VIJFDE BOEK (continued 3)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
“Ze noemen Monferrand weer,” zeide Guillaume.
“Ja, hij moet veel kans hebben. Er wordt hard voor hem gewerkt.”
Dan verklaarde Bache, die zich met bitteren spot over Mège vroolijk maakte, dat de collectivistische afgevaardigde door het doen vallen van ministeries, zoo’n beetje voor gek speelde; beurtelings diende hij de eerzucht van iedere partij, zonder ooit de minste kans te hebben zelf aan het bewind te komen.
“Laten zij elkander maar verslinden,” zeide Guillaume. “In hun grimmige eerzucht om te regeeren, om over het geld en de macht te beschikken, strijden zij slechts om personenquaesties. Maar dat belet niet, dat de revolutie voortgaat en de gebeurtenissen zich voltrekken. Boven alles staat de voortschrijdende menschheid.”
Pierre werd door die woorden zeer getroffen en zonk weer in zijn herinneringen terug. Het angstaanjagende experiment begon weer; hij was weer midden in het onmetelijke Parijs. Parijs, dat was de reusachtige ketel, waarin een geheele menschheid borrelde, de slechtste en de beste, het vreeselijkste heksenbrouwsel, de kostbaarste poeders vermengd met excrementen, waaruit de drank van liefde en eeuwige jeugd te voorschijn moest komen. En in dien ketel zag hij in de eerste plaats het schuim der politieke wereld: Monferrand, die Barroux den nek omdraaide, geldwolven als Fonsègue, Dutheil en Chaigneux kocht, middelmatigheid als Taboureau en Dauvergne uitbuitte en alles, tot zelfs den sectarischen hartstocht van Mège en de intelligente eerzucht van Vignon aan zijn belangen dienstbaar maakte. Dan kwam het vergiftigende geld, de zaak met de Afrikaansche sporen, die het Parlement verrot had, die van Duvillard den triompheerenden bourgeois, den openbaren verleider, den kanker der financieele wereld gemaakt had.
Vervolgens kwam in juiste volgorde het gezin van Duvillard, dat hij zelf infecteerde, de verschrikkelijke geschiedenis van Eve, die Gérard aan haar dochter Camille betwistte, die hem haar ontstal; de zoon Hyacinthe, die zijn maîtresse Rosemonde, een half krankzinnige, gaf aan Silviane, een bekende hoer, met wie zijn vader zich openlijk afficheerde. Dan kwam de oude, uitstervende aristocratie met de bleeke gestalten van madame de Quinsac en markies de Morigny; de oude militaire geest, welks begrafenis door generaal de Bozonnet geleid werd; de aan de regeering onderworpen magistratuur—een Amadieu, die zijn carrière met opzienbarende processen maakte, een Lehmann, die zijn requisitoir schreef in het kabinet van den minister, wiens politiek hij verdedigde; de hebzuchtige, leugenachtige, van schandaal levende pers, de eeuwige vloed van laster en vuiligheden, dien Sanier voortstuwde, de vroolijke onbeschaamdheid van den gewetenloozen Massot, die uit beroep en op bevel alles aanviel en alles verdedigde.
En evenals insecten, die een ander stervend insect, dat zijn poot gebroken heeft, zien, dat den genadestoot geven en het opvreten, zoo had deze geheele woekering van begeerten, belangen en hartstochten zich op een ongelukkigen dwaas gestort, dien armen Salvat, wiens dolzinnige misdaad allen in hun gulzigen honger, om uit zijn mager karkas van hongerlijder hun deel te krijgen, samengebracht had. En dat alles—die begeerten, gewelddaden en ontketende begeerten—borrelde in den reusachtigen ketel van Parijs; het was het onnoembare mengsel van de scherpste giststoffen, waaruit de wijn der toekomst stroomen zou in groote, zuivere golven.
Nu werd Pierre zich den wonderbaren arbeid, die zich op den bodem van den ketel onder de onreinheden en het afval voltrekt, bewust. Zijn broeder had het zoo juist gezegd: wat beteekenden in de politiek de gebreken der menschen, de zelfzuchtige en genotzuchtige drijfveeren, wanneer de menschheid met haar langzamen, maar hardnekkigen stap voorwaarts schrijdt. Wat beteekende die verdorven en ten onder gaande bourgeoisie, welke even goed op sterven ligt als de aristocratie, wier plaats zij ingenomen heeft, indien achter haar onophoudelijk de onuitputtelijke menschenreserve uit de stads- en landbevolking opstijgt. Wat beteekenden de ontucht, de verdorvenheid van het al te groote kapitalisme en van de al te groote macht, het geraffineerde, ontuchtige, bij sexueele afwijkingen verwijlende leven, waar het bewezen schijnt te zijn, dat al de hoofdsteden, al die koninginnen der wereld, slechts ten koste van de uiterste overbeschaving, van den godsdienst van schoonheid en genot, geregeerd hebben? Wat beteekenden zelfs de onvermijdelijke omkoopbaarheid, de gebreken en dwaasheden der pers, waar zij aan den anderen kant het bewonderenswaardigste instrument van ontwikkeling, het steeds openstaande, openbare geweten is en de rivier vormt, die, al stuwt zij nog zooveel vuiligheid voort, toch verder stroomt en alle volkeren naar de groote broederzee der toekomstige eeuwen brengt.
