EERSTE BOEK
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
Op een ochtend in het eind van Januari stond abbé Pierre Froment, die in den Sacré-Cœur van Montmartre een mis moest lezen, reeds voor acht uur voor de basilica. Alvorens naar binnen te gaan, keek hij een oogenblik naar Parijs, welks grenzenlooze zee zich aan zijn voeten ontrolde.
Na twee maanden van vreeselijke koude, sneeuw en ijs lag Parijs nu als het ware gedompeld in een somberen, huiverenden dooi. Uit den wijden, loodkleurigen hemel hing een dichte nevel als een rouwsluier. Het geheele Oosten der stad, de wijken van armoede en werk, schenen in rosachtige dampen, waarin men den adem van werkplaatsen en fabrieken vermoedde, gehuld, terwijl naar het Westen, naar de wijken van rijkdom en genot, de mist òplichtte, niet meer dan een fijne, onbeweeglijke nevelsluier was. Nauwlijks kon men raden, waar de ronde lijn van den horizont was, het onmetelijke huizenveld geleek een chaos van steenen, bezaaid met stilstaande poelen, die de inzinkingen met een valen waterdamp vulden, en waartegen de muurkappen der gebouwen en de hoog gelegen straten roetachtig zwart afstaken. Het was een mysterievol, door wolken omsluierd Parijs, als begraven onder de asch van een ramp, reeds half verdwenen onder het lijden en de schande van wat zijn onmetelijkheid verborg.
Mager en droefgeestig in zijn dunne soutane stond Pierre nog te kijken, toen abbé Rose, die zich blijkbaar achter een pilaar verscholen had, om hem op te wachten, op hem toetrad.
“Zoo, ben jij daar eindelijk, beste jongen? Ik heb je wat te vragen.”
Hij scheen verlegen, zenuwachtig. Wantrouwend keek hij om zich heen, of er niemand was; dan nam hij hem, alsof de eenzaamheid hem niet voldoende gerust stelde, een paar passen mede in den ijzigen Noordenwind, dien hij blijkbaar niet eens voelde.
“Luister eens, het betreft een armen man, over wien ze me gesproken hebben, een ouden man van zeventig jaar, die niet meer werken kan en in een krot in de rue des Saules van honger omkomt … En nou had ik gedacht, beste jongen, dat jij die drie francs uit mijn naam moest gaan brengen, dan heeft hij tenminste nog voor een paar dagen brood.”
“Maar waarom gaat u zelf uw aalmoes niet brengen?”
Weer werd abbé Rose zenuwachtig en keek met verschrikte, schuwe blikken om zich heen.
“Neen, neen, dat kan ik niet na al die onaangenaamheden, die ik ondervonden heb. Je weet heel goed, dat ze op me letten en dat ik weer een standje krijgen zou, als ze merkten, dat ik zoo maar gaf, zonder te weten aan wien ik geef. Ja, ik heb, om die drie francs te krijgen, wat moeten verkoopen … Ik smeek je, beste jongen, bewijs mij dezen dienst.”
Diep ontroerd keek Pierre naar den goeden, reeds geheel grijzen priester met zijn dikken, goedigen mond, zijn heldere kinderoogen in het ronde, glimlachende gezicht. In een opwelling van bitterheid herinnerde Pierre zich de geschiedenis, van dezen vriend der armen, de ongenade, waarin deze vrome, menschlievende man door zijn verheven rechtschapenheid gevallen was. Zijn kleine rez-de-chaussée in de rue de Charonne, waarvan hij een asyl gemaakt had, waarin hij alle ellende der straat opnam, was ten slotte de oorzaak van een schandaal geworden. Men maakte er misbruik van zijn goedgeloovigheid en van zijn onschuld; zonder dat hij er ook maar iets van vermoedde, gebeurden er de schandelijkste dingen. Snollen, die geen man gevonden hadden, om haar mede te nemen, zochten hier haar onderkomen. De gemeenste rendez-vous werden er gegeven, het was een afschuwelijke vermenging van geslachten. Op een goeden nacht had de politie een inval gedaan, om een wegens kindermoord verdacht meisje van dertien jaar te arresteeren. De kerkelijke autoriteit had daarop abbé Rose gedwongen zijn asyl te sluiten door hem over te plaatsen naar de St. Pierre de Montmartre, waar hij zijn vicariaat terugkreeg. Het was geen ongenade, maar een eenvoudige overplaatsing. Men had hem verwijten gedaan, terwijl men nu, zooals hij zeide, zijn gangen naging; hij schaamde zich en voelde zich ongelukkig, omdat hij nu slechts in het geheim geven kon, als een dwaze verkwister, die bloost over zijn fouten.
Pierre nam de drie francs.
“Ik beloof u, dat ik heel graag doen zal wat u vraagt.”
“Je gaat toch zeker na je mis? Hij heet Laveuve en woont in de rue des Saules in een huis met een binnenplaats, even voor je in de rue Marcadet komt. Je zult het makkelijk vinden … En als je zoo goed wilt zijn me vanavond om vijf uur in de Madeleine, waar ik naar een lezing van monseigneur Martha ga luisteren, te komen vertellen hoe het afgeloopen is, dan zou je me een heel groot plezier doen. Monseigneur Martha is altijd zoo hartelijk voor me geweest. Kom jij ook niet luisteren?”
Pierre antwoordde met een ontwijkend gebaar. Monseigneur Martha, bisschop van Persepolis, die in het aartsbisschoppelijk paleis veel invloed had, sedert hij als werkelijk geniaal propagandist de inkomsten voor den Sacré-Cœur vertienvoudigde, had inderdaad abbé Rose onder zijn bescherming genomen en doorgezet, dat men hem in Parijs liet en weer naar de Saint-Pierre de Montmartre Verplaatst had.
“Ik weet niet of ik zal kunnen blijven,” zeide Pierre. “Maar in ieder geval kom ik u mijn bevindingen vertellen.”
De Noordenwind en de grimmige koude doordrong hen beiden op den eenzamen top, in den mist, welke de groote stad in een oceaan van nevels veranderde. Maar stappen deden zich hooren; en dadelijk weer vol wantrouwen, zag abbé Rose een zeer grooten en krachtigen man voorbijgaan. Hij droeg overschoenen en liep blootshoofds met zijn dik, grijs, kortgeknipt haar.
“Is dat je broer niet?” vroeg de priester.
“Ja,” antwoordde Pierre kalm; “het is mijn broer Guillaume. Nu ik in den laatsten tijd nog al eens in den Sacré-Cœur kom, zie ik hem vrij dikwijls. Hij woont hier nu al vijf-en-twintig jaar in de buurt, geloof ik. Als we elkaar tegenkomen, geven we elkaar een hand. Maar ik ben nog niet bij hem geweest … Och, tusschen ons is alles dood, we hebben niets gemeenschappelijks meer, werelden scheiden ons …”
Het liefdevolle glimlachje van abbé Rose kwam weer terug en hij maakte een gebaar, als wilde hij te kennen geven, dat men nooit aan de liefde moet wanhopen. Guillaume Froment, een geleerde met een helder hoofd, een chemicus, een afvallige, die geheel afgezonderd leefde, was nu een van z’n parochianen geworden, en wanneer de abbé langs het huis, waarin hij met zijn drie volwassen zonen steeds aan het werk was, kwam, voelde hij het als een ideaal om hem voor God te heroveren.
“Maar ik laat je hier maar in dit akelige, koude weer staan, en zoo warm ben jij ook niet gekleed … Ga je mis lezen. Tot vanavond in de Madeleine.”
En weer rondkijkend, of niemand hem hooren kon, voegde hij er smeekend, met zijn gezicht van een kind, dat altijd doet wat het niet doen mag, aan toe:
“En spreek er met niemand over. Anders zeggen ze weer, dat ik me niet goed gedraag.”
Pierre keek abbé Rose na, die zich verwijderde in de richting van de rue Cortot, waar de oude priester op een vochtigen rez-de-chaussée, die door het uitzicht op een tuintje opgevroolijkt werd, woonde. De asch, waaronder Parijs begraven lag, scheen onder de vlagen van den ijzigen Noordenwind dikker te worden. Eindelijk ging Pierre de basilica binnen. Zijn hart weende, was vol van de bitterheid, welke dit bankroet der naastenliefde in hem opgewoeld had. Welk een verschrikkelijke ironie, dat deze vrome man gestraft was omdat hij gegeven had, dat hij zich achter een pilaar verbergen moest, om te blijven geven! Niets verzachtte het branden van deze weer open gegane wond, noch den lauw-warmen vrede, dien hij binnentrad, noch de zwijgende plechtigheid van het breede, diepe schip met zijn kale, nieuwe steenen. Er waren nog geen schilderijen, geen versieringen in; de stelling, die opgericht was voor den in aanbouw zijnden koepel, versperde half den weg. Op dit vroege ochtenduur, in het grijze licht, dat door de hooge, smalle vensters binnenviel, waren aan verscheidene altaren reeds verscheidene stille missen gelezen, brandden achter in de apsis gewijde kaarsen. Vlug liep Pierre naar de sacristie, om daar de heilige gewaden aan te trekken en dan in de kapel Saint-Vincent-de-Paul zijn mis te lezen.
Maar nu de herinneringen eenmaal in hem teruggekomen waren, dacht Pierre, terwijl hij machinaal de voorgeschreven gebaren maakte, slechts aan zijn wanhoop. Sedert zijn terugkomst uit Rome—drie jaar geleden nu—leefde hij in den vreeselijksten ziele-angst, waarin een mensch geraken kan. Om zijn verloren geloof terug te vinden, had hij een eerste proef genomen, was hij naar Lourdes gegaan, om daar het naïeve kindergeloof te zoeken, dat nederknielt en bidt, het primitieve geloof der jonge volkeren, die gebogen zijn onder het juk van hun onwetendheid. Maar bij het zien van de verheerlijking van het absurde en van het verval van het gezonde menschenverstand was hij nog meer in verzet gekomen en had de overtuiging gekregen, dat het heil, de vrede der hedendaagsche menschen en volkeren niet liggen kan in het kinderlijk opgeven van de rede. Vervolgens had hij, weer aangegrepen door den drang, om lief te hebben, met een tweede proef zijn laatsten vrede op het spel gezet en was naar Rome gegaan, om te zien, of het Katholicisme zich vernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijk Christendom terugkeeren, de godsdienst van de democratie, het geloof zijn kon, dat de moderne in doodsgevaar verkeerende wereld verwachtte, om verder in vrede te kunnen leven; maar hij had daar niets gevonden dan puinhoopen, dan den verrotten stam van een boom, die geen nieuwe vruchten meer dragen kan; had er niets gehoord dan het laatste kraken van het oude, maatschappelijke gebouw, dat op het punt stond in te storten. Weer aangegrepen door zijn grooten twijfel, waarin hij bijna alles ontkende, was hij toen, uit naam van hun armen door abbé Rose teruggeroepen, weer naar Parijs teruggegaan, om daar te vergeten, zich op te offeren, te gelooven in hen, omdat zij met hun vreeselijke lijden alleen voor hem bestonden. En van af dat oogenblik, sedert die drie jaar was hij gestooten op dit bankroet der goedheid zelve, op de belachelijke, nuttelooze, gehoonde naastenliefde.
Deze drie laatste jaren had Pierre in een onophoudelijk toegenomen marteling doorleefd, waarin ten slotte zijn geheele wezen onderging. Zijn geloof was voor altijd gestorven, ja zelfs zijn hoop, om het geloof der menigte voor het gemeenschappelijk heil te benutten, was geheel vervlogen. Hij loochende alles, verwachtte niets meer dan de onvermijdelijke slotcatastrophe, opstand, moordpartijen en brandstichting, die een schuldige en tot ondergang gedoemde wereld moesten wegvagen. Als ongeloovig priester wakend over het geloof van anderen, kuisch en fatsoenlijk zijn beroep vervullend, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn vleesch en van zijn droom om redder der volkeren te zijn, hield hij zich toch staande in een eenzame en wilde grootschheid. Deze wanhopige loochenaar, die de diepte van het Niet gepeild en aangeraakt had, behield een zoo trotsche en ernstige, door zoo reine goedheid doorgeurde houding, dat hij in zijn parochie Neuilly de reputatie van een door God beminden, jongen heilige gekregen had, wiens gebed wonderen werkte. Hij was de orderegel zelf; hij bezat niet meer dan het priesterlijk gebaar zonder de onsterfelijke ziel: hij was niet meer dan een ledig graf, waarin zelfs de asch van de hoop niet meer overbleef—en door smart gemartelde vrouwen, in tranen badende parochianen aanbaden hem, kusten zijn soutane; ja, een vrouw, wier kind thuis op sterven lag, was hem in wanhoop komen smeeken aan Jezus genezing te vragen, zeker als zij was, dat Jezus die hem in het heiligdom van Montmartre, waar het wonder van zijn van liefde brandend hart vlamde, toestaan zou.
