← Table of contents
De drie steden

VIERDE BOEK. (continued 3)

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

“Maar waarom verzet je je zoo, lieve kind? Ik doe je geen enkel verwijt. Ik zelf heb het gewild … ik, oude gek! Wat gebeuren moest, is gebeurd, en ongetwijfeld is het zoo goed … Ik wilde slechts de waarheid van je weten, om een besluit te nemen en als eerlijk man te kunnen handelen.”

Nu was zij overwonnen; tranen sprongen in haar oogen. Zulk een scheur was in haar geheele wezen ontstaan, dat zij zich gebroken en verpletterd gevoelde als onder het gewicht van een nieuwe, tot nog toe niet gekende waarheid.

“Het is slecht van je me te dwingen zoo in mijzelf te lezen. Ik zweer je nogmaals, dat ik niet wist, dat ik voor Pierre die liefde voelde, waarvan je spreekt. Jij hebt mijn hart geopend en de vlam, die erin sluimerde, aangewakkerd!… Het is zoo, ik heb Pierre lief, ik heb Pierre lief op de manier zooals jij zegt. Jij hebt het gewild—wat zullen we allen ongelukkig worden!”

Zij snikte en trok in een plotseling gevoel van schaamte haar polsen terug. Maar hij zag, dat geen blos—die blos, waarover zij zich zoo ergerde—haar wangen kleurde; dat kwam, omdat haar maagdelijke eer hier niet bij betrokken was, want zij had zich inderdaad geen enkel verraad te verwijten; hij alleen had haar gedwongen tot de liefde te ontwaken. Een oogenblik keken zij elkaar door hun tranen heen aan: zij, zoo gezond, zoo krachtig met haar breeden, door het luide kloppen van haar hart opzwellenden boezem, met haar tot den schouder bloote, mooie en stevige armen; hij, nog zoo levenskrachtig met zijn dicht, dik, grijs haar, zijn zwart gebleven snor, die aan zijn trekken een zoo energieke, krachtige uitdrukking gaven. Ja, het was uit, het onvermijdelijke was geschied, had hun leven veranderd.

“Je hebt mij niet lief, Marie; ik geef je je woord terug,” zeide hij eindelijk edelmoedig.

Maar zij weigerde met dezelfde edelmoedigheid:

“Nooit zal ik het terugnemen, want ik heb het je in volle bewustheid gegeven en ik heb niet opgehouden dezelfde liefde, dezelfde bewondering voor je te gevoelen.”

Maar met zijn gebroken stem, die van lieverlede weer sterker werd, ging hij door:

“Je hebt Pierre lief, je moet met Pierre trouwen.”

“Neen, ik behoor jou toe: een uur kan niet losmaken wat jaren vastgeknoopt hebben … Nogmaals ik zweer je, dat ik, wanneer ik Pierre liefheb, het vanochtend nog niet wist. Laat alles blijven zooals het is, martel me niet langer, dat zou te wreed zijn.”

Met het gebaar van een vrouw, die zich tot haar schrik plotseling naakt ziet, sloeg zij haar mouwen neer en trok die over haar armen, als om zich geheel te verbergen. Dan stond zij op en ging, zonder een woord te zeggen, weg.

Guillaume bleef alleen op de bank in het groene hoekje tegenover het onmetelijke Parijs, dat de zachte ochtendzon in een bevende droomstad veranderde. Een zwaar gewicht drukte hem neer; hij had een gevoel alsof hij nooit meer van deze bank op zou kunnen staan. De verzekering van Marie, dat zij ’s ochtends nog niet wist, dat zij Pierre werkelijk lief had, bleef als een open wond in hem achter. Zij wist het niet en hij had haar gedwongen die liefde in zich te ontdekken. Hij had haar die zelf in haar hart geplant en die, door haar te onthullen, nog sterker gemaakt. Welk een ellende, welk een lijden, om zoo de oorzaak van zijn eigen martelingen te zijn! Nu had hij zekerheid: zijn gevoelsleven was uit; zijn arm, naar liefde snakkend hart bloedde en was vermorzeld. Maar ondanks die ramp, ondanks de wanhoop, waarmede hij zijn ouderdom en de noodzakelijkheid van verzaking voelde, smaakte hij een bittere vreugde bij de gedachte de waarheid aan het licht gebracht te hebben. Het was een harde, slechts voor een heldenziel mogelijke troost; maar toch vond hij er een opbeuring, een soort trotsche voldoening in. Van nu af aan was hij slechts vervuld met de gedachte aan het offer, die zich langzamerhand met een buitengewone kracht aan hem opdrong. Hij moest zijn kinderen laten trouwen—dat was zijn plicht, de eenige wijsheid, het eenige rechtvaardige, ja zelfs het eenige geluk van het huis. En toen zijn hart weer in opstand klopte en van angst schreeuwde, drukte hij zijn krachtige handen op zijn borst en smoorde den kreet.