De menschelijke droesem zinkt op den bodem van den ketel; men mag niet willen, dat het goede dagelijks zichtbaar triompheert, want dikwijls zijn er jaren voor noodig, dat zich uit de vuile gisting een werkelijke hoop losmaakt. En ook al blijft de loonarbeid in de diepte van verpeste fabrieken een vorm der antieke slavernij, ook al sterven de Toussaints nog altijd als lam geworden dieren op hun armzalige sponde van honger en ellende, toch is de vrijheid op een stormachtigen dag uit den reusachtigen ketel gekomen, om haar vlucht door de wereld te beginnen. Waarom zou nu ook op haar beurt niet de gerechtigheid te voorschijn komen, zich losmaken van de slakken en in eindelijk oplichtende helderheid de volkeren herscheppen?
Maar weer verhieven de stemmen van Bache en Morin, die nog steeds met Guillaume praatten, zich en wekten Pierre uit zijn gepeins. Zij spraken over Janzen, die weer bij een tweeden aanslag te Barcelona betrokken was en naar Parijs teruggekeerd was; Bache meende hem den vorigen dag gezien te hebben. Een zoo heldere geest, een zoo koelbloedige energie, zulke gaven werden voor een zoo verfoeilijke zaak verspild!
“Wanneer ik bedenk,” zeide Morin op zijn langzamen toon; “wanneer ik bedenk, dat de verbannen Barthès in zijn armzalig klein kamertje in Brussel leeft, in de bevende hoop, dat de vrijheid eindelijk zal heerschen! Hij, aan wiens hand geen druppel bloed kleeft en die twee derde gedeelten van zijn leven in de gevangenis gezeten heeft, opdat de volkeren vrij worden!”
“Vrijheid, vrijheid, zeker! Maar die beteekent niets, als zij niet georganiseerd wordt!” zeide Bache, terwijl hij medelijdend zijn schouders ophaalde.
En hun eeuwige discussie begon opnieuw. De eene hield het met Saint-Simon en Fourier, de ander met Proudhon en Auguste Comte. De vage godsdienstigheid van den vroegeren communard, die tegenwoordig lid van den gemeenteraad was, kwam in zijn behoefte aan een troostgevend geloof weer boven, terwijl daarentegen de professor, de voormalige Garibaldiaan, een wetenschappelijke starheid, het geloof aan den mathematischen vooruitgang der wereld behield.
Bache beschreef het laatste herinneringsfeest ter eere van de nagedachtenis van Fourier. De groep van trouwe leerlingen had kransen gebracht en redevoeringen gehouden; het was een ontroerende bijeenkomst geweest van hardnekkig aan hun overtuiging hangende, van de toekomst zekere apostelen, die vast geloofden aan het nieuwe heilswoord. Dan maakte Morin zijn zakken leeg, die steeds met kleine positivistische vlugschriften gevuld waren, waarin de naam van Auguste Comte en zijn leer als de eenig mogelijke grondslag van den verwachten godsdienst verheerlijkt werden.
En nu herinnerde Pierre zich hun vroegere disputen in zijn huisje te Neuilly, toen hij zelf, wanhopig en zoekende naar een zekerheid, de balans van de denkbeelden der eeuw trachtte op te maken. Te midden van de tegenspraken en onsamenhangendheden van al die voorloopers had hij den vasten bodem onder zijn voeten voelen wegzinken. Fourier mocht uit Saint-Simon voortgekomen zijn, hij verloochende hem toch gedeeltelijk, en terwijl de leer van dezen zich verstarde tot een soort mystiek sensualisme, scheen die van genen uit te loopen op een onaannemelijken codex van inlijving. Proudhon brak af zonder opnieuw op te bouwen. Comte, die het methodische in het leven riep en de wetenschap haar plaats aanwees door haar tot de eenige heerscheresse uit te roepen, had zelfs geen flauw vermoeden van de sociale crisis, welker golven alles dreigden mede te sleuren, en stierf, door de vrouw ter aarde geworpen, als een illuminaat der liefde. En ook deze twee mengden zich in den strijd en vochten met zoo groote verbittering en verblinding tegen de beide anderen, dat de door hen gemeenschappelijk aan het licht gebrachte waarheden verduisterd, misvormd, onherkenbaar werden.
