DERDE BOEK (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
“Heb ik het genoegen met baron Duvillard te spreken?… Prachtig! Ik ben het, Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken! Ik zou graag zien, dat u zoo gauw mogelijk bij mij kwam … Uitstekend! Ik wacht hier!”
Hij begon weer op en neer te loopen en na te denken. Die Duvillard had een helderen kop, die hem zeker dadelijk een denkbeeld aan de hand zou doen. Hij verdiepte zich in allerlei lastige combinaties, toen de bode kwam zeggen, dat het hoofd der Veiligheidspolitie den minister dringend wilde spreken. Zijn eerste gedachte was, dat deze door de prefectuur van politie gezonden werd, om zijn oordeel in te winnen omtrent de maatregelen, welke dien dag genomen moesten worden met het oog op twee groote optochten, die zeker veel menschen zouden trekken.
“Laat mijnheer Gascogne maar hier komen!”
Een groote, magere, donkere man, die er als een op zijn Zondags gekleede werkman uitzag, kwam binnen. Uiterlijk zeer koelbloedig en volkomen bekend met de dessous van Parijs, bezat hij een helderen, methodischen geest. Maar de beroepsgewoonten belemmerden hem eenigszins en hij zou meer intelligentie bezeten hebben, indien hij niet geloofd had een zoo groote te bezitten, wanneer hij niet overtuigd geweest was, dat hij alles wist.
Eerst excuseerde hij den prefect, die zeker zelf gekomen zou zijn, wanneer een lichte ongesteldheid hem niet verhinderd had. Trouwens het was misschien beter, dat hij den minister inlichtte omtrent de ernstige zaak, die hij grondig kende.
“Mijnheer de minister, ik geloof, dat wij eindelijk den dader van den aanslag in de rue Godot-de-Mauroy hebben.”
Monferrand, die ongeduldig luisterde, begon zich plotseling voor de zaak te interesseeren. De vergeefsche nasporingen der politie, de aanvallen en de grappen in de courant ergerden hem dagelijks meer.
“Gelukkig voor u, mijnheer Gascogne, want per slot van rekening zou het u uw betrekking gekost hebben! Is de man gearresteerd?”
“Nog niet, Excellentie. Maar hij kan niet meer ontsnappen, het is een kwestie van enkele uren.”
En hij vertelde de heele geschiedenis: hoe de agent Mondésir, gewaarschuwd door een geheimen agent, dat de anarchist Salvat in de kroeg in Montmartre zat, te laat was gekomen, daar de vogel reeds gevlogen was; hoe het toeval hem, toen hij op ongeveer honderd pas van de kroeg stond te loeren, weer met Salvat samengebracht had. Van af dat oogenblik had men Salvat in alle stilte gevolgd, daar men hem in zijn nest met zijn medeplichtigen hoopte te vangen, was men hem nagegaan tot de Porte Maillot, waar hij plotseling, daar hij blijkbaar voelde, dat hij vervolgd werd, het Bois de Boulogne ingevlogen was. Daar liep hij nu sedert twee uur ’s ochtends in den fijnen motregen rond. Men had den dag afgewacht, om een drijfjacht te organiseeren en jacht op hem te maken als een op een wild dier, dat ten slotte van moeheid neervallen zou. Iedere minuut was dus zijn arrestatie te wachten.
“Ik weet, Excellentie, hoezeer u zich voor deze arrestatie interesseert, en kom daarom nu uw bevelen vragen. De agent Mondésir leidt de drijfjacht. Het spijt hem vreeselijk, dat hij den man niet op den boulevard Rochechouart ingerekend heeft, maar zijn denkbeeld om hem in zijn net te vangen, was uitstekend; het eenige, wat men hem verwijten kan, is, dat hij niet aan het Bois de Boulogne gedacht heeft.”
Salvat gearresteerd, deze Salvat, van wien de couranten sedert drie weken vol stonden! Dat zou een succes zijn, dat een buitengewoon opzien verwekte. Monferrand luisterde en in zijn groote, starende oogen, op zijn ruwen kop, die op een wild dier, dat rust, geleek, was het plotseling besluit te lezen, om deze gebeurtenis, die het toeval hem bracht, ten eigen voordeele te benutten. Onduidelijk nog ontstond er reeds een band tusschen deze arrestatie en de interpellaties van Mège, met de andere quaestie, de zaak der Afrikaansche sporen, die den volgenden dag het ministerie omverwerpen zou. Hij zag reeds het ontwerp der combinatie voor zich. Zond zijn goed gesternte hem niet wat hij zocht, het middel om zich uit het troebele water der aanstaande crisis te redden?
“Maar is u er wel zeker van, mijnheer Gascogne, dat die Salvat de dader van den aanslag is?”
“Beslist zeker, Excellentie! Hij zal in het rijtuig alles bekennen nog vóór we in de prefectuur zijn.”
Peinzend was hij weer heen en weer gaan loopen, en terwijl hij bedachtzaam-langzaam sprak, kwamen de denkbeelden in hem op.
“Mijn bevelen, lieve God, mijn bevelen! In de eerste plaats moet u met groote voorzichtigheid te werk gaan … Maak geen paniek onder de wandelaars. Laat de arrestatie, als het kan, ongemerkt plaats hebben!… En als u een bekentenis krijgt, houd die dan voor u en deel die niet aan de pers mede. Ja, dat druk ik u vooral op het hart, meng de couranten niet in de zaak!… Kom mij onmiddellijk waarschuwen en geen woord tegen iemand over de zaak, geen woord!”
Gascogne maakte een buiging, maar Monferrand hield hem nog even terug, om hem te zeggen, dat zijn vriend, mijnheer Lehmann, de procureur-generaal, dagelijks van anarchisten dreigbrieven kreeg, dat zij hem en zijn familie in de lucht zouden laten vliegen, zoodat hij verzocht zijn huis door politie in burgerkleeding te laten bewaken. Reeds had de Veiligheidsdienst een dergelijke bewaking georganiseerd voor het huis van den rechter van instructie Amadieu. Maar wanneer Amadieu een voorname persoonlijkheid, een beminlijke Parijzenaar, een uitnemend psycholoog en criminalist en in zijn vrije uren zelfs een uitstekend schrijver was, daartegenover stond, dat de procureur-generaal Lehmann in alle opzichten zijns gelijke was; hij was een van die politieke rechters, een van die zeer talentvolle Joden, die op zeer eervolle wijze hun weg gaan en steeds de zijde van de machthebbers kiezen.
“En dan hebben we ook nog de zaak-Barthès, Excellentie!” zeide op zijn beurt Gascogne. “Wij wachten—moeten we tot de arrestatie in het kleine huisje te Neuilly overgaan?”
Een van die toevallen, welke de politie nu en dan diensten bewijzen en het geloof aan haar genie doen ontstaan, had hem op de hoogte gebracht van het geheime toevluchtsoord van Nicolas Barthès in het kleine huisje van een priester, abbé Pierre Froment. Maar hoewel Barthès, sedert in Parijs de schrik voor anarchisten heerschte, eenvoudig als verdachte, die met de revolutionnairen in betrekking stond, gearresteerd zou kunnen worden, had Gascogne het niet gewaagd hem zonder een formeele opdracht gevangen te nemen bij dezen priester, die door de geheele wijk als een heilige vereerd werd. De minister, dien hij over het geval geraadpleegd had, was het volkomen met hem eens geweest, dat men tegenover den clerus zeer gematigd optreden moest, en had beloofd de zaak zelf in orde te zullen brengen.
“Neen mijnheer Gascogne, laat die zaak met rust. U kent mijn stelregel: wij moeten de priesters voor ons hebben, niet tegen ons … Ik heb abbé Froment geschreven, dat hij vanochtend, nu ik niemand anders verwacht, bij mij moet komen. Ik zal met hem spreken: de zaak gaat u niet meer aan.”
Hij wilde hem nu laten gaan, toen de bode zeggen kwam, dat de president van den ministerraad er was.
“Barroux!… Bliksems, ga hierdoor, mijnheer Gascogne; ik heb liever, dat niemand u ontmoet, nu ik u het stilzwijgen gevraagd heb over de arrestatie van dien Salvat … Afgesproken dus, ik alleen moet alles weten, en telephoneer mij onmiddellijk, als er iets ernstigs gebeurt.”
Nauwlijks was de chef van den veiligheidsdienst door een zijdeur verdwenen, of de bode deed die van de antichambre open.
“Mijnheer de president van den ministerraad!”
Met uitgestoken handen en een dienstvaardigheid, waarin hartelijkheid en eerbied handig waren afgewogen, ging Monferrand hem tegemoet.
“Waarom hebt u zich die moeite gegeven?” riep hij uit. “Ik zou wel bij u gekomen zijn, als u mij dringend wilde spreken!”
Maar met een ongeduldig gebaar wees Barroux iedere hoffelijkheidsbetuiging af.
“Neen, neen, ik deed juist mijn dagelijksche wandeling op de Champs Elysées en maakte mij zóó bezorgd, dat ik liever dadelijk hier naar toe wilde komen … Je begrijpt natuurlijk, dat de dingen niet zoo blijven kunnen, en daar er morgenochtend een ministerraad gehouden moet worden, waarin we een verdedigingsplan moeten vaststellen, achtte ik het gewenscht, dat wij samen eens praatten.”
Hij nam een fauteuil, terwijl Monferrand een anderen bijschoof, om, tegen het licht in, bij hem te gaan zitten. De twee mannen zaten tegenover elkaar. En zooals Barroux, die tien jaar ouder, sneeuwwit en plechtig was, met zijn gladgeschoren gezicht en zijn bakkebaarden de trotsche statigheid der macht, de conventioneel-romantische houding bewaarde, zoo verborg de andere, de sluwere en plompere, onder zijn gewone trekken, achter zijn gemaniereerde vrijmoedigheid en eenvoudigheid een onbekenden afgrond, de donkere ziel van een meedoogenloozen, gewetenloozen en genotzuchtigen despoot.
Barroux, die heel opgewonden was, hijgde een oogenblik. Het bloed steeg hem naar het hoofd, zijn hart klopte van verontwaardiging en woede, wanneer hij dacht aan den stroom van gemeene beschimpingen, die de Voix du Peuple dien ochtend weer over hem uitgegoten had.
“Kijk eens, mijn waarde collega, daar moet een eind aan komen; we moeten aan die schandelijke campagne een eind maken … Trouwens u begrijpt heel goed wat ons morgen in de Kamer te wachten staat. Nu de beroemde lijst gepubliceerd is, zullen we alle ontevredenen tegenover ons hebben. Vignon roert zich …”
“Zoo, hebt u berichten over Vignon?” vroeg Monferrand, die nu zeer opmerkzaam geworden was.
“Natuurlijk, ik zag in het voorbijgaan een heele file rijtuigen voor zijn deur staan. Al zijn aanhangers zijn sedert gisteren in de weer en ik weet niet hoeveel menschen me niet gezegd hebben, dat de bende reeds onderling de portefeuilles verdeelt. Want u begrijpt wel, dat de naïeve, dolzinnige Mège wel weer de kastanjes uit het vuur halen zal. Kortom, we zijn dood; ze willen ons in de modder begraven, voordat ze nog over onze overblijfselen strijden.”
Hij maakte een theatraal gebaar, zijn stem klonk welsprekend, als stond hij op de tribune. Maar zijn ontroering was oprecht, tranen kwamen in zijn oogen.
“Ik, die mijn geheele leven aan de Republiek gegeven heb, die haar gesticht en gered heb, ik zal, door zooveel beleedigingen overladen, verplicht worden mij tegen zulke afschuwelijke beschuldigingen te moeten verdedigen. Ik, een plichtvergeten minister, die zich zou hebben laten omkoopen, die tweehonderd duizend francs van dien Hunter ontvangen zou hebben, om ze eenvoudig in mijn zak te steken!… Zeker er is tusschen hem en mij sprake geweest van tweehonderd duizend francs. Maar men moet weten hoe en in welke omstandigheden. Het is natuurlijk met u precies eender gegaan met de tachtig duizend francs, die hij u gegeven zou hebben …”
Monferrand viel hem zeer beslist in de rede.
“Hij heeft mij geen centime gegeven.”
Heel verbaasd keek de andere hem aan, maar zag niets dan zijn groot, in het donker gedompeld hoofd.
“O, ik dacht, dat u in connectie met hem stond, dat u hem speciaal kende.”
“Neen, ik heb Hunter gekend, zooals iedereen hem kent, ik wist zelfs niet, dat hij de drijver van baron Duvillard voor die Afrikaansche sporen was, en nooit hebben wij over die quaestie gesproken.”
Dit was zoo onwaarschijnlijk, zoo in tegenspraak met alles wat hij wist, dat Barroux voor dien zoo evidenten leugen een oogenblik verbijsterd bleef zitten. Dan echter was hij zichzelf weer meester en kwam weer op zijn eigen geval terug.
