VIERDE BOEK.
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
Het was een zachte ochtend in het laatst van Maart, toen Pierre met zijn broer Guillaume het kleine huisje te Neuilly verliet, om met hem naar Montmartre te gaan. Zijn hart kromp ineen bij de gedachte, dat hij alleen terugkeeren en weer in zijn wanhoop en in zijn Niet terugzinken zou. Hij had niet geslapen, een radelooze bitterheid vervulde hem; maar hij verborg zijn smart en dwong zich tot een glimlach.
Toen de twee broers zagen, dat het zulk mooi en lekker weer was, besloten zij te voet te gaan; een lange wandeling over de buitenboulevards. Het sloeg negen uur. Pierre vond het heerlijk zijn ouderen broeder, die één en al opgewektheid was bij de gedachte aan de verrassing, die hij den zijnen als bij den terugkeer van een reis bereidde, naar huis te vergezellen. Guillaume had de zijnen niet gewaarschuwd, doch hun slechts van tijd tot tijd geschreven hoe het met hem ging. Uit voorzichtigheid en zijn verlangen eerbiedigend, waren zijn zoons hem niet komen opzoeken; en ook het jonge meisje, waarmede hij trouwen zou, had verstandig, kalm en bescheiden gewacht.
Toen zij de zonnige hellingen van Montmartre beklommen hadden, ging Guillaume, die een sleutel had, eenvoudig en zacht naar binnen. Het kleine huisje op de place du Tertre scheen in een diepen vrede te sluimeren en Pierre vond het juist zoo terug als hij het bij zijn eerste en eenig bezoek gezien had: stil, glimlachend en badend in een eindelooze teederheid. Eerst had men de smalle gang, die door den rez-de-chaussée liep, om een uitzicht te geven op den onmetelijken horizont van Parijs. Dan kwam de tuin, die tot twee pruimeboomen en een boschje seringen, waaraan nu jonge blaadjes vroolijk lachten, ingekrompen was, en ditmaal zag Pierre drie fietsen tegen de pruimeboomen staan. Ten slotte het groote, vroolijke werkvertrek, waarin het heele gezin leefde en welks ramen de dakenzee beheerschte.
Guillaume was, zonder iemand gezien te hebben, bij het atelier gekomen. Vroolijk bracht hij zijn vinger aan zijn lippen.
“Nou zal je eens wat zien, beste Pierre.”
De deur ging geruischloos open en zij bleven even op den drempel staan. Alleen de drie zoons waren er. Thomas was met een perforeermachine bezig en maakte tallooze gaten in een kleine koperen plaat. In den anderen hoek, voor de glazen deur, zaten François en Antoine aan hun groote tafel, de een in een boek verdiept, terwijl de andere met zijn graveerstift aan een houtsnede bezig was. Vroolijk vielen de zonnestralen binnen en speelden tusschen het pêle-mêle van het vertrek, waarin zooveel verschillend werk en zooveel verschillende werktuigen opgehoopt waren, te midden waarvan de werktafel van de beide vrouwen met een heerlijken ruiker nagelbloemen versierd was. In de diepe aandacht der drie jonge mannen, in de religieuze stilte hoorde men niets dan het zachte krassen der machine bij ieder gat, dat de oudste boorde.
Maar hoewel Guillaume zich op den drempel niet bewoog, ging er toch een rilling, een plotselinge waarschuwing door het vertrek. De drie zoons keken als door een ingeving tegelijk op en met denzelfden kreet en met dezelfde geestdrift vlogen zij hem om zijn hals.
“Vader!”
Gelukkig drukte hij ze aan zijn borst en gaf hun een kus. Dat was alles: geen verdere sentimentaliteiten, geen nuttelooze woorden. Het was alsof hij den vorigen avond uitgegaan was en nu, na wat langer dan gewoonlijk opgehouden te zijn, weer thuiskwam. Glimlachend keek hij hen aan, terwijl zij hem eveneens aankeken en ook glimlachten. Maar dat drukte al hun liefde, de volkomen overgave voor eeuwig uit.
“Kom toch binnen, Pierre, en geef dien kerels een hand!”
De priester was verlegen en zich niet op zijn gemak gevoelend, bij de deur blijven staan. Zijn drie neven schudden hem hartelijk de hand, dan echter ging hij, daar hij niet goed wist wat hij doen moest, voor het raam zitten.
“Nu jongens, waar is Grootmoeder en waar is Marie?”
Grootmoeder was juist naar haar kamer gegaan en het jonge meisje had het plotseling in haar hoofd gekregen zelf op de markt inkoopen te doen. Dat was een van haar grootste genoegens; zij beweerde, dat zij alleen versche eieren en boter, die naar hazelnoten rook, koopen kon. Bovendien bracht zij dikwijls wat lekkers of bloemen mede, blij, dat zij kon laten zien wat een goede huisvrouw zij was.
“Zoo, en gaat alles goed, jongens?” vroeg Guillaume verder. “Zijn jullie tevreden? Schiet het werk op?”
Hij deed aan ieder afzonderlijk een korte vraag, als iemand, die dadelijk weer in zijn dagelijksche gewoonten thuis is. Thomas, wiens goedig gezicht straalde, vatte in enkele zinnen zijn nieuwe proeven omtrent den nieuwen motor samen, waarvan hij zeker was hem thans gevonden te hebben. François, nog steeds druk bezig met de studies voor zijn examen, vertelde schertsend van den grooten hoop stof, dien hij nog in zijn hersens moest opstapelen. Antoine liet hem de houtsnede zien, die hij bijna klaar had: zijn vriendinnetje Lise, de zuster van den beeldhouwer Jahan, die in een tuin in de zon zat te lezen. Al pratend waren de drie jongens weer naar hun plaatsen gegaan en hervatten heel natuurlijk, tengevolge van de sterke tucht, die van den arbeid hun leven zelf gemaakt had, hun werk.
“Nou jongens, ik heb ook den tijd, dat ik op bed liggen moest, niet nutteloos voorbij laten gaan. Ik heb zelfs een heeleboel aanteekeningen gemaakt.”
“Wij zijn te voet gekomen, maar een rijtuig zal dat alles met de kleeren en het linnengoed, die Grootmoeder mij gestuurd heeft, brengen … Wat ben ik blij alles hier weer terug te vinden! Wat zullen we weer werken!”
Reeds zat hij weer in zijn eigen hoekje. Tusschen de smidse en het raam was een groote ruimte voor hem gereserveerd; daar waren zijn vitrines en planken, die vol stonden met allerlei toestellen, zijn oventje en zijn lange tafel, waarvan hij het einde gebruikte als bureau. Reeds nam hij weer bezit van die wereld, zijn blikken gingen, gelukkig alles weer in orde terug te vinden, van het een naar het ander, zijn handen zochten, raakten de voorwerpen aan, als had hij, evenals zijn drie zoons, haast weer aan het werk te gaan.
Maar op dat oogenblik riep Grootmoeder, die boven aan de trap ernstig, kalm en rechtop in haar eeuwige zwarte japon stond:
“Ben jij daar, Guillaume? Wil je even boven komen?”
Hij ging naar boven, want hij begreep, dat zij hem op de hoogte brengen, hem geruststellen, hem dadelijk alles zeggen wilde, wat zij onder vier oogen te zeggen had. Het ging om het vreeselijke geheim, dat alleen tusschen hen bestond, het eenige, wat zijn zoons niet wisten, datgene wat hem met angst gemarteld had, toen hij na den aanslag bang was, dat het ontdekt en bekend worden zou. Boven in de kamer liet zij hem naast het bed de geheime bergplaats zien, waarin de patronen van het nieuwe kruit en de plannen voor de verschrikkelijke vernietigingsmachine bewaard werden. Hij vond ze terug zooals hij ze achtergelaten had; om ze aan te raken, had men de oude vrouw moeten dooden of met haar het huis in de lucht laten vliegen. Op haar kalme, heldhaftige manier gaf zij hem den sleutel terug, dien hij haar den ochtend na zijn verwonding door Pierre had laten brengen.
“Je was toch niet ongerust, wel?”
“Alleen ongerust dat de politie u zou kunnen brutaliseeren … U bent de hoedster en u zoudt mijn werk voltooien, als ik sterven mocht!”
Intusschen voelde Pierre, die nog steeds beneden voor het raam zat, zijn verlegenheid toenemen. O, zeker, allen kwamen hem in dit huis met liefdevolle sympathie tegemoet—maar waarom scheen het hem dan toe, alsof de dingen en de menschen zelf, ondanks hun goeden wil, hem vijandig bleven. En hij vroeg zich af wat er te midden van deze werkers, die allen door een geloof staande gehouden werden, worden moest van hem, van hem, die aan niets meer geloofde, die niets deed. Het zien van die zoo ijverig, zoo vroolijk aan hun werk bezige broeders vervulde hem met een soort toornige geprikkeldheid, die door het binnenkomen van Marie nog erger werd.
Met haar mandje met inkoopen aan haar arm kwam zij, zonder hem te zien, binnen en zag er in den glans van haar jeugd, met haar slanke taille en haar breede borst zóó vroolijk en zóó overstroomend van gezondheid uit, dat men gedacht zou hebben, dat een zonnige lente-ochtend met haar binnenkwam. Haar rose gezichtje, haar fijne neus, haar groot, intelligent voorhoofd haar volle, goedige mond straalde onder haar donkere lokken. Haar bruine oogen lachten in een voortdurenden jubel van gezondheid en kracht.
“Jongens, jullie moesten eens weten wat ik allemaal gekocht heb … Komt eens kijken! Ik heb de mand niet in de keuken willen uitpakken.”
Zij hield niet op vóór zij om de mand, die zij op tafel gezet had, kwamen staan.
“In de eerste plaats boter. Nou, ruikt die naar hazelnoten of niet? Die maken ze apart voor mij … En dan eieren. Gisteren gelegd, op mijn woord van eer. En dit zelfs vandaag pas … En dan coteletten. Prachtig, hè? De slager doet er speciaal zijn best op, als ik ze kom halen!—En dan nog een roomkaas, maar van echte room, een prachtstuk!—En eindelijk, als verrassing, radijsjes, mooie, kleine, roode radijsjes. Radijsjes in Maart! Luxe gewoon!”
Zij triompheerde als een goede huisvrouw, die de waarde der dingen kent en op het lyceum Fénelon een heelen kook- en huishoudcursus gevolgd had. De drie broers lachten met haar mede en maakte haar een complimentje.
Maar plotseling zag zij Pierre.
“Wat, zit u daar, mijnheer de abbé? Neem me niet kwalijk, maar ik had u heusch niet gezien … En hoe is het met Guillaume? Komt u nieuws brengen?”
“Maar vader is teruggekomen!” zeide Thomas. “Hij is boven bij Grootmoeder.”
Verschrikt legde zij haar inkoopen weer in de mand.
“Guillaume weer thuis! Guillaume weer thuis!… En dat zeg je me nou pas! En je laat mij eerst mijn mand uitpakken! Een mooie boel, om zoo te staan pochen op mijn boter en eieren, terwijl Guillaume weer thuis is!”
Juist op dat oogenblik kwam deze met Grootmoeder naar beneden. Vroolijk liep zij naar hem toe, liet zich twee stevige zoenen op haar beide wangen geven, legde dan haar handen op zijn schouders, keek hem lang aan en zeide met een eenigszins bevende stem:
“Ik ben blij, erg blij je weer terug te zien, Guillaume … Nu mag ik het wel zeggen, ik ben erg bang geweest, dat ik je zou moeten verliezen.”
En hoewel zij nog steeds lachte, kwamen er twee tranen in haar oogen. Ook hij was zeer ontroerd en fluisterde, terwijl hij haar weer kuste:
“Lieve Marie … Wat ben ik gelukkig! Ik vind je weer zoo mooi en zoo lief terug!”
Pierre, die ze aankeek, vond hen koel. Blijkbaar had hij van verloofden, die een ongeluk zoo kort vóór hun huwelijk langen tijd gescheiden had, meer tranen, een hartstochtelijker omhelzing verwacht. Ook het groote verschil in leeftijd hinderde hem, hoewel zijn broer er toch nog flink en jong uitzag. Neen, het moest het jonge meisje zijn, dat niet in zijn smaak viel. Zij was te gezond, te kalm. Sedert zij binnen was, voelde hij zijn verlegenheid, zijn lust om weg te gaan en niet meer terug te komen, grooter worden. Het gevoel, dat hij zoo heel anders dan zij, dat hij een vreemdeling in het huis van zijn broeder was, deed hem pijn. Hij stond op, wilde weggaan, onder voorwendsel, dat hij nog een boodschap in Parijs moest doen.
“Wat, wil je niet bij ons blijven dejeuneeren?” riep Guillaume verbaasd uit. “Dat hadden we toch afgesproken. Neen, dat verdriet zal je me toch niet aandoen … Voortaan, broertje, is dit huis het jouwe.”
Ook al de anderen verzetten zich tegen zijn vertrek en drongen er hartelijk op aan, dat hij zou blijven, zoodat hij toegeven moest en weer op zijn stoel ging zitten, waar hij weer in zijn zwijgende verlegenheid terugviel en naar deze familie, die de zijne was, maar van wie hij zich toch zoo ver verwijderd gevoelde, keek en luisterde.