Inmiddels was Pierre in zijn heilige gewaden de kapel van Saint-Vincent-de-Paul binnengegaan. Hij ging de trede van het altaar op en begon de mis; en toen hij zich met zijn tot zegenen uitgebreide handen omkeerde, zag men zijn ingevallen gezicht, zijn door bitterheid smaller geworden, zachten mond, zijn door lijden donker geworden, liefdevolle oogen. Het was niet meer de jonge priester met het door liefdevuur verteerde gelaat, die naar Lourdes—niet meer de jonge priester met het stralende apostelgelaat, die naar Rome gegaan was. Zijn beide in eeuwigen strijd verkeerende erfdeelen—zijn vader, van wien hij den oninneembaren toren van zijn voorhoofd had; zijn moeder, die hem haar naar liefde dorstende lippen gegeven had, zetten op dit nu verwoeste gelaat, waarop in oogenblikken van vergetelheid de chaos van zijn troostelooze wanhoop oprees, hun strijd voort, den eeuwigen menschelijken strijd tusschen gevoel en rede. De lippen bekenden nog den ongestilden dorst om lief te hebben, om zich voor de menschheid te geven en te leven, een dorst, dien hij meende nooit meer te zullen kunnen lesschen, terwijl het krachtige voorhoofd daarentegen, de citadel, waardoor hij leed, hardnekkig weigerde zich over te geven aan de aanvallen van de dwaling. Maar hij bleef standvastig, verborg het verschrikkelijke van het Niet, waarin hij streed, maakte trotsch de gebaren, sprak verheven de voorgeschreven woorden uit; en de moeder, die daar tusschen de andere vrouwen neergeknield lag, de moeder, die van hem een laatste tusschenkomst verwachtte, die geloofde, dat hij sprak met God voor de redding van haar kind, zag hem door haar tranen in een engelachtige schoonheid als een bode van goddelijke genade stralen.
Toen Pierre na het offertorium den kelk ontblootte, werd hij door een groote minachting voor zichzelf aangegrepen. De schok was te heftig geweest; hij moest steeds weer aan die dingen denken. Welk een kinderachtigheid, welk een naïveteit van een arm, wanhopig, door de behoefte om lief te hebben en te gelooven gemarteld wezen lag er in die beide experimenten te Lourdes en te Rome! Hoe had hij zich kunnen inbeelden, dat de tegenwoordige wetenschap zich zou aanpassen aan het geloof van eeuwen her; hoe had hij zoo dwaas kunnen zijn, om te gelooven, dat hij, de eenvoudige priester, den paus tot andere gedachten brengen, hem bewegen kon een heilige te zijn en de wereld te veranderen. Hij voelde zich diep beschaamd; wat zou men hem uitgelachen hebben! Ook de gedachte aan een schisma joeg hem het schaamrood naar de wangen. Hij zag zich weer in Rome terug, vervuld van den droom, om een boek te schrijven, waarin hij zich van het Katholicisme afscheiden zou, om den nieuwen godsdienst der democratieën, het gelouterde, menschelijke en levende Evangelie te prediken! Welk een belachelijke dwaasheid! Een schisma!
Hij had te Parijs een edel voelenden en edel denkenden abbé gekend, die dat beroemde, aangekondigde en verwachte schisma tot stand had trachten te brengen! De arme kerel! Welk een treurige, belachelijke arbeid was dat te midden van de algemeene ongeloovigheid, van de ijzige onverschilligheid van sommigen, van de spotternijen en beleedigingen van anderen! Wanneer Luther thans terugkeerde, zou hij, vergeten en omkomend van honger op een vijfde verdieping in Batignolles sterven. Een schisma kan niet slagen bij een volk, dat niet meer gelooft, dat onverschillig geworden is voor de Kerk, dat zijn heil van elders verwacht. Het geheele Christendom, ja, het geheele Christendom zou weggevaagd worden, want het Evangelie is, afgezien van enkele moreele principes, als een sociale codex niet meer bruikbaar. De dagen, dat de soutane zwaarder op zijn schouders drukte, dat hij een minachting voor zichzelf gevoelde, nu hij aldus het goddelijke mysterie der mis celebreerde, die voor hem het gebaar van een dooden godsdienst geworden was, kwelde die zekerheid hem nog meer.
Pierre, die den kelk half met den wijn uit de miskan gevuld had, waschte zijn handen en zag opnieuw het innig smeekende gezicht der moeder. Toen geloofde hij in een liefdevolle gedachte van een door zijn eed gebonden man, dat hij voor haar priester gebleven was—een priester zonder geloof, die het geloof der anderen met het brood der illusie voedt. Maar deze heldhaftige houding, deze trotsche plichtsvervulling, waarin hij zich opsloot, was voor hem niet zonder een steeds grooter wordenden angst. Gebood de eenvoudige eerlijkheid hem niet de soutane af te werpen en onder de menschen terug te keeren? Zijn valsche positie vervulde hem op sommige oogenblikken met een walging voor zijn nutteloos heroïsme, en hij vroeg zich opnieuw af of het niet laf en gevaarlijk was de menschen in hun bijgeloof te laten verder leven.
Zeker de leugen van een God van gerechtigheid en waakzaamheid, van een toekomstparadijs, waar al het aardsche lijden weer goed gemaakt worden zou, was voor de arme menschheid met haar lijden lang een noodzakelijkheid geweest; maar welk een bedrog, welk een tyrannieke exploitatie der volkeren was het geweest, hoeveel manlijker zou het zijn de volkeren brutaalweg te opereeren, door hun den moed te geven het leven, al was het dan onder tranen, te leven! Keerden zij zich niet van het Christendom af, omdat zij een behoefte gevoelden aan een menschelijker ideaal, aan een godsdienst van gezondheid en vreugde, die geen religie des doods zijn zou? Den dag, waarop de idee der naastenliefde ineenstorten zou, zou ook het Christendom ineenstorten, want het was gebouwd op de goddelijke barmhartigheid, die als het ware een correctie is van de noodlottige ongerechtigheid en voor hem, die in dit leven leed, het uitzicht op een toekomstige belooning opende. En de naastenliefde stortte in, de armen gelooven er niet aan, maken zich boos over het leugenachtige paradijs, de belofte waarvan zoo lang hun geduld gestaald had, eischen, dat men hen voor de regeling van hun aandeel in het geluk niet naar het hiernamaals verwees. Een kreet naar gerechtigheid stijgt van aller lippen op: gerechtigheid op deze aarde, gerechtigheid voor allen, die honger hebben, die de aalmoes na achttien eeuwen moede is nog langer te helpen en die nog altijd geen brood hebben om te eten!
Toen Pierre, met zijn ellebogen op de altaartafel geleund, den kelk, na er eerst de hostie in gebroken te hebben, geledigd had, voelde hij een nog grootere troosteloosheid over zich komen. Deze laatste strijd van de gerechtigheid tegen de barmhartigheid in dit groote, door asch omsluierde, met het vreeselijke Onbekende gevulde Parijs—deze strijd, waarin zijn hart en zijn rede slag leveren zouden—was dus het laatste experiment, dat thans begon. De behoefte aan het goddelijke worstelde in hem nog tegen het alles overheerschende verstand. Hoe zou men ooit den dorst der menigten naar het mysterie kunnen lesschen? Zou, uitgezonderd dan de elite, de wetenschap voldoende zijn de begeerte te bevredigen, het lijden in slaap te wiegen, de droomen te verwezenlijken? En wat zou er van hem zelf worden in het bankroet der naastenliefde, die alleen hem in de drie laatste jaren staande gehouden, al zijn tijd in beslag genomen, hem de illusie, dat hij voor anderen nuttig was, gegeven had?
Plotseling voelde hij den grond onder zijn voeten wegzinken; hij hoorde nog slechts den kreet van het volk, dien grooten Zwijgende, die gerechtigheid eischte, gromde en bromde en dreigde het hem door geweld en list ontnomen deel terug te nemen. Niets meer kon de onvermijdelijke catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude, onder haar opstapeling van misdaden tot verdwijnen gedoemde wereld zou wegvagen, tegenhouden. Ieder uur verwachtte hij de instorting, Parijs in bloed en vlammen onder te zien gaan. Zijn afgrijzen voor gewelddaden deed hem huiveren; hij wist niet waar hij het nieuwe geloof moest zoeken, dat het gevaar bezweren kon, want hij was zich zeer goed bewust, dat het sociale en religieuze probleem één waren, dat het in den vreeselijken en dagelijkschen arbeid van Parijs daarom alleen ging; maar hij zelf was nog te verward van begrip, stond door zijn priester zijn te veel buiten het werkelijke leven, werd te zeer door twijfel en het gevoel van zijn machteloosheid verscheurd dan dat hij zou kunnen zeggen, waar waarheid, gezondheid en leven te vinden waren. O, gezond zijn, leven, eindelijk zijn hart en zijn rede bevredigen in vrede, in den zekeren, eerlijken arbeid, dien de mensch op aarde te verrichten heeft.
De mis was ten einde en Pierre verliet het altaar, toen de in tranen badende moeder, langs wie hij kwam, met bevende handen zijn misgewaad greep en het vurig kuste, zooals men de reliquie van een heilige kust, waarvan men heil verwacht. Zij dankte hem voor het wonder, dat hij bewerkt hebben moest, overtuigd als zij was thuis haar kind genezen te zullen vinden. Deze liefde, dat vurige geloof troffen hem diep ondanks de pijnlijke troosteloosheid, die zich van hem meester maakte, dat hij niet de verheven priester was, voor wien zij hem hield, dien zij in staat achtte een uitstel van den dood te verkrijgen. Maar hij liet haar getroost en versterkt gaan en smeekte de ongekende, bewuste kracht, indien er tenminste een bestond, vurig het arme schepsel te hulp te komen. Toen hij zich in de sacristie verkleed had en, gezweept door den winterstorm, weder voor de basilica stond, werd hij opnieuw door een rilling doorhuiverd en verstijfd, terwijl hij door den nevel heen trachtte te zien of de orkaan van toorn en gerechtigheid Parijs niet had weggevaagd, de verwachte catastrophe, die het eenmaal verwoesten zou, zoodat onder den loodgrijzen hemel niets over blijven zou dan een verpeste poel van zijn puinhoopen.
Pierre wilde zich onmiddellijk van de opdracht van abbé Rose kwijten. Hij volgde op den kam van Montmartre de rue du Norvins, kwam in de rue des Saules en liep tusschen bemoste muren de sterk hellende straat af. De drie francs, die hij in den zak van zijn soutane in zijn hand hield, vervulde hem met een diepe ontroering en tevens met een woede tegen de nuttelooze barmhartigheid. Maar naarmate hij verder in de hoeken der ellende afdaalde, snoerde het zien daarvan steeds meer zijn keel dicht, maakte een eindeloos medelijden zich van hem meester. Langs de sedert de groote werken aan den Sacré-Cœur aangelegde groote straten was een geheele nieuwe wijk in aanbouw. Te midden van de omvergewoelde tuinen, tusschen de nog door staketsel omgeven bouwterreinen verhieven zich reeds burgerhuizen, die met hun royale, glanzend witte gevels de oude, wankele gebouwen—verdachte kroegen met bloedroode muren, lijdensplekken met zwarte, bezoedelde krotten, waarin het menschelijke vee zich ophoopte—nog somberder en bouwvalliger maakten. Dien dag stroomde onder den lagen hemel de modder over het door de wagens stukgereden plaveisel, deed het dooiweer de muren een koud vocht uitsijpelen, terwijl uit al die vuilheid en al dat lijden een vreeselijke triestheid opsteeg.
Pierre, die tot de rue Marcadet geloopen was, keerde weer om en ging, zeker als hij was zich niet te vergissen, de binnenplaats van een soort kazerne of hospitaal binnen, die door drie onregelmatige gebouwen omgeven was. Deze binnenplaats was een soort riool, waarin zich gedurende de twee maanden van hevige vorst het vuil blijkbaar opgehoopt had; nu smolt dit alles en een afschuwelijke stank steeg uit het moddermeer op. De gebouwen waren half ingevallen; de vestibules gaapten als kelderholen; vuile ramen waren met bonte papieren bedekt, smerige lampen hingen overal als doodenvanen. Achter in het pothuis, dat als portiersloge dienst deed, zag Pierre slechts een ziekelijken man, die in de flarden van een voormalige paardendeken gewikkeld was.
“Er moet hier een oude werkman, Laveuve, wonen. Welke trap? Welke verdieping?”
De man antwoordde niet, zette slechts een paar verwonderde, verschrikte idiotenoogen op. Ongetwijfeld zou de conciërge wel in de buurt zijn. De priester bleef even wachten, maar ging, toen hij achter op de binnenplaats een klein meisje zag, op zijn teenen door het riool loopend, naar haar toe.
“Ken jij in het huis ook een ouden werkman, die Laveuve heet, beste meid?”
Het kleine meisje, dat slechts in een verfomfaaid rose linnen jurkje gekleed was, rilde van de koude, haar handen waren met kloven overdekt. Zij keek met haar, ondanks de winterwonden, aardig gezichtje naar hem op.
“Laveuve, weet niet, weet niet!”
En met haar onbewust bedelaarsgebaar stak zij een van haar arme, verkleumde en gezwollen handjes uit. Toen hij haar een klein geldstukje gegeven had, begon zij, als een uitgelaten geit door de modder te hollen en met een schel stemmetje te zingen:
“Weet niet, weet niet, weet niet!”