“O, hij is zeker wel tien maal bij mij geweest en heeft mijn ooren gek gezanikt over die Afrikaansche sporen, toen de Kamer over de premieleening beslissen moest … Ik zie het nog voor mij, zooals wij beiden in deze kamer zaten, want ik had toen, zooals u zich herinneren zult, Binnenlandsche Zaken, terwijl u juist de portefeuille van Openbare Werken overgenomen hadt. Ik zat daar aan dat bureau, terwijl Hunter op dezelfde plaats in den fauteuil, waarin ik nu zit, zat. Dien dag wilde hij mij raadplegen, hoe hij belangrijke sommen, welke de bank Duvillard voor publiciteit wilde beschikbaar stellen, het best zou kunnen besteden; ik herinner me nog, dat ik bij het hooren van groote bedragen voor de monarchistische bladen boos werd, daar ik—en terecht—van oordeel was, dat dat geld uitgegeven werd tegen de Republiek. Derhalve heb ik op zijn verzoek een lijst opgemaakt en de tweehonderd duizend francs bestemd voor republikeinsche, ons bevriende bladen. Op die wijze hebben deze door mijn bemiddeling—dat is zoo—het geld gekregen. Dat is de geheele geschiedenis.”
Hij stond op en sloeg zich op zijn borst, terwijl zijn stem nog luider werd.
“Kort en goed, ik heb genoeg van al die leugens en lasterpraatjes … Ik zal die heele geschiedenis morgen eenvoudig aan de Kamer mededeelen. Dat zal mijn eenige verdediging zijn. Een eerlijk man vreest de waarheid niet.”
Op zijn beurt was Monferrand nu ook opgestaan en uitte een kreet, die gelijk stond met een bekentenis.
“Dat is dwaasheid! Men mag nooit bekennen! Dat mag u niet doen!”
Maar Barroux bleef trotsch en koppig.
“Ik zal het wel doen, en we zullen zien, of de Kamer een ouden dienaar der vrijheid niet met acclamatie vrijspreken zal.”
“U zult onder hoongelach vallen en ons allen in uw val medesleepen.”
“Wat beteekent dat? Dan vallen wij tenminste waardig en eervol!”
Monferrand maakte een woest-toornig gebaar. Dan echter werd hij plotseling kalm. In de angstige besluiteloosheid, waarin hij sedert den vroegen ochtend verkeerde, ging plotseling een helder licht op; het nog onvaste plan, dat de inhechtenisneming van Salvat had doen ontstaan, kreeg duidelijker omtrekken en breidde zich uit tot een vermetele combinatie. Waarom zou hij den val van dien onnoozelen Barroux verhinderen? Het eenige wat voor hem belang had was niet met hem te vallen of zich tenminste weer in de hoogte te werken. Hij zweeg, mompelde nog slechts een paar onverstaanbare woorden, waarin hij zijn verzet verstikte. Eindelijk zeide hij op zijn knorrig-gemoedelijke manier.
“Per slot van rekening hebt u misschien gelijk. Je moet dapper zijn. En bovendien, u is de president, wij zullen u volgen.”
De twee mannen waren weer tegenover elkaar gaan zitten en het gesprek werd voortgezet. Zij werden het eens over de houding, die het ministerie tegenover de interpellatie, die morgen ongetwijfeld gehouden zou worden, moest aannemen.
Dien nacht had baron Duvillard zoo goed als niet geslapen. Nadat hij door Gérard thuis gebracht was, was hij onmiddellijk naar bed gegaan als iemand, die den slaap wil bevelen, om te vergeten en weer zichzelf te worden. Maar de slaap was niet gekomen, ofschoon hij dien, gekweld door slapeloosheid, uren lang gezocht had. De beleediging, die Silviane hem aangedaan had, liet hem geen oogenblik met rust. Het was, zooals hij het uitgeschreeuwd had, schandelijk. Dat meisje, dat hij rijk gemaakt, met weldaden overladen had, wierp hem die modder in het aangezicht, hem, den meester, die er zich op beroemde Parijs en de Republiek in zijn zak gestoken te hebben, die over gewetens beschikte, zooals een koopman zich van wol of leder meester maakt, om op de Beurs een slag te slaan. En het heimelijke bewustzijn, dat Silviane het wrekende gezwel, de verrotting voor hem, den verrotter, was, bracht hem geheel buiten zichzelf. Vergeefs trachtte hij dat spookbeeld te verjagen, te denken aan zijn zaken, aan zijn afspraken voor morgen, aan de millioenen, die hij in alle deelen der wereld had, aan de almacht van het geld, die het lot der volkeren in zijn handen legde, steeds en steeds weer kwam Silviane weer terug en bezoedelde hem met haar ontucht.
Hij trachtte zich wanhopig vast te klampen aan de groote zaak, die hij sedert maanden voorbereidde—aan die beroemde Trans-Sahara-lijn, die reusachtige onderneming, waarmede millioenen gemoeid waren en die het aangezicht der aarde veranderen zou, steeds en steeds weer kwam Silviane terug en sloeg hem met haar kleine hand, die zij in het riool nat gemaakt had, op zijn beide wangen. Tegen het aanbreken van den dag was hij echter in een lichte sluimering gevallen, terwijl hij woedend zwoer, dat hij haar nooit weer wilde zien, haar zou wegtrappen, zelfs wanneer zij zich op haar knieën zou werpen.
Toen hij tegen zeven uur gebroken in de verslappende klamheid der lakens wakker werd, gold zijn eerste gedachte haar en gaf bijna aan een lafheid toe. Plotseling kwam het denkbeeld in hem op dadelijk te gaan kijken, of zij thuis gekomen was, haar in haar slaap te overvallen, vrede met haar te sluiten en daarvan gebruik te maken, om haar weer te bezitten. Maar hij sprong uit bed, nam een koude douche en vond zijn moed weer terug. Neen, Silviane was een ellendelinge, ditmaal was hij, naar hij geloofde, voor goed van haar genezen. En inderdaad vergat hij haar, zoodra hij de ochtendbladen ingekeken had. De publicatie van de lijst door de Voix du Peuple bracht hem buiten zichzelf van woede, want tot nog toe had hij het sterk betwijfeld, of Sanier die wel in zijn bezit had. Met één oogopslag beoordeelde hij het document, de enkele waarheden, die het te midden van den gewonen stroom domheden en leugens bevatte. Hij zelf voelde zich ook ditmaal nog niet getroffen: hij vreesde in werkelijkheid maar één ding, n.l. de arrestatie van zijn bemiddelaar Hunter, door wiens proces ook hij in het geding zou gebracht kunnen worden.
Hij had, zooals hij met zijn kalm glimlachend gelaat onophoudelijk herhaalde, niets anders gedaan dan wat alle banken doen, wanneer zij een emissie op de markt brengen: hij had de pers voor haar publicaties betaald, gebruik gemaakt van de diensten van courtiers en de aan de zaak bewezen diensten beloond. Het was een zaak … dat zeide alles voor hem. Overigens was hij een kalm speler en met verontwaardiging en minachting sprak hij over een bankier, die, door chantage in het nauw gedreven, een eind aan zijn leven gemaakt had. Neen, neen, men moest het hoofd omhoog houden, men moest tot den laatsten adem, tot den laatsten gulden strijden!
Tegen negen uur riep een bellen hem aan zijn particuliere telephoon, die op zijn schrijftafel stond. Weer maakte zijn waanzin zich van hem meester: het moest Silviane zijn, ging het door zijn brein. Dikwijls viel zij hem zoo midden in zijn gewichtigste bezigheden lastig. Zij was thuisgekomen, begreep, dat zij te ver was gegaan en wilde hem nu vergiffenis vragen. En toen hij hoorde, dat het Monferrand was, die hem op het ministerie wilde spreken, doorhuiverde hem een lichte rilling als iemand, die nogmaals gered is van den afgrond, waar hij langs geloopen is. Dadelijk liet hij zich zijn hoed en zijn wandelstok brengen, daar hij loopen en in de frissche lucht nadenken wilde. Weer was hij geheel met zijn gedachten bij de complicaties en de schandaalgeschiedenis, die het Parlement en geheel Parijs in rep en roer brengen zou. Zich van kant maken, neen, dat was krankzinnig en laf. De storm kon woeden, zooveel als hij wilde, hij voelde zich sterk: zijn wil was krachtiger dan de gebeurtenissen, hij was vastbesloten zich te verdedigen als een gebieder, die niets van zijn macht opgeven wil.
Nauwlijks was Duvillard in de antichambre van het ministerie of hij voelde, hoe die storm van angst en schrik hier als een orkaan woedde. De Voix du Peuple had met haar lijst de harten der schuldigen tot ijs verstijfd, allen snelden bleek en radeloos toe, nu zij den grond onder zich voelden wegzinken. De eerste, dien hij zag, was Dutheil. Hij beet zenuwachtig op zijn fijne snor en in zijn poging, om ondanks alles te lachen, vertrok zijn gezicht krampachtig. Hij gaf hem een standje: het was hoogst verkeerd op zoo’n angstige manier te komen informeeren. Maar Dutheil, die door die ruwe woorden reeds weer opgevroolijkt was, zwoer, dat hij het artikel van Sanier niet gelezen had, dat hij alleen den minister een dame, die hij kende, kwam aanbevelen. De baron belastte zich met die aangelegenheid, wenschte hem een prettige Halfvasten en zond hem weg. Maar een vreeselijk medelijden had hij met Chaigneux, wiens geheele lichaam beefde, als werd hij naar beneden getrokken door het gewicht van zijn langen paardenkop en die er zoo vuil en hulpbehoevend uitzag, dat men hem voor een ouden bedelaar gehouden zou hebben. Toen hij den baron zag, vloog hij naar hem toe en begroette hem met een onderdanige dienstvaardigheid.
“O, mijnheer de baron, wat moeten de menschen slecht zijn! Dat is mijn dood, men vermoordt mij; wat zal er van mijn vrouw en mijn drie dochters worden, wier eenige steun ik ben.”
In deze jammerklacht lag de geheele geschiedenis van dien armen stumperd, dit slachtoffer der politiek. Om met zijn vier vrouwen, zooals hij de moeder en de drie dochters noemde, in Parijs goede sier te maken, was hij zoo dwaas geweest Atrecht en zijn advocatenkantoor te verlaten; en van dat oogenblik af was hij, angstig geworden door zijn voortdurend echec, de bedeesde dienaar van zijn familie geworden. Een eerlijk afgevaardigde! Lieve God, hoe gaarne zou hij het geweest zijn, maar verkeerde hij niet altijd in geldverlegenheid, was hij niet altijd op zoek naar een biljet van honderd francs, was hij niet een afgevaardigde, die steeds te koop was? En bovendien werd hij door zijn vier vrouwen zoo getreiterd en lastig gevallen, dat hij het geld voor haar overal en hoe ook opgeraapt zou hebben.
“Stel u voor, mijnheer de baron, dat ik eindelijk een man voor mijn oudste dochter gevonden had. Dat is het eerste geluk, dat mij ten deel valt, ik zou er dan nog maar drie thuis hebben … Maar u begrijpt wat voor een indruk een artikel als dat van vanochtend op de familie van den jongen man moet maken. Ik ben naar den minister gevlogen om hem te smeeken, mijn aanstaanden schoonzoon een secretarisbaantje te geven … Dat baantje, dat ik hem beloofd heb, kan nog alles in orde brengen.”
Hij was zoo jammerlijk om aan te zien en sprak op een zoo smeekenden toon, dat Duvillard op het denkbeeld kwam een van die goede daden te verrichten, welke hij op het juiste oogenblik dikwijls deed, en waarin hij zijn protectie en zijn geld tegen hooge interest belegde. Het is altijd goed arme drommels, waarvan men voor een stuk brood dienaren en medeplichtigen maakt, aan zijn zijde te hebben. Hij zond hem dan ook weg en beloofde zijn zaak te zullen behartigen, terwijl hij er nog aan toevoegde, dat hij hem morgen op zijn kantoor wachtte, daar hij, nu een zijner dochters trouwde, hem wilde spreken en helpen.
Chaigneux, die een leening rook, putte zich in dankbetuigingen uit.
“O, mijnheer de baron, mijn leven zal te kort zijn, om u die schuld der dankbaarheid terug te kunnen betalen.”
Toen Duvillard zich omkeerde, zag hij tot zijn verbazing abbé Froment, die in een hoek der antichambre zat te wachten. Deze behoorde toch niet tot de schaar verdachten, hoewel hij, door schijnbaar in een courant te lezen, een grooten angst trachtte te verbergen. De baron ging naar hem toe, gaf hem een hand en begon vriendschappelijk met hem te praten. Pierre vertelde, dat hij een brief gekregen had, waarin hem verzocht werd op het ministerie te komen; hij wist echter niet waarom. Hij zat nu al een kwartier te wachten. Als men hem hier in die antichambre maar niet vergat.
De bode kwam eerbiedig naar Duvillard toe.
“De minister verwacht u, mijnheer de baron. Hij is op het oogenblik in conferentie met den minister-president, maar ik heb order u, zoodra deze weg is, binnen te laten, mijnheer de baron.”
Bijna onmiddellijk daarna ging Barroux weg. Toen Duvillard binnen wilde gaan, herkende hij hem en hield hem terug. Op bitteren toon en verontwaardigd over al dien laster sprak hij over de afschuwelijke zaak. Zou hij, Duvillard, als het noodig was, niet willen getuigen, dat hij, Barroux, direct nooit een sou ontvangen had. Hij vergat, dat hij tegen een bankier sprak en dat hij zelf minister van Financiën was en gaf al zijn afkeer voor het geld te kennen. Wat waren die zaken toch een troebele en vergiftige poel! Maar hij herhaalde, dat hij de lasteraars zou weten te straffen, dat de waarheid voldoende zijn zou.