Het was even over elven. Door vroolijk gebabbel onderbroken, werd het werk voortgezet, toen een der beide dienstmeisjes de mand met inkoopen kwam halen. Marie drukte haar op het hart haar te roepen voor de zachte eieren, want zij liet er zich op voorstaan een prachtig recept te hebben, waardoor zij ze juist zoo kon koken, dat het wit een roomachtige melk bleef. Dat gaf François aanleiding tot een paar grappen; hij plaagde haar dikwijls met al die mooie dingen, die zij op het lyceum Fénelon had geleerd, waarop haar vader haar op haar twaalfde jaar na den dood van haar moeder gedaan had. Maar zij bleef het antwoord niet schuldig, lachte op haar beurt over de uren, die hij zelf op de École Normale met paedagogische onzinnigheden verspilde.
“O jullie groote kinderen,” zeide zij, zonder met haar borduurwerk op te houden; “het is grappig; jullie bent toch alle drie intelligente jongens met een breeden blik, en toch kunnen jullie het in den grond der zaak niet goed zetten, dat een meisje zooals ik net als jullie op een lyceum gestudeerd heeft. De strijd tusschen de seksen, een concurrentiequaestie, niet?”
Zij protesteerden, bezwoeren, dat zij niets liever wilden dan goed onderwijs voor meisjes. Dat wist zij zelf ook heel goed; zij vond het alleen leuk hen te plagen.
“Neen, neen, in dat opzicht zijn jullie heel achterlijk … Ik weet heel goed, wat men in welmeenende burgerlijke kringen aan de meisjeslycea verwijt. In de eerste plaats is het onderwijs daar volkomen wereldlijk, en dat valt in het geheel niet in den smaak der families, die voor meisjes het godsdienstonderwijs als een moreele verdediging noodzakelijk achten. Verder wordt het onderwijs er steeds democratischer; dank zij het gratis toelaten van leerlingen, wat zeer vrijgevig geschiedt, komen er meisjes uit alle kringen, zoodat de dochter van de mevrouw op de eerste verdieping en die van de conciërge er elkaar vinden en vriendschappelijk met elkaar omgaan. Ten slotte geraakt men er los van den huiselijken haard, wordt een steeds grootere speelruimte gegeven aan het initiatief, terwijl al die overladen programma’s en al die kennis, die bij het examen geëischt wordt, ongetwijfeld een emancipatie van het jonge meisje, een stap nader tot de toekomstige vrouw, tot de toekomstige maatschappij beteekenen, waarnaar jullie allen immers zoo verlangt!”
“Natuurlijk, daar zijn we het allen over eens!” riep François.
Zij maakte een aardig gebaar en ging kalm voort.
“Ik maak maar gekheid … Jullie weet, dat ik maar een eenvoudig meisje ben en niet zoo veel verlang als jullie! O, die eischen en die rechten der vrouw! Het is immers heel duidelijk, zij heeft alle rechten, zij is de gelijke van den man, in zooverre de natuur dat toelaat! De eenige moeilijkheid bestaat hierin: elkander te begrijpen en lief te hebben … Dat neemt niet weg, dat ik heel blij ben te weten wat ik weet. O, ik zeg het zonder eenige pedanterie, alleen maar omdat ik me verbeeld, dat dit me zoo gezond gemaakt heeft, mij lichamelijk en geestelijk een steun in het leven geeft.”
Wanneer zij die oude herinneringen aan het lyceum Fénelon ophaalde, ging zij er geheel in op met een vuur, waarin haar ijver, haar gestoei gedurende de vrije uren, haar dolle streken met haar vriendinnen herleefden. Van de vijf meisjeslycea te Parijs was het lyceum Fénelon het eenige, dat veel leerlingen telde en wel voornamelijk dochters van ambtenaren en vooral van onderwijzeressen, die zichzelf voor het onderwijs wilden bekwamen. Deze gingen, na het lyceum afgeloopen te hebben, haar einddiploma halen aan de École Normale te Sèvres. Maar Marie voelde ondanks haar uitstekende studiën in het geheel geen roeping voor onderwijs geven, en later, toen haar vader geruïneerd en schulden nalatend stierf en zij een oogenblik lang zonder middelen van bestaan op straat kwam te staan, had Guillaume haar tot zich genomen en niet gewild, dat zij overal en nergens les ging geven. Zij borduurde prachtig en stond er hardnekkig op, zelf geld te verdienen, om van niemand iets behoeven over te nemen.
Glimlachend had Guillaume, zonder zich in het gesprek te mengen, geluisterd. Hij had haar lief leeren krijgen om haar vrijmoedigheid, haar rechtschapenheid, haar mooie evenwicht, dat haar groote, krachtige bekoring vormde. Zij wist alles, en al mocht zij daardoor de poëzie van het onwetende, schuchtere jonge meisje verloren hebben, zij had daardoor een werkelijke rechtschapenheid van geest en hart, een volmaakte onschuld, die zich voor niets schaamde, zonder eenige huichelachtige achterhoudendheid, zonder verborgen, door het geheimzinnige geprikkelde perversiteit gewonnen. En bij haar heerlijke, rustige gezondheid had zij een zóó kinderlijke kuischheid behouden, dat nog dikwijls ondanks haar zes-en-twintig jaar het bloed haar naar de wangen steeg, zij van die vuurroode kleuren kreeg, welke haar zoo wanhopig maakten.
“Lieve Marie,” zeide Guillaume; “je ziet wel, dat de kinderen een grapje maken. Maar jij hebt gelijk … Jouw zachte eitjes zijn de lekkerste van de heele wereld.”
Hij had het met zulk een liefdevolle teederheid gezegd, dat het jonge meisje, zonder dat er eenige reden voor was, vuurrood werd. Zij voelde het zelf en bloosde nog meer. En toen de drie jongens haar ondeugend aankeken, werd zij boos op zichzelf.
“Het is belachelijk, dat zoo’n oude jongejuffrouw als ik nog bloost, vindt u ook niet, mijnheer de abbé?” vroeg zij, zich tot Pierre wendend. “Zou je niet zeggen, dat ik heel wat verkeerds gedaan heb? Die jongens plagen me alleen, om me een kleur te laten krijgen … Het helpt niets, al verzet ik me er nog zoo tegen; ik weet niet waar het vandaan komt, maar ik kan er niets tegen doen.”
Grootmoeder keek op van het hemd, dat zij bezig was te verstellen.
“Het is niets erg, beste meid,” zeide zij. “Het is het hart, dat naar je wangen stijgt, opdat men het zien kan.”
Het dejeuner-uurtje naderde. Ze besloten de tafel in het atelier te dekken, wat meermalen gebeurde wanneer er een gast was. De eieren, die het jonge meisje zelf onder een servet uit de keuken gehaald had, werden heerlijk gevonden. Ook de radijsjes en de boter vielen goed in den smaak. Na de coteletten was er geen ander dessert dan de roomkaas, maar het was een roomkaas, zooals nog nooit iemand er een gegeten had. En voor hun oogen hadden zij Parijs, dat zich in zijn vreeselijk gebruis onmetelijk van het eene einde van den horizont naar het andere uitstrekte.
Pierre had al zijn krachten ingespannen om vroolijk te zijn. Maar weldra was hij weer in zijn zwijgen teruggevallen. Guillaume, die de drie fietsen buiten had zien staan, vroeg aan Marie hoe ver zij dien ochtend gereden had. François en Antoine waren met haar den kant van Ogremont uit geweest, maar het vervelende was, dat zij altijd weer de fietsen den heuvel op moesten duwen. Zij lachte erom en zeide, dat zij daardoor lekker en zonder booze droomen sliep. De fiets bezat in haar oogen alle mogelijke deugden; en toen Pierre haar verbaasd aankeek, beloofde zij, dat zij hem haar denkbeelden daaromtrent wel eens zou uiteenzetten. Van nu af bleef de fiets het onderwerp van het gesprek uitmaken. Thomas verklaarde de laatste verbeteringen, die aan de machines van de fabriek Grandidier aangebracht waren. Hij zelf zocht naar een mechanisme, waarmede men onder het rijden op eenvoudige en praktische wijze de versnelling zou kunnen veranderen.
Grootmoeder, die steeds met de kalmte van een koningin-moeder aan de tafel zat, boog zich naar Guillaume toe en fluisterde hem iets in. Pierre begreep, dat zij over zijn huwelijk sprak, waarvan de op einde April vastgestelde datum natuurlijk verzet moest worden. Dit zoo verstandige huwelijk, dat het geluk van het geheele huis scheen te moeten verklaren, was een beetje het werk van haar en van haar drie zoons, want de vader zou nooit naar de stem van zijn hart geluisterd hebben, wanneer de vrouw, die hij in de familie bracht, zich niet reeds daarin bevonden had, niet reeds als zoodanig erkend en geliefd was. Nu scheen om alle mogelijke redenen de laatste week van Juni een goede datum.
Marie hoorde het en keerde zich vroolijk om.
“Jij vindt het eind van Juni ook toch goed, lieve kind?” vroeg Grootmoeder.
Pierre verwachtte een diepen blos op de wangen van het jonge meisje te zullen zien komen. Maar zij bleef heel kalm, zij voelde voor Guillaume een groote toegenegenheid, een onbegrensde dankbaarheid en was er zeker van, dat zij door dit huwelijk iets verstandigs en goeds deed voor zichzelf en voor de anderen.
“Prachtig, einde Juni,” herhaalde zij. “Ik vind het uitstekend.”
De zoons hadden het ook begrepen en vergenoegden er zich mede te knikken, om hun instemming te kennen te geven.
Toen ze van tafel opgestaan waren, wilde Pierre beslist weggaan. Waarom deed dit in zijn eenvoud zoo hartelijk dejeuner, deze familie, die zoo gelukkig was den vader weer in haar midden te hebben, en voor alles dit vreedzame, het leven zoo toelachende jonge meisje hem zoo’n pijn? Hij gaf weer als voorwendsel, dat hij boodschappen in Parijs had. Dan drukte hij de handen, die de drie jongens hem toestaken, ja zelfs die van Grootmoeder en Marie, die beiden even hartelijk, maar over zijn haastig vertrek eenigszins verbaasd waren. Nadat Guillaume nog vergeefs getracht had hem te doen blijven, ging hij met hem mede. In den tuin bleef hij echter staan, om Pierre tot een verklaring te dwingen.
“Wat heb je? Waarom loop je weg?”
“Ik heb niets, heusch niet. Ik heb een paar dringende boodschappen, dat is alles!”
“Neen, laat dat voorwendsel nu maar achterwege … Niemand heeft je toch iets onaangenaams gezegd of je gekwetst. Zij zullen heel gauw even veel van je houden als ik van je houd.”
“Daaraan twijfel ik geen oogenblik, ik beklaag me over niemand … De eenige, over wien ik zou kunnen klagen, ben ik zelf.”
“Jongen, wat doe je me een verdriet!” zeide Guillaume ontroerd en met een wanhopig gebaar. “Ik zie heel goed in, dat je wat voor mij verborgen houdt. Bedenk toch, dat we nu weer broers zijn, dat we weer even veel van elkaar houden als vroeger, toen ik in je wieg met je speelde. Ik ken je, ik ken je ongeluk en je marteling, want je hebt alles voor mij opgebiecht. En ik wil niet, dat je lijdt, ik wil je genezen.”
Toen Pierre hem zoo hoorde spreken, voelde hij zijn hart opzwellen en kon hij zijn tranen niet inhouden.
“Neen, neen, je moet mij aan mijn lijden overlaten. Daarvoor is geen genezing. Je kan niets voor mij doen; ik sta buiten de natuur, ik ben een monster.”
“Wat zeg je daar? Kan je dan niet in de natuur terugkeeren, zelfs als het waar is, dat je daar uitgetreden bent … Ik wil niet, dat je je weer gaat opsluiten in dat eenzame kleine huisje, waar je je door het herkauwen van je Niets krankzinnig maakt. Kom je dagen bij ons doorbrengen, dan kunnen wij je weer den levenslust teruggeven.”
O, welk een ijskoude rilling doorhuiverde hem bij de gedachte, dat hij weer alleen zou zijn in dat kleine, leege huisje zonder zijn broer, van wien hij zooveel was gaan houden en met wien hij zulke prettige dagen doorgebracht had! In welk een eenzaamheid, in welk een kwelling zou hij er weer terugvallen na die enkele weken van heerlijk samenleven, waaraan hij al zoo gewend geraakt was. Maar zijn smart werd er slechts te grooter door; een bekentenis viel van zijn lippen.
“Hier leven! Bij jullie leven! Neen, dat is mij niet mogelijk … Waarom dwing je me te spreken, je te zeggen waarvoor ik mij zoo schaam en dat ik zelf niet begrijp? Sinds vanochtend vroeg heb je wel gezien, dat ik hier bij jullie lijd; dat komt ongetwijfeld, omdat jullie werkt en ik niets doe, omdat jullie elkaar lief hebt, omdat jullie gelooft in je arbeid, terwijl ik niets heb om lief te hebben of in te gelooven … Ik voel me niet op mijn gemak bij jullie, zoodat het niet anders kan, of ik moet jullie op mijn beurt hinderen. Zelfs prikkelt jullie mij, ik zou jullie zelfs ten slotte gaan haten. Je ziet wel, dat er niets goeds meer in mij overblijft, dat alles verwoest en vernield is, dat alles dood is, dat alleen nijd en haat er weer in zouden kunnen opgroeien. Laat mij dus naar mijn vervloekten hoek terugkeeren, waar het Niet zich heelemaal van mij meester zal maken. Vaarwel broeder!”