Den volgenden dag had Guillaume—niet in het kleine tuintje, maar in het groote atelier—het beslissende onderhoud met Pierre. Ook hier breidde de reusachtige horizont van Parijs zich uit—een geheele menschheid aan den arbeid, de groote kuip, waarin de wijn der toekomst gistte. Hij had het zoo ingericht, dat hij met zijn broer alleen was, en dadelijk bij diens binnenkomen ging hij zonder een van de voorzorgsmaatregelen, die hij tegenover Marie in acht genomen had, recht op zijn doel af.

“Heb je me niets te zeggen, Pierre? Waarom vertrouw je niet alles aan mij toe?”

Onmiddellijk begreep deze laatste alles; hij begon te beven, vond geen woorden, maar verried alles door de wanhopig smeekende uitdrukking van zijn gelaat.

“Je hebt Marie lief, waarom heb je mij die liefde niet bekend?”

Dan kreeg Pierre zijn zelfbeheersching terug.

“Ik heb Marie lief, het is zoo, en ik voelde heel goed, dat ik het niet voor je kon verbergen, dat je het zelf merkte … Maar ik behoefde je het niet te zeggen, ik was zeker van mijzelf, ik zou desnoods gevlucht zijn, zonder dat er een woord over mijn lippen gekomen was … Ik leed alleen … o je weet niet wat voor martelingen ik ondergaan heb … Het is zelfs wreed van je met mij daarover te spreken, want nu ben ik genoodzaakt weg te gaan … Reeds meermalen had ik daartoe besloten. Ik kwam hier alleen nog maar uit zwakheid, dat is buiten twijfel—maar ook toch uit liefde voor jullie allen. Wat hinderde mijn aanwezigheid? Marie liep geen gevaar. Zij heeft mij niet lief.”

“Marie heeft je lief,” antwoordde Guillaume beslist. “Ik heb haar gisteren de biecht afgenomen, en zij heeft moeten bekennen, dat zij je lief had.”

Pierre greep hem bij zijn schouders en keek hem recht in zijn oogen.

“Wat zeg je daar, Guillaume? Waarom zeg je iets, dat voor ons allen een vreeselijk ongeluk zijn zou?… Ik zou meer verdriet dan vreugde voelen over deze liefde, die voor mij altijd een niet te verwezenlijken droom geweest is, want ik wil niet, dat jij lijdt … Marie is de jouwe. Zij is mij heilig als een zuster. Wanneer alleen mijn waanzin jullie scheidt—die zal gauw voorbij zijn, ik zal dien weten te overwinnen!”

“Marie heeft je lief,” herhaalde Guillaume zacht en koppig. “Ik verwijt je niets; ik weet heel goed, dat je gestreden, dat je je nooit noch door een woord noch door een blik verraden hebt … Zelfs gisteren wist zij nog niet, dat zij je lief had; ik heb haar oogen moeten openen. Ik constateer slechts een feit: zij heeft je lief.”

Nu maakte Pierre een verschrikt, maar tevens verheven gebaar, alsof een goddelijk, lang verwacht wonder, welks komst hem verpletterde, uit den hemel viel.

“Het is goed, dan is alles uit. Geef me een kus, Guillaume; ik ga weg.”