Duvillard luisterde naar hem en keek hem aan. Plotseling rees de gedachte aan Silviane weer in hem op en vervolgde hem, zonder dat hij moeite deed haar te verjagen. Hij bedacht, dat, als Barroux, toen hij diens bemiddeling had ingeroepen, gewild had, Silviane nu aan de Comédie zijn zou en het ongelukkig avontuur van den vorigen avond niet plaats gehad zou hebben, want hij begon zichzelf niet schuldig te vinden: Silviane zou hem nooit zoo schandelijk in den steek gelaten hebben, als hij haar gril had kunnen bevredigen.
“Maar weet u wel, dat ik erg boos op u ben?” viel hij den minister in de rede.
“Boos op mij? En waarom?” vroeg de minister verbaasd.
“Natuurlijk, omdat u mij niet geholpen hebt … U weet wel … Mijn vriendinnetje, dat in Polyeucte debuteeren wil.”
Barroux glimlachte vriendelijk.
“O ja, Silviane d’Aulnay! Maar daar heeft Taboureau zich tegen verzet. Hij heeft Schoone Kunsten, de zaak gaat alleen hem aan. Ik kan er absoluut niets aan doen. Deze volmaakt eerlijke man, die uit de een of andere provinciefaculteit is komen vallen, zit vol gewetensbezwaren … Ik ben een oude Parijzenaar, ik begrijp alles, en het zou mij een groot genoegen geweest zijn u een dienst te bewijzen.”
Bij dezen nieuwen hinderpaal geraakte Duvillard weer in hartstocht; hij wilde onmiddellijk hebben wat men hem weigerde.
“Taboureau, Taboureau, ook een mooi blok aan uw been! Eerlijk! Maar zijn alle menschen niet eerlijk?… Luister eens, mijn waarde minister, het is nog tijd, laat Silviane benoemen, dat zal u morgen geluk aanbrengen.”
Ditmaal brak Barroux in een luid gelach uit.
“Neen, neen, ik kan Taboureau op dit oogenblik niet in den steek laten … De menschen zouden ons uitlachen. Een ministerie, dat valt of blijft voor de Silviane-quaestie.”
Hij had zijn hand uitgestoken, om afscheid te nemen. De baron nam die aan, hield hem nog een oogenblik staande en zeide zeer ernstig met een bleek gezicht:
“Het is heel verkeerd van u zoo te lachen, mijn waarde minister. Er zijn toch wel ministeries voor kleinere dingen gevallen … Als u morgen valt, hoop ik, dat u er nooit spijt van zult hebben.”
Duvillard keek hem na. Hij was beleedigd, dat de minister het zoo schertsend opnam, wond zich op bij de gedachte, dat voor hem iets beslist onmogelijk was. O, het was niet in de hoop zich weer met Silviane te verzoenen, maar hij zwoer zich een heiligen eed, dat hij, als het moest, alles tegen den grond werpen zou, om haar, slechts uit wraak, dat contract als een klap in haar gezicht, het onderteekende contract thuis te zenden. Ja, als een klap in haar gezicht … Deze minuut was beslissend geweest.
Op dit oogenblik zag Duvillard, die Barroux nog steeds nakeek, tot zijn verbazing dat Fonsègue, die juist aankwam, zoo trachtte te manoeuvreeren, dat hij niet door den minister gezien werd. Het gelukte hem, hij ging de antichambre binnen; zijn gewoonlijk zoo levendig gezicht zag er thans wanhopig uit. De storm van angst loeide nog steeds en bracht ook hem hier.
“Heb je je vriend Barroux niet gezien?” vroeg de baron nieuwsgierig.
“Barroux? Neen!”
Deze kalme leugen verried alles. Hij stond op familiaren voet met Barroux, steunde hem al tien jaar in zijn courant, had dezelfde ideeën, dezelfde politieke en godsdienstige richting. Maar nu hij met zijn scherpe neus den dreigenden ondergang rook, begreep hij, dat hij andere vrienden zoeken moest, als hij ook niet onder de puinhoopen begraven wilde worden. Had hij niet tien jaren lang al zijn diplomatieke voorzichtigheid gebruikt voor het stichten van het meest waardige en meest gerespecteerde blad van Parijs, om zich door de onhandigheid van een eerlijk man op die wijze te laten compromitteeren?
“Ik dacht dat je op gespannen voet met Monferrand stondt!” zeide Duvillard. “Wat kom je hier doen?”
“O, mijn beste baron, de uitgever van een groot blad staat met niemand op gespannen voet. Hij wijdt zich geheel aan zijn land.”
Ondanks zijn eigen opwinding kon Duvillard een glimlachje niet bedwingen.
“Je hebt gelijk. Bovendien is Monferrand werkelijk een flinke kerel, dien je zonder vrees steunen kunt.”
Nu vroeg Fonsègue zich af, of zijn angst zoo duidelijk op zijn gelaat te lezen was. Het artikel van de Voix du Peuple had hem, den kalmen speler, die zijn spel altijd zoo beheerschte, buitengewoon bang gemaakt. Voor de eerste maal in zijn leven had hij een fout begaan, voelde hij, dat hij gevaar liep, nu hij zoo onvergeeflijk onvoorzichtig geweest was een paar regels te schrijven. De vijftig duizend francs, die Barroux hem voor zijn blad had doen toekomen, maakten hem niet ongerust, maar hij beefde, dat de andere geschiedenis, de som, die hij persoonlijk ten geschenke gekregen had, zou uitkomen. Eerst de doordringende blik van Duvillard deed hem zijn koelbloedigheid weer eenigszins terugkrijgen. Het was dwaas niet meer te kunnen liegen en door zijn houding alleen te bekennen.
De bode was weer naderbij gekomen.
“Mag ik mijnheer den baron eraan herinneren, dat mijnheer de minister op hem wacht?”
Toen Fonsègue met abbé Froment alleen bleef, ging hij, zoodra hij hem zag, dadelijk naast hem zitten. Ook hij verwonderde zich, dat deze hier was. Pierre vertelde, dat hij ontboden was zonder dat hij vermoeden kon wat de minister hem te zeggen had. Hij liet zijn ongeduld, de lichte huivering, die door zijn vingers beefde, nogmaals blijken; maar hij moest wachten, daar er zulke ernstige dingen te verhandelen waren.
Zoodra Monferrand Duvillard binnen zag komen, ging hij met uitgestoken handen naar hem toe. Niettegenstaande den storm van schrik, die overal woedde, behield hij zijn vriendelijk en glimlachend uiterlijk.
“Wat een geschiedenis, waarde baron!”
“Het is idioot!” antwoordde deze, terwijl hij zijn schouders ophaalde.
Hij ging in den fauteuil van Barroux zitten, terwijl de minister tegenover hem plaats nam. De beide mannen waren als het ware geschapen, om elkander te begrijpen: beiden maakten dezelfde radelooze gebaren, hadden denzelfden woedenden toon, toen zij beweerden, dat regeeren, wanneer men van de menschen de deugd eischte, die zij niet bezaten, evenmin mogelijk was als zaken doen. Was het, wanneer naar aanleiding van een groote onderneming de goedkeuring der Kamer noodig zou zijn, niet in alle tijden en onder alle regimes de taktiek geweest het noodzakelijke te doen om deze te verkrijgen? Men moest toch invloed krijgen, sympathieën winnen, zich van de stemmen verzekeren. Alles was nu eenmaal te koop, de menschen zoowel als de rest, sommigen voor goede woorden, anderen voor gunstbewijzen of geld, voor min of meer vermomde geschenken. Maar was het—zelfs toegegeven, dat men met de omkooping wat te ver was gegaan, dat in sommige gevallen het geknoei te onvoorzichtig geweest was—verstandig zoo’n lawaai te maken? Zou een krachtige regeering niet dadelijk begonnen zijn het schandaal uit patriotisme en uit een gevoel van fatsoen te verstikken?
“Maar natuurlijk, je hebt duizendmaal gelijk!” riep Monferrand. “Als ik wat te zeggen had, zou je eens een mooie begrafenis eerste klasse zien!”
Toen Duvillard, getroffen door die laatste woorden, hem strak aankeek, ging hij glimlachend voort:
“Maar ongelukkig heb ik niets te zeggen, en ik ben zoo vrij geweest u te storen, om eens kalm met u over den toestand te praten … Barroux, die juist hier geweest is, leek mij in een opgewonden en verkeerde gemoedsstemming te zijn.”
“Ja, ik heb hem ook gesproken; hij heeft soms van die vreemde ideeën …”
Dan viel hij zichzelf in de rede:
“Zeg, Fonsègue zit in de antichambre. Laat hem hier komen, nu hij blijkbaar vrede met je wil sluiten. Hij zal niet overbodig zijn, hij weet dikwijls goeden raad en zijn blad kan de overwinning geven,”
“Wat, is Fonsègue hier?” riep Monferrand uit. “Ik wil niets liever dan hem de hand drukken. Oude geschiedenissen, die niemand aangaan! Lieve Hemel, als u eens wist hoe weinig haatdragend ik ben!”
Toen de bode Fonsègue binnengebracht had, volgde de verzoening heel eenvoudig. Zij kenden elkaar reeds van het gymnasium in hun geboorteplaats Corrège, doch spraken in de laatste twee jaar ten gevolge van een afschuwelijke geschiedenis, waarvan niemand precies de bijzonderheden wist, niet meer met elkaar. Maar er zijn oogenblikken, dat de dooden begraven moeten worden, wanneer men het slagveld voor een nieuw gevecht moet schoonmaken.
“Het is heel aardig van je, dat je het eerst bij mij komt. Je bent dus niet boos meer?”
“Neen. Waarom zou je elkaar opeten, wanneer je er alle belang bij hebt het eens te zijn?”
En zonder eenige verdere verklaring begonnen zij over de groote zaak. Toen Monferrand zeide, dat Barroux van plan was te bekennen en een verklaring te geven van zijn handelwijze, sprongen de beide anderen verbaasd op. Dat stond gelijk met een val! Ze zouden het hem wel beletten, hij mocht zoo’n dwaasheid niet uithalen! Daarop bespraken zij alle denkbare middelen, om het in gevaar gebrachte ministerie te redden, want dat moest toch het eenige zijn, wat Monferrand wilde. En deze deed dan ook alsof hij hartstochtelijk zocht naar een middel, om zijn collega’s en zichzelf door de moeilijkheden heen te helpen, hoewel om zijn mondhoeken een flauw glimlachje spelen bleef. Eindelijk scheen hij echter overwonnen te zijn en zocht niet verder.
“Laten we niet langer zoeken, het ministerie is gevallen.”
De beide anderen keken elkaar aan, angstig als zij waren de zaak der Afrikaansche sporen toe te vertrouwen aan het volgend kabinet. Een kabinet Vignon zou zeker doen alsof het hoogst fatsoenlijk was!
“Wat moeten we dan doen?”
Maar op dat oogenblik ging de telephoon.
“Excuseert me even!”
Een oogenblik luisterde hij en sprak in het toestel, zonder dat uit zijn antwoorden of zijn korte vragen op te maken was, welke mededeeling hij ontving. Het was de chef van den Veiligheidsdienst, die zijn belofte hield en hem telephoneerde, dat de man in het Bois de Boulogne gevonden was en de jacht met kracht voortgezet werd.
“Uitstekend! En vergeet mijn orders niet!”
Dan keerde Monferrand, wiens plan zich langzamerhand uitgebreid en in de zekerheid van Salvat’s arrestatie een vasten vorm aangenomen had, naar het midden van het groote vertrek terug en zeide op zijn gewone, vertrouwelijke manier:
“Wat zal ik zeggen, waarde vrienden? Ik moest de baas zijn! Als ik de baas was!… Een enquête-commissie is een begrafenis eerste klasse voor dergelijke geschiedenissen. Ik zou niets bekennen, ik zou een enquête-commissie laten benoemen. Dan zou je eens zien hoe gauw de storm bedaarde!”
Duvillard en Fonsègue lachten. Maar deze laatste, die Monferrand al zoo lang kende, doorzag hem bijna geheel en al.
“Zeg eens, wanneer het ministerie valt, dan volgt daar nog niet uit, dat jij ook valt. Een ministerie kan opgelapt worden, als de stukken goed zijn.”
“Neen, neen, mijn waarde, dat spel speel ik niet,” protesteerde Monferrand, bang, dat hij hem in de kaart gekeken had. “We zijn solidair!”
“Kom nou, solidair met de onnoozele gekken, die zich met voordacht verdrinken. En wij mogen jou, wanneer wij je noodig hebben, per slot van rekening toch tegen je wil redden, niet waar, baron?”
En toen Monferrand, zonder verder te protesteeren, weer ging zitten, riep Duvillard, die weer geheel door zijn hartstocht medegesleept werd en bij de herinnering aan Barroux’ weigering in woede geraakte, uit:
“Natuurlijk! Als het ministerie vallen moet, dan moet het ook vallen … Wat kan je van een ministerie verwachten, waarin een kerel als Taboureau zit? Een oude, afgeleefde professor zonder eenig prestige, die uit Grenoble hierbinnen is komen vallen, die nooit een voet in een schouwburg gezet had en onder wiens leiding de schouwburgen nu staan. Natuurlijk begaat hij de eene stommiteit na de andere.”