Buiten zichzelf van liefde en medelijden hield Guillaume hem bij zijn armen vast.
“Je zult niet weggaan. Ik wil niet, dat je weggaat, zonder mij vast beloofd te hebben, dat je terug zult komen. Ik wil je niet voor de tweede maal verliezen, nu ik weet, wie je bent en hoe je lijdt. Tegen je eigen wil in, als het moet, zal ik je redden, zal ik je van de marteling van je twijfel genezen, o, zonder zedepreeken tegen je te houden, zonder je eenig geloof op te dringen, maar eenvoudig door het leven, dat alleen je gezondheid en hoop terug kan geven, zijn gang te laten gaan. Ik smeek je, Pierre, ik smeek het je in den naam van onze liefde, kom weer terug, kom dikwijls terug, om hier je dag door te brengen. Je zult zien, dat je, wanneer je je een taak gesteld hebt en in den familiekring werkt, je je nooit zoo ongelukkig voelt. Een taak van welken aard dan ook en de een of andere groote liefde—het leven aanvaarden, leven en liefhebben!”
“Waarom?” prevelde Pierre bitter. “Ik heb geen taak meer en kan niet meer liefhebben.”
“Nu, dan zal ik je een taak geven, en zoodra de liefde terugkomt, zal je weer liefhebben. Zeg ja, Pierre, zeg ja!”
En toen hij zag, dat zijn smart nog niet week, dat hij er hardnekkig bij bleef hem te verlaten en zich te vernietigen, ging hij door.
“O, ik beweer volstrekt niet, dat alles in de wereld naar wensch gaat, dat er alleen maar vreugde, waarheid en gerechtigheid is … Je kan je niet voorstellen bijvoorbeeld, hoe de geschiedenis van dien ongelukkigen Salvat mij met woede en verzet vervult. Hij is strafbaar, o zeker, maar hoeveel verontschuldigingen zijn er niet voor zijn daad te vinden. Wat zal men hem sympathiek voor mij maken, als men op hem de misdaden van allen stapelt, als de politieke benden hem naar elkaar toekaatsen, zich van hem bedienen voor de verovering van de macht. Dat verbittert mij en ik kan je niet beloven, dat ik verstandiger zijn zal dan jij … Maar Pierre, je moet me beloven, dat je, al doe je het alleen maar om mij pleizier te doen, overmorgen den heelen dag bij ons komt.”
En toen Pierre nog zwijgen bleef:
“Ik wil het; de gedachte, dat jij je in je hol als een gewond dier martelt, kan ik niet verdragen … Ik wil je genezen, ik wil je redden.”
Weer waren tranen in de oogen van Pierre gekomen en hij zeide met een oneindige troosteloosheid:
“Dwing mij niet om iets te beloven … Ik zal trachten mezelf te overwinnen.”
Welk een vreeselijke week had Pierre in het kleine, donkere en ledige huisje. Zeven dagen lang begroef hij zich daar en martelde zichzelf in wanhoop, dat hij zijn ouderen broer, dien hij weer met zijn geheele ziel was gaan lief hebben, niet meer voortdurend bij zich had. Nooit nog had hij, sedert de twijfel zijn hart ledig maakte, zijn alleen zijn zoo sterk gevoeld. Telkens weer stond hij op het punt naar Montmartre te gaan; daar waren, zooals hij onbestemd voelde, liefde, waarheid en leven. Maar telkens hield een onbehaaglijk gevoel, datzelfde gevoel, dat zich reeds eenmaal van hem meester gemaakt had en uit vrees en schaamte bestond, hem tegen. Zou hij, de priester, de ontmande, de uit de gemeenschappelijke liefde en arbeid gebannene, zou hij daar onder die natuurlijke, vrije en gezonde wezens iets anders kunnen vinden dan lijden en pijn? Hij riep de schimmen van zijn vader en zijn moeder, die door de verlaten kamers dwaalden, op, deze nog altijd, zelfs na hun dood, strijdende schimmen, die hij meende te hooren jammeren, alsof zij hem smeekten hen in hem te verzoenen, wanneer hij voor zichzelf vrede zou vinden. Wat moest hij doen? Moest hij met hen weenen, met hen zich aan wanhoop overgeven? Of moest hij daarginds de genezing zoeken gaan, waardoor zij eindelijk de sluimering van het graf zouden vinden, gelukkig te kunnen slapen, als hij gelukkig leefde. En op een morgen scheen het hem, toen hij wakker werd, alsof zijn vader hem glimlachend daarheen zond, terwijl zijn moeder hem met haar groote zachte oogen, waarin de smart van hem een slecht priester gemaakt te hebben week voor den drang, om hem aan het leven der gemeenschap terug te geven, aanmoedigend aankeek.
Dien dag redeneerde Pierre niet verder, maar nam een rijtuig en gaf den koetsier het adres, om zeker te zijn niet te weifelen en onderweg weer om te keeren. Toen hij dan, als in een droom, weer in het atelier stond, waar hij hartelijk ontvangen werd door Guillaume en diens drie zoons, was hij getuige van een scène, die hem diep trof en een groote verlichting was voor zijn smart.
Bij zijn komst was Marie blijven zitten en had hem nauwelijks gegroet; zij zag bleek en een groote rimpel groefde zich over haar voorhoofd. Grootmoeder was ook heel ernstig en zeide, terwijl zij haar aankeek:
“Neem haar niet kwalijk, mijnheer de abbé, zij is niet heelemaal toerekenbaar … Zij is boos op ons allemaal.”
Guillaume begon te lachen.
“O, het is zoo’n stijfkopje … Je kunt je niet voorstellen, Pierre, wat er in dat hoofdje omgaat, wanneer je het niet eens bent met haar opvatting van gerechtigheid. Het is een zoo hooge opvatting, dat zij geen vergelijk duldt. Wij spraken daarnet over dat proces, waarin de vader alleen door de getuigenverklaring van zijn zoon veroordeeld kon worden, en zij alleen houdt vol, dat die zoon goed gehandeld heeft, dat men altijd en ondanks alles de waarheid zeggen moet … Wat een verschrikkelijke officier van justitie zou zij zijn!”
Buiten zichzelf van woede en door het glimlachen van Pierre, die haar ongelijk gaf, nog meer geprikkeld, liet Marie zich door haar drift medesleepen.
“Guillaume, je bent gemeen … Ik wil niet, dat daarom gelachen wordt.”
“Maar je lijkt wel niet wijs,” riep François uit, terwijl Thomas en Antoine eveneens lachten. “Vader en ik verdedigen slechts een stelling van menschelijkheid en wij respecteeren en eerbiedigen de gerechtigheid even goed als jij.”
“Het gaat hier niet om menschelijkheid, alleen om gerechtigheid. Wat recht is, is recht, ondanks alles, zelfs al moest de wereld daardoor ten gronde gaan.”
Toen Guillaume nogmaals trachtte haar te overtuigen, sprong zij plotseling bevend op en begon in haar woede te stamelen:
“Neen, neen, jullie bent allemaal slecht, jullie wilt me allemaal beleedigen … Ik ga liever naar mijn kamer.”
Vergeefs trachtte Grootmoeder haar tegen te houden.
“Kind, kind, denk toch eens na; het is heel leelijk van je. Je zult er spijt van hebben.”
“Neen, neen, jullie bent niet rechtvaardig, ik heb te veel verdriet.”
Driftig ging zij naar haar kamer. Het gaf een heele consternatie. Dergelijke tooneelen kwamen meer voor, maar zelden zoo heftig. Guillaume verweet zich dadelijk, dat hij het spelletje te ver gedreven had, vooral door haar te plagen, want ironie kon zij niet verdragen. Hij vertelde aan Pierre, dat zij in haar jeugd dikwijls van die woede-aanvallen gehad had, wanneer zij iets onrechtvaardigs zag. Zooals zij later uitlegde, was het een onweerstaanbare kracht, die haar medesleurde en razend maakte. Tegenwoordig nog was zij bij dergelijke dingen eigenzinnig en twistziek. Zij schaamde er zich over, want zij voelde heel goed, dat zij daardoor dikwijls onverdragelijk en voor gezelschap ongeschikt werd.
Inderdaad kwam zij een kwartier later weer uit eigen beweging beneden; zij had een hoogroode kleur, maar bekende dapper haar ongelijk.
“Wat ben ik belachelijk, hè, en hoe slecht, terwijl ik de anderen verwijt slecht te zijn … Mijnheer de abbé zal een mooi idee van mij krijgen.”
“U vergeeft het me, niet Grootmoeder?” vroeg zij en gaf haar een zoen. “Ja, nu mag François lachen en Thomas en Antoine ook. Zij hebben gelijk, ik verdien niets beters!”
“Arme Marie,” zeide Guillaume liefdevol; “dat komt ervan, als je in het absolute leeft … Jij, die in alles zoo evenwichtig, zoo redelijk en verstandig bent, omdat je het relatieve der dingen aanvaardt en van het leven niets anders vraagt dan wat het geven kan, verliest alle redelijkheid en alle evenwicht, zoodra je in die absolute voorstelling opgaat, welke jij je van de gerechtigheid maakt … Maar wie van ons zondigt niet op die wijze?”
“Dat heeft tenminste het voordeel, dat ik niet volmaakt ben,” schertste Marie, nog steeds verlegen.
“Zeker, en daarom houd ik nog meer van je.”
Dat zou Pierre eveneens graag uitgeschreeuwd hebben. Dit tooneel had hem diep getroffen, zonder dat hij alles, wat het in hem wakker maakte, nog duidelijk begrijpen kon. Kwamen de martelingen, waaronder hij leed, ook niet voort uit dat absolute, waarin hij leven wilde, het absolute, dat hij tot nog toe van menschen en dieren geëischt had? Hij had het volkomen geloof gezocht en hij had zich uit wanhoop in het volkomen loochenen geworpen. En was die hautaine houding, welke hij ondanks de ineenstorting van alles was blijven aannemen, die roep van een vroom en heilig priester, dien hij zich verworven had, terwijl slechts het Niet in hem woonde, was dat niet wederom een verkeerd verlangen naar het absolute, was dat niet de romantische pose van zijn verblinding en van zijn hoogmoed?
Toen zijn broeder zooeven Marie prees, dat zij van het leven niets vroeg dan wat het geven kon, was het hem voorgekomen alsof die woorden als een raadgeving tot hem gericht werden en als een frissche ademtocht der natuur over zijn gelaat streken. Maar dat alles was nog zoo verward; het eenige, wat hem werkelijk vreugde bracht, was de toorn, waarin hij het jonge meisje gezien had, de dwaling, die haar nader tot hem bracht en die haar af deed dalen van het hooge voetstuk van volmaaktheid, die hem onbewust lijden deed. Welk gevoel was hier in hem werkzaam? Hij gaf er zich geen rekenschap van. Dien dag praatte hij enkele oogenblikken met haar en vond haar, toen hij wegging, goed en menschelijk.
Twee dagen later reeds was Pierre den geheelen middag in het groote, zonnige atelier. Sedert hij zich zijn niets-doen bewust geworden was, verveelde hij zich erg en begon slechts daar tusschen die zoo vroolijk werkende familie afleiding te vinden. Zijn broeder gaf hem een standje, dat hij niet was komen dejeuneeren, en hij moest beloven den volgenden dag vroeg genoeg te zullen komen om mede te kunnen eten. Nadat er een week verstreken was, bestond er tusschen hem en Marie een goede, kameraadschappelijke verhouding, waarin geen spoor meer was te ontdekken van de vijandelijkheid, die hen in den beginne tegen elkaar had doen botsen. De gedachte aan dien priester in zijn soutane hinderde haar in het geheel niet, want in haar rustig atheïsme was zij nooit op het denkbeeld gekomen, dat een priester een wezen afzonderlijk zijn kon. En juist die zusterlijke ontvangst van haar, alsof hij een gewone jas gedragen, hetzelfde leven geleid, dezelfde denkbeelden gehad had als zijn groote neven, zonder dat iets hem van andere mannen onderscheidde, verwonderde en verrukte hem. Maar wat hem nog meer verbaasde was het zwijgen, dat zij over godsdienstige quaesties bewaarde—de rustige en gelukkige onbezorgdheid, waarin het goddelijke, het hiernamaals, dat angstaanjagende gebied van het mysterie, waardoor hij zelf zich in zoo’n smartvollen doodsstrijd voortsleepte, haar scheen te laten.
Sedert hij zoo om de twee of drie dagen kwam, merkte zij heel goed, dat hij leed. Wat had hij toch? Zij vroeg het hem als een goede vriendin; en toen zij slechts ontwijkende antwoorden kreeg, voelde zij, dat hier een bloedende, zich over zichzelf schamende smart was, die het geheim, waarin zij zich hulde, ongeneeslijk maakte. Haar vrouwlijk medelijden ontwaakte en zij vatte een steeds grooter wordende toegenegenheid op voor den grooten, bleeken jongeling met zijn koortsachtig brandende oogen, die door een innerlijke marteling, waarover hij met niemand spreken wilde, verteerd werd. Ongetwijfeld had zij Guillaume gevraagd, waarom zijn broer zoo treurig en wanhopig was; en hij had haar een gedeelte van het geheim toevertrouwd, opdat zij hem zou kunnen helpen Pierre van zijn martelingen te genezen door hem weer levenslust te geven. Hij was zoo gelukkig, dat zij met hem als met een vriend en een broer omging. Op een avond eindelijk, toen zij vol liefde bij hem aandrong, daar zij zag hoe een somber op Parijs nederdalende schemering zijn oogen met tranen vulde, bekende hij haar plotseling zijn martelingen, vertelde hij haar welk een doodelijke leegte het verlies van zijn geloof voor altijd in hem gegraven had. O, niet meer te gelooven, niet meer lief te hebben, niets meer te zijn dan asch, niet te weten door welke andere zekerheid den ontbrekenden God te vervangen!