“Je gaat weg? En waarom?… Je blijft bij ons. Het is zoo eenvoudig mogelijk: jij hebt Marie lief en zij jou. Ik geef je haar.”

Pierre stootte een luiden gil uit en hief met een gebaar van angstige verrukking zijn handen op.

“Jij geeft mij Marie? Jij, die al maanden lang op haar wacht en haar aanbidt? Neen, neen, dat zou mij verpletteren, zou mij angst aanjagen, alsof je mij je hart zelf gaf, je bloedend, uit je borst gerukt hart … Neen, neen, ik neem je offer niet aan.”

“Maar wil je dan, dat, waar Marie voor mij niets dan dankbaarheid en toegenegenheid voelt en slechts jou lief heeft, ik misbruik maak van het woord, dat zij mij onbewust gegeven heeft, en dat ik haar dwingen zou tot een huwelijk, waarin ik haar niet geheel bezitten zou?… Maar ik vergis mij, niet ik geef je haar; zij heeft zich zelf gegeven, en ik ken mij het recht niet toe, die gave te verhinderen.”

“Neen, neen, ik zal die gave nooit aannemen, nooit zal ik je dat verdriet aandoen … Geef mij een kus, ik ga weg.”

Nu hield Guillaume hem vast, dwong hem naast hem te komen zitten op een ouden canapé, die in een hoek stond, en begon hem, eindelijk boos wordend, met een pijnlijk lachje een standje te geven.

“Zeg eens eventjes, we zullen toch niet gaan vechten; je zult nu toch niet willen, dat ik je hier vast bind, zoodat je niet weg kan … Ik weet voor den duivel toch wel wat ik doe! Ik heb ernstig nagedacht, alvorens ik met jou sprak. Het zou natuurlijk te dwaas zijn, als ik zei, dat ik erg vroolijk ben. O, eerst heb ik gedacht, dat ik maar sterven zou en heb ik je ergens op de Mookerheide gewenscht. Maar ten slotte moest ik toch verstandig worden, niet waar? Ik heb ingezien, dat alles zoo op de beste en natuurlijkste wijze geregeld was.”

Pierre, wiens weerstand uitgeput was, begon zacht tusschen zijn gevouwen handen te weenen.

“Kom, jongen, maak het je zelf en mij niet moeilijk … Herinner je je de gelukkige dagen nog, die we onlangs samen in het kleine huisje te Neuilly doorgebracht hebben? Al onze vroegere liefde bloeide weer in ons op en wij zaten uren en uren hand in hand ons in oude herinneringen vol liefde te verdiepen … En welk een vreeselijke bekentenis heb je toen op een avond gedaan, de bekentenis van je ongeloof, van je martelingen, van het Niet, waarin je wegzonk? En van dat oogenblik af is mijn eenige wensch geweest je te genezen; ik heb je aangeraden te werken, lief te hebben, te gelooven in het leven, overtuigd als ik was, dat het leven alleen je vrede en gezondheid terug kon geven. Daarom heb ik je hierheen mede genomen. Je streedt, wilde niet terugkomen en ik heb je hier gehouden. En toen je levenslust weer terugkwam en je weer eenvoudig een mensch werdt, die werkte, was ik zoo gelukkig. Ik zou mijn bloed gegeven hebben, om de genezing volkomen te maken … En zie, nu is het zoover. Ik heb je alles gegeven wat ik had, omdat Marie zelf alleen je geheel redden kan.”

En toen Pierre weer trachtte te protesteeren:

“Neen, zeg niet neen. Dat is zoo waar, dat, als zij het door mij begonnen werk niet voltooit, alles wat ik gedaan heb, vergeefsch is: je zult weer in je ellende, in je negatie van alles terugvallen. Je hebt haar noodig. Wil je dan, dat ik je niet meer lief hebben kan, dat ik, na je terugkeer tot het leven zoo vurig gewenscht te hebben, je den adem, de ziel zelf, haar, die van jou weer een man maken zal, zou weigeren? Ik houd genoeg van jullie beiden om jullie liefde te kunnen verdragen. Zijn liefde te geven is ook liefde, beste jongen!… En bovendien, ik zeg het je nogmaals, de natuur weet heel goed wat zij doet … Het instinct is iets zekers, want het zoekt altijd het nuttige en het ware. Ik zou maar een treurige echtgenoot zijn, het is veel beter, dat ik als oude geleerde bij mijn werk blijf. Met jou echter, die jong bent, is het de toekomst, het kind, het vruchtbare en gelukkige leven!”