Hij besloot haar te volgen. Zij was in een der gapende vestibules verdwenen en hij klom achter haar een donkere, stinkende trap op. De treden waren half gebroken en zoo glibberig door den hier neergeworpen groentenafval, dat hij zich aan het vettige touw, waarmede men zich naar boven heesch, moest vasthouden. Maar alle deuren waren gesloten; hij klopte vergeefs aan de meeste en kreeg bij de laatste niets dan een dof gebrom te hooren, als was er een dier in opgesloten. Toen hij weer op de binnenplaats was, aarzelde hij even, doch ging toen een andere trap op. Ditmaal werd hij bijna verdoofd door een doordringend geschreeuw, het geschreeuw van een kind, dat vermoord wordt. Hij liep in de richting van dat geluid en kwam eindelijk terecht voor een groote, openstaande kamer, waarin een alleen gelaten kind, dat, blijkbaar om niet te vallen, op zijn klein stoeltje vastgebonden was, aan één stuk door zat te huilen. Hij wilde weer naar beneden gaan, verstard door zooveel gebrek en verwaarloozing.
Maar op dat oogenblik kwam een vrouw, die een paar aardappelen in haar schort had, thuis; toen hij haar naar Laveuve vroeg, keek zij wantrouwend naar zijn soutane.
“Laveuve, Laveuve, ik weet het waarachtig niet. Als de conciërge er was, zou zij het u misschien wel kunnen zeggen … Er zijn hier zooveel trappen, dat je elkaar niet kent, en bovendien wisselt het ieder oogenblik … Maar kijk eens achterin.”
De achtertrap was nog erger dan de andere, de treden waren weggerot, de muren kleefden als sijpelde er angstzweet door. Op ieder portaal wasemden de goten en bestekamers een verpestenden stank uit; uit iedere kamer klonk gejammer en getwist. Een deur ging open, en op den drempel verscheen een man, die een vrouw aan haar haren voortsleepte, terwijl drie kleine kinderen huilden. Op de bovenste verdieping zag hij in een kamer een ziekelijk, hoestend meisje met een reeds verlepte borst, dat, wanhopig omdat zij geen melk meer had, door op en neer te loopen een zuigeling tot rust trachtte te brengen. In een kamer ernaast werd hij pijnlijk getroffen door den hartverscheurenden aanblik van drie in lompen gekleede wezens, aan wie geen leeftijd of geslacht meer te onderscheiden was en die midden in de kale kamer gulzig uit denzelfden schotel een voer aten, waar honden hun neus voor opgetrokken zouden hebben. Zij lichtten nauwelijks hun hoofd op, bromden iets, maar gaven geen antwoord op zijn vragen.
Pierre wilde weer naar beneden gaan, toen hij heelemaal in de hoogte bij het begin van een gang, een laatste poging waagde en aan een deur klopte. Een vrouw deed open; haar ongekamd haar werd al grijs, hoewel zij niet ouder dan veertig was; haar bleeke lippen, haar omkringde oogen en haar geel gelaat drukten een groote moeheid uit, iets als voortdurende, aanhoudende vrees onder de steeds blijvende ellende. Bij het zien van de soutane werd zij verlegen en stamelde:
“Kom binnen, mijnheer de abbé, kom binnen!”
Maar een man, die Pierre eerst niet gezien had, een werkman van een jaar of veertig, groot, mager, kaal met enkele verkleurde baard- en snorharen, maakte een heftig, dreigend gebaar, als wilde hij den priester de deur uitgooien. Maar hij hield zich in, ging naast de wankele tafel zitten en deed, alsof hij de aanwezigheid van den geestelijke negeerde. In de kamer was verder nog een blond meisje van een jaar of elf, twaalf, met een lang, zacht gezichtje en de intelligente, eenigszins ouwelijke uitdrukking, die de ellende en groote armoede aan kinderen geeft; hij riep het en hield het tusschen zijn knieën, als om het tegen de aanraking met de soutane te beschermen.
Ofschoon de ontvangst Pierre allesbehalve aanmoedigde en hij uit het kale, onverwarmde vertrek en de terneergeslagenheid van deze drie wezens de diepe ellende der familie begreep, besloot hij toch zijn vraag te herhalen.
“Kent u ook een ouden werkman Laveuve in dit huis?”
De vrouw, die, nu zij zag, dat haar man er boos om was, beefde, omdat zij hem had laten binnenkomen, trachtte schuchter de zaak goed te maken.
“Laveuve, Laveuve, neen … Ken jij hem soms, Salvat?”
Salvat haalde zijn schouders op maar het kleine meisje kon niet zwijgen.
“Zeg moeder Théodore, misschien is het de philosoof wel.”
“Een vroegere schilder,” ging Pierre voort: “een oude, zieke man, die niet meer kan werken.”
Nu begreep madame Théodore dadelijk alles.
“Ja, dat is hij, dat is hij … Wij noemen hem den philosoof, een bijnaam, dien zij hem gegeven hebben, maar daarom kan hij best Laveuve heeten.”
Salvat, die een van zijn vuisten naar den hemel balde, scheen te protesteeren tegen de gruwelen van een wereld en van een God, die de oude werklieden als afgejakkerde paarden van honger liet crepeeren. Maar hij zeide geen woord; hij verviel weer in een woest, diep zwijgen, in die soort van pijnlijk peinzen, waarin hij verzonken was, toen de priester binnenkwam. Hij was een werktuigkundige. Zijn oog rustte voortdurend op een zak met gereedschappen, een kleine, lederen zak, waarin iets òpbultte, waarschijnlijk het een of ander voorwerp, dat hij moest terugbrengen. Blijkbaar dacht hij aan het lange stilliggen van het werk, hoe hij gedurende de twee laatste maanden van den verschrikkelijken winter vergeefs naar het een of ander karweitje gezocht had. Of misschien dacht hij in het brandstichtende gepeins, dat zijn groote, vreemde, onvaste en brandende blauwe oogen in vlam zette, aan de nabije en bloedige vergeldingsmaatregelen der hongerlijders. Plotseling zag hij, dat zijn dochter den zak genomen had en dien trachtte open te maken, om te zien wat erin zat. Hij rilde, een plotselinge ontroering maakte hem bleek en met een bitter vertrokken mond zeide hij:
“Wil je dat wel eens laten, Céline? Ik heb je al zoo dikwijls verboden aan de gereedschappen te komen.”
Hij nam den zak en zette dien heel voorzichtig achter zich tegen den muur.
“Nu, woont Laveuve op deze verdieping?” vroeg Pierre.
Madame Théodore raadpleegde met een schuwen blik Salvat. Zij vond het niet goed grof te zijn tegenover priesters, wanneer zij zich de moeite gaven te komen, want dikwijls kon je een paar sous van hen los krijgen. Toen zij uit Salvat’s zwijgen opmaakte, dat hij haar haar gang liet gaan, bood zij Pierre dadelijk aan hem den weg te wijzen.
“Als mijnheer de abbé het goed vindt, ga ik wel even mede. Het is juist aan het einde van de gang. Maar je moet den weg weten, want je moet nog een paar treden op.”
Céline, die een tijdverdrijf zag, ontsnapte aan de knieën van haar vader en ging ook met den priester mede. Salvat bleef alleen achter in het vertrek van armoede en lijden, van ongerechtigheid en toorn; hij had geen vuur, geen brood, en hield, door zijn vurige droomen vervolgd, zijn blikken gevestigd op den zak, alsof daarin met de gereedschappen het heil der wereld lag.
Inderdaad moesten zij nog eenige treden op en dan stond Pierre achter madame Théodore en Céline in een soort smal dakkamertje van een paar meter in het vierkant, waarin men niet rechtop kon staan. Het licht viel slechts door een klapvenster binnen, maar daar de sneeuw hoog tegen het raam lag, moest men, om wat te kunnen zien, de deur wijd open laten. In plaats van het daglicht kwam de dooi naar binnen, smolt de sneeuw, die droppel voor droppel naar beneden viel en den vloer overstroomde. Na die lange weken van bittere koude doordrong de vochtigheid nu alles met een rilling. En daar nu lag, zonder een stoel, zonder een stuk plank zelfs, in een hoek van den kalen vloer op een hoop smerige lompen Laveuve als een half gecrepeerd dier tusschen een stapel vuil.
“Dat is hij,” zeide Céline met haar zingende stem, “dat is de philosoof.”
Madame Théodore had zich over hem heen gebogen, om te hooren of hij nog leefde.
“Ja, hij ademt, ik geloof, dat hij slaapt. Als hij alle dagen maar wat at, zou hij wel gezond zijn. Maar wat zal ik u zeggen? Hij heeft niemand meer, en wanneer je naar de zeventig loopt, zou het het beste zijn je maar in het water te gooien. Schildersknechts kunnen op hun vijftigste jaar dikwijls al niet meer op ladders staan. Eerst heeft hij nog werk op den beganen grond gevonden. Daarna heeft hij nog geluk gehad werkplaatsen te mogen bewaken. Maar nu is het uit: hij heeft overal gedaan gekregen en nu is hij twee maanden geleden hier in dezen hoek komen neervallen, om er te sterven. De huisbaas heeft hem nog niet op straat durven zetten, ofschoon hij er wel zin in heeft. Wij hier op dezelfde verdieping brengen hem nu en dan wat wijn en een paar korsten brood. Maar hoe kan je, wanneer je zelf niets hebt, aan een ander wat geven?”
Vol ontzetting keek Pierre naar de ruïne, die vijftig jaar van hard werken, armoede en sociale onrechtvaardigheid van een mensch gemaakt hadden. Eindelijk kon hij het witte, afgejakkerde, platgedrukte, misvormde hoofd onderscheiden, den onverzorgden baard, die de gelaatstrekken bedekte, het gezicht als van een oud paard, dat niet meer geroskamd wordt, de wangen, die scheefgetrokken waren, sedert de tanden waren uitgevallen, de glazige oogen, den neus, die over den mond hing, en vooral de uitdrukking van een door het zware werk uitgeput, verlamd en gebroken dier, dat alleen nog maar goed was voor het abattoir.
“De arme kerel!” prevelde de priester rillend. “En men laat hem hier maar alleen en hulpeloos van honger omkomen! Geen hospitaal, geen asyl heeft hem opgenomen!”
“Ach,” antwoordde madame Théodore met haar klagend-berustende stem; “de hospitalen zijn er voor zieken, en hij is niet ziek, hij lijdt alleen maar aan verval van krachten. En bovendien is hij allesbehalve makkelijk, laatst hebben ze hem nog in een asyl willen opnemen, maar hij wil zich niet laten opsluiten, geeft onbeschofte antwoorden aan de personen, die hem wat vragen, afgezien nog van het feit, dat hij den naam heeft te drinken en kwaad te spreken van de bourgeois … Maar Goddank, hij zal spoedig uit zijn lijden verlost zijn!”
Pierre had, toen hij zag, dat Laveuve zijn oogen opende, zich over hem heen gebogen, sprak liefdevol tegen hem, vertelde hem, dat hij hem uit naam van een vriend wat geld brengen kwam om te koopen wat hij het meest noodig had. Bij het zien van de soutane had de oude man eerst scheldwoorden gebromd, maar ondanks zijn groote zwakheid behield hij de spotzucht van den Parijschen arbeider.
“Dan zou ik graag een glas wijn drinken,” zeide hij met een duidelijke stem, “en wanneer er dan genoeg overblijft, een stuk brood, want dat heb ik in geen twee dagen geproefd.”
Céline bood aan het te gaan halen en madame Théodore zond haar uit om voor het geld van abbé Rose een brood en een liter wijn te koopen. Intusschen vertelde zij aan Pierre, dat Laveuve opgenomen had moeten worden in het Asile des Invalides du Travail, een liefdadigheidsinstelling, aan het hoofd waarvan baronesse Duvillard stond; maar het voorgeschreven onderzoek was blijkbaar zoo uitgevallen, dat men de zaak verder had laten rusten.
“Baronesse Duvillard, maar die ken ik,” riep Pierre, wiens hart bloedde, uit. “Ik zal vandaag nog naar haar toe gaan. Men mag een mensch niet langer in een dergelijken toestand laten.”
Toen Céline met het brood en den wijn terugkwam, richtten zij met hun drieën Laveuve op zijn hoop lompen op, hielpen hem met eten en drinken en lieten het overschot van den wijn en het brood—een groot brood van vier pond—bij hem staan met den raad het niet dadelijk op te eten, als hij niet wilde stikken.
“Mijnheer de abbé moest zijn adres maar geven voor het geval ik hem iets moet laten weten,” zeide madame Théodore, toen zij weer voor haar eigen deur stond.
Daar Pierre geen kaartje bij zich had, gingen zij alle drie weer naar binnen. Maar Salvat was daar niet meer alleen. Hij stond heel zacht en heel vlug te praten met een jongen, ongeveer twintigjarigen man. Deze was slank en donkerbruin, had rondgeknipte haren, het begin van een baard, heldere oogen, een rechten neus en magere lippen in een bleek, intelligent en eenigszins sproetig gelaat en een hard, eigenzinnig voorhoofd. Hij rilde van de koude in zijn versleten jasje.
“Mijnheer de abbé wil zijn adres achter laten met het oog op den philosoof,” legde madame Théodore, die het onaangenaam vond hier menschen aan te treffen, uit.
De twee mannen keek eerst den priester en dan elkaar met een vreeselijken blik aan. Plotseling spraken zij geen woord meer. Heel voorzichtig nam Salvat zijn zak met gereedschappen op.
“Ga je weer werk zoeken?”
Hij antwoordde niet, maakte slechts een toornig gebaar, als om te kennen te geven, dat hij niets meer van werk wilde weten, nu het werk zoo lang niets van hem had willen weten.
“Tracht in ieder geval wat mede te brengen, want je weet, dat er niets meer in huis is … Hoe laat ben je terug?”