Zij keek hem verbaasd en verbijsterd aan. Maar hij leek wel niet wijs! En zij zeide hem dat in de verwondering en in het verzet, waartoe die kreet van ellende haar bracht. Wat, wanhopen, niet meer gelooven, niet meer liefhebben, omdat de hypothese van het goddelijke ineenstort? En dat, waar toch de wijde wereld bestaat, het leven met zijn plicht om geleefd te worden, al de wezens en al de dingen, die men liefhebben en helpen moet, afgezien nog van den wereldarbeid, de taak, aan welker vervulling ieder werken moet! Het was ongetwijfeld waanzin, een sombere waanzin, en zij zwoer zichzelf een eed hem daarvan te genezen.
Van af dat oogenblik boezemde deze vreemde jongen, dien zij eerst ongezellig en daarna wonderlijk gevonden had, haar een diep, maar liefdevol medelijden in. Zij was zeer zacht en vroolijk tegenover hem en behandelde hem met al haar teere fijngevoeligheid van geest en hart. Beiden hadden een zelfde jeugd gehad, want hun vrome moeders hadden hen in een bekrompen godsdienstigheid opgevoed. Maar welk een verschillend lot, welk een geheel ander leven daarna! Terwijl hij, gebonden door zijn priestereed, tegen zijn twijfel streed, was zij na den dood van haar moeder naar het lyceum Fénelon gegaan en daar ver van allen godsdienst opgegroeid. Langzamerhand had zij haar eerste religieuze indrukken volkomen vergeten. En het was voor hem een steeds terugkeerende reden tot verbazing, dat zij op die wijze was ontsnapt aan den angst voor het hiernamaals, welke hem juist zoo geheel en al ten gronde gericht had. Wanneer hij in hun gesprekken zijn verbazing daarover uitsprak, begon zij hartelijk te lachen en zeide, dat de hel haar nooit vrees had aangejaagd, omdat zij heel goed wist, dat die niet bestaan kon, terwijl zij er nog aan toevoegde, dat zij rustig leefde zonder hoop in den hemel te komen en trachtte zich aan te passen aan de noodzakelijkheden van deze aarde. Dat was misschien een quaestie van temperament, maar ook zeker van opvoeding, want nooit was een volkomen ontwikkeling in een krachtigeren geest, in een rechtschapener karakter terecht gekomen. En het wonderlijke was, dat zij bij al die opgehoopte kennis zoo vrouwlijk, zoo teer bleef zonder iets hards of manlijks. Zij was eenvoudig door en door natuurlijk, ongedwongen en bekoorlijk.
“O, lieve vriend,” zeide zij, “als je eens wist hoe makkelijk het mij valt gelukkig te zijn, wanneer zij, die ik lief heb, niet al te zeer lijden. Ik voor mij persoonlijk kan mij steeds best in het leven schikken, ik pas mij eraan aan, werk, ben ondanks alles tevreden door mijzelf. Verdriet heb ik feitelijk alleen om anderen gehad, want ik kan het nu eenmaal niet helpen, maar ik wil, dat iedereen bijna even gelukkig is … en er zijn menschen, die zich daartegen verzetten. Zoo ben ik langen tijd arm geweest, zonder dat ik daarom ophield vroolijk te zijn. Ik verlang niets dan de dingen, die niet te koop zijn. Desniettemin is de ellende de grootste gruwel, een schreeuwende onrechtvaardigheid, die mij woedend maakt. Ik kan mij begrijpen, dat alles voor je ineenstortte, toen je de naastenliefde nutteloos en bespottelijk ging vinden. En toch geeft zij verlichting, geven is zoo zoet. En dan, eenmaal zal door de rede, door den arbeid, door de goede functionneering van het leven zelf de gerechtigheid heerschen … Wat, ben ik nu aan het preeken? En ik voel er zoo weinig voor! Het zou te belachelijk zijn, wanneer ik jou met mijn geleerde phrases genezen wilde. Maar toch is het waar, dat ik je van je sombere ziekte bevrijden wil en daarom vraag ik je zoo dikwijls mogelijk bij ons te komen. Je weet, dat het Guillaume’s lievelingswensch is. Wij zullen allemaal zooveel van je houden, je zult zien hoe vroolijk en eensgezind wij aan het gemeenschappelijke werk gaan, zoodat je terugkeeren zult tot de waarheid, door met ons bij de goede natuur in de leer te gaan … Leef, werk, heb lief, hoop!”
Pierre glimlachte en kwam nu bijna iederen dag terug. Zij was zoo liefdevol, wanneer zij hem zoo verstandig de les las! En zij had gelijk: in het atelier heerschte zoo’n liefde, de vreugde om samen te zijn, samen zich te geven aan den gezonden en waarachtigen arbeid! En zich schamend over zijn niets doen en behoefte voelend om zijn vingers en zijn gedachten bezig te houden, hielp hij de anderen bij hun werk, vooral Thomas, wiens onderzoekingen op het gebied der exacte wetenschappen hem het meest interesseerden. Hij deed over zijn soutane een blauwe schort en maakte van af dat oogenblik deel uit van het atelier.
In de eerste dagen van April, op een middag, dat allen aan het werk waren, keek Marie, die naast het werktafeltje tegenover Grootmoeder zat te borduren, naar Parijs en uitte een kreet van bewondering.
“O kijk eens, Parijs in dien zonneregen!”
Pierre kwam naar het groote raam. Het was hetzelfde lichteffect, dat hij ook bij zijn eerste bezoek gezien had. De zon, die achter dunne, purperen wolkjes onder ging, overgoot de stad met een regen van stralen, die aan alle kanten op de eindelooze onmetelijkheid der daken terugkaatsten. Men had kunnen denken, dat de een of andere reusachtige, in den gloed der zon verborgen zaaier zijn gouden zaadkorrels met handenvol van het eene eind van den horizont naar het andere strooide.
Hardop zeide Pierre zijn droom.
“Parijs wordt door de zon bevrucht. Zie eens welk een akker, dien de ploeg in alle richting omgewoeld heeft! Zie eens naar die bruine huizen, die op aardkluiten gelijken, naar die als vorens zoo diepe en rechte straten!”
Marie lachte en geraakte ook in geestdrift.
“Ja, ja, zoo is het … De zon bevrucht Parijs. Kijk eens met welk een majestueus gebaar zij het zaad van gezondheid en licht daar in de verre voorsteden werpt. En hoe vreemd, het is of de wijken der rijken in het Westen als het ware in een rossigen nevel gehuld zijn, terwijl het goede zaad als geel stof op den linkeroever in de volkrijke wijken van het Oosten valt … En daar moet immers de oogst opkomen?”
Allen waren dichterbij gekomen en glimlachten ingenomen om het symbool. En inderdaad hoe meer de zon achter het net der wolken daalde, des te meer scheen de zaaister van het eeuwige leven haar vlammen uit eigen beweging in een rhytmische slingering, die juist de wijken van den arbeid koos, nu hier- dan daarheen te werpen. Een handvol vuurzaad viel op de wijk der scholen neer, en dan ging een andere handvol de wijk der werkplaatsen en fabrieken bevruchten.
“O,” riep Guillaume vroolijk uit; “moge de oogst snel opschieten in deze door zoovele revoluties omgeploegde, door het bloed van zoovele arbeiders bemeste aarde van ons groot Parijs! Alleen in dezen grond kan de idee ontkiemen en bloeien … Ja, ja, Pierre heeft gelijk, de zon bevrucht Parijs met de toekomstige wereld, die slechts hier ontstaan kan.”
Thomas, François en Antoine, die achter hun vader waren komen staan, gaven door een hoofdknikje dezelfde overtuiging te kennen, terwijl Grootmoeder, die ernstig in de verte staarde, de stralende toekomst scheen te zien.
“Een droom—en na hoeveel eeuwen werkelijkheid?” prevelde Pierre rillend. “Wij zullen die niet meer beleven!”
“Nu, dan de anderen!” riep Marie uit. “Is dat niet voldoende?”
Die prachtige kreet trof Pierre diep. En plotseling herinnerde hij zich een andere Marie, de aanbiddelijke Marie van zijn jeugd, Marie de Guersaint, die te Lourdes genezen was en wier verlies zijn hart voor eeuwig leeg gemaakt had. Zou de nieuwe Marie, die hem hier met een zoo rustigen en sterken charme toelachte, de oude wond heelen? Sedert zij zijn vriendin was, herleefde hij.
En daar voor hen bevruchtte de zon Parijs met het levende, gouden stof van haar stralen voor den grooten toekomstigen oogst van gerechtigheid en waarheid.
II.
Op een avond na een flinken werkdag raakte Pierre, die Thomas hielp, verward in zijn soutane en viel bijna.
“Waarom doe je die toch niet uit?” riep Marie met een klein gilletje van schrik.
Zij zeide het zonder eenige bedoeling, eenvoudig omdat zij die soutane voor sommige werken wat zwaar en lastig vond.
Maar dit zoo openhartige, zoo besliste woord drong diep in Pierre’s geest door en verliet dien niet meer. In den beginne werd hij er slechts door getroffen, maar toen de nacht gekomen en hij alleen in zijn klein huisje te Neuilly was, voelde hij hoe dat woord hem langzamerhand benauwde, hem een pijn, een ondragelijke koorts veroorzaakte. “Waarom doe je die niet uit?” Inderdaad, hij had haar moeten uittrekken; wat had hem tot dusverre verhinderd dat kleed af te leggen, dat zoo zwaar, zoo pijnlijk over zijn schouders hing? De vreeselijke strijd begon: hij bracht een afschuwelijken, slapeloozen nacht door, waarin hij al zijn vroegere martelingen herleefde.
En toch leek het zoo makkelijk de soutane uit te trekken, nu hij zijn ambt niet meer uitoefende. Sedert eenigen tijd las hij zijn mis niet meer; dat was de ware breuk, het definitieve opgeven van zijn priesterschap. Maar hij kon weer beginnen de mis te lezen, terwijl hij voelde, dat hij den dag, waarop hij zijn soutane zou afleggen, het priesterschap voor goed opgaf, het verliet, om er nooit meer toe terug te keeren. Een onherroepelijk besluit diende genomen te worden. Uren lang liep hij in angstvollen strijd door zijn kamer.
O, welk een mooie droom was het geweest, menschenschuw en eenzaam, steeds hooger te stijgen, niet meer te gelooven, maar toch als kuisch en eerlijk priester over het geloof van anderen te waken! Niet tot meineed en tot de vernederende laagheid van den renegaat af te dalen, maar zelfs in de troosteloosheid van zijn Niets de dienaar der goddelijke illusie te blijven! Op die wijze was men hem, die alles loochende, die ledig was als een graf, waaruit de wind zelfs de asch weggeblazen heeft, ten slotte als een heilige gaan aanbidden. Nu echter begon zijn geweten hem dien leugen te verwijten—een onbehaaglijk gevoel, dat hij tot nog toe niet gekend had; de gedachte kwam in hem op, dat hij slecht zou handelen, indien hij door bleef gaan zijn ideeën en zijn leven niet met elkaar in overeenstemming te brengen.
Het conflict was duidelijk. Met welk recht bleef hij de priester van een godsdienst, waaraan hij niet meer geloofde? Gebood de eerlijkheid alleen hem niet uit een Kerk te treden, waarin hij ontkende, dat God zijn kon? De dogma’s waren voor hem slechts hinderlijke dwalingen en toch bleef hij er hardnekkig bij om ze te leeren als eeuwige waarheden. Het was een afschuwelijk werk, waartegen zijn geweten nu met schrik in opstand kwam. Vergeefs trachtte hij den vurigen gemoedstoestand, den drang naar barmhartigheid en martelaarschap, die hem er toe gebracht hadden zichzelf op te offeren, die hem hadden doen denken, dat hij gaarne wilde lijden onder zijn twijfel en onder zijn verwoest en verloren leven, mits hij den armen nog den troost van de hoop brengen kon, terug te vinden. Ongetwijfeld hadden de waarheid en de natuur zich reeds te veel weer van hem meester gemaakt: deze valsche apostelrol stuitte hem thans tegen de borst, hij voelde niet meer den afschuwelijken moed in zich Jezus met een gebaar tot de knielende geloovigen te roepen, waar hij heel goed wist, dat Jezus niet tot hen afdalen zou. Alles stortte in: zijn pose van verheven herder, het offer, dat hij bracht in zijn eigen persoon doordat hij alles voor het geloof gaf, zelfs de marteling het verloren te hebben.