Een rilling doorhuiverde Pierre; de angst voor impotentie, dien hij steeds gehad had, maakte zich weer van hem meester. Had zijn priester-zijn hem niet afgesneden uit de gemeenschap der levenden? Was zijn manlijke kracht gedurende zijn lange kuischheid niet verwelkt?

“Een gelukkig, vruchtbaar leven?” herhaalde hij zacht. “Ben ik dat waard? Ben ik daartoe nog in staat!… O, als je wist welk een onrust, welk een smart ik voel bij de gedachte, dat ik dit aanbiddelijke schepsel, dit koninklijke geschenk, dat zij mij zoo liefdevol geeft, misschien niet verdien! Jij bent beter dan ik, jij zoudt voor haar een grooter hart, een krachtiger brein—en misschien ook een jongere en flinkere echtgenoot geweest zijn … Het is nog tijd, Guillaume, geef haar mij niet, behoud haar voor jezelf, indien zij met jou gelukkiger en vruchtbaarder zijn kan, indien jij haar een hoogere liefde schenken kunt … Bedenk, dat ik door twijfel verzwakt ben. Alleen haar geluk moet hier den doorslag geven. Laat zij aan hem behooren, die haar het best liefhebben kan.”

Een onzegbare ontroering had zich van de beide mannen meester gemaakt. Toen Guillaume die gebroken woorden hoorde, die liefde, welke bang was niet sterk genoeg te zijn, begon zijn wilskracht even te wankelen. Een vreeselijke smart verscheurde zijn hart; een stamelende wanhoopsklacht ontsnapte aan zijn lippen:

“O, Marie, die ik zoo liefheb! Marie, die ik zoo gelukkig gemaakt zou hebben!”

Wanhopig sprong Pierre op en riep:

“Zie je wel, dat je haar altijd nog aanbidt en dat je geen afstand van haar kan doen … Laat mij gaan! Laat mij gaan!”

Maar reeds had Guillaume zijn armen om hem heen geslagen en drukte hem met al zijn broederliefde, die door zijn verzaking nog sterker werd, tegen zich aan.

“Blijf!… Niet ik heb daar gesproken, maar de andere, die sterven zal, die gestorven is. Ik zweer je bij onzen vader en bij onze moeder, dat mijn offer reeds geheel volbracht is. Ik kan nog slechts lijden, wanneer jij en zij blijft weigeren mij jullie geluk te danken te hebben.”

Weenend bleven de beide mannen in elkanders armen rusten. Reeds vroeger hadden zij elkander zoo omvat gehouden, maar nog nooit waren hun harten zoo samengesmolten. De oudere gaf zijn leven aan den jongere en de jongere gaf hem daaruit alles terug wat hij er rein en liefdevol in vinden kon. Het oogenblik kwam hun eindeloos en kostelijk voor. Alle ellende, alle smart waren verdwenen; niets was meer over dan hun gloeiende liefde, die voor hen de eeuwige liefde schiep, zooals de zon het licht schept. En die minuut was een compensatie voor al hun gestorte en nog te storten tranen, terwijl aan den verren horizont het onmetelijke Parijs als een reusachtige, bruisende ketel aan de onbekende toekomst werkte.