Met een tweede gebaar antwoordde hij, dat hij terug zou komen als hij kon, misschien heelemaal niet. Ondanks zijn heldhaftige pogingen waren er tranen in zijn blauwe oogen, waarin een vlam brandde. Hij nam zijn dochter Céline op, gaf haar een zoen en ging dan, gevolgd door zijn jongen vriend, met zijn zak onder zijn arm weg.
“Céline,” begon madame Théodore weer; “geef je potlood aan mijnheer den abbé, en ga u hier zitten, mijnheer, dan kunt u makkelijker schrijven.”
Toen, Pierre op Salvat’s stoel voor de tafel was gaan zitten, ging zij, om de onbeleefdheid van haar man te verontschuldigen, voort:
“Hij is niet kwaad, maar hij heeft in zijn leven allerlei beroerdigheden aan zijn kop gehad, en daardoor is hij wat stuursch geworden. Het gaat hem net zoo als den jongen man, dien u daarnet gezien hebt, Victor Mathis. Dat is er ook een, die niet gelukkig is. Het is een zeer goed opgevoede, heel beschaafde man, wiens moeder, een weduwe, net genoeg bezat om droog brood te eten. Enfin, u kunt wel begrijpen, dat dat hun hoofd op hol brengt en zij de heele wereld in de lucht willen laten vliegen. Ik ben het er niet mede eens, maar ik vergeef het hun heel graag!”
Door al het onbekende en vreeselijke, dat hij om zich heen voelde, verontrust en tevens geïnteresseerd, haastte Pierre zich niet om het adres te schrijven en trachtte haar tot verdere vertrouwelijke mededeelingen te verlokken.
“Als u alles eens wist, mijnheer de abbé! Die arme Salvat is een vondeling, zonder vader of moeder; in den beginne heeft hij alles moeten aanpakken, om zijn brood te verdienen. Daarna is hij werktuigkundige geworden en nu is hij, daar sta ik voor in, een knappe, flinke werkman. Maar toen reeds had hij zijn eigen denkbeelden, maakte ruzie, wilde zijn kameraads tot staking aanzetten, zoodat hij nergens kon blijven. Toen hij dertig was, heeft hij de stommiteit uitgehaald met een uitvinder naar Amerika te gaan, die hem daar zoo uitgebuit heeft, dat hij zes jaar later ziek en zonder een sou terugkwam … Nu moet ik u nog vertellen, dat hij met mijn jongste zuster Léonie getrouwd was, die vóór zijn vertrek naar Amerika stierf en hem met de kleine eenjarige Céline achterliet. Ik leefde toen met mijn man Théodore Labitte, een metselaar; en niet om mijzelf te prijzen—maar het hielp niets of ik mij al half blind naaide, hij sloeg me zóó, dat ik voor dood op den vloer liggen bleef. Ten slotte heeft hij mij laten zitten en is er met een jonge meid van twintig jaar van door gegaan, wat me, eerlijk gezegd, meer pleizier dan verdriet deed … En toen Salvat bij zijn terugkomst uit Amerika mij met zijn kleine Céline, die hij mij voor zijn vertrek had toevertrouwd en die mij moeder noemde, alleen terug vond, zijn we als van zelf ook samen gaan leven. Wij zijn niet getrouwd, maar dat komt op hetzelfde neer, niet waar, mijnheer de abbé?”
Toch scheen zij zich er eenigszins over te geneeren, en om te laten zien, dat zij heele nette bloedverwanten had, vertelde zij verder:
“Ik heb niet veel geluk gehad, maar ik heb een andere zuster, Hortense, die met een ambtenaar, mijnheer Chrétiennot getrouwd is en prachtig op den boulevard Rochechouart woont. We waren met ons drieën uit een tweede huwelijk, Hortense, de jongste, Léonie, die gestorven is, en ik, Pauline, de oudste … Verder heb ik nog een halfbroer Eugène Toussaint, die tien jaar ouder is; ook een werktuigkundige, die nu na den oorlog bij dezelfde firma werkt, in de fabriek van Grandidier, honderd pas verder in de rue Marcadet. Jammer genoeg heeft hij laatst een beroerte gehad … Ik heb heele zwakke oogen, die ik bedorven heb met het tien uur per dag naaien. Nu kan ik zelfs geen verstelwerk meer doen, zonder dat mijn oogen dadelijk beginnen te tranen. Daarom heb ik geprobeerd werkhuizen te vinden, maar dat lukt ook al niet, alles loopt ons tegen. Zoo komt het, dat we aan alles gebrek hebben, dikwijls krijgen we twee of drie dagen niets te eten; neen, we leiden echt het leven van een hond, die zich voedt met wat hij toevallig vindt, en in de twee laatste maanden hebben we met die hevige koude dikwijls gedacht, dat we ’s morgens niet meer wakker zouden worden … Wat zal ik u zeggen? Gelukkig ben ik nooit geweest, eerst mishandeld en geslagen, en nu weggeveegd in een hoek, terwijl ik zelf niet weet waarom ik eigenlijk leef.”
Haar stem was treurig geworden; in haar roode oogen kwamen tranen, en Pierre voelde, dat de brave, willooze, uit het leven eigenlijk reeds verdwenen vrouw haar geheele bestaan beweende.
“O, ik heb heelemaal niet over Salvat te klagen,” zeide zij nog. “Het is een brave kerel; hij droomt er slechts van iedereen gelukkig te maken; hij drinkt niet en hij werkt, wanneer hij kan … Maar dat is zeker, als hij zich minder met politiek bemoeide, zou hij nog meer werk vinden. Je kan niet met je kameraads disputeeren, naar vergaderingen gaan en in de werkplaats zijn. Dat is een gebrek van hem, dat is niet tegen te spreken … Maar dat neemt niet weg, dat hij gelijk heeft als hij klaagt; je kan je zoo’n voortdurenden tegenslag niet voorstellen. Een heilige zou er dol om worden en het is heel goed te begrijpen, dat een arme pechvogel ten slotte er de brui aan geeft … In twee maanden heeft hij nu net één goed mensch getroffen, een geleerde, die daarboven op den heuvel woont, mijnheer Guillaume Froment, die hem wat werk gegeven heeft, zoodat we nu en dan wat soep konden maken.”
Verbaasd den naam van zijn broer te hooren, wilde Pierre nog het een en ander vragen, maar een vreemd gevoel deed hem zwijgen. Hij keek Céline, die met haar ernstig, ziekelijk gezichtje voor hem had staan luisteren, aan, en toen madame Théodore zag, dat hij tegen het kind glimlachte, zeide zij nog:
“Ja ziet u, de gedachte aan de kleine brengt hem buiten zich zelf van woede. Hij aanbidt haar, hij zou iedereen kunnen dooden, wanneer hij haar zonder avondeten naar bed ziet gaan. Zij is zoo lief en ze leert zoo goed op school! Maar nu heeft zij zelfs geen hemd meer, om erheen te gaan!”
Pierre, die eindelijk zijn adres geschreven had, liet een vijffrancsstuk in de hand van het kind glijden en zeide, om dankbetuigingen af te snijden, vlug:
“U weet nu waar u mij vinden kunt, als u mij voor Laveuve noodig hebt. Maar ik zal vanmiddag nog over hem spreken en hoop, dat men hem vanavond nog zal komen halen.”
Madame Théodore luisterde niet meer, maar putte zich uit in zegenwenschen, terwijl Céline, die schrok van de vijf francs in haar hand, mompelde:
“Die arme papa is nog al uitgegaan, om een paar sous te verdienen. Als ik hem eens naliep, om te zeggen, dat we voor vandaag genoeg hebben.”
En de priester, die reeds in de gang was, hoorde de vrouw antwoorden:
“Hij zal al een eind weg zijn. Misschien komt hij wel terug.”
Toen Pierre met kloppende slapen en een met droefheid vervuld hart uit het vreeselijke huis der ellende kwam, zag hij tot zijn verbazing Salvat en Victor Mathis in een hoek van de vuile, als een verpest riool stinkende binnenplaats staan. Zij waren naar beneden gegaan om het in de kamer afgebroken onderhoud voort te zetten. Weer praatten zij zacht en vlug met een vuur, dat ook in hun oogen brandde. Maar zij hoorden het geluid van voetstappen; toen zij den abbé herkenden, zwegen zij plotseling en gaven elkander een stevigen handdruk. Victor ging de richting van Montmartre uit; Salvat weifelde op de manier van iemand, die het noodlot raadpleegt. Dan sloeg hij, het grimmige toeval tegemoet gaande, de rue Marcadet in en liep, zijn mager, moe, hongerig en afgewerkt lichaam oprichtend, met zijn zak onder zijn arm naar Parijs.
Een oogenblik voelde Pierre den lust in zich opkomen hem te zeggen, dat zijn dochtertje hem terugriep. Maar hetzelfde vreemde gevoel van daareven, iets als discretie en angst tegelijk, de zekerheid, dat niets het noodlot tegenhouden kon, had zich weer van hem meester gemaakt. Hij zelf bezat niet meer de kalmte, de ijskoude en wanhopige troosteloosheid van dien ochtend. Toen hij weer in den huiverenden nevel van de straat stond, voelde hij opnieuw zijn koorts, het vuur der barmhartigheid, dat de aanblik van zooveel afschuwelijke en steeds weer nieuwe ellende in hem had doen ontbranden. Neen, neen, er bestond te veel lijden: hij wilde nog strijden, Laveuve redden, een weinig vreugde bereiden aan zooveel arme menschen. Het nieuwe experiment lag in dit Parijs, dat hij zoo mysterieus en zoo angstaanjagend onder de dreigende hand van de onvermijdelijke gerechtigheid had zien liggen. En hij droomde van een heldere, gezondheid gevende en bevruchtende zon, die van de stad het groote, vruchtbare veld zou maken, waaruit de betere wereld van morgen zou opschieten.
II.
Dien ochtend had er, zooals bijna iederen dag, een intiem dejeuner plaats bij de Duvillards: enkele vrienden, die meer zichzelf uitnoodigden dan dat zij uitgenoodigd werden. In dezen killen dooi- en mistdag was het koninklijke hôtel in de rue Godot-de-Mauroy, dicht bij den boulevard de la Madeleine, versierd met de zeldzaamste bloemen, een manie van de barones, die de hooge, weelderige en met de mooiste kunstschatten gevulde vertrekken in warme, geurige serres veranderde, waarin het trieste, vale daglicht van Parijs tot een zachte, streelende liefkoozing werd.
De groote receptiesalons op den rez-de-chaussée zagen uit op de groote binnenplaats; daarvoor lag een klein wintertuintje, waarin steeds twee lakeien in donkergroene livrei met gouden tressen wachtten. Een beroemde schilderijenverzameling, die op millioenen geschat werd, nam de geheele Noordzijde in, terwijl een eeretrap, die even beroemd en even kostbaar was, naar de gewoonlijk door de familie bewoonde vertrekken leidde: een grooten, rooden salon, een kleinen salon in blauw en zilver, een studievertrek, waarvan de muren met oud leder bekleed waren, een lichtgroene, op Engelsche wijze gemeubileerde eetkamer, afgezien nog van de talrijke slaap- en toiletkamers. Het uit den tijd van Lodewijk XIV dateerende hôtel had een voornamen adel bewaard, als had het zich aan den genotzuchtigen smaak van den triompheerenden, sedert een eeuw door de nieuwe almacht van het geld regeerenden smaak, overgegeven en onderworpen.
Het had nog geen twaalf uur geslagen. Baron Duvillard was, tegen zijn gewoonte in, het eerst in den kleinen salon in blauw en zilver. Het was een flinke, krachtige zestiger met een grooten neus, dikke wangen, een breeden mond met nog mooi gebleven wolfstanden. Doch hij was reeds vroeg kaal geworden, verfde de weinige haren, die hij nog over had, en schoor zich, sedert zijn baard grijs geworden was, geheel glad. Zijn grijze oogen verrieden zijn vermetelheid, zijn lach klonk als die van een veroveraar. Zijn geheele gezicht drukt de inbezitneming van die verovering, de heerschappij van den gewetenloozen gebieder uit, die van de door zijn kaste gestolen en vastgehouden macht gebruik en misbruik maakte.
Hij deed een paar passen en bleef dan voor een prachtige mand met orchideeën naast het raam staan. Op den schoorsteenmantel en op de tafel geurden ruikers viooltjes. In den slaperig makenden parfum, in de diepe, warme stilte, die uit het behang scheen te vallen, strekte hij zich makkelijk uit in een der blauwzijden, met zilverdraad bewerkte fauteuils; dan nam hij een courant uit zijn zak en begon voor de tweede maal een artikel te lezen, terwijl het geheele paleis om hem heen hem zijn reusachtig vermogen, zijn souvereine macht, de geheele geschiedenis van de eeuw, die hem tot gebieder gemaakt had, voor den geest riep. Zijn grootvader, Jérôme Duvillard, zoon van een advocaat te Poitou, was in 1788 op achttienjarigen leeftijd als notarisklerk naar Parijs gekomen; taai, intelligent en hebzuchtig als hij was, had hij—eerst met het speculeeren in nationale goederen en later als leverancier der keizerlijke legers—de drie eerste millioenen verdiend. Zijn vader, Grégoire Duvillard, de zoon van Jérôme, geboren in 1805, was de groote man der familie, degene, die het eerst in de rue Godot-de-Mauroy regeerde, nadat koning Louis-Philippe hem den baronstitel verleend had, en bleef onder de Julimonarchie en onder het tweede keizerrijk door zijn schandaalverwekkende winsten bij alle beroemde diefstallen der speculatie, de mijn-, spoorweg- en Suez-aandeelen een der helden van de moderne financieele wereld. Hij zelf, Henri, geboren in 1836, had zich eerst op vijf-en-dertigjarigen leeftijd, kort na den oorlog en na den dood van baron Grégoire, met de zaken bemoeid, maar toen ook dadelijk met zoo’n razende begeerte, dat hij in een kwart eeuw het vermogen opnieuw verdubbeld had.