Wat dacht Marie van zijn leugen? “Waarom doe je die niet uit?” klonk het opnieuw in zijn ooren. Zijn geweten werd als in stukken gereten. Zij, die zoo oprecht, zoo eerlijk was, moest hem daarom wel verachten. In haar vatte hij al de afzonderlijke verwijten, al de heimelijke kritiek, die zijn handelwijze uitlokte, samen. Het was thans voor hem voldoende, dat zij hem ongelijk gaf, om zich schuldig te gevoelen. Toch had zij hem nooit door één woord haar afkeuring te kennen gegeven. En mocht zij zijn gedrag niet goedkeuren, dan voelde zij zich blijkbaar niet gerechtigd zich in zijn tweestrijd te mengen. De mooie, vrijmoedige en gezonde kalmte, waarvan zij steeds blijk gaf, verbaasde steeds hem, dien het spook van het ontbrekende, de obsessie van het hiernamaals altijd in een vreeselijken doodsstrijd verkeeren deden. Dagen lang had hij haar bestudeerd, haar met zijn blikken gevolgd, zonder haar ooit op een toestand van twijfel of wanhoop te kunnen betrappen. Dat kwam, zeide zij, omdat zij al haar vreugde, al haar kracht, al haar plichtsgevoel gebruikte om zóó te leven, dat het leven voor haar voldoende was, zonder ooit tijd te vinden zich door hersenschimmen te laten bang maken en verlammen. Hij zou dus die soutane uittrekken, welke hem benauwde en brandde, omdat zij hem op haar zoo kalme manier gevraagd had, waarom hij die niet uittrok.
Maar toen hij zich tegen den ochtend op zijn bed geworpen had en meende, nu hij een besluit genomen had, kalmer geworden te zijn, moest hij door een plotselinge benauwdheid weer opstaan. De afschuwelijke angst begon opnieuw. Neen, neen, hij kon die soutane, welke als het ware aan zijn lichaam vastkleefde, niet uittrekken. Zijn huid zou aan het laken blijven hangen, zijn geheele innerlijk wezen zou erdoor worden uitgerukt. Was het priesterschap niet onuitwischbaar, teekende het niet den priester voor eeuwig, plaatste het hem niet altijd buiten de kudde? Zelfs wanneer hij het kleed met de huid van zich afrukte, zou hij de priester blijven, een voorwerp van ergernis en schande, uitgestooten uit het gemeenschappelijke leven, onmachtig en machteloos. Waarom dan zou hij het doen, nu de kerker toch gesloten bleef, nu het arbeidzame en vruchtbare leven buiten in de volle zon niet meer voor hem geschapen was? O, deze machteloosheid, deze machteloosheid! Hij meende die tot in zijn beenderen, tot in zijn merg te voelen. Hij kon geen besluit nemen en eerst twee dagen later ging hij weer, zonder een besluit genomen te hebben, naar Montmartre terug. Zijn martelingen waren weer teruggekeerd.
Trouwens ook het gelukkige huis daar was in een koortsachtig opgewonden stemming, waardoor zelfs Guillaume aangetast was, die geheel in beslag genomen werd door de zaak-Salvat. De zwijgende en waardige houding van Salvat, die verklaarde geen medeplichtige te hebben, die alles bekende, maar een schuw stilzwijgen bewaarde, zoodra hij bang was iemand te zullen compromitteeren, had hem zeer getroffen. De instructie was wel geheim, maar de rechter Amadieu, die ermede belast was, leidde haar met een buitengewoon lawaai; de geheele pers stond vol van zijn persoon, van zijn verhouding tot den beschuldigde, van berichten, interviews en indiscreties. Dank zij Salvat’s kalme bekentenis had hij de geschiedenis van den aanslag uur voor uur kunnen volgen; alleen bestond nog twijfel omtrent de samenstelling van de gebruikte springstof en de vervaardiging van de bom zelf. Als Salvat, zooals hij beweerde, de bom werkelijk bij een vriend had kunnen laden, moest hij liegen, wanneer hij vertelde, dat het kruit eenvoudig dynamiet was en afkomstig uit andere bommen, die zijn kameraden gestolen hadden, want de deskundigen beweerden, dat dynamiet nooit zoo’n verschrikkelijke uitwerking had kunnen hebben. Hier bleef iets geheimzinnigs hangen, dat de instructie vertraagde, en de couranten maakten daar misbruik van om dagelijks de dolzinnigste verhalen, de meest ongerijmde berichten te publiceeren, welker opzienbarende opschriften de oplaag deden stijgen.
Zoo werd Guillaume iederen ochtend steeds meer geprikkeld. Ondanks zijn minachting voor Sanier en hoewel hij trilde van verontwaardiging, moest hij, of hij wilde of niet, de Voix du Peuple koopen, als werd hij aangetrokken door de modder, die eruit stroomde. Trouwens ook de andere couranten, zelfs de zoo correcte Globe, publiceerden onbewezen berichten en trokken daaruit de meest onrechtvaardige conclusies. De taak van de pers scheen hierin te bestaan, dat Salvat bezoedeld en bevuild moest worden, om in zijn persoon het anarchisme naar beneden te halen. Zijn geheele leven was op die wijze een aaneenschakeling van schanddaden geworden: op zijn tiende jaar, toen hij als een arm, verlaten kind op straat rondzwierf, was hij een dief, later een slecht soldaat, een slecht werkman, die in dienst voor insubordinatie gestraft, uit de werkplaatsen, waarin hij door zijn propaganda een slechten geest bracht, weggejaagd was; nog later was hij als een verdacht avonturier naar Amerika gegaan, waar hij allerlei onbekend gebleven misdaden gepleegd moest hebben—afgezien nog van zijn groote immoraliteit, zijn samenleven na zijn terugkeer in Frankrijk met zijn schoonzuster, die zijn dochtertje opgevoed had en die hij onder de oogen van het kind tot zijn vrouw gemaakt had. Zoo werden zijn gebreken ten toon gespreid en vergroot, zonder dat men de oorzaken, welke deze veroorzaakt hadden, in aanmerking nam, het milieu, waar zij erger geworden waren, als verontschuldiging gelden liet. Hoe moesten het menschelijkheids- en rechtvaardigheidsgevoel van Guillaume in opstand komen in hem, die den waren Salvat kende—dezen teerhartigen mysticus, dezen hersenschimmigen, hartstochtelijken geest, die weerloos in het leven geslingerd, door de verbitterde ellende steeds verpletterd en eindelijk tot den droom gebracht was door de verwoesting van de geheele wereld de gouden eeuw weer terug te doen keeren, treffen.
Het ergste was, dat Salvat door alles verpletterd werd, sedert hij in strenge afzondering gehouden werd en in de onbeperkte macht van den eerzuchtigen en mondainen Amadieu was. Guillaume wist door zijn zoon Thomas, dat de beschuldigde op geen steun van zijne vroegere kameraden in de fabriek Grandidier behoefde te rekenen. De fabriek begon weer te bloeien, ging, dank zij de fabricatie van rijwielen, met den dag vooruit; en men zeide, dat Grandidier nog slechts op den door Thomas gezochten, kleinen motor wachtte, om tot de vervaardiging in het groot van automobielen over te gaan. Maar juist die eerste successen, welke nauwlijks een belooning waren voor de vele jaren van inspanning, hadden hem voorzichtig en streng gemaakt; hij ontsloeg enkele werklieden, die in den reuk stonden anarchist te zijn, daar hij niet wilde, dat die pijnlijke geschiedenis van Salvat, die vroeger bij hem gewerkt had, zijn firma in discrediet brengen zou. Dat hij Toussaint en diens zoon Charles niet ontsloeg, hoewel de eerste een zwager van den beklaagde was en de tweede van sympathie voor het anarchisme verdacht werd, vond alleen zijn reden hierin, dat beiden daar reeds twintig jaar werkten. Toussaint, die na de attaque van een beroerte slechts met moeite weer aan het werk gegaan was, had zich voorgenomen, om, wanneer hij als getuige à décharge gedagvaard werd, alleen maar te vertellen wat hij wist van Salvat’s huwelijk met zijn zuster.
Op een avond, dat Thomas thuiskwam uit de fabriek, waar hij nu en dan proeven met zijn motor ging nemen, vertelde hij, dat hij madame Grandidier gezien had, de arme jonge vrouw, die tengevolge van een door het verlies van een kind veroorzaakte kraamvrouwenkoorts krankzinnig geworden was en die haar man, ondanks de dikwijls hevige aanvallen, ondanks het droevig dagelijksch leven dat hij met dit zoo beklagenswaardige groote kind leidde, nooit in een krankzinnigengesticht had willen doen en steeds bij zich gehouden had in het groote paviljoen, dat hij naast de fabriek bewoonde. De blinden bleven steeds gesloten, en het was dan ook een groote verrassing, toen een der ramen geopend werd en de zieke in den heerlijken zonneschijn van den vroegtijdigen lentedag daarvoor kwam staan. Haar blond, mooi, glimlachend kopje was echter slechts even als een wit en vluchtig visioen zichtbaar geweest, want al heel gauw had een dienstbode het raam weer gesloten en was het paviljoen in zijn doodsche stilte teruggezonken. In de fabriek werd verteld, dat zij sedert een maand geen aanval gehad had en dat het krachtige en tevreden uitzien van den patroon, de sterke, maar eenigszins ruwe hand, waarmede hij den toenemenden bloei van zijn firma verzekerde, daarin hun oorsprong hadden.
“Hij is niet kwaad,” zeide Thomas, “maar hij wil in den vreeselijken concurrentiestrijd, dien hij doormaakt, ontzag inboezemen. Hij zegt, dat in onzen tijd, nu het kapitaal en de loonarbeid elkander dreigen te vernietigen, de arbeiders, als zij willen blijven eten, zich gelukkig mogen achten, dat het kapitaal in krachtige en verstandige handen valt. Hij veroordeelt Salvat alleen daarom zoo meedoogenloos, omdat hij meent, dat er een voorbeeld gesteld moet worden.”
Toen de jonge man dien dag uit de fabriek ging, had hij in de wijk van de rue Marcadet, die als een van werken zoemende bijenkorf is, een hartverscheurende ontmoeting gehad. Madame Thérèse en de kleine Céline kwamen er juist uit, nadat zij een weigerend antwoord gekregen had van Toussaint, die haar zelfs geen tien sous had kunnen geven. Sedert de arrestatie van Salvat hadden de arme vrouw en het kind niets meer te eten; verlaten, met schele oogen aangezien, uit haar ellendig krot verjaagd, zwierven zij rond op goed geluk af, in de hoop hier en daar een aalmoes te krijgen.
“Ik heb gezegd, dat ze maar eens hier moesten komen, vader. Ik had zoo gedacht, dat we den huiseigenaar een maand vooruit moesten betalen, dan hebben ze tenminste een dak boven haar hoofd … Daar zijn ze zeker!”
Guillaume had rillend geluisterd en verweet zichzelf, dat hij niet eerder aan die twee arme schepsels gedacht had. Het was de vreeselijke, eeuwige, oude geschiedenis: de man verdwijnt, vrouw en kind worden dak- en broodloos. De gerechtigheid, die den man treft, slaat achteruit en doodt de onschuldigen.
Schuchter en angstig kwam madame Théodore binnen. Zij was bijna blind en de kleine Céline moest haar leiden. Deze had ondanks haar in flarden hangend jurkje nog steeds haar smal, intelligent, fijn gezichtje, dat niettegenstaande alles nu en dan nog door een jeugdig lachje opgevroolijkt werd.
Pierre en Marie waren beiden diep geroerd. In de kamer zat ook Madame Mathis, de moeder van den kleinen Victor, die Grootmoeder met het verstelwerk hielp. Zij ging dikwijls zoo uit werken, om daardoor haar zoon nu en dan een twintigfrancsstuk toe te kunnen stoppen. Maar Guillaume alleen richtte het woord tot madame Théodore.
“Och, mijnheer,” stamelde zij; “wie had nu ooit kunnen gelooven, dat Salvat tot zoo iets in staat zou zijn. Hij is altijd zoo goed en vriendelijk! En toch is het waar, want hij heeft alles aan den rechter bekend … Ik zeide tegen iedereen, dat hij in België was. Ik was er niet heelemaal zeker van, en ik vind het maar prettiger, dat hij niet bij ons teruggekomen is, want ik zou het vreeselijk gevonden hebben, als hij bij ons gearresteerd was … En nu zij hem hebben, zullen zij hem natuurlijk ter dood veroordeelen.”
Céline, die nieuwsgierig rondgekeken had, begon plotseling met dikke tranen in haar oogen te jammeren:
“O neen, mama, zij zullen hem geen kwaad doen.”
Guillaume gaf haar een zoen en bleef verder vragen.
“Wat zal ik u zeggen, mijnheer? De kleine is nog niet in staat om te werken en ik kan zoo goed als niets meer zien. Men wil mij zelfs niet meer als huishoudster nemen, zoodat je wel van honger crepeeren moet … O, ik heb familie genoeg—een zuster van mij is heel goed getrouwd met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot, die u misschien wel kent. Maar hij is een beetje hoog in zijn wapens, en om mijn zuster scènes te besparen, kom ik er niet meer, ook al, omdat zij tegenwoordig wanhopig is, daar zij weer in positie verkeert, wat in een huishouden een ware ramp is, als je al twee dochtertjes hebt … Daarom heb ik bijna niemand anders dan Toussaint, mijn broer. Zijn vrouw is zoo kwaad niet, maar zij is toch niet meer dezelfde, sedert zij steeds door in angst leeft, dat haar man een tweede attaque zal krijgen. Met de eerste zijn al haar spaarduitjes weggegaan; en wat moet er van haar worden, als hij later nog eens lam wordt? En dan is er nog meer, dat haar hindert; want u moet weten, dat haar zoon Charles zoo dom geweest is het dienstmeisje van een wijnhandelaar met jong te schoppen; maar die is er natuurlijk vandoor gegaan en heeft hem met het kind laten zitten … Het is dus heel goed te begrijpen, dat zij het zelf krap hebben. Ik neem het hun niet kwalijk; zij hebben mij al dikwijls genoeg tien sous geleend, zij kunnen het niet blijven doen.”