Maar thans, na de langzame evolutie, die hem zelf veranderd had, schenen Pierre deze gemeenschappelijke waarheden verblindend, onwederlegbaar toe. In de evangeliën van deze sociale Messiassen, in den chaos van tegenstrijdige beweringen waren gelijkluidende woorden, die steeds weer terugkwamen: de verdediging van den arme, de idee van een nieuwe en rechtvaardige verdeeling der aardsche goederen, het zoeken vooral naar een arbeidswet, welke deze nieuwe deeling onder de menschen op rechtvaardige wijze mogelijk zou maken. Vormden dus deze waarheden, waarover alle geniale voorloopers het eens waren, niet den grondslag van den toekomstigen godsdienst zelf, het noodzakelijke geloof, dat deze eeuw aan de volgende zou nalaten, opdat het daaruit den menschelijken eeredienst van vrede, gemeenschapszin en liefde scheppen zou?
Met een plotselingen sprong van zijn gedachten zag Pierre zich terug in de Madeleine, waar hij luisterde naar het slot van monseigneur Martha’s causerie over den nieuwen geest. De bisschop verkondigde, dat het weer Christelijk geworden Parijs dank zij den Sacré-Cœur de meester der wereld zijn zou. Neen, neen! Parijs heerschte slechts door zijn vrijen geest; het was een leugen, dat men het met het kruis, met die mystieke dwaasheid van een bloedend hart overwonnen had. Ook al mochten zij Parijs onder de monumenten van hun trots en van hun heerschzucht willen verpletteren, ook al mochten zij, in de hoop de hand op de komende eeuw te leggen, trachten de wetenschap in den naam van een gestorven ideaal weg te vagen—de wetenschap zal hun oude heerschappij van den troon stooten en hun basilica zal door den storm der waarheid ineenstorten zonder dat het noodig is haar met een vinger aan te raken. De proef is genomen: het Evangelie van Jezus is een bouwvallige sociale codex, waarvan de menschheid slechts enkele moreele grondstellingen kan overhouden. Het oude Katholicisme valt aan alle kanten in het stof, het oude Katholieke Rome is nog slechts een veld met puinhoopen, de volkeren wenden er zich van af en willen een godsdienst, die niet een godsdienst van den dood is. In vroegere tijden ontsnapte de gebogen, door een nieuwe hoop verteerde slaaf uit zijn kerker en droomde van een hemel, waarin zijn ellende met eeuwige genietingen beloond zou worden.
Nu de wetenschap echter dezen leugenachtigen hemel, dat bedrog van een leven na den dood vernietigd heeft, is de slaaf, de arbeider, het moede te sterven, om gelukkig te worden, eischt gerechtigheid en geluk op aarde. Dat is na de achttien eeuwen van onmachtige naastenliefde de nieuwe hoop: de gerechtigheid. O, hoe zal men, wanneer na duizend jaar het Katholicisme niets meer is dan een zeer oud, dood bijgeloof, zich verbazen, dat de voorvaderen dien godsdienst van kwelling en van het Niet hebben kunnen dulden: God een beul, de mensch gecastreerd, bedreigd, gemarteld, de natuur een vijandin, het leven vervloekt, de dood alleen zoet en bevrijdend! Twee duizend jaar lang zal het voorwaarts schrijden der menschheid belemmerd zijn geweest door de afschuwelijke idee, dat men den mensch al het menschelijke, dat hij bezit, ontnemen moet: begeerten, hartstochten, den vrijen geest, den wil, de daad, zijn geheele kracht. Maar welk een blij ontwaken zal het zijn, wanneer de maagdelijkheid geminacht, de vruchtbaarheid weer een deugd zal worden, wanneer onder het hosanna der bevrijde natuurkrachten de begeerten geëerd, de hartstochten nuttig gemaakt, de arbeid verheerlijkt, het leven bemind zal worden en de eeuwige schepping der liefde verwekken zal!
Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Pierre herinnerde zich dezen kreet, die hem te Lourdes ontsnapt was, dien hij te Rome bij het zien van de ineenstorting van het oude Katholicisme herhaald had! Maar het was niet meer dezelfde koortsachtige haast, de kinderlijke, ziekelijke hardnekkigheid, waarmede hij vroeger verlangde, dat een nieuwe God zich dadelijk openbaren, een nieuw ideaal met zijn dogma’s en zijn eeredienst als het ware uit den grond oprijzen zou. Zeker, het goddelijke schijnt voor den mensch even onmisbaar te zijn als brood en water; de naar het mysterievolle smachtende mensch heeft zich daar steeds weer op geworpen en schijnt geen anderen troost te hebben dan in het onbekende onder te gaan. Maar wie zou kunnen zeggen of de wetenschap niet eenmaal dien dorst naar het hiernamaals lesschen zal? Wanneer zij de veroverde waarheid is, dan is zij en zal zij ook altijd de te veroveren waarheid zijn. Zal voor haar niet altijd een ruimte overblijven voor de begeerte om te weten, voor de zuivere, ideale hypothese? En is bovendien die behoefte aan het goddelijke niet eenvoudig de behoefte om God te zien?
Maar wanneer de wetenschap dezen wensch om alles te weten en te kunnen, steeds meer bevredigt, kan men dan niet gelooven, dat hij eens bevredigd worden en samensmelten zal met de liefde voor de bevredigde waarheid? Een godsdienst der wetenschap, dat is de aangewezen, zekere, onvermijdelijke oplossing van den langen marsch der menschheid naar het weten. Wanneer zij eenmaal door alle verschrikking der onwetendheid heen gegaan is, zal zij daar als in een natuurlijke haven aankomen en haar vrede eindelijk in zekerheid vinden. En was het als het ware niet reeds een aanwijzing van dezen godsdienst, dat de idee der dualiteit, van God en van het heelal, op zijde gezet wordt, de idee der eenheid, van het monisme hoe langer men op den voorgrond treedt, de eenheid de solidariteit met zich brengt, de eenige levenswet door de evolutie, uit het eerste aetherpunt, dat zich verdicht heeft om de wereld te scheppen, ontstaat?
Maar al hebben voorloopers, geleerden en wijsgeeren als Darwin, Fourier en anderen, den godsdienst van morgen gezaaid door het heilswoord toe te vertrouwen aan den toevallig voorbijstrijkenden wind—hoeveel eeuwen zullen er niet noodig zijn voor de oogst opkomt? Men vergeet altijd, dat het Katholicisme vier eeuwen noodig gehad heeft om zich te vormen en in een langdurigen, onderaardschen arbeid te ontkiemen, alvorens het opgroeide en in de volle zon heerschte. Laat men dan eeuwen geven aan dezen godsdienst der wetenschap, waarvan het kiemen overal merkbaar is, en men zal zien, dat de bewonderenswaardige denkbeelden van een Fourier zich tot een nieuw Evangelie vormen: de begeerte zal weer de hefboom zijn, die de wereld beweegt; de arbeid wordt weer door allen erkend, geëerd en als het mechanisme van het natuurlijke en wetenschappelijke leven geregeld; de hartstochtelijke krachten van den mensch worden geprikkeld, bevredigd en ten slotte voor het menschelijk geluk dienstbaar gemaakt.
De algemeene kreet naar gerechtigheid, die steeds luider en luider uit den grooten Zwijgende, uit het zoo lang bedrogen en uitgezogen volk oprijst, is slechts een kreet naar dat geluk, waarnaar alle wezens streven. Het leven moet om zichzelfswille in vrede en in de expansie van alle krachten en alle vreugden geleefd worden. De tijden zullen komen, dat het koninkrijk Gods op aarde heerschen, dat het andere leugenachtige Paradijs dus gesloten zal zijn, zelfs wanneer de armen van geest een oogenblik onder den dood van hun illusie moeten lijden, want het is een noodzakelijkheid de blinden op wreede wijze te opereeren, om hen aan hun ellende, aan den langen, vreeselijken nacht van hun onwetendheid te ontrukken.
Plotseling werd Pierre door een groote vreugde overstroomd. De zachte kreet van een kind, de kreet van den wakker wordenden Jean had hem uit zijn overpeinzingen gewekt; en plotseling had de gedachte zich van hem meester gemaakt, dat hij gered was, buiten de leugen stond, tot de goede en gezonde natuur teruggekeerd was. Met welk een huivering zeide hij tot zichzelf, dat hij zich verloren, weggevaagd uit het leven, in het Niet van den onmenschelijken God weggezonken gewaand had en dat een wonder der liefde hem daaruit gered had! Ondanks zijn vrees voor het niet te vernietigen stigma bezat hij nog zijn kracht; immers daar lag dat lieve, dierbare, flinke, vroolijke kind, geboren uit hem! Het leven had leven verwekt, de waarheid straalde triomphantelijk als de zon. Het derde experiment was genomen met Parijs en dat was beslissend, beteekende niet, zooals dat met de beide anderen, met Lourdes en Rome, een armzalige mislukking, met nog meer duisternis, nog meer smart.