Monferrand, die volkomen op de hoogte van de quaestie-Silviane was, bleef ernstig en amuseerde er zich een oogenblik mede den baron te prikkelen.
“Taboureau is een eenigszins ouderwetsche geleerde, maar die als aangewezen is voor het Openbaar Onderwijs, waarin hij volkomen thuis is.”
“Scheid toch uit. Jij bent toch verstandiger, jij zult toch niet, zooals Barroux, Taboureau verdedigen … Het is waar, dat ik erop sta, dat Silviane in de Comédie debuteert. Zij is in den grond der zaak heel aardig en heeft een opmerkelijk talent, zou jij er ook tegen zijn?”
“Ik, lieve God, ik zou er niet over denken! Een knap meisje op het tooneel zou iedereen pleizier doen, daar ben ik zeker van! Maar we zouden dan aan Schoone Kunsten iemand moeten hebben, die denkt zooals ik …”
Zijn flauw glimlachje was weer teruggekomen. Wanneer hij zich van den steun van Duvillard en van zijn millioenen kon verzekeren door dat meisje te laten debuteeren, dan zou dat niet te duur gekocht zijn. Hij wendde zich tot Fonsègue als om dezen te raadplegen, en deze, die de groote beteekenis van deze aangelegenheid inzag, dacht ernstig na.
“Voor Schoone Kunsten zou een senator het meest geschikt zijn … maar ik weet niemand, absoluut niemand in de gegeven omstandigheden. Een breed denkende geest, een Parijzenaar, wiens aan het hoofd staan der Universiteit niet al te veel verwondering wekken zou … Dauvergne is er wel.”
“Wie is dat, Dauvergne?” riep Monferrand verbaasd uit. “O ja, Dauvergne, de senator van Dijon… Maar hij heeft niet het minste verstand van onderwijs.”
“Bliksems!” riep Fonsègue uit, “ik zoek toch nog … Dauvergne is een groote, blonde, decoratieve persoonlijkheid. En bovendien is hij ontzaglijk rijk, heeft hij een knappe vrouw, wat ook niet kwaad is, en geeft hij in zijn hôtel op den boulevard Saint-Germain groote feesten.”
Hij had in den beginne den naam slechts aarzelend genoemd; maar langzamerhand begon zijn keuze hem een ware vondst toe te schijnen.
“Wacht eens even. Ik herinner me, dat Dauvergne in zijn jeugd te Dijon een stuk, een éénacter in verzen heeft laten opvoeren. Dijon is een letterkundige stad en dat geeft hem dadelijk een zachten, litterairen geur. Afgezien daarvan heeft hij sedert twintig jaar er geen voet meer gezet, is hij een besliste Parijzenaar geworden, die in alle kringen verkeert … Dauvergne zal alles doen wat we willen. Hij is onze man.”
Duvillard zeide, dat hij hem kende en voor zeer geschikt hield. “Trouwens wat komt het er op aan, hij of een ander?”
“Dauvergne, Dauvergne,” herhaalde Monferrand. “Lieve God, ja—misschien zal hij een goed minister worden. Dauvergne dus!”
Dan barstte hij plotseling in een luiden lach uit.
“Nou zijn we waarachtig met een reconstructie van het kabinet bezig, om die aardige dame in de Comédie te laten optreden. Het ministerie-Silviane … En de andere portefeuilles?”
Hij schertste, want hij wist, dat vroolijkheid dikwijls moeilijke oplossingen verhaast. En inderdaad regelden zij in een opgewekte stemming alles wat gedaan moest worden, wanneer het ministerie den volgenden dag vallen zou, tot in de kleinste bijzonderheden. Zonder het met zoovele woorden uit te spreken, besloten zij toch het ministerie te laten vallen en Monferrand uit het troebele water op te visschen. Deze laatste sloot zich bij de anderen aan, daar hij de financieele macht van den baron en vooral de diensten van den Globe, die een campagne voor hem op touw zetten kon, noodig had; terwijl anderzijds, afgezien van de Silviane-quaestie de beide anderen den staatsman met de sterke vuist, die door de benoeming van een enquête-commissie, welker draden hij in de hand houden zou, het schandaal met de Afrikaansche sporen beloofde te begraven, noodig hadden. Weldra waren de drie mannen het volkomen eens, want niets brengt de menschen meer tot elkaar dan een gemeenschappelijk belang, vrees en het bewustzijn, dat men elkaar noodig heeft. Toen Duvillard dan ook over de jonge dame sprak, die Dutheil hem wilde aanbevelen, zeide de minister onmiddellijk, dat het in orde was. Een heel aardige jongen, die Dutheil! Zoo moesten er meer zijn! Ook spraken zij af, dat de aanstaande schoonzoon van Chaigneux zijn baantje krijgen zou. Die arme Chaigneux! Hij was altijd bereid zich met alles te belasten en hij had het zoo moeilijk met zijn vier vrouwen.
“Dus alles is afgesproken!”
“Afgesproken!”
“Afgesproken!”
En Monferrand, Duvillard en Fonsègue gaven elkaar een krachtigen handdruk.
Toen de eerste de beide anderen tot aan de deur uitgeleide deed, zag hij in de antichambre een prelaat met een fijne, violet omzoomde soutane met een priester staan praten.
“O, monseigneur Martha, hebt u gewacht?” riep de minister uit, terwijl hij vol ijver naar den prelaat liep. “Kom toch binnen, kom toch binnen!”
Maar met groote hoffelijkheid weigerde de bisschop dat.
“Neen, neen, abbé Froment was er vóór mij. Ontvang hem eerst.”
Monferrand moest wel toegeven en liet den priester in zijn kabinet gaan. Het onderhoud duurde echter niet lang. De minister, die zoodra hij met een geestelijke sprak, steeds diplomatiek-gereserveerd was, begon zonder eenige inleiding over de quaestie Barthès. Pierre had de twee uur, dat hij had moeten wachten, in de grootste onrust verkeerd, want de eenige verklaring, welke hij zich voor dien brief geven kon, was, dat men het verblijf van zijn broer bij hem ontdekt had. Wat zou er gebeuren? Toen hij nu hoorde, dat de minister alleen over Barthès sprak en hem zeide, dat het de regeering aangenamer zijn zou, wanneer Barthès vluchtte dan dat zij genoodzaakt zou zijn hem weer in de gevangenis te zetten, geraakte hij een oogenblik in verwarring. Hij begreep het niet goed. Hoe was het mogelijk, dat de politie, die den legendarischen samenzweerder in het kleine huisje te Neuilly had weten te vinden, totaal onbekend scheen te zijn met de aanwezigheid van Guillaume?
“Wat wil Uwe Excellentie dus van mij? Ik begrijp het nog niet goed.”
“Lieve hemel, mijnheer de abbé, dat laat ik geheel aan uw prudentie over. Als deze man binnen acht-en-veertig uur nog bij u is, zouden wij verplicht zijn hem te laten arresteeren, wat ons zeer spijten zou, daar wij weten, dat uw woning een asyl van alle deugden is. Raad hem aan Frankrijk te verlaten; hij zal niet lastig gevallen worden.”
Vlug bracht Monferrand Pierre naar de antichambre terug. Dan wendde hij zich glimlachend en buigend tot monseigneur Martha:
“Monseigneur, ik ben geheel tot uw dienst … Kom binnen, kom binnen!”
De prelaat, die opgewekt met Duvillard en Fonsègue stond te praten, drukte dezen en Pierre de hand. Bezield door een verlangen, om alle harten te winnen, was hij dien ochtend buitengewoon beminlijk en vriendelijk. Zijn donkere, levendige oogen glimlachten, zijn knap gezicht met de regelmatige, vaste lijnen was één liefkoozing. Zonder haast en op zijn onbevangen veroveraarsmanier ging hij het kabinet binnen.
Nu waren in het ledige ministerie nog slechts Monferrand en monseigneur Martha, die een eindeloos gesprek voerden. Men had kunnen denken, dat de prelaat graag Kamerlid wilde worden. Maar hij speelde een meer nuttige en hoogere rol: hij regeerde in het donker, hij was de leidende ziel van de Vaticaansche politiek in Frankrijk. Bleef Frankrijk niet de oudste Dochter der Kerk, de eenige groote natie, die ooit eens aan het pausdom zijn almacht terug zou kunnen geven? Hij had de Republiek aanvaard, predikte verzoening en ging in de Kamer voor den stichter van de nieuwe Katholieke partij door. En Monferrand, die door den vooruitgang van den nieuwen geest, door deze reactie der mystiek, die zich vleide de wetenschap te begraven, getroffen werd, was één en al beminlijkheid. De man met de ijzeren vuist gebruikte voor zijn overwinning alle krachten, die zich aanboden.
IV.
Op den middag van dienzelfden dag voelde Guillaume een zóó groote behoefte aan frissche lucht en vrije ruimte, dat Pierre erin toestemde een lange wandeling met hem te maken in het vlak bij hun huisje gelegen Bois de Boulogne. Na zijn terugkeer van het ministerie had hij zijn broeder onder het dejeuner verteld op welke wijze de regeering van plan was zich van Nicolas Barthès te ontdoen. Beiden waren somber gestemd, want zij wisten niet op welke manier zij den ouden man zijn verbanning moesten mededeelen en gaven zich tot den avond tijd om te overwegen hoe zij het bittere ervan voor hem zouden kunnen verzachten. Onder de wandeling zouden zij er nog wel eens over spreken. En bovendien, waarom zouden zij zich nog langer schuil houden, waarom zouden zij dien eersten uitgang niet wagen, nu Guillaume door niets ernstigs bedreigd scheen te worden? De beide broeders gingen door de Porte des Sablons het bosch in.
Het was in de laatste dagen van Maart; het bosch begon groen te worden, maar nog zoo teer, dat de lichte puntjes aan de bladeren op een bleekgroen mos, op een eindeloos fijne kant geleken. De regen, die den geheelen nacht en ochtend gevallen was, had opgehouden; de lucht echter bleef aschgrauw; het weer oplevende, geheel doordrenkte bosch had in de onbeweeglijke, zachte atmospheer, een heerlijke frischheid, een onschuldige jeugd. De feestelijkheden van de Halfvasten hadden blijkbaar de groote menigte naar het hartje van Parijs gelokt, want in de lanen zag men slechts ruiters, equipages en wandelaarsters, die uit haar coupés en landauers gestapt waren, terwijl minnen haar zuigelingen in kanten manteltjes ronddroegen. In het Bois heerschte de hooge elegance, de mondaine beweging van uitgelezen dagen, waarop de kleine luiden zich zelfs niet vertoonen. Slechts hier en daar zag men een paar burgervrouwen uit de buurt met een breiwerk op de banken of op de dicht begroeide plaatsen zitten en naar het spelen van haar kinderen kijken.
Pierre en Guillaume sloegen de allée de Longchamp in, die zij volgden tot den weg van Madrid aux Lacs. Daar gingen zij onder de boomen loopen en volgden den loop van de kleine beek naar Longchamp. Hun plan was tot aan de meren te gaan, die om te wandelen en dan door de Porte Maillot naar huis terug te keeren. Maar het kreupelhout, dat zij doorgingen, was in deze kindsheid der lente zoo rustig en verrukkelijk, dat zij aan hun verlangen om te gaan zitten en van de heerlijke rust te genieten, geen weerstand bieden konden.
Een boomstam diende als bank, zij konden zich inbeelden diep in een echt bosch te zijn. En Guillaume droomde inderdaad na zijn lange vrijwillige gevangenschap van een werkelijk bosch. O, de vrije ruimte, de gezonde lucht, die in de takken waait; deze geheele, reusachtige wereld, die het onvervreemdbare gebied van den mensch zijn moest. De naam van Barthès, den eeuwigen gevangene, kwam weer op zijn lippen en hij zuchtte, weer door droefheid overmand. De marteling, waaronder die ééne, steeds weer in zijn vrijheid beperkte leed, was voldoende om al het genot, dat die heerlijke, reine lucht hem gaf, te bederven.
“Wat wil je tegen hem zeggen? We moeten het hem toch zeggen. Ballingschap is toch in ieder geval te verkiezen boven de gevangenis.”
Pierre maakte een wanhopig gebaar.
“Ja, ja, ik zal hem waarschuwen. Maar mijn hart breekt eronder!”
Op dat oogenblik doemde in dit eenzame, verlaten hoekje, waar zij zich aan het einde der wereld wanen konden, een vreemd schouwspel voor hen op. Plotseling sprong een man uit het kreupelhout en rende voor hen uit. Het was ongetwijfeld een man, maar zoo onherkenbaar, zoo met modder bedekt, dat men hem voor een dier had kunnen houden, voor een door de honden opgejaagd en in het nauw gebracht, wild zwijn. Een oogenblik bleef hij radeloos voor de beek staan, dan liep hij erlangs, maar toen hij passen en zwaar ademhalen achter zich hoorde, ging hij tot zijn dijen in het water, sprong op den anderen oever en verdween achter een boschje pijnboomen. Bijna onmiddellijk daarna vlogen boschwachters onder leiding van een paar agenten langs hen heen, volgden de beek en verdwenen in de verte. Het was een menschenjacht in de teere lente der bladeren, een heimelijke, woeste jacht zonder roode rokken of stooten op hoorns.
“De een of andere schooier,” prevelde Pierre. “De ongelukkige.”