Op dat oogenblik kwam Marie binnen. Alles ging geheel eenvoudig. Guillaume maakte zich uit de armen van zijn broeder los, nam hem mede en dwong hen elkander de hand te geven. Eerst maakte zij nog een weigerend gebaar, wilde zij in haar eerlijkheid haar woord niet terug nemen. Maar wat moest zij tegen die beide weenende mannen zeggen, die zij arm in arm, zoo één in hun broederlijke liefde, vond? Vaagden deze tranen, deze omarming niet alle gewone redenen, niet alle argumenten, die zij gereed had, weg? Zelfs het pijnlijke van den toestand verdween; zij kreeg een gevoel alsof zij reeds lang tot een beslissende verklaring met Pierre gekomen was, alsof zij het eens geworden waren om dit geschenk der liefde, dat Guillaume hun met een zoo heldhaftig hart gaf, aan te nemen. De adem van het verhevene streek over hen heen, niets scheen hun natuurlijker dan dit buitengewoon tooneel. Toch bleef zij zwijgen, durfde zij niet te antwoorden, maar zij keek hen beiden aan met haar groote, liefdevolle oogen, die zich op hun beurt ook met tranen vulden.

Toen kreeg Guillaume een ingeving. Hij liep naar de kleine trap, die naar de slaapkamers leidde, en riep:

“Grootmoeder, grootmoeder, kom eens gauw beneden; wij hebben u noodig!”

En toen zij, slank en bleek, in haar zwarte japon met het trotsche uiterlijk van een wijze, door allen gehoorzaamde koningin-moeder, beneden was:

“Zeg toch eens aan die twee kinderen, dat zij niets beters kunnen doen dan met elkaar trouwen. Zeg hun, dat wij er samen over gesproken hebben, en dat het uw meening, uw wil is.”

Langzaam en zacht knikte zij.

“Het is zoo, op die manier is het veel verstandiger.”

Toen wierp Marie zich in haar armen. Zij stond toe, zij gaf zich gewonnen aan die hoogere krachten, aan de machten van het leven, die haar leven veranderd hadden. Guillaume wilde, dat de huwelijksdag dadelijk vastgesteld zou worden en dat men boven zoo gauw mogelijk een woning voor het jonge paar maken zou. En toen Pierre hem nogmaals ongerust aankeek en ervan sprak te gaan reizen, daar hij bang was, dat hun aanwezigheid hem zou doen lijden, voegde hij eraan toe:

“Neen, neen, ik houd jullie hier. Ik laat jullie alleen maar trouwen, om je beiden bij mij te hebben … Maak je geen zorgen over mij. Ik heb zooveel werk, ik zal werken.”

Toen Thomas en François ’s avonds het nieuws hoorden, schenen zij niet al te zeer verrast te worden. Zij hadden die ontknooping ongetwijfeld voelen komen, en legden zich, nu hun vader zelf hun op zijn gewone kalme manier zijn beslissing mededeelde, zich erbij neder, zonder zich een opmerking te veroorloven. Maar Antoine, in wien de liefde voor de vrouw beefde, keek den vader, die den moed gehad had zich op die wijze het hart uit te rukken, met blikken vol twijfel en angst aan. Zou hij werkelijk niet onder dat offer sterven? Hij omarmde zijn vader hartstochtelijk en ook zijn beide broeders kusten hem in hun ontroering uit het volst van hun hart. Bij deze liefkoozing van zijn drie groote zoons kwam een glimlachje om zijn lippen spelen, werden zijn oogen vochtig; na de overwinning, die hij op zijn vreeselijke marteling behaald had, kon hij geen hartelijker belooning bedenken.

Maar dien avond wachtte hem nog een andere emotie. Bij het invallen van de duisternis, toen hij zichzelf weer geheel meester geworden was, zag hij, terwijl hij bezig was aan de groote tafel de dossiers en de plannen van zijn uitvinding te rangschikken, tot zijn verbazing Bertheroy, zijn leermeester en vriend, binnenkomen. De beroemde scheikundige kwam wel een enkele maal zoo eens oploopen, en Guillaume begreep de eer, die de met roem en eeretitels en decoraties overladen zeventigjarige hem door zulke bezoeken bewees, volkomen, te meer daar het voor dezen officieelen geleerde, dit lid van het Institut, moed vereischte zich te wagen bij een gedeclasseerde en paria als Guillaume. Ditmaal echter begreep deze dadelijk, dat hij uit nieuwsgierigheid kwam; hij was verlegen en durfde de papieren en plannen, die op de tafel uitgespreid lagen, niet weg te nemen.