Eerst had de wet van den arbeid zich aan hem geopenbaard; hij had zich een taak gesteld, o zeker een zeer nederige, dit zoo laat geleerde handwerk, maar toch in ieder geval een taak, waarbij hij geen dag ontbreken mocht, die hem de rust, dat hij zijn plicht deed, geven zou. Want het leven zelf was niets dan arbeid, de wereld bestond slechts door arbeid. Daarna had hij liefgehad, zijn redding was door het kind volkomen geworden. O, welk een lange omweg om tot deze natuurlijke en eenvoudige oplossing te komen. Wat had hij geleden; hoeveel dwalingen en aanvallen van woede hadden hem van streek gebracht, voor hij eenvoudig dat deed wat alle menschen doen! Deze radelooze, met zijn rede strijdende liefde, die liefde, welke door de absurditeiten van de wondergrot gebloed had en welke door het trotsche verval van het Vaticaan nog meer aan het bloeden gebracht was, werd eindelijk bevredigd in den echtgenoot en den vader, in den man, die in den arbeid volgens de rechtvaardige wet van het leven vertrouwde. Daarin lag de onbetwistbare waarheid, de oplossing van het geluk in de zekerheid.
Maar Bache en Théophile Morin, de kalme, van de verre toekomst zekere apostelen, waren intusschen weggegaan met de belofte weer spoedig een avond te zullen komen praten. Daar Jean nog harder begon te schreeuwen, nam Marie hem in haar armen en maakte haar onderlijfje los, om hem de borst te geven.
“De schat! Het is zijn tijd, hij vergeet het niet!… Kijk eens, Pierre, ik geloof, dat hij sedert gisteren nog dikker is geworden.”
Zij lachte en Pierre kwam ook lachend naar haar toe, om het kind een zoen te geven. Dan kuste hij, door een onweerstaanbare ontroering aangegrepen, nu hij dit kleine, rose en gulzige wezentje op dien mooien, door melk opgezwollen vrouwenboezem zag, ook de moeder. Een heerlijke geur van gelukkige vruchtbaarheid steeg daaruit tot hem op en bedwelmde hem met levensvreugde.
“Maar hij zal je opeten,” zeide hij vroolijk. “Wat zuigt hij!”
“Ja, hij bijt me wel wat. Maar dat hindert niets, dat bewijst, dat hij het lekker vindt.”
Nu mengde zich ook Grootmoeder in het gesprek, terwijl een glimlachje haar gezicht verhelderde.
“Zeg, ik heb hem vanochtend gewogen. Hij is weer honderd gram zwaarder geworden. En als je eens wist, hoe zoet die lieve schat is! Het zal een zeer verstandig, braaf kereltje worden, zooals ik ze gaarne zie. Als hij vijf is, zal ik hem leeren lezen en op zijn vijftiende zal ik hem vertellen, hoe men een man wordt … Niet waar Thomas? Niet waar Antoine? Niet waar François?”
De drie groote zoons keken lachend op en knikten toestemmend, dankbaar voor de heldhaftige lessen, die zij hun gegeven had. Zij schenen er geen oogenblik aan te twijfelen, of zij zou nog twintig jaar leven, om ze ook aan Jean te geven.
In verrukking over hun liefde was Pierre voor Marie blijven staan, toen hij voelde hoe Guillaume zijn handen op zijn schouders legde. Hij keek om en zag, dat ook hij straalde en zeer gelukkig was hen zoo gelukkig te zien. De zekerheid, dat zijn broeder genezen was, dat in het werkzame huis niets dan gezondheid en blijde hoop heerschte, verdubbelde zijn geluk.
“Herinner je je nog, Pierre,” zeide Guillaume op zachten toon, “dat ik je zeide, dat je enkel en alleen door den strijd van je hart tegen je rede leedt, en dat je de rust terug zoudt vinden, wanneer je liefhadt en begreep? Je moest in jezelf onze moeder en onzen vader verzoenen, wier strijd, wier smartelijk misverstand tot in het graf voortduurde. Dat is nu geschied; zij rusten nu eindelijk in vrede in jouw tot rust gebracht hart.”
Deze woorden ontroerden Pierre diep. Een blos van vreugde kleurde zijn thans zoo opgewekt en energiek gelaat. Wel bezat hij nog steeds zijn torenvormig voorhoofd, de oninneembare vesting van de rede, die hij van zijn vader had, evenals de teedere kin, de goede lippen en oogen, die zijn moeder hem gegeven had. De twee eerste mislukte proeven waren in hem de aanvallen der moeder, de weenende teederheid, die diep bedroefd was, omdat zij niet gestild kon worden; de derde had slechts tot geluk geleid, omdat hij dien brandenden liefdeshonger bevredigd had in de vrouw, in het kind, in den werkzamen en vruchtbaren arbeid, waarbij hij gehoorzaamde aan de souvereine rede, aan den vader, die zoo luid in hem sprak. De rede alleen bleef de koningin.