“Altijd de gendarmen en de gevangenis,” zeide Guillaume op zijn beurt ontmoedigd. “Een andere sociale school hebben ze nog niet gevonden.”
De man rende nog steeds verder en verder. Toen Salvat ’s nachts in een plotselinge vlucht het Bois de Boulogne bereikt had en zoo aan de agenten, die hem volgden, ontsnapt was, wilde hij tot aan de Porte Dauphine gaan en daar in de vestinggrachten afdalen. Hij herinnerde zich, dat hij vroeger dikwijls, wanneer hij geen werk had, daar dagen lang op die plek doorgebracht, zonder er ooit iemand ontmoet te hebben. En inderdaad bestond er geen geheimer, meer door struikgewas versperd, meer door hoog gras bezaaid toevluchtsoord. Sommige plekken van de gracht zijn niets dan nesten voor vagebonden en verliefde paartjes. Toen Salvat in het dichtste gedeelte van doorns en klimop binnendrong, had hij het geluk ondanks den neervallenden regen een soort hol met droge bladeren te vinden, waarin hij zich tot aan zijn kin begroef. Hij dreef reeds van het water, want hij was, slechts tastend en dikwijls op handen en voeten kruipend, op de modder en hellingen uitgegleden. Die droge bladeren waren voor hem een ongehoopte weldaad, een soort laken, waaronder hij zich wat kon drogen en uitrusten van zijn dolle jacht door de angstaanjagende duisternis. De regen bleef neerdrenzen, maar alleen zijn hoofd werd nu maar nat, ja ten slotte raakte hij verdoofd, viel hij in den regen in een zwaren slaap.
Toen hij zijn oogen weer opensloeg, werd het licht; het moest ongeveer zes uur zijn. Het hemelwater had ten slotte ook de bladeren vochtig gemaakt, zoodat hij als het ware in een ijskoud bad lag. Toch bleef hij er liggen, want hij voelde zich hier veilig voor de jacht, die zeker op hem gemaakt zou worden. Hier kon geen “smeris” hem ontdekken, want zijn lichaam was heelemaal begraven en zijn hoofd verdween zelfs half onder het struikgewas. Hij bewoog zich niet en bleef liggen kijken, hoe het steeds lichter werd.
Tegen acht uur kwamen politieagenten en boschwachters voorbij en doorzochten de vestinggracht, zonder hem echter te zien. Juist zooals hij gedacht had, was met het aanbreken van den dag de drijfjacht begonnen. Zijn hart klopte met luide slagen, hij kreeg het gevoel alsof hij een stuk wild was, dat door de jagers ingesloten werd. Toevallig had hij juist zijn schuilplaats gezocht onder de kazerne der gendarmen, waarvan het leven tot hem doordrong. Niemand kwam meer voorbij, geen levende ziel was te zien, geen geritsel in het gras te hooren. Slecht in de verte weerklonken de onduidelijke geluiden van het ochtendleven in het Bois de Boulogne, een bel van een fietsrijder, de galop van een paard, het rollen van rijtuigen; het gelukkige, door de frissche lucht bedwelmde niets doen van het mondaine Parijs.
De uren verliepen, negen uur, tien uur. Sedert het niet meer regende, had hij, dank zij den pet en den dikken paletot, dien de kleine Mathis hem gegeven had, minder van de koude te lijden. Maar de honger begon hem weer te kwellen, een brandend gevoel boorde hem als het ware een gat in zijn maag, terwijl vreeselijke krampen zijn lendenstreek bijna braken. Hij had sedert twee dagen niets gegeten en had den vorigen avond, toen hij van Mathis een glas bier kreeg, sedert anderhalven dag een leege maag. Het was zijn plan daar tot den avond te blijven, dan in het donker naar Boulogne te sluipen en door een open plek, die hij aan dien kant kende, het bosch te verlaten. Men had hem nog niet te pakken. Hij trachtte weer in te slapen, maar kon het niet, daar de honger hem te veel kwelde. Om elf uur kreeg hij een duizeling, dacht hij te zullen sterven. Woede maakte zich van hem meester en plotseling sprong hij uit zijn bladerenbed. Hij kon daar niet langer blijven, hij wilde eten, ook al zou het hem zijn vrijheid en zijn leven kosten. Het sloeg twaalf uur.
Nauwlijks had hij de gracht verlaten of hij bevond zich op de groote open ruimte der grasvelden van la Muette. Hij joeg er als een krankzinnige doorheen en ging instinctmatig de richting van Boulogne in, daar hij meende, dat alleen daar een uitweg te vinden zou zijn. Het was een wonder, dat niemand zich om dien zoo dolzinnig voortrennenden man bekommerde. Toen het hem gelukt was onder de boomen te komen, begreep hij hoe onvoorzichtig hij was geweest, werd hij zich den waanzin bewust, die hem in zijn drang om te vluchten medegesleept had. Hij beefde, ging plat op den grond tusschen de bremstruiken liggen en wachtte eenige minuten om zich te vergewissen, dat de agenten hem niet op de hielen zaten. Dan liep hij langzaam verder, steeds loerend en luisterend, met een wonderlijk instinct voor het gevaar. Het was zijn bedoeling tusschen het hoogst gelegen meer en de renbaan van Auteuil door te loopen. Maar daar is slechts een breede, door enkele boomen omzoomde baan; hij moest buitengewoon handig te werk gaan om nooit in het vrije veld te zijn. Hij maakte gebruik van den kleinsten boomstam, van het dunste boomgroepje en waagde dat nog slechts, wanneer hij eerst langen tijd den omtrek afgekeken had. Een nieuwe schrik, het zien van een boschwachter in de verte, dwong hem nog een kwartier plat op zijn buik te blijven liggen. Het naderen van een leeg rijtuig of van een wandelaar was voldoende om hem te doen stilstaan. Hij haalde verlicht adem, toen hij eindelijk aan de andere zijde van den Montemar-heuvel in het kreupelhout tusschen den weg naar Boulogne en de avenue de Saint-Cloud was. Dat kreupelhout is daar zeer dicht en hij behoefde het slechts te volgen, om, op die wijze verborgen, den uitgang, die niet ver meer weg kon zijn, te bereiken. Hij was gered.
Maar plotseling zag hij op ongeveer dertig meter afstand een boschwachter staan, die hem den weg versperde. Hij sloeg links af en vond daar een tweeden, die eveneens onbeweeglijk stond en op hem scheen te wachten. Boschwachters, steeds weer boschwachters om de vijftig pas—een heel cordon was daar als de mazen van een net gespannen. Het ergste was, dat men hem blijkbaar gezien had, want een zacht gefluit liet zich hooren en werd weldra van post tot post, tot in het oneindige toe herhaald. Eindelijk hadden de jagers het goede spoor; voorzichtigheid was nu verder onnoodig, de man behoefde zijn laatste heil nog slechts in de vlucht te zoeken. Hij voelde dat zóó goed, dat hij het onmiddellijk op een loopen zette, over hindernissen heensprong en zonder bang te zijn gezien of gehoord te worden, tusschen de boomen vluchtte. In drie sprongen was hij de avenue de Saint-Cloud over, om zich in het dichte geboomte, dat zich tusschen deze avenue en de allée de la Reine-Marguerite uitstrekt, te werpen. Daar is het kreupelhout nog dichter; het zijn de dichtst begroeide plekken van het Bois de Boulogne, een geheele zee van groen in den zomer, waarin hij zich misschien, als er bladeren aan de boomen geweest waren, schuil had kunnen houden.
Een oogenblik was hij weer alleen: hij bleef staan en luisterde angstig. Hij zag of hoorde de gendarmes niet meer: zou hij ze op een dwaalspoor gebracht hebben? Een stilte, een vrede van eindelooze zachtheid daalde neer van het jonge loof. Doch dan liet het zacht gefluit zich weer hooren en kraakten takken; hij zette zijn krankzinnigen loop weer voort, vluchtte, om te vluchten, recht voor zich uit. Toen hij bij de allée de la Reine-Marguerite kwam, vond hij die versperd: op regelmatige afstanden stonden agenten opgesteld. Hij moest nu, zonder het kreupelhout te verlaten, weer de allée verder volgen. Maar hij verwijderde zich op die manier van Boulogne, keerde op zijn schreden terug. Verward teekende zich in zijn arm brein een laatste plan tot redding af: door het kreupelhout naar het boschje van Madrid loopen, om daar van het eene boomgroepje naar het andere ten slotte bij het water te komen. Dat was de eenige boschweg, die naar de Seine kon loopen, want hij durfde het niet wagen daarheen te gaan over de kale vlakten van den Hippodrome en het exercitieterrein.
Hij rende steeds verder en verder. Toen hij aan de allée de Longchamp kwam, kon hij die niet oversteken, daar zij ook bewaakt was. Nu moest hij zijn plan om over Madrid en de Seine te vluchten, opgeven; hij was gedwongen een omweg te maken langs den Pré Catelan. Onder de leiding van de boschwachters kwamen de agenten dichterbij; hij voelde hoe zij hem in een steeds nauwer en nauwer wordenden kring omsingelden. Weldra ontstond een woeste, wilde, ademlooze jacht, heuvel op, heuvel af, over steeds weer opduikende hindernissen. Hij sprong over doornige struiken, sloeg latwerk in. Driemaal viel hij, daar zijn voeten verward raakten in het ijzerdraad der afgesloten ruimten, die hij in het geheel niet gezien had; maar hoewel hij in de brandnetels terechtgekomen was, stond hij op, zonder iets van het vurige jeuken te merken en zette zijn dolzinnige vlucht voort als werden sporen in zijn zijde gedrukt en hij tot bloedens toe gestriemd.
Toen zagen Guillaume en Pierre hem, onherkenbaar, angstaanjagend, langs zich stormen en in het modderige water van de beek springen, zooals een dier, dat een laatsten wal tusschen zich en de honden opwerpen wil. Hij was op het hersenschimmige denkbeeld gekomen, dat het eiland midden in het meer een onschendbaar asyl zijn zou, als hij het bereiken kon. Hij wilde erheen zwemmen, zonder dat iemand het zag, en zich daar onopgemerkt en verder voor alle nasporingen gevrijwaard, in den grond ingraven. Hij rende steeds verder en verder. Maar weer dwongen boschwachters hem, om te keeren, was hij verplicht steeds weer te gaan in de richting van den kruisweg bij de meren, werd hij teruggedreven naar de vestingwerken, vanwaar hij gekomen was. Het was nu bijna drie uur. Meer dan twee en een half uur rende hij nu steeds verder en verder …
Maar dat was het einde. Hij viel bijna neer. Zijn uitgeputte voeten droegen hem niet meer, bloed stroomde uit zijn ooren; schuim stond op zijn mond. Zijn zijden werden als door een heftigen storm op- en neergejaagd, alsof de woeste sprongen van zijn hart ze wilde breken. Water en zweet droop langs zijn geheele lichaam; met modder bedekt, verwilderd en met een ledige maag werd hij nog meer door den honger dan door de moeheid gekweld. In den nevel, die langzamerhand zijn waanzinnig fonkelende oogen omsluierde, zag hij plotseling achter een door boomen verborgen chalet de deur van een bergplaats open staan. Niemand was er te zien dan een dikke witte kat, die overhaast de vlucht nam. Hij vloog naar binnen en rolde zich in het stroo, dat tusschen de ledige vaten lag. Nauwlijks had hij er zich in begraven of hij hoorde de jacht voorbijrazen, de agenten en boschwachters, die zijn spoor verloren, langs het chalet in de richting der fortificaties verder rennen. Het stampen der zware schoenen hield op; een diepe stilte trad in. Hij had zijn beide handen op zijn hart gedrukt als wilde hij het kloppen ervan verstikken, en viel in een doodelijke uitputting, terwijl dikke tranen uit zijn gesloten oogleden rolden.
Na een kwartier gerust te hebben, hadden Guillaume en Pierre hun wandeling voortgezet, het meer bereikt en wilden tot den carrefour des Cascades loopen, om dan langs een omweg naar Neuilly terug te keeren. Een stortbui dwong hen een schuilplaats te zoeken onder de dikke, nog kale takken van een kastanjeboom; maar toen de regen nog erger werd, keken zij om zich heen en zagen op den achtergrond van een boomgroep een soort chalet staan, een café-restaurant, waarin zij hun toevlucht gingen zoeken. In een zijlaan zagen zij een rijtuig staan; de koetsier zat eenzaam, onbeweeglijk en wijsgeerig in den zachten zomerregen op den bok. Tot zijn groote verbazing zag Pierre Gérard de Quinsac voor zich uitloopen, die, ongetwijfeld ook door den regen overvallen, zich eveneens naar het chalet haastte. Doch dan meende hij zich vergist te hebben, want hij zag den jongen man niet in de zaal. Deze zaal, een soort glaswarande, waarin enkele stoelen en tafeltjes stonden, was geheel leeg. Op de eerste verdieping kwamen vier of vijf kamertjes op een gang uit. Niets bewoog zich er; het huis was nog nauwlijks uit zijn winterslaap ontwaakt; men voelde er nog de vochtigheid, welke in dergelijke etablissementen, die van November tot Maart gesloten zijn, pleegt te heerschen. Er achter bevonden zich een stal, een bergplaats en enkele met mos bedekte bijgebouwen. Verder was het een bekoorlijk hoekje, dat de tuinlieden en de schilders weer spoedig in orde zouden gaan maken voor de galante uitstapjes en de vroolijke drukte op mooie dagen.