Zoo bleef zij maar doorpraten, zij beklaagde zich echter alleen om Céline. Was het niet om te huilen—een zoo flink, handig meisje, dat op school zulke goede vorderingen maakte en nu als een bedelares op straat moest zwerven? En verder merkte zij heel goed, dat men om Salvat niets met haar te doen wilde hebben. De Toussaints wilden zich in zoo’n geschiedenis niet compromitteeren, Charles alleen had gezegd, dat hij begrijpen kon, dat men op een goeden dag zoo zeer het hoofd verloor, dat men de bourgeois in de lucht wilde laten vliegen—gemeen en walgelijk was hun manier van doen.
“Ik zeg niets, mijnheer, want ik ben maar een arme vrouw. Maar wanneer u weten wilt, wat ik denk—ik denk, dat Salvat beter gedaan had, als hij wat hij deed niet gedaan had, omdat wij tweeën, de kleine en ik, eigenlijk degenen zijn, die gestraft worden … Ziet u, het wil er niet bij mij in: het kind van een ter dood veroordeelde …”
Maar weer viel Céline haar in de rede en viel haar om den hals.
“O, mama zeg dat toch niet. Het kan niet waar zijn!”
Pierre en Marie hadden een blik vol eindeloos medelijden gewisseld, terwijl Grootmoeder boven in de kast was gaan kijken, of zij niet wat linnengoed en kleeren voor die twee ongelukkige stakkerds had. Guillaume, die tot tranen toe bewogen was en vol woede tegen een wereld, waarin dergelijke dingen gebeuren konden, liet zijn aalmoes in de hand der kleine glijden en beloofde aan madame Théodore, dat hij met den huiseigenaar zou gaan spreken.
“O mijnheer Froment,” begon de ongelukkige weer, “Salvat had wel gelijk, toen hij zeide, dat u een brave man bent … U weet ook wel, dat hij niet slecht is, want hij heeft een paar dagen bij u gewerkt. Nu hij in de gevangenis zit, spreekt iedereen over hem alsof hij een bandiet is, en dat verscheurt mijn hart”
En zich dan tot madame Mathis wendend, die stil en bescheiden was blijven werken:
“Ik ken u ook, madame, en vooral uw zoon Victor, die dikwijls bij ons is komen praten … Wees maar niet bang, ik zal niets zeggen, want ik wil niemand in gevaar brengen. Maar wanneer Victor praten kon, dan zou hij alleen in staat zijn de denkbeelden van Salvat te verklaren.”
Verbijsterd keek madame Mathis haar aan. Daar zij van het ware leven en de ware gedachten van haar zoon niets wist, schrok zij bij het denkbeeld, dat er een band kon bestaan tusschen hem en dergelijke menschen. Maar bovendien geloofde zij er niets van.
“U vergist u blijkbaar … Victor heeft mij verteld, dat hij bijna nooit meer in Montmartre komt, dat hij altijd op zoek is naar werk.”
Uit den ongerusten, bevenden toon van haar stem begreep madame Théodore, dat zij die vrouw niet in haar treurige zaken had moeten mengen, en dadelijk maakt zij nederig haar excuses.
“Neem me niet kwalijk, madame, ik wilde u niet beleedigen. En misschien vergis ik mij wel.”
Madame Mathis was weer kalm aan het naaien gegaan, als wilde zij zoo gauw mogelijk in haar eenzaamheid terugkeeren, waarin zij nauwlijks genoeg te eten had. Het hinderde haar niet, dat haar aangebeden zoon haar veronachtzaamde, zij hoopte toch op hem, hij bleef haar laatste droom … Eens zou hij haar met alle mogelijke geluk overstelpen!
Grootmoeder kwam met een pak kleeren en linnengoed weer naar beneden en met eindelooze dankbetuigingen gingen madame Théodore en Céline weg. Nog lang na haar vertrek bleef Pierre zwijgend en met diepe rimpels in zijn voorhoofd, op en neer loopen, zonder dat het hem mogelijk was weer aan het werk te gaan.
Toen Pierre den volgenden dag terugkwam, was hij tot zijn verbazing getuige van een heel ander bezoek. Een windvlaag kwam naar binnen—fladderende rokken, lachgilletjes, en daar was de kleine prinses Rosemonde, die den jongen Hyacinthe Duvillard correct en stijf op den voet volgde.
“Ik ben het, waarde meester, ik had u als door uw genie in geestdrift gebracht leerling een bezoek beloofd … En hier is onze jonge vriend, die zoo goed is mij dadelijk na mijn terugkeer uit Noorwegen bij u te brengen, want mijn eerste bezoek is voor u.”
Zij draaide zich om en begroette heel gratieus Pierre, Marie, François en Antoine, die ook in het atelier waren.
“O, dat Noorwegen, waarde meester, u kunt u niets maagdelijkers voorstellen. Wij moesten allen uit die nieuwe, ideale bron gaan drinken, wij zouden er gelouterd, verjongd en tot groote opofferingen in staat van terugkeeren.”
In werkelijkheid had zij zich er doodelijk verveeld, daar zij zich niet had kunnen wennen aan het “melkdieet”, dat haar jonge minnaar haar oplegde. Deze huwelijksreis, niet in het warme Italië, maar in het land van ijs en sneeuw, was wel buitengewoon elegant geweest en had wel getuigenis afgelegd van de voornaamheid van hun liefde, die vrij was van alle materialistische grofheid. Slechts hun zielen waren op reis en zij wisselden niets dan zielskussen. Maar helaas werd zij op een nacht, dat hij er beslist bij bleef haar als een symbolische, reine lelie te behandelen, zoo verbitterd, dat zij een rijzweep nam en hem daarmede een rammeling toediende. Hij zelf was zoo zwak geweest om boos te worden en haar een flink pak slaag te geven, waarop zij in elkaars armen vielen en elkander als heel gewone menschen toebehoorden. Bij het ontwaken vond zij deze sensatie, die zij zoo ver was gaan zoeken, vrij middelmatig, terwijl hij haar nooit vergaf, dat zij dit avontuur, waarvan hij een intellectueel genot verwachtte, tot een zoo vernederend einde gebracht had. Waartoe diende het het maagdelijke, hemelsche Noorden te gaan ontwijden, waar een reeds bevlekte Fransche stad even goed geweest zou zijn? En daar zij niet rein genoeg meer waren en zich niet verwant meer voelden aan de zwanen op de droomzeeën, gingen zij den volgenden dag weer aan boord.
Plotseling onderbrak zij haar verrukte schildering van Noorwegen, want het diende nergens voor aan allen hun treurig échec te bekennen, en riep uit:
“Tusschen twee haakjes, weet u wat mij bij mijn terugkomst wachtte? Ik heb mijn hôtel heelemaal geplunderd gevonden … een plundering, waarvan u u geen voorstelling maken kunt—en daarbij een vuiligheid, een smeerlapperij!… We hebben dadelijk begrepen, dat de vriendjes van Bergaz erin betrokken waren.”
Guillaume had den vorigen dag in de courant gelezen, dat een troep jonge anarchisten ingebroken had in het hôtel van prinses de Hardt, dat deze geheel onbewaakt had achtergelaten. De vriendelijke bandieten hadden er zich niet mede tevreden gesteld alles ondersteboven te halen, maar zij hadden blijkbaar twee dagen in het huis doorgebracht, den wijn uit den kelder opgedronken, met de medegebrachte voorraden feestmaaltijden aangericht, de kamer bevuild en overal sporen van hun verblijf achtergelaten.
Toen Rosemonde thuis kwam, was zij meer verbaasd dan boos geweest en had dadelijk gedacht aan den avond, dien zij met Bergaz en zijn twee lievelingen Rossé en Sanfaute in het Cabinet des Horreurs had doorgebracht. Van haar zelf hadden zij gehoord, dat zij naar Noorwegen zou gaan. Inderdaad waren die beiden dan ook gearresteerd, maar Bergaz was gevlucht. Zij verwonderde er zich niet al te zeer over, want zij was reeds gewaarschuwd en wist, dat zich onder het zeer gemengde gezelschap, dat zij in haar hartstocht voor internationale excentriciteiten bij zich ontving, de grootste bandieten bevonden. Janzen had haar een paar vuile geschiedenisjes verteld, die men aan Bergaz en zijn bende toeschreef. Ditmaal echter stak hij zijn meening niet onder stoelen of banken en vertelde aan iedereen, die het weten wilde, dat na Raphanel, Bergaz zich aan de politie verkocht had, en dat deze geheele geschiedenis een streek van hem was, om door dien opzienbarenden diefstal, die te midden van zooveel vuiligheid gepleegd was, het anarchisme voor altijd te bezoedelen. Lag het bewijs daarvan niet in het feit, dat de politie hem had laten ontvluchten?
“Ik had gedacht,” zeide Guillaume, “dat de couranten overdreven … Zij vinden op dit oogenblik, om het geval van den armen Salvat nog erger te maken, zooveel afschuwelijke dingen uit.”
“O neen,” antwoordde Rosemonde vroolijk; “zij hebben niet alles kunnen zeggen, het was te smerig … Ik kon nu zonder eenig gewetensbezwaar naar een hôtel gaan, waar ik het veel prettiger vind, want het begon mij thuis te vervelen … Maar in ieder geval is het anarchisme een vuil zootje; ik durf niet meer te zeggen, dat ik er sympathie voor voel.”
Zij lachte en sprong plotseling op een andere gril over; zij wilde, dat de meester haar over zijn nieuwe onderzoekingen vertelde, ongetwijfeld om hem te laten zien, dat zij in staat was hem te begrijpen. Maar de geschiedenis van Bergaz had hem ongerust gemaakt. Hij bepaalde zich tot enkele algemeenheden en was tegenover de prinses slechts koel-beleefd.
Inmiddels hernieuwde Hyacinthe de kennis met François en Antoine, met wie hij op het lyceum-Condorcet geweest was. Hij was slechts tegen zijn zin met haar medegegaan; hij gaf alleen aan haar toe door den angst, dien hij voor haar had, sedert zij hem sloeg. Dit kleine huis van een als het ware verbannen scheikundige vervulde hem met een medelijdende minachting en hij meende verplicht te zijn zijn meerderheid nog meer te laten uitkomen tegenover oude kameraden, die hij als gewone werkmenschen terugvond.
“O ja, dat is waar ook, je bent naar de École Normale gegaan,” zeide hij tegen François, die bezig was aanteekeningen uit een boek te maken. “Je wilt, geloof ik, examen doen!… Och, wat zal ik je zeggen? Ik voor mij kan het denkbeeld van een halsband niet verdragen. Zoodra het om een examen of zoo iets gaat, weet ik absoluut niets meer … En tusschen ons gezegd en gezwegen, is wetenschap toch niet veel meer dan voor-den-gek-houderij! En wat wordt je horizont erdoor beperkt! Neen, je kan beter het kleine kind blijven, welks oogen het onzichtbare aanschouwen. Zoo’n kind weet er meer van!”
François, die dikwijls ironisch kon zijn, vond het aardig hem gelijk te geven.
“Zeker, je hebt volkomen gelijk. Maar je moet er een natuurlijken aanleg voor hebben, om dat kleine kind te blijven … Ik ben ongelukkigerwijze behept met een drang, om alles te willen weten. Het is zonde en jammer, want ik zit nu heele dagen met mijn neus in de boeken … O, ik zal nooit veel weten, dat is zeker, en misschien is dat wel de reden, waarom ik altijd probeer meer te weten … Maar je zult me moeten toegeven, dat werken even goed als niets doen een manier is om het leven door te komen, o zeker, heel wat minder elegant, want jij vindt natuurlijk, dat werken minder aesthetisch is!”
“Minder aesthetisch, dat is het juiste woord,” zeide Hyacinthe. “Schoonheid is slechts te vinden in het niet-uitgedrukte; ieder leven, dat tot werkelijkheid wordt, zinkt weg tot alledaagschheid.”
Maar hoe onnoozel hij in de geniale enormiteit van zijn pretenties was, voelde hij toch den spot. Hij wendde zich tot Antoine, die aan zijn houtsnede was blijven werken, het portret van Lise, dat hij in zijn verlangen, om het ontwaken van het kind tot begrip en leven uit te drukken, telkens weer opgaf, om het dan opnieuw te beginnen.
“Zoo heb jij je aan het graveeren gewijd … Sedert ik van het verzen-maken en van mijn gedicht, Het Einde der Vrouw, heb afgezien, omdat ik de woorden zoo plomp en zoo grof en zoo bezoedelend vond, heb ik er ook over gedacht mij aan het teekenen of aan het graveeren te wijden … Maar waar is de teekening, die het mysterie, het hiernamaals, de eenige wereld, die bestaat en belangrijk is, tot uitdrukking brengt? Met welk potlood die te verkrijgen, op welke plaats die weer te geven? Er zou iets ontastbaars, dat niet bestaat, dat alleen het wezen van dingen en menschen suggereert, voor noodig zijn.”