“Je hebt daarmede,” ging Guillaume voort, “een goed en mooi werk gedaan, voor jou, voor ons allen, voor onze dierbare ouders, wier tot rust gekomen en één geworden schimmen nu zoo rustig in het kleine huisje van onze jeugd zijn. Ik denk zoo dikwijls aan ons lief huisje te Neuilly, dat de oude Sophie voor ons bewaakt, en ik stel mij voor, dat de veelgeliefde dooden in het duister van de groote werkkamer heerlijk rusten en op ons wachten. Welk een vrede voor hen in dat kleine, verlaten huisje! Maar al heb ik uit egoïsme jullie hier willen houden, omdat ik het geluk om mij heen wilde zien, toch moet Jean er eenmaal in gaan wonen, om het weer jong te maken.”
Op zijn beurt had Pierre de handen van Guillaume in de zijne genomen. En oog in oog vroeg hij hem:
“Ben jij gelukkig?”
“Ja, ik ben gelukkig, heel gelukkig, veel gelukkiger dan ik ooit geweest ben—gelukkig, omdat ik je liefheb, zooals ik je liefheb, omdat jij mij liefhebt, zooals niemand anders mij liefhebben kan.”
Hun harten vereenigden zich in deze innige broederliefde—de meest volkomen en heldhaftigste liefde, die den eenen mensch in den anderen kan doen opgaan. Zij omhelsden elkaar, terwijl Marie, haar kind aan haar borst houdend, glimlachend en met tranen in haar oogen naar hen keek.
Thomas had intusschen de laatste hand aan den motor gelegd en bracht dien eindelijk in beweging. Het was een wonder van lichtheid en kracht en had, gezien de buitengewone energie, die hij ontwikkelde, zoo goed als geen gewicht. Hij werkte met volkomen rust, geruisch- en reukloos. De heele familie stond verrukt om hem heen, toen een bezoeker, de geleerde en steeds hartelijke Bertheroy binnenkwam. Guillaume verwachtte hem, want hij had hem gevraagd naar de functionneering van den motor te komen kijken.
Onmiddellijk uitte de groote scheikundige een kreet van bewondering, en toen hij het mechanisme nagekeken en de toepassing van de springstof en beweegkracht begrepen had, wenschte hij Guillaume en Thomas geestdriftig geluk.
“Het is een wonder, dat je daar geschapen hebt, waarvan de toepassing een onberekenbare sociale en menschelijke beteekenis krijgen zal. Ja, zeker, in afwachting van den electrischen motor, dien we nog niet hebben, is dit de ideale motor. Thans bezitten wij de mechanische trekkracht voor alle soorten voertuigen, is de luchtvaart mogelijk, het probleem van de op haar plaats blijvende kracht definitief opgelost. Welk een reuzenstap, welk een plotselinge vooruitgang! Afstanden bestaan nu bijna niet meer, alle wegen zijn geopend, de menschen kunnen eindelijk broederlijk met elkaar verkeeren … Dit is een groote weldaad, een mooi geschenk, dat je aan de wereld geeft.”
Dan sprak hij schertsend over de nieuwe, een zoo geweldige kracht bezittende springstof, waarvan de ontdekking nu op deze weldadige toepassing uitgeloopen was.
“En ik dacht nog al, Guillaume, dat jij met al je geheimdoenerij de formule ervan voor mij verbergen wilde, omdat je heel Parijs in de lucht wou laten vliegen.”
Guillaume werd ernstig.
“Daar heb ik ook een oogenblik aan gedacht,” zeide hij, even verbleekend.
Maar Bertheroy bleef lachen en deed, alsof hij daarin slechts een scherts zag, hoewel hij een koude rilling over zijn lichaam huiveren voelde.
“Nu beste vriend, je hebt er beter aan gedaan de menschheid dit wonder te schenken, waarvan de uitvoering zeker niet zonder moeite en gevaar geweest is. We hebben hier dus een springstof, die de menschen vernietigen moest en nu ten slotte hun welzijn verhoogen zal. Alles loopt altijd goed af, dat herhaal ik uit den treure.”
Bij het hooren van deze verheven en verdraagzame gemoedelijkheid werd Guillaume geroerd. Het was zoo: wat vernietigen moest, diende den vooruitgang—de bedwongen vulkaan werd arbeid, vrede, beschaving. Hij had zelfs zijn oorlogs- en overwinningsmachine opgegeven en zich tevreden gesteld met deze laatste uitvinding, die de uitputting der menschheid verlichtte, haar arbeid tot de noodzakelijke en voldoende krachtsinspanning beperkte. Hij zag daarin een weinig meer gerechtigheid, al de gerechtigheid, die hij voor zijn deel had kunnen scheppen. En toen hij zich omkeerde en de basilica van den Sacré-Cœur zag, kon hij zich de besmetting van den waanzin, die zich een oogenblik van hem meester gemaakt had en hem van een dwaze, nuttelooze vernietiging had doen droomen, niet begrijpen. Een booze, uit de ellende, uit de verspreide giststoffen van woede en wraak ontstane ademtocht was langs hem gestreken. Maar welk een verblinding om te gelooven, dat verwoesting en moord een vruchtbare daad kon zijn, die den bodem bezaaide voor een rijke en gelukkige oogst! Men bereikt het doel der gewelddaad dadelijk en zij dient nergens anders voor dan dat zij zelfs bij hen, voor wie men doodt, het gevoel van solidariteit prikkelt. Het volk, de groote menigte komt in verzet tegen den enkeling, die gerechtigheid meent uit te oefenen. Een vulkaan, o zeker, maar de vulkaan is de geheele aardkorst, de geheele volksmassa, die door den onweerstaanbaren druk der inwendige vlam opgeheven wordt, om een vrije maatschappij opnieuw te scheppen. En hoe groot de heldhaftigheid van hun waanzin ook zijn mag, moordenaars zijn nooit iets anders dan moordenaars, wier daad afschuw zaait.
En op zijn beurt lachend, verklaarde Guillaume, dat hij geheel genezen was.
“U hebt gelijk, alles eindigt altijd goed, want alles schrijdt de waarheid en gerechtigheid tegemoet. Maar er zijn soms duizend jaren mede gemoeid. Wat mij betreft, ik zal mijn nieuwe springstof eenvoudig in den handel brengen, opdat zij, die het verlof daartoe krijgen, zich door de vervaardiging ervan rijker kunnen maken … Ik zie er van af de wereld te revolutionneeren.”
Maar daar kwam Bertheroy tegen in verzet. Met een hartstocht, waarin de kracht van zijn zeventig jaar duidelijk aan het licht kwam, wees hij op den kleinen motor.
“Maar dat is de revolutie, de ware, de eenige revolutie. Hiermede en niet met bommen brengt men de revolutie in de wereld! Niet door verwoesten, maar door scheppen heb je een revolutionnaire daad verricht … Hoe dikwijls heb ik het je niet gezegd, de wetenschap alleen is revolutionnair, de eenige, die boven de armzalige politieke gebeurtenissen en het ijdele drijven van partijgangers en eerzuchtigen uit, aan de toekomstige menschheid werkt en voor haar de waarheid, de gerechtigheid en den vrede voorbereidt … O beste jongen, als je aan de wereld wat meer geluk geven wilt, dan behoef je slechts in je laboratorium te blijven, want het toekomstige geluk kan slechts uit de ovens der geleerden geboren worden.”
Hij zeide het op eenigszins schertsenden toon, maar men voelde dat hij tot in het diepst van zijn ziel overtuigd was van wat hij zeide; met minachting zag hij op alles wat geen wetenschap was, neer. Hij had zich zelfs niet verwonderd, toen Pierre zijn soutane afgelegd had, en nu hij hem hier met vrouw en kind vond, bleef hij even vriendelijk als altijd.
De motor snorde ondanks zijn wonderbare snelheid nauwlijks merkbaar, als een bromvlieg in de zon. De geheele gelukkige familie stond er omheen en glimlachte vol vreugde over deze overwinning. Daar zag plotseling de kleine Jean, die eindelijk genoeg gedronken had en nog een melkbaard om zijn mondje had, de machine, het mooie, van zelf loopende speelgoed. Zijn oogen schitterden, in zijn wangen kwamen kuiltjes en met gilletjes van vreugde stak hij zijn kleine knuistjes uit.
Marie deed lachend haar onderlijfje dicht en droeg hem erheen, opdat hij het speelgoed beter zou kunnen zien.
“Dat is mooi, hè schat? Dat draait, dat is sterk, dat leeft, zie je wel?”
Allen hadden schik om het verbaasde en verrukte gezicht van het kind, dat de machine had willen aanraken, om te begrijpen.
“Ja,” herhaalde Bertheroy; “het leeft en is sterk als de zon, als de groote zon daar, die over het reusachtige Parijs straalt en daar menschen en dingen doet rijpen. Parijs zelf is ook een motor, Parijs is de ketel, waarin de toekomst kookt, en waaronder wij, geleerden, het eeuwige vuur onderhouden … Met dit wonder, dat den arbeid van ons groote Parijs in de geheele wereld nog uitbreiden zal, ben jij, beste Guillaume, de stoker, de scheppende arbeider der toekomst.”