“Ik geloof, dat het nog niet geopend is,” zeide Guillaume, toen hij de groote stilte van het huis betrad.
“Maar ze zullen het wel goed vinden, dat we even wachten, tot de regen ophoudt,” antwoordde Pierre, die aan een der tafeltjes was gaan zitten.
Toch liet zich een kellner zien. Hij kwam van de eerste verdieping en zocht, druk doende, in het buffet naar een paar kleine, droge koekjes, die hij op een schotel legde. Eindelijk bracht hij den beiden broeders twee glaasjes chartreuse.
In een der kamertjes boven zat barones Eve Duvillard, die met een rijtuig gekomen was, reeds meer dan een half uur op Gérard te wachten. Hier hadden zij elkaar den vorigen dag op den liefdadigheidsbazar rendez-vous gegeven. De liefste herinneringen wachtten hier op hen, want twee jaar geleden hadden zij er in de wittebroodsweken van hun liaison, toen zij nog niet naar zijn huis durfde gaan en dit op rillerige lentedagen zoo eenzame nestje ontdekt had, heerlijke samenkomsten gehad. Ongetwijfeld, niet de vrees alleen gezien te worden had haar ertoe gebracht dit plekje voor het laatste rendez-vous van hun stervende passie te kiezen, maar ook de poëtische gedachte hier hun eerste kussen te vinden, opdat zij ook de laatste zijn zouden. Het was zoo charmant, dit plekje midden in dit groote, aristocratische bosch, op twee passen van de breede lanen, waar geheel Parijs door kwam. In haar wanhoop over het bittere einde, dat zij voelde komen, werd haar teer, verliefd hart tot tranen toe geroerd.
Maar zij had, zooals vroeger, een jonge zon over het jonge loof willen zien. Deze aschgrauwe hemel, deze regen deed haar rillen. En toen zij het kamertje binnenging, herkende zij het nauwlijks—zoo triest en zoo koud zag het er met zijn versleten divan, zijn tafel en zijn vier stoelen uit. De winter heerschte hier nog, de kille vochtigheid, de schimmellucht van een langen tijd gesloten en niet gelucht vertrek. Het behang was losgeraakt en hing jammerlijk aan flarden. Doode vliegen lagen overal op den grond, en de kellner, die de blinden wilde openmaken, had heel veel moeite met de spanjolet. Toen hij echter den gashaard aangestoken had, werd de kamer weldra vroolijker en behaaglijker.
Eve was, zonder zelfs de dikke voile, die haar gezicht geheel bedekte, op te slaan, op een stoel gaan zitten. Geheel in het zwart gekleed, als droeg zij reeds rouw over haar laatste liefde, liet zij niets van zich zien dan haar nog prachtig blond haar, dat als een kroon van dof goud onder den kleinen zwarten hoed uitkwam. Met haar slank gebleven taille, haar mooien boezem en haar flink, krachtig figuur verried zij in niets, dat zij reeds dicht bij de vijftig was. Zij had twee kop thee besteld, en toen de kellner deze met een schaal kleine, droge koekjes, die waarschijnlijk nog over waren van het vorige jaar, bracht, vond hij haar nog steeds met haar voile voor onbeweeglijk op dezelfde plaats zitten. Dan bleef zij weer in een moedeloos gepeins alleen. Zij was een half uur voor den afgesproken tijd gekomen; zij had de eerste willen zijn, om wat kalmer te kunnen worden en niet dadelijk aan haar eersten aanval van wanhoop toe te geven. Vooral wilde zij niet huilen, want zij had zich voorgenomen waardig te zijn, rustig te praten, te spreken als een vrouw, die wel rechten heeft, maar slechts luisteren wil naar haar gezond verstand. Zoolang zij nog alleen was, zoolang zij de manier overwoog, waarop zij Gérard ontvangen zou, om hem een huwelijk, dat zij als een ongeluk en een misdaad beschouwde, af te raden, was zij tevreden over haar moed, hield zij zich voor kalm, ja zelfs berustend.
Zij snikte en begon te beven. Gérard kwam binnen.
“Wat, ben je de eerste, lieve vriendin? En ik dacht nog al, dat ik tien minuten te vroeg was … En nu heb je je de moeite gegeven thee te bestellen en op mij te wachten.”
Hij was erg verlegen en beefde zelf bij de gedachte aan de vreeselijke scène, die hij voorzag. Maar verder gedroeg hij zich volkomen correct, dwong zich tot een glimlach en deed alsof hij geheel opging in de galante vreugde haar hier weer terug te vinden als in den mooien tijd van hun liefde.
Maar zij stond op—zij had haar voile eindelijk opgeslagen—keek hem aan en stamelde:
“Ja, ik was wat eerder vrij … En voordat er een verhindering kwam, ben ik hierheen gegaan.”
Maar toen zij hem daar nog zoo mooi en liefdevol zag staan, vergat zij al haar plannen en werd als krankzinnig. Al haar mooie redeneeringen, al haar mooie voornemens werden weggevaagd. Het was een niet te bedwingen opwelling, het was als werd haar hart uit haar lichaam gerukt bij de gedachte, dat zij hem nog altijd liefhad, dat zij hem voor zich behouden, dat zij hem nooit aan een ander geven zou. Wanhopig viel zij hem om zijn hals.
“O Gérard, Gérard … Ik lijd te veel, ik kan niet, ik kan niet … Zeg me dadelijk, dat je niet met haar wilt trouwen, dat je nooit met haar zult trouwen!”
Haar stem begaf haar, tranen stroomden uit haar oogen. O, die tranen! Hoe had zij zich voorgenomen niet te huilen! Maar zij stroomden eindeloos, zij overstroomden haar mooie oogen in een vloed van vreeselijke smart.
“Mijn dochter! Groote God, jij met mijn dochter trouwen!… Jij met haar! Zij in jouw armen hier in deze kamer! Neen, neen, dat is te veel! Ik wil het niet! Ik wil het niet!”
Hij werd als verstijfd bij dezen kreet van vreeselijke jaloezie, waarin de moeder niet meer was dan een vrouw, die de jeugd van een mededingster, die vijf-en-twintig jaar, welke niet meer konden terugkeeren, razend maakte. Hij zelf had, toen hij naar het rendez-vous ging, de verstandigste besluiten overwogen en zich voorgenomen eerlijk, als een hoogst beschaafd man, met allerlei mooie en troostende zinnen met haar te breken. Maar tegenover vrouwentranen voelde hij zich zwak en machteloos. Hij trachtte haar te kalmeeren, deed haar plaats nemen op den divan, om zich uit haar omarming los te maken. Dan ging hij naast haar zitten en zeide:
“Kom, lieveling, wees nou verstandig. Wij zijn toch hier gekomen om vriendschappelijk te praten … Ik verzeker je, dat je de dingen overdrijft!”
Maar zij eischte een beslist antwoord.
“Neen, neen, ik lijd te veel, ik moet onmiddellijk alles weten … Zweer mij, dat je nooit, nooit met haar zult trouwen!”
Nogmaals trachtte hij een ontwijkend antwoord te geven.
“Je kwelt jezelf, je weet heel goed, dat ik van je houd.”
“Neen, neen! Zweer mij, dat je nooit met haar zult trouwen, nooit!”
“Maar ik houd toch van jou, ik houd toch van jou alleen!”
Zij trok hem hartstochtelijk naar zich toe, drukte hem aan haar borst, bedekte zijn oogen met kussen.
“Is dat waar? Houd je alleen maar van mij?… Welnu, neem me dan, kus me, laat ik voelen, dat je de mijne, altijd de mijne bent en nooit van die andere!”
Zij dwong Gérard tot liefkoozingen en gaf zich in zoo’n volle overgave aan hem, dat hij, zelf door hartstocht bedwelmd, haar niets weigeren kon. Zonder kracht nu verder, zwoer hij haar alles wat zij wilde, herhaalde hij tot in den treure, dat hij slechts haar lief had en dat hij nooit met haar dochter zou trouwen. Ja, ten slotte ging hij zelfs zoover om te beweren, dat hij met het misvormde kind slechts medelijden had. Zijn goedheid was zijn excuus. Eve echter dronk die medelijdende minachting, welke hij voor haar dochter voelde, al de zekerheid, dat zij de eeuwig mooie, de eeuwig begeerde was, van zijn lippen af.
Toen het voorbij was, bleven zij beiden zwijgend en moede en verlegen op den divan zitten.
“O, ik zweer je, dat ik daar niet voor gekomen ben,” fluisterde zij eindelijk zacht.
Weer viel er een stilte in, die hij wilde verbreken.
“Wil je je thee niet uitdrinken? Hij is bijna koud.”
Maar zij luisterde niet naar hem, en als was er niets gebeurd, als begon de onvermijdelijke verklaring nu pas, zeide zij gebroken en eindeloos bedroefd:
“Kijk eens, Gérard, je kunt niet met mijn dochter trouwen. In de eerste plaats zou het iets laags, bijna een bloedschande zijn … En dan jouw naam, jouw positie … Neem me niet kwalijk, dat ik zoo openhartig ben, maar iedereen zal zeggen, dat je je verkoopt. Het zou een schandaal voor jouw familie en de onze zijn.”
Zij had, zonder toorn nu, als een moeder, die naar beweeggronden zoekt om haar grooten zoon van een afschuwelijke misdaad af te houden, zijn handen in de hare genomen. En hij luisterde met gebogen hoofd, zonder haar aan te kijken.
“Denk eens aan wat de menschen zeggen zullen, Gérard! Ik maak me volstrekt geen illusies; ik weet, dat tusschen jouw kringen en de mijne een groote afgrond gaapt. Rijk zijn helpt niets … het geld maakt dien nog slechts grooter. En al ben ik ook Christin geworden, mijn dochter is en blijft de dochter van een Jodin … O, Gérard, ik ben zoo trotsch op je. Het zou mijn hart breken, wanneer ik je door dat geldhuwelijk met een misvormd meisje, dat jou niet waardig is, dat je niet liefhebben kunt, vernederd en als het ware bezoedeld zag!”
Hij keek haar verlegen en smeekend aan, wilde aan dat pijnlijk onderhoud ontsnappen.
“Maar ik heb je toch gezworen, dat ik alleen jou liefheb, dat ik nooit met haar zal trouwen! De zaak is nu uit. Laten we elkaar niet langer martelen!”
Hun blikken bleven een oogenblik in elkander rusten en drukten alles uit, wat zij niet uitspraken: hun moeheid, hun ellende. De oogleden, de arme, roode oogleden in het plotseling vlekkig en oud geworden gezicht zwollen op van tranen, die over haar bevende wangen begonnen te vloeien. Weer huilde zij eindeloos, maar nu zonder bitterheid.
“Mijn arme, arme Gérard!… O, nu druk ik zwaar op je schouders. Neen, ontken het niet; ik voel, dat ik een ondragelijke last ben, dat ik een hinderpaal voor je ben, dat ik je heelemaal ongelukkig maken zal, wanneer ik je voor mij alleen wil behouden.”
Hij wilde protesteeren, doch zij liet hem niet aan het woord komen.
“Neen, neen, tusschen ons is alles uit … Ik word leelijk … het is uit … En bovendien door mij is jouw toekomst niets meer. Ik kan je in niets helpen, jij geeft mij alles door jezelf te geven, en ik geef je niets terug … En toch is de tijd nu gekomen om je een positie te scheppen. Jij op jouw leeftijd kunt niet leven zonder een gevestigde positie, zonder een huis en het zou laf van mij zijn de hinderpaal voor je geluk te zijn door mij aan je vast te klampen en je met mij te verdrinken.”
Zoo sprak zij door, terwijl zij haar blik steeds op hem gericht hield, hoewel zij hem slechts door haar tranen heen zag. Evenals zijn moeder wist zij, dat hij ondanks zijn knap uiterlijk, zóó zwak en zóó ziekelijk was, dat ook zij ervan droomde hem een kalm leven, een behagelijk hoekje van geluk te verschaffen, waarin hij, tegen de stormen van het noodlot beschermd, rustig oud kon worden. Zij had hem zoo lief—en kon dan de werkelijke goedheid van haar diepe liefde zich niet verheffen tot verzaking, tot opoffering? Zelfs in haar egoïsme van mooie en aangebeden vrouw vond zij redenen om den terugtocht te aanvaarden, opdat het einde van haar levensherfst niet bedorven worden zou door drama’s, die haar verpletterden. En dit alles zeide zij, terwijl zij hem behandelde als een kind, welks geluk zij ten koste van het hare scheppen wilde, terwijl hij weer met neergeslagen blikken onbeweeglijk naar haar luisterde, zonder verder te protesteeren, blij, dat zij zijn bestaan regelde zooals zij het wilde.
“Zeker,” ging zij voort, terwijl zij ten slotte de gronden aanvoerde, die ten gunste van het afschuwelijke huwelijk spraken, “Camille zou je brengen alles wat ik voor je wensch, alles, wat ik voor je droom. Door haar zou, dank zij de omstandigheden, die ik je niet behoef te noemen, je leven gelukkig, verzekerd zijn … En wat de rest betreft, lieve Hemel, daar zijn voorbeelden genoeg van. Niet dat ik onze fout wil verontschuldigen, maar ik zou je tallooze families kunnen noemen, waarin nog heel wat erger dingen gebeurd zijn … En dan, ik had ongelijk, toen ik zooeven zeide, dat het geld een afgrond graaft. Integendeel het brengt de menschen dichter bij elkaar, het doet alles vergeven. Je zoudt niets dan ijverzuchtigen om je heen zien, die zich over je geluk zouden verbazen.”