“Toch kan de kunst slechts door het stoffelijke van haar middelen dat weergeven, wat zij het wezen van dingen en menschen noemt en wat in den grond der zaak haar volkomen beteekenis is, tenminste die, welke wij haar toekennen … Het leven weergeven is mijn groote passie, en er bestaat geen ander mysterie dan dat van het leven in het diepst der wezens achter de dingen … Wanneer mijn houtsnede leeft, ben ik tevreden, omdat ik geschapen heb.”
Een spottende trek op Hyacinthe’s gezicht drukte zijn afkeer voor vruchtbaarheid uit. Een heele kunst! De eerste de beste schoft maakte een kind. Iets uitgelezens en zeldzaams was slechts de geslachtslooze, door zichzelf bestaande idée. Hij wilde dat uitleggen, raakte echter in zijn woorden verward en begon dan over de uit Noorwegen medegebrachte zekerheid, dat het met kunst en litteratuur in Frankrijk uit was, dat zij gedood waren door de alledaagschheid, ja zelfs het misbruik der productie.
“Dat is zoo,” merkte François vroolijk op, “niets doen is reeds talent hebben.”
Pierre en Marie keken en luisterden; deze vreemde invasie in het gewoonlijk zoo ernstige en zoo kalme atelier maakte hen verlegen. Toch was de kleine prinses heel voorkomend; zij kwam naar het jonge meisje toe en bewonderde het fijne borduurwerk, waar zij juist de laatste hand aan legde. Zij wilde niet weggaan voor Guillaume zijn handteekening gezet had in een album, dat Hyacinthe uit het rijtuig moest gaan halen. Hij voldeed aan haar verzoek met een zichtbaren tegenzin; zij waren elkaar reeds moe, maar in afwachting van een nieuwe gril liet zij hem niet los en vermaakte zij zich ermee hem te terroriseeren. Toen zij hem, nadat zij Froment verzekerd had, dat deze dag onvergetelijk voor haar zou blijven, medenam, bracht zij hen allen aan het lachen door de woorden:
“Zoo, kennen de jongelui Hyacinthe van het lyceum … Een goede jongen niet? Ja, hij zou zelfs aardig zijn als hij net was als andere menschen.”
Dienzelfden dag kwamen Janzen en Bache den avond bij Guillaume doorbrengen. De intieme samenkomsten van Neuilly werden eens per week in Montmartre voortgezet. Pierre ging op zulke dagen eerst heel laat naar huis; zoodra de twee vrouwen en de drie volwassen zoons naar boven gegaan waren, werden er in het atelier, welks openstaand raam op het nachtelijke, van gaslicht fonkelende Parijs uitzag, eindelooze gesprekken gehouden. Théophile Morin kwam tegen tien uur, daar hij eerst nog had moeten werken.
“Maar dat is een halve gekkin,” riep Janzen uit, toen Guillaume hun van het bezoek der prinses verteld had. “Een oogenblik, toen ik pas met haar kennis gemaakt had, heb ik gehoopt haar voor onze zaak dienstbaar te kunnen maken. Zij leek zoo overtuigd, zoo dapper … Maar zij is een der meest perverse vrouwen op de heele wereld, steeds uit op nieuwe emoties.”
Het bloed steeg hem naar de wangen; eindelijk liet hij zijn gewone gereserveerdheid, de geheimzinnigheid, waarin hij zich steeds hulde, varen. Ongetwijfeld had hij geleden onder de breuk met haar, die hij eens de kleine koningin van het anarchisme genoemd had en wier rijkdom en talrijke relaties in alle kringen hem prachtig propaganda- en overwinningsmateriaal toegeschenen was.
“Zooals je weet,” ging hij, wat kalmer geworden, voort; “is die plundering en bevuiling van haar hôtel een streek van de politie … Men heeft, kort voor het proces van Salvat, het anarchisme heelemaal in discrediet willen brengen.”
Guillaume luisterde aandachtig.
“Ja, dat heeft zij mij verteld … Maar ik geloof niet veel van dat verhaal. Als Bergaz slechts gehandeld had onder den invloed, waarover je daarnet sprak, dan zou de politie hem met de anderen gearresteerd hebben, zooals ze indertijd Raphanel en hen, die hij verraden had, ook tegelijkertijd ingerekend hebben … En bovendien, ik ken Bergaz langer dan vandaag; hij is altijd een halve plunderaar geweest.”
Zijn stem was somber geworden en hij maakte een bedroefd gebaar.
“Zeker, ik begrijp alle eischen, zelfs alle wettige vergeldingsmaatregelen … Maar een diefstal, een cynische diefstal alleen uit genot om te stelen, neen, daar kan ik niet bij … De trotsche hoop op een rechtvaardige en betere maatschappij wordt daardoor in mij verwoest … Dien diefstal in het hôtel de Hardt vind ik diep en diep treurig.”
Om Janzen’s lippen speelde het raadselachtige, als een dolkmes zoo snijdende glimlachje.
“Dat is een quaestie van atavisme! De eeuwen van beschaving en geloof, die achter ons liggen, protesteeren in jou. Je moet wel terugnemen wat ze je niet willen teruggeven … Het eenige wat mij hindert, is dat Bergaz dit oogenblik uitgekozen heeft, om zich te verkoopen. Een comedie-diefstal, een oratorisch effect, dat de officier van justitie hebben wil om het hoofd van Salvat te eischen.”
In zijn haat tegen de politie en misschien ook ten gevolge van een oneenigheid, die hij met Bergaz, met wien hij vroeger bevriend was, gehad had, bleef Janzen bij deze verklaring. Het leven van dezen vaderlandlooze, die zijn bloedigen droom door geheel Europa met zich droeg, bleef ondoorgrondelijk. Guillaume zag van een verdere discussie af en zeide eenvoudig:
“Die ongelukkige Salvat. Alles komt op hem neer, alles zal hem verpletteren!… Je kunt je niet begrijpen hoe woedend dat geval mij maakt. Al mijn voorstellingen van gerechtigheid en waarheid komen daartegen in verzet. Zeker, hij is een krankzinnige, maar een, die zooveel verontschuldigingen heeft, die in den grond der zaak slechts een op het dwaalspoor gebrachte martelaar is! En nu is hij het uitverkoren slachtoffer, de zondenbok, die voor ons allen boeten moet.”
Bache en Morin schudden hun hoofd zonder te antwoorden. Zij staken hun afkeer voor het anarchisme niet onder stoelen of banken. Morin, die vergat, dat zijn eerste leermeester Proudhon het woord, ja bijna de zaak zelf in de wereld gebracht had, herinnerde zich nog slechts zijn afgod Auguste Comte, om zich met hem in het mooie, hiëratische rijk der wetenschappen op te sluiten. Hij was bereid zich aan de tyrannie te onderwerpen tot den dag, waarop het ontwikkelde en tot vrede gebrachte volk het geluk waard zijn zou. De oude humanitaire mysticus Bache werd door de individualistische dorheid van de libertaire theorie in zijn diepste overtuiging gekwetst: hij haalde zacht zijn schouders op en zeide, dat iedere oplossing te vinden was bij Fourier, die de toekomst voor eeuwig verwezenlijkt had door de alliantie van talent, kapitaal en arbeid te decreteeren. Toch waren beiden met de burgerlijke republieken, die de hervormingen zoo langzaam tot stand brachten, niet tevreden; zij vonden, dat hun ideeën bespot werden, dat alles steeds slechter ging en ergerden zich eveneens over de manier, waarop de verschillende partijen Salvat trachtten uit te buiten, om de macht te behouden of die in handen te krijgen.
“Als je bedenkt, dat die ministerieele crisis nu al bijna drie weken duurt,” zeide Bache. “Alle begeerten en hartstochten worden in hun volle naaktheid bloot gelegd, het is een walgelijk schouwspel … Hebben jullie in de ochtendbladen gelezen, dat de president er weer toe heeft moeten besluiten Vignon op het Elysée te ontbieden?”
“O, kranten lees ik niet meer,” prevelde Morin met zijn moede stem. “Waarom zou ik dat doen? Die worden zoo slecht geschreven en liegen toch allemaal.”
Inderdaad kwam er aan de ministerieele crisis geen eind. De president der Republiek had de aanwijzingen, die de zitting, waarin het ministerie Barroux gevallen was, hem gaf, gevolgd en zeer correct Vignon, den overwinnaar, ontboden om hem met de vorming van een nieuw ministerie te belasten. Het scheen een heel eenvoudige zaak te zijn, die nauwlijks twee of drie dagen zou in beslag nemen, want reeds maanden lang noemde men de namen der vrienden, die de jonge leider der radicale partij in zijn kabinet zou opnemen. Maar allerlei moeilijkheden hadden zich voorgedaan, Vignon had tien dagen lang te midden van zoo onoverkomelijke hinderpalen moeten strijden, dat hij uit vrees, dat hij al zijn krachten voor later uitputten zou, wanneer hij hardnekkig volhouden bleef, den president medegedeeld had, dat hij van de opdracht afzag. Dadelijk had deze andere afgevaardigden ontboden, totdat hij er eindelijk een vond, die dapper genoeg was om op zijn beurt een proef te nemen.
Maar ook hij was op dezelfde moeilijkheden gestooten: eerst scheen het, dat een voorloopige lijst binnen enkele uren definitief zou worden, maar dan kwamen er aarzelingen, verslappingen, een langzame verlamming, die ten slotte tot een echec leidden. Het was, alsof het heimelijke woelen, dat Vignon’s werk onmogelijk gemaakt had, opnieuw begon, alsof een bende onzichtbare medeplichtigen bezig was de verschillende combinaties met een verborgen doel te doen mislukken. En de president had de vorming van een kabinet opnieuw moeten opdragen aan Vignon, die ditmaal een bijna volledige lijst in zijn zak had en zeker scheen binnen tweemaal vier-en-twintig uur te slagen.
“Maar het is nog niet uit,” zeide Bache verder. “Goed ingelichte personen verzekeren, dat Vignon nu evenmin als den eersten keer zal slagen. Niets kan mij van mijn idee afbrengen, dat Duvillard’s bende dat heele zaakje leidt. Maar ten voordeele van wien, dat weet ik niet. Maar je kunt ervan overtuigd zijn, dat het er in de allereerste plaats om gaat de zaak van de Afrikaansche sporen in den doofpot te stoppen … Als Monferrand niet al te zeer gecompromitteerd was, dan zou ik gelooven, dat hij erachter zit. Heb je niet opgemerkt, hoe de Globe, die plotseling Barroux in den steek gelaten heeft, bijna dagelijks met een eerbiedige sympathie over Monferrand spreekt. Dat is een ernstig symptoom, want Fonsègue heeft anders de gewoonte niet de overwonnenen zoo vroom op te rapen … Enfin, wat kan je van die vervloekte Kamer verwachten? In ieder geval gebeurt er weer iets vuils.”
“En dan die sul van een Mège,” zeide Morin, “die voor alle partijen zorgt, behalve voor zichzelf. Is het niet belachelijk dat hij denkt, dat hij alleen maar het eene ministerie na het andere behoeft omver te werpen, om eindelijk zelf kabinetsformateur te worden?”
Bij den naam van Mège protesteerden allen, één in hun gemeenschappelijken haat, luid. Bache, die in vele opzichten toch precies hetzelfde dacht als de apostel van het Staatscollectivisme, veroordeelde iedere redevoering, iedere daad van hem met een onverbiddelijke strengheid. Janzen noemde hem eenvoudig een burgerlijken reactionnair, dien men als een van de eerste wegvegen moest. Dat was de hartstocht van hen allen; dikwijls konden zij rechtvaardig zijn tegenover hun onverzoenlijkste tegenstanders, die geen enkel van hun denkbeelden duldden, terwijl het een groote, onvergeeflijke misdaad was bijna eender te denken als zij, zonder het in alle opzichten volkomen met hen eens te zijn.
Dan kwam het gesprek op Sanier, wiens blad de modder iederen dag als uit een riool haalde. Guillaume, die volgens zijn gewoonte op en neer was gaan loopen, ontwaakte uit zijn droef gepeins, om uit te roepen:
“O, die Sanier! Wat een vuil werk verricht die! Heel gauw zal er niets of niemand meer zijn, op wien hij niet gespogen heeft. Je denkt, dat hij het met je eens is, en plotseling wordt je bevuild … Heeft hij gisteren niet verteld, dat men bij zijn arrestatie op Salvat valsche sleutels gevonden heeft en portemonnaies, die hij van wandelaars gestolen zou hebben … Altijd Salvat! Salvat, het onuitputtelijk onderwerp voor artikelen! Salvat, wiens naam voldoende is om de oplaag der couranten te verdriedubbelen! Salvat, de gelukkige afleiding voor de omgekochten van de Afrikaansche sporen! Salvat, het slagveld, waarop ministeries vallen en gevormd worden! Allen buiten hem uit en wurgen hem!”
