezond, waarin hij nogmaals zijn dankbaarheid uitdrukte voor het stuk brood, dat hij op een dag van ellende van hem gekregen had. Maar blijkbaar had hij ook Victor Mathis gegroet, want weer zag Guillaume achter zich den jongen man met wijd opengesperde, starre oogen en een verschrikkelijke uitdrukking om zijn mond.
Het overige, de laatste vragen, de overwegingen van het Hof, de uitspraak van het vonnis, alles werd bedekt door de deining, die de zaal in beweging bracht. Onbewust had men eenig medelijden gekregen en aan de bevrediging, waarmede het doodvonnis opgenomen werd, paarde zich eenige verbijstering.
Toen Salvat tusschen de gendarmen werd weggeleid, stiet hij met doordringende stem den kreet uit:
“Leve de anarchie!”
Niemand nam aanstoot aan dien kreet. Het publiek verspreidde zich in een gevoel van malaise, als had de overmatige inspanning de hartstochten afgestompt. Werkelijk het schouwspel was te lang en te afmattend geweest. Het deed goed weer frissche lucht in te ademen.
In de salle des Pas-Perdus kwamen Guillaume en Pierre langs Dutheil en de prinses, die aangesproken waren door generaal de Bozonnet en Fonsègue. Alle vier spraken luid, klaagden over hitte en honger, maar waren het er ten slotte over eens, dat de zaak niet bijzonder interessant was geweest. Maar eind goed, al goed. De veroordeeling van Salvat was, zooals Fonsègue zeide, een politieke en sociale noodzakelijkheid.
Op den Pont-Neuf leunde Guillaume een oogenblik tegen de borstwering, terwijl Pierre eveneens keek naar den breeden, grijzen stroom der Seine, dien de weerkaatsingen der eerste lantaarns vlammen deed. Een frissche ademtocht steeg op uit de rivier: het was het heerlijk uur, waarop de zachte nacht het zich ontspannende Parijs bedekken komt. Zwijgend ademden de beide broers dezen troost in. Pierre’s wond brak weer open: hij had immers moeten beloven weer naar Montmartre terug te gaan ondanks de marteling, die hem daar wachtte. Ook Guillaume voelde zijn argwaan weder ontwaken, zijn onrust, dat hij Marie zoo koortsachtig en door een nieuw gevoel, dat zij zelf niet kende, veranderd had gezien. Stonden dien twee mannen, die elkander zoo hartelijk lief hadden, weer nieuw lijden, nieuw strijden, nieuwe hinderpalen voor hun geluk te wachten?
Toen zij op de kade kwamen, zag Guillaume Victor Mathis alleen in het donker voor zich uitloopen. Hij sprak hem aan en begon over zijn moeder. Maar de jonge man luisterde niet, doch zeide met een stem, die scherp en snijdend was als een mes:
“Zij willen bloed … Zij kunnen hem een kopje kleiner maken, hij zal gewroken worden.”
V.
In het gewoonlijk zoo lichte en zoo vroolijke atelier te Montmartre leken de eerstvolgende dagen somber, als had het groote vertrek zich met droefheid en zwijgen gevuld. Toevallig waren ook de drie zoons niet thuis. Thomas ging ’s ochtends vroeg reeds naar de fabriek om proeven te nemen met zijn motor; François studeerde hard voor zijn examen en was bijna altijd in de École Normale; Antoine werd geheel in beslag genomen door een werk bij Jahan, waar de vreugde zijn kleine vriendin Lise tot het leven te zien ontwaken hem langer hield dan noodig was. Guillaume was dus zoo goed als alleen met Grootmoeder, die steeds met het een of ander naaiwerk bij het raam zat, terwijl Marie door het huis op- en neerliep en slechts in het atelier was te vinden, wanneer Pierre zelf er was.