Pierre werd door die woorden zeer getroffen, en weer rees voor hem de voorstelling op van den reusachtigen ketel, den van den eenen rand van den horizont tot den anderen gevulden ketel, waarin de komende eeuw geboren zou worden uit de buitengewone vermenging van goed en kwaad. Maar nu zag hij boven de hartstochten, de eerzuchtige pogingen, de gebreken uit den geweldigen gepraesteerden arbeid, den heldhaftigen handenarbeid en de fabrieken en werkplaatsen, het glorierijke zoeken van de intellectueele jeugd, die hij aan het werk wist, die in stilte studeerde, geen enkele verovering der ouderen prijs gaf en niets liever wilde dan het gebied daarvan uitbreiden. Dat is de exaltatie van Parijs, in welks reusachtigen schoot de toekomst zich ontwikkelt, waaruit deze, licht als het morgenrood, zal springen. Evenals de oude wereld het nu in doodsstrijd liggende Rome bezeten had, zoo heerschte Parijs nu onbeperkt over den modernen tijd; het is het middelpunt der volkeren in die voortdurende beweging, welke hen met de zon van het Oosten naar het Westen, van beschaving tot beschaving draagt. Het is het brein—een geheel groot verleden heeft het voorbestemd om onder alle steden de inwijdster, de beschaafster, de bevrijdster te zijn. Gisteren riep het den naties den kreet “Vrijheid” toe, morgen zou het haar den godsdienst der wetenschap, de gerechtigheid, het door de democratieën verwachte nieuwe geloof brengen. Het was ook de goedheid, de vroolijkheid, de zachtmoedigheid, de hartstocht om alles te weten, de edelmoedigheid, om alles te geven. In de werklieden van zijn voorsteden, in de boeren van zijn omliggende landerijen bezit het onuitputtelijke hulpbronnen, oneindige reserven aan menschen, waaruit de toekomst zonder te tellen putten kan. De eeuw ging met Parijs ten einde, de volgende eeuw zou met Parijs beginnen.
Marie uitte een zachten kreet van bewondering en wees met een gebaar op Parijs.
“Kijk toch eens, kijk toch eens! Parijs geheel in goud, Parijs bedekt door zijn goudoogst.”
Allen stonden verrukt, want werkelijk was het lichteffect buitengewoon prachtig. Het was het effect, dat Pierre reeds meer gezien had: de schuin staande zon overstroomde het onmetelijke Parijs met een goudstof. Maar ditmaal was het niet meer het uitzaaien, waarbij de chaos der daken en gebouwen op een bruinen, door den een of anderen reuzenploeg omgewoelden akker geleek en de goddelijke zon handenvol stralen uitwierp als goudkorrels, die overal heenvlogen.
Het was ook niet meer de stad met haar duidelijk onderscheiden wijken—in het Oosten de door grauwen rook omgeven arbeiderswijk, in het Zuiden de rustig-vroolijke studentenwijk, in het Westen de breede wijk der rijken, in het midden de koopliedenwijk met haar sombere straten. Het scheen alsof hetzelfde kiemen van het leven, hetzelfde bloemenveld de geheele stad bedekt had, in harmonie bracht en er één grenzenloos, met dezelfde vruchtbaarheid bedekt veld van maakte. Graan, graan overal, een oceaan van graan, waarvan de gouden deining van het eene einde van den horizont naar het andere rolde. Zoo baadde de schuin staande zon Parijs in gelijke pracht: het was de oogst na het zaad.
“Kijk toch eens, kijk toch eens!” riep Marie weer. “Geen hoekje, dat zijn garve niet heeft; tot zelfs de laagste daken zijn vruchtbaar. En overal dezelfde rijkdom van aren, alsof er niet meer dan één enkele verzoende en broederlijke aarde is … Jean, kleine Jean, kijk toch eens hoe mooi het is!”
Pierre was bij haar komen staan en drukte zich bevend tegen haar aan. Grootmoeder en Bertheroy glimlachten over deze toekomst, die zij niet meer zien zouden, terwijl achter Guillaume de drie groote zoons ernstig en vol hoop stonden.
Toen hief Marie in een mooi, geestdriftig gebaar het kind met haar beide armen in de hoogte, bood het aan het onmetelijke Parijs, gaf het hem als een verheven geschenk.
“Daar Jean, kleine lieveling! Jij zult dat alles oogsten en den oogst in de schuur zetten!”
Het door de goddelijke zon met licht bezaaide, vlammende Parijs droeg in haar glorie den toekomstigen oogst van waarheid en gerechtigheid.
EINDE.