Na dezen kreet van verzet en medelijden namen de vrienden afscheid. Pierre had den geheelen avond voor het open raam gezeten en zonder een woord te zeggen geluisterd. Hij was ten prooi aan zijn twijfel, aan zijn innerlijken tweestrijd, en nog geen van de vele elkaar tegensprekende meeningen hadden hem een oplossing, een bevrediging gebracht. Zij waren het er slechts over eens, dat de oude wereld verdwijnen moest, zonder dat zij in een zelfde broederlijke krachtsinspanning de toekomstige wereld van gerechtigheid en waarheid vermochten op te bouwen.
Toen Pierre op zijn beurt ook eindelijk wegging, legde Guillaume zijn beide handen op de schouders van zijn broer en keek hem, ondanks zijn toorn diep geroerd, lang aan.
“Jij lijdt ook, arme jongen, dat zie ik al een paar dagen. Maar jij bent de meester van je lijden, want de strijd wordt slechts in jou zelf gestreden, jij kunt je zelf overwinnen, terwijl men de wereld niet kan overwinnen, wanneer het lijden het gevolg is van haar slechtheid en ongerechtigheid!… Kom, wees dapper, handel volgens je rede, ook al moet het je tranen kosten, en je zal kalm worden.”
Toen Pierre dien nacht in zijn kleine huisje te Neuilly, waarin nog slechts de schimmen van zijn vader en van zijn moeder terugkeerden, alleen was, hield een allerlaatste strijd hem nog lang wakker. Nooit nog had hij een zoo sterken afschuw gevoeld voor zijn leugen, voor dat priesterschap, dat een zinloos gebaar voor hem geworden was, voor die soutane, welke hij eigenlijk slechts als een soort vermomming droeg. Misschien had wat hij bij zijn broeder gezien en gehoord had—de maatschappelijke ellende van sommigen, de nuttelooze en dwaze agitatie van anderen, het ondanks alle onderlinge tegenspraak hardnekkig blijvende verlangen naar een betere menschheid—hem de noodzakelijkheid van een eerlijk, in het volle licht normaal te leiden leven nog dieper doen gevoelen. Nu kon hij aan den langen droom, dien hij eens gedroomd had, dat menschenschuwe en eenzame leven van een vroom priester, die hij niet was, niet denken, zonder dat een rilling van schaamte hem doorhuiverde, zijn geweten in opstand kwam tegen die lange leugen. Nu stond het vast: hij zou niet langer liegen, zelfs niet uit barmhartigheid, om aan anderen de goddelijke illusie te geven. Maar welk een losscheuren uit alles wat hem eens lief geweest was, was het afleggen van die soutane, welke hij aan zijn huid meende te voelen plakken. Hoe troosteloos was het voor hem tegen zichzelf te moeten zeggen, dat hij, zelfs wanneer hij zich losrukte, zwak, gewond, verminkt zou blijven, zonder ooit weer te kunnen worden als andere menschen.
Daarin bestond in dien vreeselijken nacht wederom zijn strijd en zijn marteling. Zou het leven nog iets van hem willen weten? Was hij niet geteekend om eeuwig afzonderlijk te blijven staan? Hij meende zijn eed als een rood gloeiend ijzer in zijn vleesch te voelen. Waartoe diende hij zich te kleeden als andere mannen, daar hij toch nooit meer een man zijn kon? Tot nog toe had hij zoo bevend, zoo onhandig, zoo verloren in zijn verzaking en in zijn droomwereld geleefd! Niet meer kunnen! Niet meer kunnen! Deze vrees, waardoor hij bang was te zullen verlammen, liet hem niet los. En toen hij een besluit nam, deed hij het in angst, alleen uit eerlijkheid.
Toen Pierre den volgenden dag naar Montmartre terugging, droeg hij een donkere jas en broek. Grootmoeder en de drie zonen lieten hun verbazing noch door een uitroep, noch door een blik blijken. Was het niet heel natuurlijk? Zij begroetten hem op dezelfde kalme manier als altijd, misschien zelfs met nog meer hartelijkheid en liefde, om de eerste oogenblikken makkelijker voor hem te maken. Maar Guillaume lachte hem vriendelijk toe. Hij zag daarin zijn werk. De genezing kwam, zooals hij gehoopt had, door hem en bij hem, in de volle zon, in het leven, dat de groote glazen deur in breede stroomen binnen vallen liet.
Ook Marie had opgekeken en zag Pierre aan. Zij wist niet wat haar zoo logisch woord: “Waarom trek je die niet uit?” hem had doen lijden. Dat hij zijn soutane afgelegd had, vond zij eenvoudig makkelijker voor het werk.
“Kom eens kijken, Pierre … Toen ik kwam, zat ik juist te kijken, hoe de wind al die rookwolken naar het Oosten drijft. Je zoudt ze voor schepen kunnen aanzien, voor een niet te tellen eskader, dat de zon purper kleurt. Ja, ja, het zijn gouden schepen, duizenden gouden schepen, die uit den oceaan van Parijs uitloopen, om de aarde beschaving en vrede te brengen!”
III.
Twee dagen later was Pierre al aan zijn nieuwe kleedij gewend; en hij dacht er zelfs niet meer aan, toen hij op een morgen op weg naar Montmartre abbé Rose voor de basilica van den Sacré-Cœur ontmoette.
De oude priester schrikte eerst en herkende hem nauwlijks in die kleeding; dan greep hij zijn beide handen en keek hem lang aan.
“O mijn zoon, dus ben je toch in de vreeselijke ellende gevallen, waarvoor ik altijd zoo bang geweest ben!” zeide hij met tranen in zijn oogen. “Ik heb er nooit met je over willen spreken, maar ik voelde wel, dat God je ziel verlaten had. Een diepere wond in mijn hart kon mij door niets toegebracht worden!”
Bevend nam hij hem wat ter zijde, als om hem te onttrekken aan de verontwaardiging der enkele voorbijgangers. Zijn krachten begaven hem en hij liet zich neervallen op een stapel steenen, die vergeten in het gras was blijven staan.
Deze diepe, echte smart van zijn ouden, hartelijken vriend trof Pierre meer dan heftige verwijten en vervloekingen gedaan zouden hebben. De plotselinge, onvoorziene pijn, welke deze ontmoeting, die hij toch had moeten voorzien, veroorzaakte, bracht ook Pierre de tranen in de oogen: deze breuk met den vromen man, wiens droom van naastenliefde—de hoop om door goedheid de wereld te redden—hij zoo lang gedeeld had, bracht hem een wonde toe, waaruit het beste van zijn bloed wegstroomde. Zij hadden, in hun verlangen om den gelukkigen oogst der toekomst te bespoedigen, samen zooveel goddelijke illusies gehad, zoo gestreefd naar het betere, zooveel vergiffenis geschonken. En nu scheidden zich hun wegen: hij, de jongere, keerde tot het leven terug en liet den oude alleen verder droomen en vergeefs wachten.
“O mijn vriend, mijn vader, het eenige wat mij spijt, nu ik al deze martelingen van mij schud, is u alleen achter te laten Ik dacht reeds genezen te zijn, maar mijn arm hart breekt nu ik u weer zie … Ween niet over mij, wat ik u smeeken mag, doe mij geen verwijten. Wat ik gedaan heb, moest ik doen—u zelf zoudt, wanneer ik uw raad gevraagd had, mij gezegd hebben, dat het beter is geen priester meer te zijn dan een priester zonder geloof en zonder eer.”
“Ja, ja,” herhaalde abbé Rose zacht; “je hadt geen geloof meer, dat vermoedde ik maar al te zeer, en ik maakte me erg ongerust over je strakheid en je heiligheid, waarin ik zooveel wanhoop raadde. Hoevele uren heb ik niet getracht je te kalmeeren! En ook nu moet je naar mij luisteren, want ik moet je redden … Helaas ik ben geen theologische geleerde, om met je te discussieeren, om je met bijbelteksten en dogma’s tot ons terug te brengen. Maar in naam der naastenliefde, mijn kind, alleen in naam der naastenliefde, denk na, vat je taak, om troost en hoop te geven, weer op.”
Pierre, die naast hem was gaan zitten, begon zich op te winden.
“De naastenliefde, de naastenliefde! Juist de zekerheid, dat zij niets beteekent, dat zij onmiddellijk bankroet slaan moet, heeft ten slotte den priester in mij gedood … Hoe kunt u gelooven, dat geven voldoende is, waar gij uw heele leven niets anders gedaan hebt dan geven, zonder dat gij voor de anderen en voor u zelf iets anders geoogst hebt dan de eeuwige, ja zelfs steeds erger wordende onrechtvaardige ellende, zonder dat gij ooit den dag bepalen kunt, waarop die afschuwelijke schande zal ophouden?… De belooning na den dood, zult u zeggen, de rechtvaardigheid in het paradijs! O, dat is geen gerechtigheid, dat is een fopperij, waaronder de wereld reeds eeuwen lijdt.”
En hij herinnerde hem aan hun leven in de wijk Charonne, toen zij samen de kleine dakloozen van de straat opraapten, toen zij den ouders in de krotten hulp brachten; hij herinnerde hem aan zijn bewonderenswaardige krachtsinspanning, die, wat hem zelf betrof, op een verwijt van zijn superieuren, op een soort verbanning ver van zijn armen uitgeloopen was. En had men hem niet met nog strengere straffen bedreigd, wanneer hij weer begon den godsdienst door in den blinde gegeven en doellooze aalmoezen in gevaar te brengen. Nu werden zijn gangen nagegaan, met argwaan aangezien; werd hij als het ware niet ondergedompeld door de voortdurend stijgende ellende, waar hij toch wist, dat hij nooit genoeg zou kunnen geven, zelfs wanneer hij over millioenen beschikte, dat hij niets deed dan het lijden der armen verlengen, die, wanneer zij vandaag aten, toch morgen niets te eten hebben zouden? Hij was machteloos; de wonde, die hij meende te verbinden, brak op hetzelfde oogenblik aan alle kanten open; het geheele maatschappelijke lichaam zou door dit gezwel aangegrepen en vernietigd worden. Maar de oude priester luisterde bevend toe en schudde zijn wit hoofd.
“Wat komt het erop aan? Wat komt het erop aan, mijn kind? Je moet geven, altijd geven, ondanks alles geven. Een andere vreugde bestaat niet … Houd je, ook al mogen de dogma’s je hinderen, aan dat Evangelie, blijf je heil zoeken in naastenliefde.”
Toen raakte Pierre in opwinding en vergat, dat hij tegen dezen eenvoudige van geest sprak, die niets was dan menschenliefde, niet in staat om hem te volgen.
“De proef is genomen; met barmhartigheid is het heil der menschheid niet te bereiken; het kan slechts uit gerechtigheid geboren worden. Dat is de langzamerhand steeds luider en luider wordende kreet, die uit alle volkeren opstijgt. Nu reeds bijna twee duizend jaar is het Evangelie een mislukking gebleven. Jezus heeft geen verlossing gebracht; het lijden der menschheid is even groot, even onrechtvaardig gebleven. Het Evangelie is niets meer dan een verouderde codex geworden, waaruit de volkeren niets dan verwarring en nadeel zullen trekken … Wij moeten ons daarvan bevrijden.”
Dat was zijn vaststaande overtuiging. Welk een vreemde dwaling was het als socialen wetgever Jezus te nemen, die te midden van een andere maatschappij, in een andere wereld, in een anderen tijd geleefd had. En zelfs wanneer men van zijn moraal en van zijn leer slechts het menschelijke en het eeuwige wilde bewaren, dat zij bevatten—welk een gevaar lag dan nog niet in de toepassing van onveranderlijke voorschriften op alle tijden. Geen enkele maatschappij zou onder de strikte toepassing van het Evangelie kunnen leven, Jezus is de vernietiger van alle natuurlijke orde, van alle werk, van alle leven; hij heeft de vrouw en de wereld, de eeuwige natuur, de eeuwige vruchtbaarheid van dingen en wezens verloochend. Toen kwam het Katholicisme en richtte op hem zijn vreeselijk gebouw van schrikaanjaging en onderdrukking op. De erfzonde is de verschrikkelijke, bij ieder schepsel terugkeerende herediteit, die niet, zooals de wetenschap, de correctieven van opvoeding, omstandigheden en omgeving toelaat.
Er is geen pessimistischer opvatting denkbaar dan dat de mensch op die wijze reeds bij zijn geboorte aan den duivel gewijd, tot zijn dood aan een eeuwigen strijd met zichzelf ten prooi is. Een onmogelijke en absurde strijd, want het gaat er daarbij om den geheelen mensch te veranderen, het vleesch en de rede te dooden, den duivel in de diepte der wateren, der bergen en der wouden te vervolgen, om hem daar met sap der aarde te vernietigen. De wereld is niets meer dan één zonde, een hel van verleidingen en lijden, die men doortrekt, om den hemel te verdienen. Deze godsdienst van den dood, welken alleen de idee der naastenliefde in stand heeft kunnen houden, maar die door het verlangen naar gerechtigheid onvermijdelijk zal weggevaagd worden, is een prachtig werktuig voor het absolute despotisme. De arme, de ongelukkige bedrogene, die niet meer aan het Paradijs gelooft, wil, dat de verdiensten van een ieder hier op aarde beloond worden; het eeuwige leven wordt weer de goede godin, het werk is de wet der wereld, de vruchtbare vrouw komt weer in eere, het dwaze schrikbeeld der hel maakt plaats voor de glorierijke, steeds voortbrengende natuur. De oude Semietische droom van het leven wordt weggevaagd door de heldere, op de moderne wetenschap steunende Latijnsche rede.