Hij was de verderver, de verwoester, die alles wat hij aanraakte, bedierf en verslond; hij was ook de verleider, de kooper van veile zielen, die tegenover de nu eveneens hebzuchtig en ongeduldig geworden democratie de nieuwe tijden begrepen had. Zedelijk minder hoogstaand dan zijn vader en zijn grootvader, bezat hij de fout, dat het hem minder om de verovering dan om den buit te doen was; desniettemin was hij een verschrikkelijke man, een machtige triumphator, die met een zekeren blik zijn operaties overzag, met iederen streek van zijn hark millioenen samenraapte, met de regeeringen op vertrouwelijken voet stond en, zoo niet Frankrijk, dan toch een heel ministerie in zijn zak steken kon. In den tijd van een eeuw, in drie generaties had zich de reeds door den komenden storm bedreigde en aan het wankelen gebrachte heerschappij in hem belichaamd. En menigmaal werd zijn gestalte grooter, stak boven alles uit, werd de bourgeoisie zelf, die bij de deeling van 1789 ten koste van den vierden stand alles tot zich getrokken, zich met alles vetgemest had en niets teruggeven wil.
Het artikel in het stuiversblaadje, dat de baron voor de tweede maal las, scheen hem zeer te interesseeren. De Voix du Peuple was een schendblad, dat, onder voorwendsel de beleedigde gerechtigheid en moraal te verdedigen, iederen ochtend, in de hoop zijn oplage daardoor te vergrooten, met een nieuw schandaal kwam. Dien ochtend prijkte met groote letters de titel: “De Afrikaansche spoorwegen. Een omkooperij van vijf millioen. Twee ministers verkocht. Dertig Kamerleden en senatoren gecompromitteerd.” Dan kondigde in een venijnig-hatelijk artikel de hoofdredacteur, de beruchte Sanier, aan, dat hij de lijst der twee-en-dertig Parlementsleden bezat en publiceeren zou, wier stemmen baron Duvillard bij de stemming over de Afrikaansche spoorwegen gekocht had. Een heele romantische geschiedenis werd daaraan verbonden: de avonturen van een Hunter, dien de baron als drijver gebruikt had en die nu op de vlucht was. Heel kalm las de baron iederen zin over, haalde zijn schouders op, ofschoon hij alleen was, en zeide in de rustige zekerheid van iemand, die zich gedekt voelt en te machtig is, om verontrust te worden, hardop:
“De stommeling! Hij weet er nog minder van dan hij zegt!”
Juist op dat oogenblik kwam de eerste gast, een elegant gekleede, knappe, nauwelijks vier-en-dertigjarige jongeman met lachende oogen, een fijnen neus, een gefriseerden baard en iets overmoedigs, lichtvaardigs, vogelachtigs in zijn manier van doen. Bij uitzondering scheen hij dien ochtend zenuwachtig en onrustig.
“Zoo ben jij daar, Dutheil?” zeide de baron opstaande. “Heb je het gelezen?”
En hij wees op de Voix du Peuple, die hij weer opvouwde en in zijn zak stak.
“Zeker, ik heb het gelezen. Het is krankzinnig … Hoe is Sanier aan die lijst met namen gekomen? Er moet een verrader zijn!”
De baron, die zich in zijn geheimen angst verkreukelde, keek hem kalm aan. Dutheil, de zoon van een bijna armen en zeer fatsoenlijken notaris te Angoulême, was door deze stad, dank zij den goeden naam van zijn vader, nog op zeer jeugdigen leeftijd als afgevaardigde naar de Kamer gezonden. Hij leefde daar een vroolijk leventje, dat als het ware een voortzetting was van zijn in nietsdoen en fuiven doorgebrachten studententijd; maar zijn elegante jonggezellenkamer in de rue de Serêne, zijn successen als knap man bij de vrouwen kostten hem veel geld. Zoo was hij al tot allerlei compromissen, tot alle mogelijke laagheden afgegleden als een luchthartig en onbezonnen man, die aan dergelijke kleinigheden niet het minste gewicht hecht.
“Kom!” zeide de baron eindelijk. “Heeft Sanier de lijst? Ik betwijfel het hard, want er bestaat geen lijst, Hunter is niet zoo stom geweest er een te maken … En zelfs al was het zoo? Het is een heele gewone geschiedenis; er is niets gebeurd, wat bij zulke dingen niet altijd gebeurt!”
Dutheil, die voor het eerst in zijn leven angstig was, luisterde naar hem in een behoefte, om gerustgesteld te worden.
“Dat heb ik ook al tegen mezelf gezegd. De zaak heeft niets om het lijf.”
Hij trachtte zijn glimlach terug te vinden; hij wist niet precies meer hoe hij in deze zaak aan die twaalf duizend francs kwam: òf het een leening was òf onder het voorwendsel van een fictieve publiciteit, want Hunter was zoo handig geweest om het schaamtegevoel van zelfs de minst jonkvrouwelijke gewetens te sparen.
“Neen hoor, de zaak heeft niets om het lijf,” herhaalde Duvillard, die blijkbaar veel pleizier had in den angst van Dutheil. “Heb je Silviane gezien?”
“Ik kom juist van haar vandaan; zij is woedend op u … Vanmorgen heeft zij gehoord, dat er geen quaestie van is, dat zij aan de Comédie komt.”
Een kleur van woede maakte plotseling het gelaat van den baron purper. Hij, die zoo kalm en spottend gebleven was bij het dreigend schandaal van de Afrikaansche spoorwegen, verloor, zoodra het om dit meisje, den laatsten hartstocht van zijn zestig jaar, ging, zijn zelfbeheersching; zijn bloed kookte.
“Komt zij niet aan de Comédie? En eergisteren hebben ze het me op het ministerie van Schoone Kunsten zoo goed als zeker beloofd.”
Het was een eigenzinnige luim van die Silviane d’Aulnay. Zij had tot nog toe op de planken slechts een schoonheidssucces behaald en stond er nu op aan de Comédie te komen, waar zij in Polyeucte als Pauline wilde debuteeren, een rol die zij al maanden lang als een bezetene bestudeerde. Het leek krankzinnigenwerk: heel Parijs lachte erom, want de jonge dame had den naam afgrijselijk pervers te zijn en zich aan de liederlijkste ontucht over te geven. Maar zij liet de menschen praten, eischte, zeker van haar overwinning, de rol.
“De minister heeft niet gewild,” legde Dutheil uit.
De baron stikte bijna van woede.
“De minister, de minister! Dan zal ik dien minister laten vallen.”
Hij kon er niet verder op in gaan, want baronesse Duvillard kwam binnen. Ondanks haar veertig jaren was zij nog een mooie, knappe vrouw, hoogblond, groot, alleen wat te gezet, met prachtig geconserveerde schouders en armen en een vlekkelooze zijden huid. Alleen haar gelaat begon de sporen van den ouderdom te vertoonen, eenigszins te verwelken en vlekkerig-rood te worden. Dat was haar ieder uur terugkeerende kwelling en zorg. Haar Joodsche afkomst sprak uit het eenigszins lange gelaat, dat een zeldzame charme had, en de wellustig-zachte oogen. Indolent als een Oostersche slavin, had zij een afkeer van beweging, van loopen en zelfs van spreken, scheen zij met haar voortdurende zorg voor haar eigen persoon, als voor den harem geschapen. Dien dag was zij geheel in het wit: een verrukkelijk, schitterend-eenvoudig toilet.
Met een verrukt gezicht complimenteerde Dutheil haar en kuste haar hand.
“U brengt weer wat lente in mijn ziel, barones. Parijs is vanochtend zoo donker en modderig.”
Maar een tweede gast kwam binnen, een knappe, flinke man van vijf- of zes-en-dertig jaar; en de baron, geheel door zijn hartstocht opgezweept, maakte van de gelegenheid gebruik, om Dutheil mede te nemen naar zijn studeerkamer.
“Ga even met me mede. Ik wou nog een paar woorden over die quaestie zeggen … Mijnheer de Quinsac wil mijn vrouw wel een oogenblik gezelschap houden.”
Zoodra zij met de Quinsac, die haar eerbiedig de hand gekust had, alleen was, keek zij hem lang en zwijgend aan, terwijl haar mooie, liefdevolle oogen zich met tranen vulden. In de diepe, eenigszins pijnlijke stilte, die ontstaan was, zeide zij eindelijk fluisterend:
“Wat voel ik mij gelukkig een oogenblik met je alleen te zijn, beste Gérard. In geen maand heb je me dat geluk gegund.”
De manier, waarop Henri Duvillard met de jongste dochter van Justus Steinberger, den rijken Joodschen bankier, getrouwd was, vormde nog steeds een legendarische geschiedenis. Evenals de Rothschilds waren de Steinbergers in den beginne met hun vieren broers: Justus te Parijs, de drie andere te Berlijn, Weenen en Londen, wat hun geheim bondgenootschap een groote kracht, een internationale en almachtige heerschappij over de Europeesche geldmarkt gaf. Justus was de minst rijke van de vier en had in baron Grégoire een te duchten tegenstander, met wien hij om alle groote prooien moest strijden. Na zulk een verwoed tweegevecht in een hebzuchtige verdeeling van den buit, was hij op het scherpzinnige denkbeeld gekomen zijn jongste dochter Eve te laten trouwen met Henri, den zoon van den baron. Deze was tot nog toe voor een aardigen jongen, een sport- en clubman doorgegaan: de berekening van Steinberger was blijkbaar, dat hij na den dood van den reeds door de doktoren opgegeven baron de hand zou kunnen leggen op de concurreerende bank, wanneer hij alleen maar een makkelijk te overwinnen schoonzoon tegenover zich had. Juist in dien tijd was Henri hartstochtelijk verliefd geworden op de toenmaals schitterende, blonde schoonheid van Eve. Hij wilde haar bezitten, en de vader, die zijn zoon kende, had toegestemd en lachte in zijn vuistje om “de kat, die Justus in den zak kocht”, zooals hij het zelf noemde.
En inderdaad was het huwelijk voor Justus een ramp gebleken, want na den dood van zijn vader kwam achter den genotsmensch de op buit beluste man te voorschijn in Henri, die zich in de uitbuiting van de ontketende begeerten der nu eindelijk in het bezit der macht zijnde burgerlijke democratie het grootste deel naar zich toe haalde. Niet alleen had Eve Henri, die op zijn beurt de almachtige bankier werd, welke meer dan ooit de markt beheerschte, niet verslonden, maar had de baron in minder dan vier jaar Eve opgegeten en verteerd. Nadat hij haar vlak achter elkaar moeder van een dochter en een zoon gemaakt had, verwijderde hij zich gedurende haar laatste zwangerschap plotseling van haar, als had hij een walg van haar gekregen—als van een vrucht waarvan men genoeg genoten heeft en die men wegwerpt. Toen zij hoorde, dat hij tot zijn jonggezellenleven terugkeerde en het met andere vrouwen hield, was zij eerst verbaasd en wanhopig geweest, doch al heel spoedig had zij, zonder verwijten te doen of een poging te wagen om hem weer voor zich te veroveren, harerzijds ook een amant genomen.
Den amant, dien zij op haar vijf-en-twintigste jaar gekozen had, behield zij meer dan vijftien jaar; zij was hem volmaakt trouw, zooals zij haar echtgenoot trouw gebleven zou zijn. Toen hij stierf, was zij diep bedroefd, voelde zij zich als een weduwe. Maar toen zij zes maanden later graaf Gérard de Quinsac ontmoette, kon zij aan haar drang naar liefde geen weerstand bieden, gaf zij zich aan hem.
“Beste Gérard,” ging zij, toen zij zag, hoe verlegen de jonge man was, op haar moederlijk-verliefden toon voort; “ben je ziek geweest of is er iets, dat je hindert en dat je me verbergt?”
Zij was tien jaar ouder dan hij; en ditmaal klemde zij zich als een wanhopige aan die laatste liefde vast; met geheel haar wezen, dat in opstand kwam tegen het oud worden, aanbad zij den mooien jongen man, was zij bereid om te strijden ten einde hem tot iederen prijs te behouden.
“Neen, ik houd heusch niets voor je verborgen,” antwoordde de graaf. “Maar mijn moeder heeft de laatste dagen op bijna al mijn tijd beslag gelegd.”