Gérard stond op en scheen een laatste maal te willen protesteeren.
“Wat, nu zal jij me per slot van rekening toch nog tot een huwelijk met je dochter willen dwingen?”
“Lieve God, neen! Maar ik ben verstandig, ik zeg wat ik zeggen moet. Je moet het nog eens overwegen.”
“Alles is overwogen … Ik heb je liefgehad en heb je nog lief … De rest is onmogelijk.”
Een hemelsch glimlachje speelde om haar lippen; zij nam hem nu weer in haar armen, en beiden stonden nu weer als één in hun omhelzing.
“Hoe goed en lief ben je, Gérard! Als je eens wist hoe lief ik je heb, hoe ik je altijd, ondanks alles, lief hebben zal!”
Haar tranen kwamen weer terug en ook hij weende. Beiden handelden in hun aangeboren teederheid te goeder trouw, terwijl zij de pijnlijke oplossing verschoven en nog op geluk hopen wilden. Maar zij voelden het beiden heel goed; het huwelijk was een uitgemaakte zaak. Er bleef niets meer over dan tranen en zinledige woorden; het leven ging ondanks alles zijn gang, het onvermijdelijke zou in vervulling gaan. De gedachte, die hem zoo week stemde, was waarschijnlijk deze, dat dit hun laatste omhelzing was, hun laatste rendez-vous, want het zou laag zijn, na alles wat zij wisten en tegen elkaar gezegd hadden, elkaar nogmaals op deze wijze te ontmoeten. Toch wilden zij de illusie bewaren, dat zij niet met elkander braken, dat zij eenmaal nog lust konden krijgen elkander weer te kussen. En de smart over het einde van alles snikte in hen.
Toen zij elkander losgelaten hadden, zagen zij het smalle kamertje met zijn verschoten divan, zijn vier stoelen en zijn tafel weer voor zich. Het kleine gashaardje suisde; zij snikten nu bijna in een zware, warme vochtigheid.
“Dus je wilt geen thee?” vroeg hij weer.
Zij stond voor den spiegel haar haar in orde te maken.
“Neen, dank je wel! Die is niet te drinken hier!”
En zij, die hier een zoo verrukkelijke herinnering gedacht had te vinden, werd in deze afscheidsminuut door de trieste omgeving geheel overweldigd, toen het geluid van zware stappen en grove stemmen, haar heelemaal van stuk brachten. Menschen liepen door de gang heen en weer en klopten aan de deuren. Zij vloog naar het raam en zag hoe agenten het restaurant omsingelden. De meest dolzinnige gedachten kwamen in haar op: haar dochter had haar laten volgen; haar man wilde zich van haar laten scheiden om met Silviane te trouwen. Dat beteekende een vreeselijk schandaal, een ineenstorten van al haar plannen. Doodsbleek en radeloos wachtte zij, terwijl hij, even bleek als zij, haar bevend smeekte kalm te blijven en vooral niet te schreeuwen. Maar toen harde slagen de deur deden dreunen en de commissaris van politie zijn naam noemde, moesten zij wel openen. Welk een oogenblik! Welk een schrik, welk een schande!
Beneden hadden Pierre en Guillaume meer dan een uur gewacht tot de regen zou ophouden. Zij spraken half fluisterend in een hoek van de glaswarande en namen eindelijk een besluit in zake het pijnlijke geval van Nicolas Barthès. Zij zouden den volgenden avond Théophile Morin, den ouden vriend van den eeuwigen gevangene, te dineeren vragen; deze moest hem dan de nieuwe verbanning, waardoor hij getroffen werd, maar mededeelen.
“Dat zal het verstandigst zijn,” zeide Guillaume. “Morin houdt veel van hem, zoodat hij het hem zoo voorzichtig mogelijk zal mededeelen, en zal wel tot de grens met hem medegaan.”
Pierre keek zwaarmoedig naar den nog steeds neervallenden regen.
“Alweer weg, alweer het vreemde land, wanneer het het cachot niet is! De arme, vreugdelooze, zijn leven lang opgejaagde man! Zijn geheele leven heeft hij gegeven aan zijn vrijheidsideaal, dat ouderwetsch is, waarom gelachen wordt, dat hij met zichzelf instorten ziet.”
Weer verschenen nu politie-agenten en boschwachters en slopen om het restaurant heen. Ongetwijfeld hadden zij begrepen, dat zij het spoor bijster geworden waren, en keerden nu terug in de meening, dat de man zich in dit chalet verstopt moest hebben. Zij omsingelden het handig en namen, alvorens tot een nauwkeuriger huiszoeking over te gaan, de noodige maatregelen, dat het wild hun niet voor de tweede maal zou ontsnappen. Toen de twee broers deze manoeuvre bemerkten, voelden zij hoe een heimelijke angst zich van hen meester maakte. Het was het vervolg van de drijfjacht op den man, dien zij hadden zien vluchten; maar wie zeide hun dat men hen, nu zij ongelukkigerwijze in de zaak betrokken werden, niet dwingen zou hun identiteit op te geven? Met een blik raadpleegden zij elkaar; zij dachten er een oogenblik over ondanks den stortregen weg te gaan. Doch dan begrepen zij, dat zulks hen in een nog onaangenamer positie zou kunnen brengen. Zij bleven wachten, te meer daar de komst van twee nieuwe bezoekers afleiding bracht.
Een victoria hield voor de deur stil. Eerst stapte een jonge man uit met een correct, doch geblaseerd uiterlijk, dan een jonge vrouw, die, vroolijk door dien aanhoudenden regen, luid lachte. Zij hadden een woordenwisseling, zij vond het schertsenderwijze jammer, dat zij niet op de fiets gegaan waren, terwijl hij dezen wandelrit in een zondvloed idioot vond.
“Maar we moesten toch ergens naar toe, beste jongen! Waarom ben je niet met me naar de maskerade gaan kijken?”
“De maskerade? Neen, dan nog honderdmaal liever het Bois!”
Toen zij binnenkwam, herkende Pierre in de jonge vrouw, die de regen zoo vroolijk maakte, de kleine prinses Rosemonde en in den jongen man, die de Halfvasten zoo afschuwelijk, het Bois verpest en de fiets onaesthetisch vond, den mooien Hyacinthe Duvillard. Na thuis met hem thee gedronken te hebben, had zij hem dien nacht bij zich gehouden en haar gril willen bevredigen door hem bijna als een vrouw geweld aan te doen. Maar hoewel hij erin toestemde bij haar in bed te komen liggen, had hij—niettegenstaande zij hem ten slotte sloeg en zich zelfs zoo ver vergat om hem te bijten—iedere aanraking beslist vermeden. O, die afschuwelijkheid, die afstootende vuilheid van het kind, dat eruit zou geboren kunnen worden. Nu, wat het kind betreft, daar had hij gelijk in, zij wilde er ook geen hebben! Toen had hij gesproken van de zielen, die zich geestelijk paren, zij zeide niet neen, stemde toe het te probeeren; maar hoe moest men dat doen? En toen zij weer over Noorwegen spraken, besloten zij—het eindelijk eens geworden zijnde—’s Maandags hun huwelijksreis naar Christiania te beginnen, om daar de intellectualiteit van hun verbintenis te voltrekken. Het eenige wat hun speet, was dat zij niet meer in het hartje van den winter waren, want was de koude, de witte, de ongerepte sneeuw niet de eenig mogelijke sponde voor een dergelijke huwelijksvoltrekking.
Zoodra de kellner hun, bij gebrek aan kummel, kleine glaasjes anisette gebracht had, boog Hyacinthe, die Pierre en zijn broer Guillaume, met wiens zoons hij op het gymnasium geweest was, herkend had, zich over naar Rosemonde en fluisterde haar den naam van den laatste in het oor. Dadelijk stond zij in een plotselinge opwelling van geestdrift op.
“Guillaume Froment! Guillaume Froment! De groote scheikundige!”
Met uitgestoken handen ging zij naar hem toe:
“O, mijnheer, ik hoop, dat u mij deze ongemanierdheid vergeven zult! Maar ik moet u de hand drukken … Ik bewonder u zoo! U hebt zulke prachtige onderzoekingen met springstoffen gedaan!”
Toen zij de verbazing van den chemicus zag, begon zij als een schoolmeisje te lachen.
“Ik ben prinses de Hardt. Mijnheer de abbé, uw broer, kent mij en ik had mij door hem aan u moeten laten voorstellen … Verder hebben u en ik gemeenschappelijke vrienden, o.a. Janzen, die mij beloofd had mij als zeer bescheiden leerling tot u te brengen. Ik houd mij ook bezig met chemie … uit liefde voor de waarheid en ter wille van goede dingen, meer niet … U wilt mij zeker wel toestaan bij u aan te kloppen, wanneer ik van Christiania terug ben, waarheen ik met mijn jongen vriend daar een eenvoudig pleizier- en ontdekkingsreisje ga doen in het rijk van onbekende gevoelens.”
Zij ratelde maar door, zonder dat het den anderen mogelijk was er één woord tusschen te krijgen. Zij gooide alles door elkaar: haar sympathie voor het internationalisme, die haar een oogenblik in de armen van Janzen geworpen had, in de anarchistische wereld, onder de gevaarlijkste avonturiers der partij; haar nieuwe passie voor mystieke en symbolische kapelletjes, de wraak, die het ideëele op het grove realisme nam, de poëzie der aesthetici, die haar droomen deed van een tot nog toe ongekenden wellust onder den ijzigen kus van den mooien Hyacinthe.
Plotseling hield zij op en begon zij weer te lachen.
“Wat moeten die politieagenten hier zoeken? Willen ze ons misschien arresteeren? Wat een leuke grap zou dat zijn?”
Inderdaad gingen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, nadat de agenten vergeefs den stal en de bergplaats doorzocht hadden, ertoe over het restaurant te visiteeren en kwamen de warande binnen. Het stond bij hen vast, dat de man nergens anders zijn kon. Dupot, een klein, kaal, bijziend mannetje met een bril op, had geen wapens bij zich; maar daar hij een woest en woedend verzet van den opgejaagden en in het nauw gebrachten wolf voorzag, had hij Mondésir aangeraden zijn revolver te laden en in zijn zak gereed te houden. Toch moest Mondésir met zijn breeden, vierkanten doggerug en zijn snuffelenden, stompen neus hem uit hiërarchischen eerbied het eerst laten binnen gaan.
Met een vluggen blik van achter zijn bril had de commissaris de vier bezoekers, den priester, de jonge vrouw en de beide anderen opgenomen en wilde, zonder verder acht op hen te slaan, naar de eerste verdieping gaan, toen de kellner, verschrikt door dien plotselingen inval der politie, zijn hoofd verloor en stamelde:
“Maar … boven zijn een heer en een dame … in een kamertje!”
Dupot duwde hem kalm op zij.
“Een heer en een dame zoeken wij niet … Ga onmiddellijk alle deuren open doen, geen kastdeur mag dicht blijven.”
Boven doorzochten zij alle vertrekken en alle hoekjes, totdat alleen nog het kamertje, waarin Eve en Gérard waren en dat de kellner niet openen kon, omdat de grendel er van binnen voorgeschoven was, overbleef.
“Doe toch open,” riep de jongen door het sleutelgat, “het is niet om u te doen.”
Eindelijk werd de grendel weggeschoven, en Dupot, die zich zelfs geen glimlachje veroorloofde, liet de dame en den heer bevend en doodsbleek naar beneden gaan, terwijl Mondésir pour acquit de conscience onder de tafel, achter den divan en in een kleine muurkast kijken ging.
Toen Eve en Gérard beneden de warande doorloopen moesten, vonden zij daar tot hun grooten schrik kennissen, die het meest onvoorziene toeval hier samengebracht had. Het hielp niets, dat een dichte voile haar gezicht bedekte; zij ontmoette den blik van haar zoon en voelde, dat hij haar herkende. Welk een noodlottig toeval! Hij, die zijn zuster, voor wie hij zoo bang was, altijd alles vertelde! En terwijl zij vluchtte, terwijl de graaf, wanhopig over het schandaal, haar in den neerstroomenden regen naar het rijtuig bracht, hoorden zij heel duidelijk hoe de kleine prinses heel vroolijk riep:
“Maar die mijnheer is graaf de Quinsac!… Maar wie is die dame?”
Toen Hyacinthe, die bleek geworden was, niet antwoordde, drong zij aan:
“Jij moet haar toch kennen. Vertel me wie het is!”
“Niemand,” antwoordde hij eindelijk. “De een of andere vrouw.”
Pierre had het begrepen; hij wendde, verlegen door zooveel schande en lijden, zijn blik af en keek Guillaume aan. Maar plotseling, juist toen de commissaris van politie Dupot en de agent Mondésir, zonder den man gevonden te hebben, naar beneden kwamen, veranderde het tooneel. Buiten weerklonken kreten, lawaai en heen en weer geloop. Dan verscheen de chef van den veiligheidsdienst Gascogne, die in de bijgebouwen van het restaurant was blijven zoeken; hij duwde een niet nader te omschrijven pak lompen en modder, dat door twee agenten vastgehouden werd, voor zich uit. Het was de man, het achtervolgde, in het nauw gebrachte en eindelijk gevangen dier, dat men achter in de bergplaats in een ton onder het hooi gevonden had.