In deze droefgeestige stemming van hun vader zagen allen niets anders dan de heimelijke woede, het wanhopige verzet, waartoe de veroordeeling van Salvat hem gebracht had. Na zijn terugkeer uit de rechtzaal had hij zich vreeselijk opgewonden, gezegd, dat het een sociale moord, een uitdaging van den klassenstrijd was, wanneer men dien ongelukkige terechtstelde; en allen hadden eerbiedig het hoofd gebogen voor de smartelijke heftigheid van dien kreet, stoorden den vader niet in zijn gedachten, die hem uren lang zwijgend en bleek voor zich uit deden staren. Zijn oogen bleven koud, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat deed hij niets anders dan de plannen en dossiers van zijn nieuwe uitvindingen bestudeeren: de nieuwe springstof, de vreeselijke machine, die hij zoo lang gedroomd had aan Frankrijk te schenken, opdat het, heerschend over de naties, eenmaal de wereld de overwinning van waarheid en gerechtigheid op zou kunnen leggen. Maar gedurende de eindelooze uren, die hij zoo voor zijn op de tafel verspreid liggende papieren zat, hield hij op ernaar te kijken, staarden zijn blikken in de verte, gingen allerlei gedachten door zijn brein: twijfel misschien omtrent de deugdelijkheid van zijn plan, angst, dat zijn verlangen om de volkeren te verzoenen hen in een eindeloozen verdelgingsoorlog werpen zou. O, hij had oprecht geloofd, dat dit groote Parijs het brein van de wereld was, tot taak had de toekomst te verwekken—en zie, welk een afschuwelijk schouwspel bood het hem nu: zooveel domheid, zooveel schande, zooveel onrechtvaardigheid! Was het werkelijk rijp genoeg voor de taak, die hij het wilde toevertrouwen, de taak, om de menschheid geluk te brengen? Wanneer hij zijn formules weer begon te lezen en te verifieeren, vond hij zijn oude energie niet terug en slechts de gedachte aan zijn aanstaand huwelijk deed hem zijn plan weer opvatten; hij zeide tot zichzelf, dat alles reeds sedert te lang geregeld was dan dat hij het nu nog veranderen kon.
Zijn huwelijk! Was dat niet de gedachte, die Guillaume vervolgde, die hem nog meer verontrustte dan zijn werk als geleerde, dan zijn hartstocht van vrij burger? Onder al de zorgen, die hij zich bekende, was nog een andere verborgen, die hij zichzelf niet durfde bekennen en die hem angst aanjoeg. Iederen dag herhaalde hij tot zichzelf, dat hij zijn geheim aan den minister van Oorlog zou mededeelen, zoodra hij met Marie getrouwd was, om haar in zijn roem te laten deelen. Met Marie trouwen! Met Marie trouwen! De gedachte vervulde hem telkens met een brandende koorts en een heimelijke onrust. Dat hij nu zweeg, dat hij zijn kalme vroolijkheid verloren had, vond zijn reden daarin, dat hij een geheel nieuw, hem onbekend leven van haar voelde uitstroomen. Zij werd ongetwijfeld anders; hij voelde, dat zij als het ware verder van hem afstond, en begon daarom, wanneer Pierre er was, hen beiden gade te slaan.
Pierre kwam zelden, en dan was hij verlegen, eveneens anders geworden. De ochtenden echter, dat hij kwam, was het alsof er in Marie een geheele metamorphose plaats greep, scheen het huis als het ware een andere ziel te krijgen. Toch viel er tusschen hen niets voor, dat niet onschuldig en broederlijk was. Zij schenen slechts goede kameraden te zijn, hun vingers raakten elkaar zelfs niet aan, en zij praatten zonder een kleur te krijgen. Een beven ging onwillekeurig van hen uit—een ademtocht, die fijner was dan een lichtstraal of een geur. Na verloop van enkele dagen kon Guillaume niet langer twijfelen. Hij had niets gezien, maar hij was overtuigd, dat de twee kinderen, zooals hij ze vaderlijk genoemd had, elkander liefhadden.
Toen hij op den ochtend van een prachtigen dag geheel alleen met Grootmoeder tegenover het bezonde Parijs zat, verviel hij in een nog angstiger gepeins dan gewoonlijk. Hij keek haar strak aan, terwijl zij in haar koninklijke rust op haar gewone plaats, zonder bril nog steeds, naaide. Misschien zag hij haar heelemaal niet. Van tijd tot tijd richtte zij haar hoofd op en keek hem aan, alsof zij een biecht verwacht had, die niet kwam.
“Guillaume, wat heb je toch in den laatsten tijd?” vroeg zij eindelijk, toen het zwijgen eindeloos voort bleef duren. “Waarom zeg je me niet, wat je me te zeggen hebt?”
Het was alsof hij weer op de aarde nederdaalde.
“Wat ik u te zeggen heb?” antwoordde hij verwonderd.
“Ja, ik weet wat jij weet, en omdat je toch hier in huis niets doen wilt, zonder mij te raadplegen, dacht ik, dat je er met mij over zoudt spreken.”
Hij was zeer bleek geworden en begon te beven: hij had zich dus niet vergist, nu Grootmoeder zelf het blijkbaar ook wist? Daarover te spreken zou gelijk staan met een lichamelijken vorm aan zijn vermoedens te geven, datgene wat tot nog toe slechts in zijn idee bestaan kon, tot iets wezenlijks te maken.
“Het was onvermijdelijk, beste jongen. Van af de eerste dagen heb ik het zien aankomen, en de eenige reden, waarom ik niets gezegd heb, is dat ik dacht, dat jij een diepe bedoeling met alles hadt … Maar sedert ik je zoo zie lijden, begrijp ik heel goed, dat ik mij vergist heb.”
En toen hij haar nog steeds verward en bevend aan bleef kijken:
“Ja, ik dacht, dat je dat zelf wilde, dat je door je broer hier in huis te brengen wilde weten of Marie een andere liefde voor je bezat dan als voor een vader … Er bestond daar een zeer goede reden voor: het groote verschil in leeftijd, voor jou gaat het leven ten einde en voor haar begint het, geheel afgezien nog van je werk, van de taak, die je jezelf gesteld hebt.”
Dan kwam hij met smeekend opgeheven handen naar haar toe en riep uit:
“O, spreek duidelijk, zeg mij wat u denkt. Ik begrijp het niet, mijn arm hart wordt zoo gemarteld, en ik zou zoo gaarne weten, handelen, een besluit nemen!… U heb ik lief, u vereer ik als een moeder, ik ken uw groot verstand, ik heb uw raad altijd opgevolgd. En u hebt dit vreeselijke zien aankomen, u hebt alles zijn gang laten gaan op gevaar af mij daaraan te zullen zien sterven? Waarom, waarom hebt u dat gedaan?”
Over het algemeen hield zij er niet van veel te spreken, als souvereine koningin leidde zij het huis, zonder rekenschap van haar daden te moeten geven. Dat zij wat zij dacht en wat zij wilde nooit geheel uitsprak, vond zijn reden hierin, dat de vader en de zoons, van haar volmaakte wijsheid overtuigd, alles geheel aan haar overlieten. En deze eenigszins raadselachtige zijde van haar karakter deed haar nog grooter schijnen.
“Waartoe zijn woorden noodig, wanneer de feiten spreken?” zeide zij zacht zonder met werken op te houden. “Zeker, ik heb je huwelijksplan goedgekeurd, want ik begreep, dat Marie, om hier te kunnen blijven, met je trouwen moest; en bovendien waren er nog vele andere redenen, waarover we nu niet verder behoeven te praten … Maar de komst van Pierre heeft alles veranderd en alles weer in zijn natuurlijke orde teruggebracht. Is dat niet beter?”
Hij durfde haar nog steeds niet begrijpen.
“Beter, terwijl ik de hevigste martelingen lijd, terwijl mijn leven verwoest is?”
Nu stond zij op, kwam strak, hoogopgericht, in haar zwarte japon, met haar bleek, streng en energiek gelaat naar hem toe.
“Jongen, je weet, dat ik je liefheb, dat ik je groot en edel zien wil … Een paar maanden geleden ben je bang geweest en is dit huis bijna in de lucht gevlogen. En nu zit je deze heele week al verstrooid achter je dossiers, en je plannen, als iemand die door zwakte overmand is, die twijfelt en niet meer weet waarheen hij gaan moet … Geloof me, je bent op den slechten weg; het is beter, dat Pierre met Marie trouwt, voor hen en voor jou.”
“Voor mij? O, neen, neen!… Wat moet er van mij worden?”
“Jij, mijn jongen, zult kalm worden en nadenken. De rol, die je nog te spelen hebt, is zoo zwaar—je staat op het punt je ontdekking wereldkundig te maken. Het schijnt mij toe alsof je blik niet zoo helder meer is, alsof je verkeerd zult handelen, wanneer je geen rekenschap houdt met de omstandigheden van het probleem … Ik voel, dat je iets anders te doen hebt. In het kort lijd, als het zijn moet, maar blijf de man van je denkbeeld!”
Dan verliet zij de kamer, terwijl zij er met een moederlijken glimlach, om haar strengheid wat te verzachten, aan toevoegde:
“Je dwingt me tot noodelooze praatjes, want ik weet veel te goed, dat jij te hoog staat, om niet in alles het eenige goede te doen, dat niemand anders doen zou.”
Toen Guillaume alleen gebleven was, verzonk hij weer in een koortsachtig nadenken. Wat had zij met haar weinige, half-geheimzinnige woorden willen zeggen? Hij wist, dat zij hing aan alles wat goed, natuurlijk en noodzakelijk was. Maar zij dreef hem tot een hooger heroïsme, zij had een helder licht geworpen op het onduidelijke onbehagelijke gevoel, dat zijn oud plan, om zijn geheim aan den een of anderen minister van Oorlog—het kwam er niet op aan welken, dengenen, die toevallig aan het bewind was mede te deelen,—hem gaf. Terwijl hij haar met haar ernstige stem hoorde herhalen, dat hij iets anders, iets beters te doen had, werd zijn aarzeling grooter, zijn tegenzin sterker. En plotseling rees het beeld van Marie voor hem; zijn arm hart brak bij de gedachte, dat men hem vroeg van haar af te zien. Marie niet meer de zijne te noemen, haar aan een ander te geven, neen, neen, dat ging boven zijn menschelijke kracht! Nooit zou hij dien afschuwelijken moed hebben, om deze laatste liefdevreugde, die hij zich beloofd had, op te geven.
Twee dagen lang streed hij een vreeselijken strijd, waarin hij de zes jaren, die het jonge meisje reeds in het kleine gelukkige huisje geleefd had, herleefde. In den beginne was zij als het ware zijn aangenomen dochter geweest, en later, toen de gedachte aan een huwelijk met haar opkwam, had hij die met een kalme vreugde aanvaard, in de hoop, dat een dergelijke verbintenis een geluk voor allen in zijn omgeving zijn zou. Hij had tot nog toe alleen geweigerd te hertrouwen, omdat hij er tegen opzag zijn kinderen een nieuwe, onbekende moeder op te dringen; hij gaf aan de bekoring nog eenmaal lief te hebben en niet meer alleen te leven slechts toe, toen hij aan zijn haard zelf deze jeugdige bloem vond, deze vriendin, die ondanks het groote verschil in leeftijd de zijne wilde worden. Dan waren maanden verstreken, ernstige gebeurtenissen hadden hen gedwongen den datum te verschuiven, zonder dat hij daaronder te zeer leed. De zekerheid, dat zij op hem wachtte, was voor hem voldoende geweest. En thans, nu plotseling het gevaar dreigde, dat hij haar zou verliezen, brak en bloedde zijn zoo kalm hart. Nooit zou hij geloofd hebben, dat de band zoo vast toegeknoopt was, dat zij zoo diep in zijn hart wortelde. Voor dezen bijna vijftigjarigen man beteekende dit het losrukken zelf van de vrouw, van de laatste, die hij lief had en begeerde, en die des te begeerlijker was, omdat zij als het ware de jeugd verpersoonlijkte, welker geur hij niet meer inademen zou, als hij haar verloor.
Een waanzinnige, met toorn vermengde begeerte vlamde in hem op: hij wilde haar bezitten, en de gedachte, dat een ander hem haar was komen ontnemen, maakte zijn marteling nog erger.
Een nacht vooral, toen hij alleen in zijn kamer was, werd zijn kwelling bijna ondragelijk. Om de anderen niet wakker te maken, smoorde hij zijn snikken in zijn kussen. En toch was alles zoo eenvoudig: daar Marie zich gegeven had, zou hij haar houden. Hij had haar woord; hij zou haar dwingen het te houden, dat was alles! Dan zou hij haar tenminste alleen bezitten, zonder dat een ander eraan denken kon haar hem te ontstelen. En plotseling rees het beeld van dien ander in hem op, zijn broeder, den vergetene, dien hij uit liefde zelf gedwongen had in zijn familie te komen. Maar zijn smart was te groot: hij zou dien broeder wegjagen, een woede tegen hem greep hem aan, waarvan de heftigheid hem geheel krankzinnig maakte. Zijn broeder, zijn geliefde broeder! Het was dus uit met hun liefde, zij zouden elkaar met haat en toorn vergiftigen. Uren lang ijlde hij en zocht naar een middel, om Pierre te verwijderen, opdat wat gekomen was, niet verder geschieden zou. Nu en dan kreeg hij zijn zelfbeheersching terug en verwonderde zich, dat ondanks zijn hooge rede, ondanks de langjarige ervaring van den arbeid een dergelijke storm in hem losbreken kon. Maar in zijn kinderziel, die hij altijd bewaard had, woedde altijd zoo’n storm; naast de onverbiddelijke logica en zijn eenig geloof aan het waarneembare was in hem steeds een hoekje voor teedere gevoelens en droomerij gebleven. Zijn genie zelf had dit dualisme: de chemicus verbond zich op die wijze met den naar gerechtigheid hongerenden socialen dweper, die tot een groote liefde in staat was. De hartstocht sleepte hem mede; hij beweende Marie, zooals hij de ineenstorting van zijn droom, om den oorlog door den oorlog te dooden, het heil der menschheid, waaraan hij sedert tien jaar werkte, beweend zou hebben.
Dan kwam hij in zijn uitputting tot een besluit, dat hem kalmeerde. Hij schaamde zich op die wijze, zonder een zekere oorzaak, wanhopig te zijn. Hij wilde de waarheid weten; hij zou het jonge meisje ondervragen: zij was eerlijk genoeg, om hem een oprecht antwoord te geven. Was dat niet een hen beiden waardige oplossing, die hen in staat zou stellen daarna een besluit te nemen. Hij sliep in en stond den volgenden ochtend gebroken, maar rustiger op, als had zich na dien heftigen storm gedurende die enkele uren van slaap een stil werk voltrokken.
Juist dien ochtend was Marie heel vroolijk. Den vorigen dag had zij met Pierre en Antoine een heerlijken fietstocht gemaakt, waarvan zij opgewekt en verrukt thuis gekomen waren. Toen Guillaume haar in den tuin aansprak, kwam zij juist zingend en met bloote armen uit het waschhuis, waar de groote wasch gedaan werd.
“Wou je me spreken, lieve vriend?”
“Ja, beste meid, ik heb ernstige dingen met je te bespreken!”
Zij begreep, dat het om hun huwelijk ging, en werd ernstig. Vroeger had zij dit huwelijk beschouwd als het eenige verstandige besluit, dat zij nemen kon, zonder dat zij de plichten, die zij daardoor op zich nam, geheel overzag. Zeker, zij trouwde met een man, die twintig jaar ouder was dan zij; maar zoo iets gebeurde zoo dikwijls en kwam gewoonlijk goed uit. Zij had niemand lief; zij kon dus over zichzelf beschikken en zij gaf zich in een opwelling van dankbaarheid, van zóó’n warme toegenegenheid, dat zij die voor liefde zelf hield. Deze verbintenis, die de familie nog nauwer zou toehalen, maakte allen om haar heen zoo gelukkig! En bij de gedachte zulk een geluk te scheppen, hadden haar dapperheid en haar levenslust, die haar groote bekoring uitmaakten, haar als het ware bedwelmd.
“Wat is er?” vroeg zij eenigszins ongerust. “Toch niets slechts?”
“Neen, ik heb je alleen wat te zeggen.”
Hij nam haar mede onder de twee pruimeboomen, het eenige groene hoekje, dat in den tuin overgebleven was. Een half vermolmde bank stond nog tegen de seringen. En tegenover hen breidde het groote Parijs de eindelooze zee van zijn daken uit, die frisch en licht in de ochtendzon lagen.
Beiden gingen zij zitten. Maar op het oogenblik, dat hij spreken, haar vragen wilde, voelde hij een plotselinge verlegenheid in zich opkomen, terwijl zijn arm hart heftig begon te kloppen, nu hij haar zoo jong, zoo aanbiddelijk met haar bloote armen naast zich zag.
“De datum voor ons huwelijk nadert!” zeide hij eindelijk.
En toen zij bij dit woord—onbewust misschien—ietwat bleek werd, voelde hij zich koud worden. Was er geen pijnlijke trek om haar mond gekomen? Was er geen sluier voor haar zoo heldere, openhartige oogen gekomen?
“O, we hebben nog allen tijd voor ons!”
“Zeker,” ging hij op langzamen, liefdevollen toon voort; “maar we moeten toch voor de formaliteiten zorgen. Dat zijn van die vervelende dingen, waarover ik liever vandaag met je spreken wil, dan behoeven we er niet meer op terug te komen.”
Zonder zijn blik van haar af te wenden, sprak hij zacht verder, bleef stilstaan bij alles wat er gedaan moest worden, terwijl hij op haar gezicht naar de gevoelens keek, die de naderende beslissing daarop te voorschijn roepen kon. Zij was stil geworden, zat met een onbeweeglijk gezicht met haar handen in haar schoot, zonder het minste teeken van spijt of verdriet te geven. Toch was zij gedrukt. “Waarom blijf je zoo zwijgen, Marie?… Is er iets, dat je hindert?”
“Mij? Geen quaestie van?”
“Je weet, dat je vrijuit spreken kunt. Wij zullen wachten, als je misschien de een of andere persoonlijke reden hebt den datum nogmaals uit te stellen.”
“Daar heb ik geen enkele reden voor. Welke reden zou ik kunnen hebben? Ik laat de heele regeling aan jou over.”
Een zwijgen volgde. Zij had hem openhartig in zijn gelaat gekeken, maar een licht beven bewoog haar lippen, terwijl een onbewuste droefheid in haar op te stijgen en haar gezicht, dat gewoonlijk zoo helder en frisch als bronwater was, te verduisteren scheen. Zou zij vroeger niet gezongen en gelachen hebben bij de aankondiging van dit nabije huwelijksfeest?
Dan vermande Guillaume zich tot een krachtsinspanning, die zijn stem beven deed.
“Neem me niet kwalijk, lieve Marie, dat ik je een vraag doe?… Het is nog tijd mij je woord terug te geven? Ben je er zeker van, dat je mij liefhebt?”
Zonder te begrijpen waar hij heen wilde, keek zij hem werkelijk verbijsterd aan.
“Onderzoek je hart,” ging hij voort, toen zij met een antwoord aarzelde. “Heb je je ouden vriend nog wel lief, is het niet een ander?”
“Ik? Guillaume, Guillaume! Waarom zeg je me dat? Wat heb ik gedaan, dat je er recht toe geeft zoo tegen mij te spreken?”
Een echt gemeend verzet kwam in haar op; uitdagend en vrijmoedig richtte zij haar van oprechtheid schitterende oogen op hem.
“En toch moet ik tot het bittere einde toe spreken,” ging hij moeilijk voort; “het gaat om het geluk van ons allen.—Ga je hart eens na, Marie. Je hebt mijn broer lief, je hebt Pierre lief.”
“Ik, ik heb Pierre lief!… Natuurlijk houd ik van hem; ik houd van hem zooals ik van jullie allemaal houd; ik houd van hem, omdat hij een der onzen geworden is, omdat hij nu deel uitmaakt van ons leven en van onze vreugde … Wanneer hij hier is, voel ik mij gelukkig, en ik zou willen, dat hij altijd bij ons was. Ik vind het heerlijk hem te zien, hem te hooren, met hem uit te gaan. En laatst, toen het was, alsof zijn vroegere melancholie weer terugkwam, was ik daar erg verdrietig over … Dat is toch heel natuurlijk, niet? Ik geloof, dat ik alleen maar gedaan heb wat jij graag wilde, en begrijp niet hoe mijn vriendschap voor Pierre invloed hebben kan op ons huwelijk.”
Deze woorden, die volgens haar meening Guillaume moesten overtuigen, lieten een smartelijk licht voor hem opgaan—zij kwam zoo vurig op tegen de bewering, dat zij den jongen man liefhad.
“Maar je verraadt jezelf zonder het te willen, ongelukkige!… Het is zoo duidelijk mogelijk, je hebt mij niet lief, maar mijn broer.”
Hij had haar bloote polsen genomen en drukte die met een wanhopige teederheid, als wilde hij haar dwingen duidelijk in zichzelf te zien. Maar zij bleef het ontkennen, het werd een liefdevolle, tragische strijd: hij wilde haar overtuigen door de duidelijkheid der feiten; zij bleef hardnekkig haar oogen sluiten. Vergeefs haalde hij de geheele geschiedenis van het begin af op, legde hij haar uit wat in haar plaats gegrepen had: eerst de onbewuste vijandige stemming, dan de nieuwsgierigheid voor dien vreemden jongen, eindelijk haar sympathie, toen zij zag hoe ongelukkig hij was en langzamerhand door haar van zijn martelingen genezen werd. Zij waren beiden jong; de natuur had het overige gedaan. Maar bij ieder nieuw bewijs, bij iedere nieuwe zekerheid, die hij haar gaf, maakte zich slechts een toenemende ontroering van haar meester, doorhuiverde een rilling haar geheele lichaam, zonder dat zij zichzelf wilde ondervragen.
“Neen, neen, ik heb hem niet lief … Indien ik hem liefhad, zou ik het weten, zou ik het je zeggen; je kent me, ik ben niet in staat om te liegen.”
Als een heldhaftig chirurg, die nog meer in zijn eigen vleesch dan in dat van anderen snijdt, bleef hij wreed aandringen, om de waarheid aan het licht te brengen en het geluk van allen te verzekeren.
“Neen, Marie, je hebt mij niet lief. Je voelt voor mij slechts eerbied, dankbaarheid, een kinderlijke toegenegenheid. Herinner je je gevoelens uit den tijd, waarop ons huwelijk vastgesteld werd. Toen hield je van niemand, heb je als een onverstandig meisje mijn voorstel aangenomen, omdat je overtuigd was, dat ik je gelukkig maken zou, en je dat heerlijk, goed en juist vond… Toen kwam mijn broeder en de liefde ontwaakte zeer natuurlijk. Pierre en Pierre alleen heb je lief met een echte liefde, met de liefde die men voor een minnaar, voor een echtgenoot hebben moet.”
Haar weerstand was uitgeput; het licht, dat tegen haar wil in haar opging, maakte haar bang en zij bleef hem tegenspreken.