Zij bleef hem met haar ongerusten hartstocht aankijken; zij vond hem zoo voornaam en edel met zijn regelmatig gezicht en zijn donkerbruine snor. Hij behoorde tot een der oudste familiën van Frankrijk en woonde samen met zijn moeder, een weduwe, die door haar man, een avontuurlijken geest, geheel geruïneerd was, maar toch op een rez-de-chaussée in de rue Saint-Dominique met haar rente van hoogstens vijftienduizend francs volgens haar stand leefde. Hij zelf had nooit iets gedaan, zijn verplichten diensttijd vervuld, maar afstand gedaan van de militaire loopbaan, zooals hij dat deed van de diplomatieke, de eenige, die eervol voor hem openstond. Zijn dagen bracht hij door in het drukke nietsdoen van jongelieden, die het Parijsche leven leiden. Zelfs zijn trotsche, strenge moeder scheen dat te verontschuldigen, alsof zij van meening was, dat een man van zijn afkomst zich onder een republiek, bij wijze van protest, op den achtergrond moest houden. Maar ongetwijfeld had zij nog andere, meer intieme en verontrustende redenen om alles door de vingers te zien. Op zijn zevende jaar had zij hem door een hersenontsteking bijna verloren, op zijn achttiende had hij over zijn hart geklaagd; de doktoren rieden aan hem in elk opzicht te ontzien. Zij wist dus welk een leugen zich achter die krachtige gestalte, dat trotsche uiterlijk verborg. Hij was niets dan asch, die steeds door ziekte en dood bedreigd werd. Achter zijn schijnbare manlijkheid was niets dan vrouwelijke willoosheid, een goed, zwak, voor alle vernederingen ontvankelijk wezen.
Bij een bezoek, dat hij met zijn streng-vrome moeder aan het Asile des Invalides du Travail bracht, had hij voor het eerst Eve ontmoet. Door zich aan hem te geven, had zij hem veroverd, en hij bleef bij haar komen, omdat hij haar nog altijd begeerlijk vond en niet wist hoe hij met haar breken kon. Zijn moeder sloot de oogen voor deze zondige liaison, zooals zij dat al voor zoovele dwaasheden gedaan had, die zij hem als aan een ziek kind vergaf. Bovendien had Eve hem nog veroverd door een daad, die de geheele wereld versteld deed staan. Plotseling hoorde men, dat monseigneur Martha haar tot het Katholicisme bekeerd had. Dat, wat zij voor haar wettigen man niet had willen doen, deed zij, om zich voor altijd van de liefde van een amant te verzekeren. Heel Parijs sprak nog van de pracht en de praal, die bij de doopplechtigheid van die vijf-en-veertigjarige Jodin, wier schoonheid en tranen aller harten geroerd hadden, in de Madeleine ten toon gespreid was.
Dit groote bewijs van liefde streelde Gérard’s ijdelheid nog steeds. Toch begon hij genoeg van haar te krijgen, had hij getracht met haar te breken door samenkomsten te vermijden; hij begreep dan ook heel goed wat zij hem met haar smeekende oogen vroeg.
“Heusch,” herhaalde hij, reeds zwak wordend; “mijn moeder heeft mij geen dag vrij gelaten. Je begrijpt, hoe heerlijk ik het gevonden had …”
Zonder een woord te zeggen, bleef zij hem smeeken; tranen kwamen aan den rand van haar oogwimpers. Het was nu al een groote maand geleden, dat zij elkaar voor het laatst in hun klein kamertje in de rue Matignon gezien hadden. Goed en zwak, evenals zij, gaf hij toe, was hij niet in staat lang te weigeren.
“Vanmiddag dan, als je wilt. Om vier uur, zooals gewoonlijk.”
Hij had fluisterend gesproken, maar een zacht geluid deed hem omkijken en rillen als een man, die op heeterdaad betrapt wordt. Het was Camille, de dochter van de barones, die binnenkwam. Zij had niets gehoord, maar uit hun glimlach, uit het beven der lucht zelf, had zij alles begrepen: weer een rendez-vous in de straat, die zij vermoedde, en nog vanmiddag. Een pijnlijk zwijgen volgde; onrustige, booze blikken werden gewisseld.
De thans drie-en-twintigjarige Camille was een donkere, eenigszins mismaakte brunette; haar linkerschouder was hooger dan haar rechter. Zij geleek noch op haar vader, noch op haar moeder: het was een van die onvoorziene toevallen in de herediteit van een familie, waarbij men zich afvraagt vanwaar zij komen. Haar eenige trots waren haar mooie donkere oogen en haar bewonderenswaardig zwart haar, dat haar kleine gestalte geheel omhullen kon, naar men zeide. Maar haar neus was lang, haar gezicht iets naar links getrokken, haar kin spits, haar trekken iets ingedrukt. De smalle, geestige, boosaardige mond verried den opgekropten wrok, de perverse woede, die in dit leelijke en om die leelijkheid verbitterde meisje verborgen was. Degene, die zij op de wereld het meest verafschuwde, was haar moeder, die nooit van haar gehouden, zich nooit met haar bemoeid, haar van de wieg af aan de zorgen van dienstboden overgelaten had. Op die wijze was er tusschen die beide vrouwen een ware haat ontstaan: bij de eene koud en zwijgend, bij de andere vurig en hartstochtelijk.
Het zwijgen bleef voortduren. Met haar scherpen, als een mes zoo snijdenden blik had Camille tegen haar moeder gezegd, dat zij alles wist; met een tweeden, smartelijken blik klaagde zij haar leed aan Gérard. Om het evenwicht tusschen de beide vrouwen weer te herstellen, vond hij niets dan het compliment:
“Dag Camille … Ha, een havanabruine japon! Het is wonderlijk, zoo goed als eenigszins donkere kleeren je staan!”
Camille keek schuin naar de witte japon van haar moeder en dan naar haar eigen toilet, dat nauwlijks haar hals en haar polsen zien liet.
“Ja,” antwoordde zij lachend; “ik zie er alleen maar schappelijk uit, wanneer ik me niet als een jong meisje kleed.”
Eve, die niet op haar gemak was, daar zij een mededinging, waaraan zij nog niet gelooven wilde, grooter voelde worden, gaf het gesprek een andere wending.
“Is je broer niet thuis?”
“Zeker, we zijn tegelijk naar beneden gekomen.”
Hyacinthe, die juist binnenkwam, drukte met een moe gebaar Gérard de hand. Hij was twintig jaar, had het lichtblonde haar en het lange, Oostersch-kwijnende gezicht van zijn moeder, de grijze oogen en de dikke, gewetenloos hebzuchtige lippen van zijn vader. Op school was hij een slecht leerling geweest, verachtte alle beroepen zonder onderscheid, was vast besloten niets te doen. Door zijn vader bedorven, interesseerde hij zich slechts voor poëzie en muziek, leefde hij in een kring van artisten, snollen, bandieten en gekken, ging hij zelf prat op ondeugden en misdaden, affecteerde hij een walging voor al wat vrouw was, stond hij de belachelijkste philosophische en sociale denkbeelden voor, verviel altijd in uitersten en was achtereenvolgens collectivist, individualist, anarchist, pessimist, symbolist, ja zelfs sodomist geweest, zonder daarom, omdat het tot den goeden toon behoorde, op te houden Katholiek te zijn. In den grond der zaak was hij een domkop en een halve idioot. In het vierde geslacht was het krachtige, hebzuchtige bloed der Duvillards na de drie prachtige roofdieren, die het voortgebracht had, als uitgeput door de bevrediging van zijn hartstochten, tot dezen mislukten hermaphrodiet gedegenereerd, die niet eens in staat was tot groote misslagen en groote uitspattingen.
Camille, die te veel verstand had, om de onbeduidendheid van haar broeder niet te merken, maakte zich vroolijk over hem: zij keek hem aan, zooals hij daar in zijn lange, geplooide jas stond, een romantische, door hem nog overdreven wederopleving van een mode, en zeide:
“Mama vraagt naar je, Hyacinthe … Kom, laat je onderrok eens zien. Wat zou jij er in meisjeskleeren aardig uitzien!”
Maar zonder te antwoorden, ging hij naar een ander gedeelte der kamer. Hoewel zij heel vertrouwelijk met elkaar omgingen, elkaar hun perverse denkbeelden vertelden en vergeefs trachtten elkaar te overtroeven, koesterde hij een heimelijke vrees voor zijn zuster. Hij wierp een minachtenden blik op de mand orchideeën, een ouderwetsche, burgerlijk geworden mode. Hij had de lelies reeds achter zich en was nu bij den ranonkel, de bloedbloem.
De twee laatste der gasten kwamen bijna tegelijk. Eerst kwam de rechter van instructie Amadieu, een intieme huisvriend, een kleine man van vijf-en-veertig jaar, dien een onlangs gevoerd anarchistenproces op den voorgrond gebracht had. Hij had een plat, regelmatig, door een grooten blonden bakkebaard omgeven magistratengezicht, waaraan hij een scherpzinnige uitdrukking trachtte te geven door steeds een monocle, waarachter zijn oog fonkelde, te dragen. Hij was een mondain man van de nieuwe school, een uitstekend psycholoog, had een boek geschreven als antwoord op de misbruiken der criminalistische physiologie, bezat een taaie eerzucht, zag graag, dat er veel over hem gesproken werd, loerde altijd op gelegenheden opzienbarende, roem gevende processen te krijgen. Ten slotte kwam nog generaal de Bozonnet, een oom van moederszijde van Gérard, een groote, magere grijsaard met een arendsneus. Door zijn rheumatiek had hij onlangs zijn ontslag moeten nemen. Tot belooning voor zijn heldhaftig gedrag bij Saint-Privat na den oorlog tot kolonel benoemd, was hij ondanks zijn monarchistische relaties, zijn aan Napoleon gezworen eed trouw gebleven. Men vergaf hem in zijn kringen dat soort militair bonapartisme, omdat hij de republiek met groote bitterheid beschuldigde het leger den genadeslag te hebben toegebracht. Verder was hij een fatsoenlijk man, die zijn zuster, madame de Quinsac, aanbad; met het aannemen der uitnoodigingen van de barones scheen hij vooral een wensch van zijn zuster te bevredigen, als om de voortdurende aanwezigheid van Gérard in dat huis natuurlijker en verklaarbaarder te doen schijnen.
Nu echter kwamen de baron en Dutheil overdreven luid lachend uit de studeerkamer terug; blijkbaar wilden zij het doen voorkomen, alsof er niets was, dat hen hinderde. Men ging nu naar de eetkamer, waar een groot vuur brandde, welks vroolijke vlammen als voorjaarsstralen glansden tusschen de fijne, met zilverwerk en kristal beladen Engelsche meubelen van licht mahoniehout. Het in lichtgroen gehouden vertrek had in het vale daglicht een eigenaardige bekoring, terwijl de in het midden staande tafel met haar rijke couverts en haar wit, met Venetiaansche kant versierd tafellinnen, als door een wonder gebloeid scheen te hebben: een geheel veld met groote, voor den tijd van het jaar prachtige en heerlijk geurende theerozen.
De barones liet den generaal rechts en Amadieu links van zich plaats nemen. De baron had Dutheil als rechter- en Gérard als linkerbuurman. De kinderen gingen aan de beide einden van de tafel zitten, Camille tusschen Gérard en den generaal, Hyacinthe tusschen Dutheil en Amadieu. Dadelijk na de roereieren met truffels ontspon zich een vertrouwelijk en vroolijk gesprek, het gewone Parijsche dejeunergesprek, waarin de groote en kleine gebeurtenissen van den vorigen avond en van den ochtend, de waarheden zoowel als de leugens, het financieele schandaal, de politieke gebeurtenissen, de laatst verschenen roman, het laatst gespeelde stuk, kortom al die verhalen de revue passeeren, die men elkaar eigenlijk moest influisteren, maar dààr hardop vertelt.
Dapper en met zijn gewone kalme onbeschaamdheid begon de baron het eerst te spreken over het artikel in de Voix du Peuple.
“Zeg eens, hebben jullie het artikel van Sanier vanochtend gelezen? Het is een van zijn beste, er zit verve in! Maar wat een gevaarlijke gek!”
Het gezegde vroolijkte het geheele gezelschap op, want dit artikel zou, als niemand er een woord over gesproken had, als een zware last op het dejeuner gedrukt hebben.
“Een tweede Panama!” riep Dutheil uit. “Maar nu krijgen we er toch genoeg van.”
“Maar die geschiedenis met die Afrikaansche sporen is zoo helder als de dag,” begon de baron weer. “Al degenen, die Sanier zoo vreeselijk dreigt, kunnen gerust slapen. Het is niets anders dan een handigheidje, om Barroux als minister te doen vallen. Er zal wel heel gauw een interpellatie aangevraagd worden en dan heb je de poppen aan het dansen.”
“Die schandaal- en lasterpers is iets, dat Frankrijk geheel ten gronde zal richten,” zeide Amadieu. “We moesten daar wetten tegen hebben.”
De generaal maakte een toornig gebaar.
“Wetten? Waarom? Ze hebben toch niet den moed om ze toe te passen.”
Er volgde een stilte. De maître d’hôtel diende geroosterde zeebarbeelen rond. Het opdienen geschiedde zoo zacht, dat men in de warme, geurige stilte der kamer niet eens het rinkelen van het vaatwerk hoorde. Zonder dat men wist hoe, was het gesprek plotseling op een ander onderwerp gekomen.
“De reprise van het stuk is immers uitgesteld?” vroeg een stem.
“Ja,” zeide Gérard; “ik heb gehoord, dat Polyeucte op zijn vroegst in April gaan zal.”
Camille, die tot nog toe gezwegen had en den jongen man weer voor zich trachtte te winnen, keek haar vader en haar moeder met haar schitterende oogen aan. Men had het over de reprise, waarin Silviane met alle geweld wilde debuteeren. Maar de baron en de barones bleven volkomen kalm, want reeds sedert zeer langen tijd behoefden zij niets voor elkaar te verbergen. Eve was zoo gelukkig met het rendez-vous, dat zij voor dien middag gekregen had. Zij dacht alleen aan dat geluk en was in haar verbeelding reeds in het liefdesnestje, terwijl zij, zonder het zich bewust te zijn, tegen haar gasten glimlachte. De baron had het in zijn gedachten veel te druk met de nieuwe stappen, die hij bij het ministerie van Schoone Kunsten doen wilde, om het engagement met geweld door te drijven. Hij zeide alleen:
“Hoe moeten ze ook in de Comédie stukken opnieuw monteeren? Zij hebben geen vrouwen meer.”
“Wat had gisteren Delphine Vignet in den Vaudeville een prachtige japon. En niemand verstaat zoo de kunst om zich te kappen als zij.”
Toen vertelde Dutheil, terwijl hij terwille van Camille zijn woorden voorzichtig koos, de amourette van Delphine met een welbekend senator. Dan kwam een ander schandaal ter sprake, de dood van een vriendin des huizes, die te brutaal door een chirurg geopereerd was, een zaak, die bijna in de handen van Amadieu gekomen was. De generaal maakte hiervan gebruik, om—zonder eenigen overgang—zijn gewone bittere uitvallen tegen de idiote organisatie van het tegenwoordige leger te plaatsen. De oude Bordeaux fonkelde als donkerrood bloed in de kristallen glazen; een reebout met truffels had zijn eenigszins scherpen geur vermengd met den uitstervenden parfum der rozen, toen de asperges gepresenteerd werden—een vroeger zeer zeldzame primeur, die thans echter zelfs geen verwondering meer verwekte.
“Die heb je tegenwoordig den heelen winter,” zeide de baron teleurgesteld.
“En gaat vanmiddag de matinée van prinses de Hardt nog door?” vroeg Gérard op hetzelfde oogenblik.
“Ja. Ga je erheen?” was Camille’s antwoord.
“Neen, ik denk het niet. Ik zal niet kunnen,” zeide de jonge man verlegen.
“Die kleine prinses is heusch een beetje geschift,” zeide Dutheil. “Jullie weten toch, dat ze zichzelf voor weduwe uitgeeft. Maar in werkelijkheid moet haar man, een echte prins, die aan een koninklijke familie verwant is, met een zangeres de wereld rondreizen. Zij heeft er de voorkeur aan gegeven in haar hôtel in de avenue Kléber te blijven regeeren, dat wel de vreemdste ark van Noach is, waarin het kosmopolitisme weelderig voortwoekert.”
“Houd je mond toch, kwaadspreker!” viel de barones hem in de rede. “Wij mogen hier Rosemonde heel graag, het is een charmante vrouw.”
“Zeker,” zeide Camille; “zij heeft ons geïnviteerd en we gaan straks naar haar toe, niet waar mama?”
Om geen antwoord te behoeven te geven, deed zij, alsof zij de vraag niet gehoord had, terwijl Dutheil, die goed op de hoogte scheen te zijn, zich vroolijk bleef maken over de prinses en haar matinée, waarop Spaansche danseressen met een zoo wellustige en geile mimiek zouden optreden, dat heel Parijs zich in haar salons verdringen zou.
“Zij heeft de schilderkunst laten varen en houdt zich nu bezig met scheikunde,” voegde Dutheil er nog aan toe. “Haar salon is thans vol anarchisten … Het komt mij zoo voor, of zij jou niet met rust kan laten, beste Hyacinthe.”
Tot dat oogenblik had Hyacinthe, alsof het geheele gesprek hem koud liet, geen woord gezegd.
“O, zij verveelt mij doodelijk,” verwaardigde hij zich te antwoorden. “Ik ga alleen naar haar matinée in de hoop er den jongen lord Elson te ontmoeten, die me daar van uit Londen rendez-vous gegeven heeft. Maar ik wil graag bekennen, dat het de eenige salon is, waar ik iemand vind, met wien ik praten kan.”
“Dus ben je ook tot de anarchie overgegaan?” vroeg Amadieu ironisch.
Onverstoorbaar en met een air van de hoogste elegantie zeide Hyacinthe:
“Och, mijnheer, ik geloof, dat in dezen tijd van algemeene laagheid en vuilheid iemand van eenige distinctie niets anders dan anarchist zijn kan.”
De geheele tafel lachte. Men verwende hem veel en vond hem heel grappig. Zijn vader vooral had er groot pleizier in, dat hij—hij! een anarchist tot zoon had, terwijl de generaal, wanneer hij zijn bittere uren had, vond, dat een maatschappij, die stom genoeg was om zich door een paar schurken te laten ringelooren, niet beter verdiende dan te verdwijnen. Alleen de rechter van instructie, die bezig was een specialist in anarchistenprocessen te worden, verdedigde de bedreigde maatschappij en deelde over wat hij het leger der verwoesting en der moorden noemde, verschrikkelijke bijzonderheden mede. Maar de andere gasten bleven glimlachen en lieten zich een werkelijk verrukkelijke eendenleverpastei goed smaken. Er was zooveel ellende, men moest alles begrijpen, de dingen zouden wel op hun pootjes terecht komen.
“Maar in ieder geval,” zeide de baron op verzoenenden toon, “zou men toch iets kunnen doen. Wat? Dat weet niemand precies. Verstandige eischen neem ik bij voorbaat aan. Zoo bijvoorbeeld de verbetering van het lot van den arbeider, goede inrichtingen stichten, zooals ons Asile des Invalides du Travail, waarop we met recht trotsch kunnen zijn. Maar men moet ons niet het onmogelijke vragen.”
Bij het dessert ontstond er een plotselinge stilte, alsof midden in het geratel van het gesprek en in den roes van het copieuse dejeuner ieders angst opnieuw zijn hart beklemde en vrees op de verontrustende gezichten te lezen was. Men zag weer de vrees van Dutheil voor een aanklacht, de angstige woede van den baron, die zich afvroeg, hoe hij het best Silviane’s wensch zou kunnen vervullen. Dat meisje was de vlek, die op hem, den sterke en machtige, kleefde, de geheime ziekte, die hem misschien zou wegvreten en verwoesten. Maar vooral zag men op de gezichten van de barones, Camille en Gérard het vreeselijke drama, die met haat vervulde rivaliteit tusschen de moeder en de dochter, die elkaar den man, welke zij liefhadden, betwistten. De vergulde mesjes schilden sierlijk de vruchten, er waren gouden trossen druiven en allerlei suikerwerk, koeken, een ontelbaar aantal lekkernijen werden rondgediend.
Terwijl de vingerkommetjes rondgegeven werden, fluisterde een knecht de barones iets in, waarop deze zacht antwoordde:
“Laat hem maar in den salon. Ik kom dadelijk.”
En zich tot de gasten wendend:
“Mijnheer de abbé Froment wil mij spreken. Hij zal ons niet storen; ik geloof, dat u hem allemaal kent. Een echt-vrome man, voor wien ik veel sympathie heb!”
Men bleef nog even aan tafel zitten en verliet dan de eetkamer.
Pierre was midden in den kleinen salon blijven staan. Toen hij op een tafel een blad met koffie en likeuren zag staan, kreeg hij spijt, dat hij aangedrongen had ontvangen te worden, en zijn verlegenheid werd nog grooter, toen de gasten eenigszins luidruchtig, met schitterende oogen en lichtgekleurde wangen binnenkwamen. Maar de vlam der barmhartigheid en der naastenliefde was weer zoo in hem opgelaaid, dat hij die verlegenheid overwon. Ten slotte had hij nog slechts het onbehaaglijk gevoel, dat hij den vreeselijken ochtend van ellende, dien hij doorleefd had, zooveel donkerte en koude, zooveel vuil en honger brengen kwam, in dit rijke, lichte, warme, met nuttelooze en overbodige dingen volgepropte huis, tusschen deze menschen, die door hun goed dejeuner in een vroolijke stemming schenen te zijn.
Dadelijk ging de barones met Gérard naar hem toe, want door dezen was de priester, die madame de Quinsac goed kende, ten tijde van de beroemde bekeering aan de Duvillards voorgesteld. Toen Pierre zich verontschuldigde op dit uur te komen, zeide zij:
“Maar u bent altijd welkom, mijnheer de abbé … Als u mij toestaat even voor mijn gasten te zorgen, dan ben ik dadelijk tot uw dienst!”
Zij ging weer naar het blad terug, om met haar dochter de koffie en de likeuren rond te dienen. Gérard bleef bij hem en begon een gesprek over het Asile des Invalides du Travail, waar zij elkaar onlangs ontmoet hadden ter gelegenheid van de eerste steenlegging van een nieuw paviljoen, dat men dank zij een prachtige gift van honderdduizend francs van baron Duvillard kon bouwen. De stichting telde nog pas vier paviljoens, terwijl er in het oorspronkelijke plan gerekend was op twaalf, die makkelijk plaats vinden konden op de op het schiereiland Gennevilliers door de stad geschonken terreinen, zoodat de inschrijving nog steeds open stond en er veel lawaai gemaakt werd met deze liefdadigheidsinstelling, die een duidelijk antwoord zijn moest aan de booze tongen, welke de vetgemeste bourgeoisie beschuldigden niets voor de arbeiders te doen. In werkelijkheid had een prachtige kapel, die men midden op het terrein gebouwd had, twee derden van het bijeengebrachte kapitaal verslonden. Dames-patronessen uit alle kringen, barones Duvillard, gravin de Quinsac, prinses Rosemonde de Harth en nog twintig anderen, hadden tot taak de stichting door inzamelingen en bazars in het leven te houden. Maar het succes was toch voornamelijk te danken aan de gelukkige gedachte, dat men de dames van de groote zorgen der organisatie ontheven had door den hoofdredacteur van den Globe, den afgevaardigde Fonsègue, een uitstekend zakenman, tot hoofd-administrateur benoemd had. De Globe maakte voortdurend propaganda, beantwoordde de aanvallen der revolutionnairen met de onuitputtelijke barmhartigheid der leidende klassen, en zoodoende had de stichting bij de laatste verkiezingen als een triomphantelijk verkiezingswapen dienst gedaan.
Camille kwam met een dampend kopje koffie naar hem toe:
“U een kopje koffie, mijnheer de abbé?”
“Neen, dank u, mademoiselle!”
“Een glaasje chartreuse dan?”
“Neen, werkelijk niet.”
Toen iedereen bediend was, kwam de barones naar hem terug en vroeg vriendelijk:
“En waarmede kan ik u nu van dienst zijn, mijnheer de abbé?”
Pierre begon bijna fluisterend, zijn keel werd als dichtgeknepen door een ontroering, die zijn hart luid deed kloppen.
“Ik kom een beroep doen op uw groote goedheid, mevrouw. Ik heb vanochtend in een verschrikkelijk huis in de rue des Saules achter Montmartre een schouwspel gezien, dat mij tot in het diepst van mijn ziel ontroerd heeft … U kunt u geen denkbeeld vormen van een dergelijke armoede en ellende, families zonder vuur of brood, mannen zonder werk, moeders, die geen melk meer hebben voor haar zuigelingen, kinderen, die nauwlijks kleeren aan hun lichaam hebben … En onder zooveel verschrikkingen heb ik de ergste, de afschuwelijkste gezien: op een hoop lompen, in een hoek, waar een hond zijn neus voor optrekken zou, lag een arbeider, die van ouderdom niet meer werken kan, van honger te sterven.”
Hij trachtte alles zoo omzichtig mogelijk te zeggen; hij schrok bijna van de woorden, die hij zeide, van de dingen, die hij vertelde in deze omgeving van groote luxe en genot, in tegenwoordigheid van deze met aardsche vreugde verzadigde gelukkigen, want hij voelde heel goed, dat hij hier een wanklank bracht. Hoe was hij op het denkbeeld gekomen, om op dit uur te gaan, wanneer het dejeuner juist afgeloopen is, wanneer het aroma der dampende koffie de zalige digestie streelt! Toch bleef hij doorspreken, verhief ten slotte, toegevend aan het verzet, dat hem prikkelde, zijn stem, vertelde zijn verhaal verder, noemde den naam van Laveuve, vroeg in naam van het menschelijk medelijden hulp en steun. Alle gasten waren dichterbij gekomen, om naar hem te luisteren; hij zag den baron, den generaal, Dutheil en Amadieu voor zich staan, die zwijgend, zonder een gebaar, met kleine slokjes hun koffie leegdronken.
“Kort en goed, mevrouw,” eindigde hij; “die oude man kan geen uur langer in dien vreeselijken toestand blijven, en ik hoop, dat u zoo goed zult zijn hem vanavond nog te laten opnemen in het Asile des Invalides du Travail, waar zijn aangewezen plaats is.”
Tranen waren in de mooie oogen van Eve gekomen. Zij was geheel van streek door deze treurige geschiedenis, die midden in de vreugde, welke zij van den namiddag verwachtte, vallen kwam. Daar zij indolent en zonder initiatief was, had zij het voorzitterschap van het comité slechts aanvaard onder voorwaarde, dat Fonsègue al de administratieve zorgen op zich zou nemen.
“O, mijnheer de abbé,” prevelde zij, “u verscheurt mijn hart. Maar ik kan niets, absoluut niets doen … Trouwens ik geloof, dat wij dat geval van Laveuve reeds onderzocht hebben … U weet, dat er bij ons slechts personen onder de strengste waarborgen genomen worden. Wij benoemen een rapporteur, die ons verslag moet uitbrengen. Hebt u u indertijd niet met het geval Laveuve belast, mijnheer Dutheil?”
De afgevaardigde dronk juist zijn glaasje chartreuse uit.
“Ja zeker, dat heb ik … Die kerel heeft u aardig voor den gek gehouden, mijnheer de abbé. Hij is heelemaal niet ziek, en wanneer u geld achtergelaten hebt, kunt u er zeker van zijn, dat hij het onmiddellijk na uw vertrek is gaan verdrinken. Want hij is altijd dronken en bovendien heeft hij het afschuwelijkste karakter, dat je je denken kan. Hij scheldt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat op de bourgeois en zegt, dat hij, wanneer hij nog armen had, de geheele wereld in de lucht zou laten vliegen. Trouwens hij wil niet eens in het Asile, dat is, volgens zijn zeggen, een echte gevangenis, waarin je bewaakt wordt door begijntjes, die je dwingen naar de mis te gaan; een vuil klooster, waar je ’s avonds om negen uur naar bed moet! En zoo zijn er zoovelen, die hun vrijheid met koude, honger en dood boven het Asile verkiezen … Laten die Laveuve’s maar op straat krepeeren, wanneer zij weigeren bij ons te komen, zich in onze asyls te verwarmen en te eten!”
De generaal en Amadieu knikten toestemmend, maar Duvillard was edelmoediger.
“Neen, neen, een mensch is een mensch en je moet hem helpen zelfs tegen zijn wil.”
Eve, die wanhopig was, bij de gedachte, dat men haar haar middag ontnemen zou, zocht allerlei uitvluchten.
“Ik verzeker u, dat ik aan handen en voeten gebonden ben. Mijnheer de abbé, twijfel niet aan mijn hart noch aan mijn toewijding. Maar hoe kan ik, zonder dat er een paar dagen mee heengaan, het damescomité bij elkaar krijgen, en zonder dat kan ik onmogelijk een besluit nemen, vooral niet in een geval, dat reeds onderzocht en waarin een beslissing genomen is.”
Plotseling vond zij een oplossing.
“Maar wat ik u raden zou, mijnheer de abbé; ga dadelijk naar mijnheer Fonsègue, onzen hoofd-administrateur. In een dringend geval kan hij alleen handelen, want hij weet, dat de dames een onbeperkt vertrouwen in hem hebben en alles, wat hij doet, goedkeuren.”
“U zult Fonsègue in de Kamer vinden,” voegde Dutheil eraan toe; “maar ik betwijfel of u rustig met hem zult kunnen spreken, want het belooft een warme zitting te worden.”
Pierre drong niet langer aan en besloot onmiddellijk naar Fonsègue te gaan en in ieder geval de opneming van den ongelukkige, wiens beeld hem vervolgde, nog vóór den avond door te drijven. Hij bleef nog eenige minuten staan praten met Gérard, die hem een middel aan de hand deed om den afgevaardigde te overtuigen: hij moest hem wijzen op de slechte uitwerking, die een dergelijke geschiedenis hebben kon, wanneer zij in de revolutionnaire bladen ruchtbaarheid kreeg. De andere gasten begonnen ook aanstalten tot vertrek te maken. Alvorens weg te gaan, vroeg de generaal aan zijn neef, of hij hem ’s middags nog zien zou bij zijn moeder, wier jour het was: een vraag, waarop de jonge man met een ontwijkend gebaar antwoordde, toen hij zag, dat Eve en Camille naar hem keken. Dan nam Amadieu, die zeide, dat hij voor een dringende zaak in het Paleis van Justitie zijn moest, afscheid. En weldra volgde Dutheil hem, om naar de Kamer te gaan.
“Dus afgesproken, van vier tot vijf bij Silviane,” zeide de baron, die hem uitliet, tegen hem. “Kom me bij haar vertellen, wat er in de Kamer gebeurd is ten gevolge van dat beroerde artikel van Sanier. Ik moet het toch weten … Ik zelf zal naar het ministerie van Schoone Kunsten gaan, om die zaak van de Comédie in orde te brengen, en dan heb ik nog verschillende dingen te doen, conferenties met aannemers en een belangrijke publiciteitsquaestie, die ik nog regelen moet.”
“Ja, van vier tot vijf bij Silviane, zoo als gewoonlijk,” zeide de afgevaardigde, die toch alles behalve gerust was over de wijze, waarop het met die beroerde geschiedenis van de Afrikaansche sporen zou afloopen.
En allen hadden reeds den ongelukkigen Laveuve, die met den dood worstelde, vergeten; allen liepen hun zorgen, hun hartstochten na: het drijfwerk had hen weer gegrepen; zij waren weer onder den molensteen gekomen, in de wilde jacht van Parijs, die hen met zich voerde en in een heftigen schok tegen elkander botsen liet, waarbij het erom ging, wie het eerst over de lichamen der anderen zijn doel bereiken zou.
“Dus u gaat met ons mee naar de matinée van de prinses, mama?” vroeg Camille, die haar moeder en Gérard bleef opnemen.
“Ja, dadelijk … Maar ik kan niet blijven, want ik heb vanmorgen een telegram van Salmon gekregen, dat ik beslist om vier uur mijn japon moet komen passen.”
Aan het beven van Eve’s stem voelde Camille, dat haar moeder loog.
“O, ik dacht, dat u morgen pas moest passen … Nu, dan zullen wij u na afloop der matinée met het rijtuig bij Salmon komen halen.”
“Neen, dat is volstrekt niet noodig, beste meid! Je weet nooit van te voren, wanneer je klaar bent, en als ik nog tijd vinden kan, ga ik naar de modiste.”
Een heimelijke woede deed een moordlustige vlam in de donkere oogen van Camille ontbranden. Er was geen twijfel meer mogelijk aan het rendez-vous. Maar ondanks haar hartstochtelijken drang, om een hinderpaal uit te denken, kon zij, durfde zij de zaak niet verder drijven. Zij had vergeefs getracht Gérard smeekend aan te zien, maar deze wendde zijn hoofd af en stond gereed om te vertrekken. Pierre, die, sedert hij bij de Duvillards kwam, van heel veel dingen op de hoogte was, voelde, dat zich hier een vreeselijk zwijgend drama afspeelde.
Uitgestrekt in een fauteuil, beet Hyacinthe op een aethercapsule, de eenige likeur, die hij gebruikte. Dan zeide hij:
“Ik ga naar de tentoonstelling Lis. Heel Parijs verdringt zich daar. Er is een beeld “De verkrachting van een ziel”, dat men bepaald gezien moet hebben.”
“Maar ik wil er heel graag met jullie naar toe gaan,” zeide de barones. “We kunnen er, vóór naar de prinses te gaan, wel even inloopen.”
“Graag, graag!” riep Camille uit, die anders gewoonlijk hardvochtig den spot dreef met de symbolistische schilders, maar nu blijkbaar hoopte een middel te vinden haar moeder op te houden.
En zich dan tot een glimlachje dwingend:
“Ga jij niet met ons mee naar Lis, Gérard?”
“Neen, dank je wel!” antwoordde de graaf. “Ik heb behoefte om wat te loopen. Ik zal abbé Froment naar de Kamer brengen.”
Met een handkus nam hij afscheid van moeder en dochter. Het was hem juist ingevallen, dat hij tot vier uur naar Silviane kon gaan, bij wie hij vrij op kon loopen, sedert hij een nacht bij haar geslapen had.
“Het doet je goed wat frissche lucht in te ademen,” zeide hij tot den priester, toen zij op de ledige, stille binnenplaats gekomen waren. “Ze stoken te hard en die vele bloemen geven je hoofdpijn.”
Eenigszins versuft ging Pierre weg; zijn handen gloeiden koortsachtig; zijn zinnen waren zwaar van al de luxe, dien hij daar achterliet als den droom van een gloeiend, geurig paradijs, waarin slechts uitverkorenen leefden. Zijn nieuwe drang tot naastenliefde was er des te grooter door geworden; hij dacht slechts aan een middel, om de opneming van Laveuve door te drijven, en luisterde niet naar den graaf, die vol liefde over zijn moeder sprak. De deur van het hôtel was achter hem dichtgevallen en zij hadden eenige stappen in de straat gedaan, toen hij plotseling het bewustzijn kreeg van een visioen. Had hij niet op den rand van het trottoir een arbeider zien staan kijken naar die monumentale deur, waarachter zich zulke fabelachtige rijkdommen verborgen? En was die arbeider niet Salvat met zijn gereedschapszak, de uitgehongerde man, die vanochtend uitgegaan was, om werk te zoeken? Vlug keerde hij zich om, want zulk een ellende tegenover zooveel genot en bezit maakte hem onrustig. Doch de werkman, die in zijn beschouwing gestoord was en misschien ook vreesde herkend te worden, verwijderde zich met een slependen stap. Toen Pierre hem nog slechts op zijn rug zag, weifelde hij en zeide hij ten slotte tot zichzelf, dat hij zich vergist had.
III.
Toen abbé Froment het Paleis Bourbon binnen wilde gaan, bedacht hij, dat hij geen kaartje bij zich had. Hij besloot reeds eenvoudig Fonsègue te laten roepen, hoewel deze hem niet kende, toen hij in de vestibule Mège zag, den collectivistischen afgevaardigde, met wien hij vroeger in den tijd van zijn militante naastenliefde op zijn zwerftochten door de ellende der wijk Charonne vriendschap gesloten had.
“Wat, jij hier? Je komt toch geen zedepreeken voor ons houden?”
“Neen, ik wou graag mijnheer Fonsègue spreken voor een dringende aangelegenheid: een ongelukkige, die niet wachten kan.”
“Fonsègue? Ik weet niet of hij er al is … Wacht maar even.”
Hij hield een kleinen, blonden man, die iets van een loerende muis had, aan en zeide:
“Hé, Massot; mijnheer de abbé Froment hier zou graag dadelijk je patroon spreken.”
“De patroon is er nog niet. Ik kom juist van het bureau, waar hij nog een kwartier te werken had. Wanneer mijnheer de abbé wachten wil, zal hij hem hier zeker kunnen spreken.”
De terugkeer van Mège in dit lawaai scheen het tumult nog te verdubbelen. Hij was groot, mager als een apostel, zag er vrij ongesoigneerd en voor zijn vijf-en-veertig jaar reeds oud en afgeleefd uit; zijn nog brandend jonge oogen fonkelden achter de glazen van zijn bril, die nooit zijn smallen, snavelvormigen neus verliet. Van zijn jeugd af had hij gehoest, hij sprak afgebeten en vurig, en slechts de grimmige wil, den hem nooit loslatenden droom van de toekomstige maatschappij te verwezenlijken, hield hem in het leven. Als zoon van een armen dokter uit het Noorden was hij als jonge man naar Parijs gekomen, had in het rijk der lagere journalistiek geleefd en zich daarna als spreker in openbare vergaderingen naam gemaakt; en toen hij na den oorlog door zijn vurig geloof en zijn strijdlustig temperament de leider der collectivistische partij werd, was het hem gelukt eindelijk in de Kamer te komen. Goed op de hoogte van alles, streed hij daar als doctrinair, die volgens zijn overtuiging over de wereld beschikt had en het dogma van het collectivisme van te voren stuk voor stuk regelt, met wilde energie en hardnekkigheid voor zijn denkbeelden. Sedert hij als afgevaardigde uit de staatsruif at, zagen de buitenstaande socialisten in hem nog slechts een rhetor of liever een dictator, die er slechts op uit was de menschen om te smelten, ten einde hen voor zijn geloof te veroveren en ten slotte te regeeren.
“Weet je wat er aan de hand is?” vroeg hij aan Pierre. “Weer een mooi zaakje, wat?… Maar wat zal ik je zeggen? We zitten nu eenmaal tot over onze ooren in de modder.”
Vroeger had hij een ware sympathie opgevat voor dezen priester, dien zoo liefdevol voor de armen was, zoo innig verlangde naar een sociale wedergeboorte. En op zijn beurt was de priester belang gaan stellen in den autoritairen droomer, die vastbesloten was de menschen, zelfs tegen hun wil in, gelukkig te maken. Hij wist, dat hij arm was en met een vrouw en vier kinderen, die hij aanbad, in het verborgen leefde.
“Je begrijpt natuurlijk, dat ik het niet met Sanier eens ben,” ging hij voort. “Maar nu hij vanochtend gedreigd heeft de lijst te zullen publiceeren van allen, die zich hebben laten omkoopen, kunnen we ons niet langer den schijn laten aanleunen medeplichtigen te zijn. Reeds lang hebben we gemeene streken vermoed, waartoe die geschiedenis met de Afrikaansche sporen de gelegenheid bood. En het ergste is, dat twee leden van de tegenwoordige regeering ermede gemoeid zijn, want toen drie jaar geleden de Kamers zich met de emissie-Duvillard bezig hielden, was Barroux aan Binnenlandsche Zaken en Montferrand aan Openbare Werken. Bestaat er, nu zij teruggekeerd zijn, de een als Minister van Binnenlandsche Zaken en de andere als Minister van Financiën en tevens minister-president, een mogelijkheid hen niet te dwingen ons, zelfs in hun eigen belang, in te lichten over hun vroegere handelingen … Neen, neen, zij mogen en kunnen niet zwijgen. Ik heb al aangekondigd, dat ik vandaag een interpellatie zal houden.”