Welk een triompheerend halahi na die twee uren waanzinnig geren, na die woeste drijfjacht, welke de borsten buiten adem gebracht en de beenen gebroken had! De menschenjacht, de meest opwindende en hartstochtelijke jacht van alle! Ze hadden den kerel, stootten, sleepten, sloegen hem! En hij, de man, was het jammerlijkst stuk wild, dat men zich denken kon: een wrak, uitgeteerd en aardkleurig door den nacht, dien hij in een met bladeren gevuld gat doorgebracht had, nog nat tot zijn middel, omdat hij midden door die beek gewaad had; zijn armzalige, door den regen gegeeselde, met modder bedekte kleeren hingen aan flarden om zijn lichaam, zijn pet was aan stukken gescheurd, zijn voeten en zijn handen bloedden door de vreeselijke jacht dwars door het met doornen en brandnetels versperde struikgewas. Hij had geen menschelijk gezicht meer; zijn haar plakte aan zijn slapen, de met bloed doorloopen oogen puilden uit hun kassen, het geheele gezicht was vertrokken door angst, woede en lijden. Het was het wild, het was de man. Ze stootten hem nog verder en eindelijk viel hij, vastgehouden door de ruwe vuisten, die hem schudden, in zittende houding op een der tafeltjes van het kleine café neer.
Toen doorhuiverde Guillaume een schrik, waarvan de rilling hem deed verstijven. Hij greep de hand van Pierre; deze keek, begreep, beefde op zijn beurt. Rechtvaardige God, Salvat! Die man was Salvat! Salvat hadden zij als een door een troep honden opgejaagd wild zwijn door het Bois zien vluchten. Dat vuile pak, die door de ellende en het verzet overwonnene was Salvat! En in zijn angst kreeg Pierre nogmaals plotseling het visioen van het kleine loopmeisje onder de koetspoort van het hôtel Duvillard, de knappe blondine, wier buik door de bom opengereten was.
Dupot, Mondésir en Gascogne triompheerden. Toch had de man geen tegenstand geboden, hij had zich zacht als een lam gevangen laten nemen. En terwijl hij daar, zoo ruw in bedwang gehouden, zat, wierp hij moede, onzegbaar trieste blikken om zich heen.
Hij begon te spreken en zijn eerste met heesche en zachte stem gezegd woord was:
“Ik heb honger!”
Hij stierf bijna van honger en moeheid; hij had na twee dagen vasten den vorigen avond niets dan een glas bier gehad.
“Geef hem een stuk brood,” zeide commissaris Dupot tegen den kellner. “Dat kan hij opeten, terwijl wij een rijtuig laten halen.”
Een agent ging een rijtuig zoeken. De regen had opgehouden: men hoorde weer de fietsbellen, de equipages reden weer, het Bois kreeg in de breede, door een bleeken zonnestraal vergulde lanen zijn mondain leven terug.
Maar de man had zich gulzig op het stuk brood geworpen en terwijl hij het met een dierlijke bevrediging verslond, zagen zijn blikken de vier bezoekers, die daar bij elkaar zaten. De opgewonden trekken van Hyacinthe en Rosemonde, die verrukt waren zoo onverwacht getuigen te zijn van de arrestatie van dezen ongelukkige, dien zij voor den een of anderen bandiet hielden, schenen hem te prikkelen. Dan begonnen zijn droevige, met bloed doorloopen oogen te trillen; zij hadden tot hun verbazing Pierre en Guillaume herkend. En nu drukte zich in die oogen, terwijl zij op den laatste gevestigd bleven, niets meer uit dan de gedweeë onderworpenheid van een dankbaren hond, de hernieuwde belofte van een onverbreekbaar zwijgen.
Dan begon hij weer te spreken, als richtte hij zich moedig tot hem, dien hij niet meer aankeek, en ook tot de anderen, de kameraden, die niet aanwezig waren.
“Stom om zoo te rennen … Ik weet niet, waarom ik zoo hard geloopen heb … Laat er een eind aan komen … Ik ben bereid.”
V.
Toen Guillaume en Pierre den volgenden ochtend de couranten lazen, zagen zij tot hun groote verbazing, dat de arrestatie van Salvat niet die groote sensatie maakte, welke zij ervan verwacht hadden. Zij vonden slechts een klein, onder de andere verloren gaand berichtje, dat de politie na een drijfjacht in het Bois de Boulogne de hand gelegd had op een anarchist, die, naar men geloofde, bij de laatste aanslagen betrokken was. Maar alle couranten stonden vol over het vreeselijk schandaal, dat de nieuwe onthullingen in de Voix du Peuple verwekten: het was een niet eindigende vloed van artikelen over de affaire der Afrikaansche sporen, allerlei berichten en beschouwingen over de belangrijke zitting, welke men dien dag in de Kamer verwachtte, wanneer de socialistische afgevaardigde Mège zijn interpellatie, zooals hij formeel aangekondigd had, zou hervatten.
Guillaume had den vorigen avond besloten naar huis, naar Montmartre terug te keeren; zijn wond was zoo goed als genezen en geen gevaar scheen hem noch voor de uitwerking van zijn plannen noch voor zijn verdere onderzoekingen te bedreigen. De politie had blijkbaar niet het minste vermoeden, dat hij mogelijk ook verantwoordelijk voor den aanslag was. Salvat zou zeker niets verraden. Maar Pierre smeekte hem nog een paar dagen, tot de eerste verhooren van Salvat afgeloopen waren, te wachten; dan eerst zouden zij een helderen blik in alles hebben. Den vorigen dag had hij gedurende het lange wachten in het ministerie, allerlei vage dingen opgevangen: een heimelijken en nog onduidelijken samenhang tusschen den aanslag en de parlementaire crisis. En dit alles wekte in hem het verlangen op, dat deze crisis eerst heelemaal opgelost zou zijn, voordat Guillaume zijn gewoon leven weer begon.
“Luister eens,” zeide hij, “ik zal even aanloopen bij Morin, om hem te vragen bij mij te komen dineeren, want Barthès moet vanavond beslist op de hoogte gebracht worden van den nieuwen slag, die hem treft … Dan ga ik naar de Kamer, want ik wil weten wat er gebeurt. Eerst daarna laat ik je gaan.”
Om half een kwam Pierre in het Paleis-Bourbon. Terwijl hij dacht, dat Fonsègue hem zeker toegang zou kunnen verschaffen, ontmoette hij in de vestibule generaal de Bozonnet, die toevallig twee kaarten had, daar een vriend van hem op het laatste oogenblik verhinderd was mede te gaan. De nieuwsgierigheid was reusachtig groot, heel Parijs verwachtte een stormachtige zitting, en sinds den vorigen dag werd er letterlijk om de kaarten gevochten. Pierre zou dan ook nooit toegang gekregen hebben, als de generaal niet zoo vriendelijk geweest was hem mede te nemen. Deze was op zijn beurt blijde, dat hij iemand had met wien hij kon praten, want hij kwam, zooals hij zeide, alleen maar om zijn middag te dooden. Maar ook kwam hij, de ontevreden voormalige legitimist, die later Bonapartist geworden was, om zich te vermeien in de schandelijke rotheid van het parlementarisme.
Boven konden de generaal en Pierre nog juist een plaatsje vinden op de eerste banken der tribune. Zij troffen daar den kleinen Massot aan, die zich nog wat kleiner en magerder maakte en hen rechts en links van zich een plaatsje gaf. Hij kende iedereen.
“U komt zeker uit nieuwsgierigheid de zitting bijwonen, generaal? En u, mijnheer de abbé, om u te oefenen in verdraagzaamheid en het vergeven van beleedigingen … Ik ben nieuwsgierig door mijn beroep, want ik heb altijd stof voor een artikel noodig; en daar er op de perstribune alleen nog maar slechte plaatsen waren, ben ik me hier op mijn gemak gaan installeeren … Het zal ongetwijfeld een prachtige zitting worden. Kijk dat gedrang rechts en links en overal eens!”
Inderdaad waren de smalle, slecht geplaatste tribunes tot aan den rand met hoofden gevuld. Een groote menigte mannen en vrouwen van iederen leeftijd verdrong zich daar in een zoo verwarde massa, dat men niets anders dan de bleeke rondheid der gezichten onderscheiden kon. Maar het tooneel van den strijd was beneden in de nog ledige zittingzaal, welke met haar half cirkelvormige rijen banken denken deed aan een schouwburgzaal, die bij een première langzaam volloopt. De glanzende en ernstige tribune wachtte in het koude daglicht, dat door de glazen zoldering binnenviel, terwijl daarachter en hooger het den geheelen achtermuur innemende bureau met zijn tafels, zijn stoelen en zijn presidentsfauteuil eveneens verlaten was; alleen waren twee bureauknechten bezig nieuwe pennen in de penhouders te steken en de inktkokers na te kijken.
“De vrouwen,” begon lachend Massot weer, “komen hier als naar een menagerie in de heimelijke hoop, dat de wilde dieren elkaar zullen opeten … Hebt u het artikel in de Voix du Peuple van vanochtend gelezen? Die Sanier is een wonder van een kerel! Als er geen vuiligheid meer is, vindt hij altijd nog wat, vermeerdert de modder en bevuilt het riool nog meer. Als de ondergrond der zaak waar is, dan moet hij er met zijn monsterachtig woekerende commentaren altijd nog wat bij liegen. Iederen dag moet hij zichzelf overtreffen, nieuw vergif aan zijn lezers voorzetten, om de oplaag maar steeds grooter te doen worden … Natuurlijk wordt het publiek daardoor gepakt, en alleen door hem zijn al die menschen hier, om als zenuwlijders op het een of andere vuile schouwspel te wachten.”
Dan werd hij weer vroolijk en vroeg aan Pierre of hij in den Globe het niet onderteekende, zeer waardige, maar tevens zeer perfide artikel gelezen had, waarin Barroux gesommeerd werd met alle openhartigheid de verklaringen, die het land over de affaire der Afrikaansche sporen verwachtte, af te leggen. Tot nog toe had het blad den minister-president steeds krachtig gesteund; doch nu voelde men in het artikel een begin van wantrouwen, de plotselinge koude, die aan een breuk vooraf pleegt te gaan. Pierre zeide, dat het artikel hem zeer verbaasd had, want hij dacht, dat het lot van Fonsègue door een volkomen overeenstemming in inzichten en tengevolge van zeer oude vriendschapsbanden aan dat van Barroux verbonden was.
“Zeker, zeker, het hart van den patroon zal er wel bij gebloed hebben,” zeide Massot nog steeds lachend. “Het artikel heeft veel opzien verwekt en zal het ministerie veel kwaad doen. Maar wat zal ik u zeggen? De patroon weet beter dan wie ook welke gedragslijn hij moet volgen, om de positie van zijn blad en van zichzelf te redden.”
Dan ontwierp hij een beeld van de opwinding en de groote verwarring, die er in de wandelgangen, waar hij even was gaan kijken, alvorens hierboven een goed plaatsje te zoeken, onder de afgevaardigden heerschte. De Kamer, die in twee dagen niet bijeen geweest was, kwam nu samen bij dit groote schandaal, dat hij vergeleek bij een brand, welken men zoo goed als gebluscht waant en die plotseling weer aanwakkert en alles verteert. De cijfers van Sanier’s lijsten deden de ronde: Barroux tweehonderd duizend francs, Monferrand tachtig duizend, Fonsègue vijftig duizend, Dutheil tien duizend, Chaigneux drie duizend, die zooveel, gene zooveel—een eindelooze onthulling met de wonderlijkste verhalen, kletspraatjes en laster, een ongelooflijke dooreenmenging van waarheid en leugen, waarin men onmogelijk den juisten weg vinden kon.
Terwijl de wind van angst en schrik woei, zag men tusschen de vaalbleeke gezichten met de bevende lippen andere met een vuurroode kleur, stralend van woeste vreugde en lachend om de aanstaande overwinning, want tenslotte stak achter die groote, gehuichelde verontwaardiging, achter dat schreeuwen om eerlijkheid en parlementaire moraliteit niets anders dan een personenquaestie: men wilde weten of het ministerie vallen en wie het nieuwe kabinet formeeren zou. Barroux scheen zeer zwak te staan, maar wie kon voorspellen, welke rol het onverwachte in zulk een rommel spelen zou? Men zeide, dat Mège een uiterst heftige redevoering zou houden. Barroux zou antwoorden en zijn vrienden vertelden, dat hij een helder en volkomen licht over de zaak wilde doen opgaan. Ongetwijfeld zou daarna Monferrand het woord voeren. Wat Vignon betreft, deze hield zich ondanks zijn onderdrukten jubelkreet op den achtergrond; men had hem naar verschillende van zijn partijgenooten zien gaan om hun aan te raden kalm te blijven en hun zelfbeheersching niet te verliezen, wat in den strijd over de overwinning beslist. Nog nooit had een met zooveel dranken en zooveel afschuwelijke ingrediënten overstroomenden heksenketel op zulk een hellevuur gekookt.