“Wees maar niet bang,” riep Bertheroy, die ondanks zijn eenigszins ruw en onverschillig optreden zeer fijngevoelig was, “ik kom je je geheim niet ontstelen.… Laat maar gerust liggen, ik beloof je dat ik niets zal lezen.”

En vrijmoedig bracht hij het gesprek op de springstoffen, die hij ook nog steeds met een waren hartstocht bestudeerde. Hij had nieuwe ontdekkingen gedaan, die hij in het geheel niet verborgen hield. Terloops sprak hij zelfs over het rapport, dat men bij het proces Salvat van hem gevraagd had. Zijn droom was een springstof van buitengewone kracht te vinden, om dan te trachten die te beperken tot de eenvoudige rol van een gehoorzamende kracht.

“Ik weet waarachtig niet waar die dwaas de formule van zijn kruit vandaan gehaald heeft,” eindigde hij glimlachend en niet zonder bedoeling. “Wanneer jij die nog eens vindt, dan kan je tegen jezelf zeggen, dat de toekomst misschien ligt in het gebruik van springstoffen als beweegkrachten.”

En dan plotseling:

“Tusschen twee haakjes, die Salvat wordt overmorgenochtend terechtgesteld. Ik heb het daareven van een vriend van me, die op het ministerie van Justitie is, gehoord.”

Tot dat oogenblik had Guillaume met een soort wantrouwen, waarom hij zelf lachen moest, geluisterd; maar nu deed die mededeeling van Salvat’s terechtstelling hem in woede en toorn ontsteken. Toch wist hij sedert eenige dagen, dat zij ondanks de wel wat erg laat komende bewijzen van sympathie, welke den veroordeelde van alle kanten toestroomden, onvermijdelijk was.

“Dat zal een moord zijn,” riep hij heftig uit.

“Wat zal ik je zeggen? Er bestaat nu eenmaal een maatschappij en die verdedigt zich, als men haar aanvalt … En bovendien die anarchisten zijn werkelijk idioot, als zij denken, dat zij de wereld met hun bommen zullen veranderen. Je kent mijn meening; de wetenschap alleen is revolutionnair, de wetenschap zal voldoende zijn om niet alleen de waarheid te scheppen, maar ook de gerechtigheid, als gerechtigheid hier beneden tenminste bestaanbaar is. Daarom jongen, kan ik zoo verdraagzaam en rustig leven.”

Weer zag Guillaume dezen zonderlingen revolutionnair voor zich opdoemen: overtuigd, dat hij in zijn laboratorium aan den ondergang der oude en afschuwelijke hedendaagsche maatschappij met haar God, haar dogma’s en haar wetten werkte, maar te zeer verlangend naar rust, te minachtend neerziend op de feiten, om zich met de dagelijksche dingen bezig te houden. Hij gaf er de voorkeur aan rustig, makkelijk en in vrede met de regeering, welke die ook wezen mocht, te leven, hoewel hij de vreeselijke geboorte van morgen voorzag en voorbereidde.

En met een gebaar op Parijs, waarover de overwinnende zon onderging, zeide hij:

“Hoor je het grommen en brommen en bruisen?… Wij onderhouden de vlam, wij brengen steeds brandstof onder den ketel. Geen oogenblik laat de wetenschap haar werk rusten; zij schept Parijs, dat, naar wij hopen, de toekomst scheppen zal.… De rest is bijzaak.”

Guillaume luisterde niet; hij dacht aan Salvat, dacht aan die vreeselijke machine, welke hij uitgevonden had en die morgen steden verwoesten zou. Een nieuwe gedachte ontstond en bloeide in hem op. Hij had zooeven den laatsten band losgemaakt, had om zich heen al het geluk geschapen, dat hij scheppen kon. O, kon hij zijn moed maar terugvinden, meester over zichzelf zijn en tenminste van het offer van zijn hart de trotsche vreugde hebben vrij te zijn, zijn leven te geven, wanneer hij het noodig oordeelde het te geven!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings