DERDE BOEK
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
I.
Den Woensdag voor Halfvasten-Donderdag werd er in het hôtel Duvillard ten voordeele van het Oeuvre des Invalides du Travail een groote weldadigheidsbazar gegeven. De receptievertrekken op de rez-de-chaussée, drie groote salons in Louis XIV-stijl, die op de kale, vierkante binnenplaats uitzagen, zouden aan het gewoel der koopers prijsgegeven worden, want er waren, naar men beweerde, vijf duizend kaarten aan alle Parijsche kringen verzonden. Het was een groote gebeurtenis, ja als het ware een manifestatie, dat dit gebombardeerde hôtel de menigte tot binnentreden uitnoodigde, zijn beide deurvleugels wijd openzette, de koetspoort aan voetgangers en equipages prijs gaf. Wel werd er verteld, dat een zwerm politie-agenten de rue Godot-de-Mauroy en naburige straten bewaakte.
Duvillard was op deze grootsche gedachte gekomen en tegenover zijn formeelen wensch had zijn vrouw zich bij al de drukte neergelegd ter wille van de stichting, die zij zoo nonchalant en voornaam presideerde. Den vorigen dag had de Globe in een mooi, door den directeur Fonsègue, den administrateur der stichting, geïnspireerd artikel, den bazar aangekondigd en daarin doen uitkomen hoe edel en edelmoedig dit initiatief der barones was, die haar tijd, haar geld, ja zelfs haar hôtel afstond, na de afschuwelijke misdaad, die het paleis bijna in stof veranderd had. Was dat niet het grootmoedige antwoord van de hoogere klasse op de vloekwaardige hartstochten der lagere? En welk een afdoend antwoord was het voor hen, die de kapitalistische bourgeoisie beschuldigden niets voor de arbeiders, de gewonden en verlamden van de loonklasse te doen!
De deuren van de salons zouden om twee uur opengaan en eerst om zeven uur sluiten: vijf volle uren dus zou de verkoop duren. Maar nog om twaalf uur, toen in de rez-de-chaussée nog niets gereed was en arbeiders en vrouwen de laatste hand legden aan de versiering der “stands” en het uitstallen der artikelen, werd, evenals andere dagen, in de kleine appartementen van de eerste etage een intiem dejeuner gegeven, waaraan enkele huisvrienden genoodigd waren. De drukte had in het huis haar toppunt bereikt, doordat dienzelfden ochtend Sanier in de Voix du Peuple zijn campagne in zake de Afrikaansche sporen weer opgevat had. In venijnige zinnen vroeg hij of men van plan was het publiek nog langer bezig te houden met de geschiedenis van die bom en van dien anarchist, welken de politie niet arresteerde. Ditmaal beschuldigde hij minister Barroux openlijk tweehonderd duizend francs aangenomen te hebben, en beloofde eerstdaags de namen der twee-en-dertig omgekochte senatoren en Kamerleden te zullen publiceeren. Mège zou dus zeker zijn interpellatie, die bij de overspanning, waarin Parijs door den anarchistischen schrik verkeerde, gevaarlijk kon worden, hervatten. Anderzijds vertelde men, dat Vignon en zijn partij tot een uiterste krachtsinspanning besloten waren, om van de omstandigheden gebruik te maken om het ministerie te laten vallen. Alle teekenen voor een onvermijdelijke, vreeselijke crisis waren aanwezig. Gelukkig zat de Kamer dien Woensdag niet; zij had, daar zij de Halfvasten vieren wilde, haar zittingen tot Vrijdag verdaagd. Men had dus twee dagen om zijn maatregelen te nemen.
Eve was dien ochtend nog zachter en kwijnender dan gewoonlijk. Zij was wat bleek, een droeve onrust lag in haar diepe, mooie oogen. Zij wijtte dit aan de waarlijk bovenmatige inspanning, welke de voorbereiding van den bazar van haar gevergd had, maar de waarheid was, dat Gérard haar sedert vijf dagen vermeed en een nieuw rendez-vous ontweek. Daar zij er zeker van was, dat zij hem nu zien zou, had zij het gewaagd zich weer geheel in witte zijde te kleeden, dit jeugdige toilet maakte haar jong; maar hoe mooi zij ook nog gebleven mocht zijn met haar blanke huid, haar prachtige taille, haar edel en bekoorlijk gezicht, toch waren haar zes-en-veertig jaar duidelijk merkbaar aan haar roodachtige tint en het rimpelig worden van haar lippen, haar oogleden en haar fijne slapen. Camille was, hoewel zij natuurlijk een der meest gezochte verkoopsters zijn zou, er hardnekkig bij gebleven een donkerbruine japon aan te trekken, haar oude-vrouwentoilet, zooals zij het met haar bijtend lachje noemde. Maar haar lang, boosaardig geitengezicht straalde van heimelijke vreugde, en haar fijne lippen en groote oogen fonkelden van zooveel geest, dat zij bijna mooi leek en haar mismaakten schouder deed vergeten.
In den kleinen, blauw-zilveren salon, waar zij met haar dochter de gasten ontving, kreeg Eve de eerste teleurstelling, toen zij generaal Bozonnet, die met zijn neef Gérard komen zou, alleen binnenkomen zag. Hij vertelde, dat madame de Quinsac zich bij het opstaan minder goed gevoelde en Gérard als goed zoon bij haar had willen blijven. Maar dadelijk na het dejeuner zou hij naar den bazar komen. Terwijl Eve luisterde en haar angst, dat zij Gérard beneden niet tot een verklaring zou kunnen dwingen, trachtte te verbergen, keek Camille haar met haar verslindende oogen aan. Eve moest op dat oogenblik wel een heimelijk voorgevoel hebben, dat een ongeluk haar dreigde, want zij zag haar dochter ook bleek en onrustig worden.
Dan kwam prinses Rosemonde de Harth als een wervelwind binnenvliegen. Zij zou ook verkoopen in den “stand” van de barones, die haar om haar onstuimigheid en haar vroolijkheid, welke zij steeds met zich bracht, gaarne lijden mocht. Zij droeg een vuurrood zijden japon en zag er met haar kroeshaar en haar jongensachtige magerheid extravagant uit. Lachend, vertelde zij een ongeval, waardoor haar equipage bijna in tweeën gereden was. Toen baron Duvillard en zijn zoon Hyacinthe, zooals altijd te laat, uit hun kamers kwamen, legde zij dadelijk beslag op den jongen man en gaf hem een standje, dat hij haar den vorigen avond tot tien uur vergeefs had laten wachten, ofschoon hij haar stellig beloofd had, dat hij haar mede nemen zou naar een kroeg in Montmartre, waar, naar men beweerde, vreeselijke dingen gebeurden. Met een kwijnende uitdrukking op zijn gelaat antwoordde Hyacinthe, dat vrienden hem hadden opgehouden bij een spiritistische seance, waarop de heilige Thérèse verschenen was, om een liefdessonnet te reciteeren.
Maar Fonsègue kwam met zijn echtgenoote, een magere, stille, onbeteekenende vrouw, met wie hij niet gaarne uitging. Overal kwam hij zonder haar, maar ditmaal had hij haar moeten medenemen, want zij was bestuurslid van de instelling, en hij zelf kwam als administrateur, die zich voor den bazar interesseerde, dejeuneeren. De kleine man met zijn ondanks zijn vijftig jaar nog bruin haar trad op zijn gewone vroolijke, luidruchtige manier binnen; hij droeg zijn gekleede jas met de correctheid van een zakenman, die de zielen, den goeden naam der conservatieve republiek, waarvan de Globe het orgaan was, beschermen moest. Wie hem echter kenden, zagen, dat zijn oogleden onrustig knipten; zijn eerste vragende blik gold Duvillard, blijkbaar wilde hij gaarne weten hoe hij den nieuwen slag van dien ochtend opnam. Maar toen hij zag, dat deze heel kalm grapjes met Rosemonde stond te maken, werd hij zelf ook rustig als een speler, die nooit verloren had, daar hij zelfs in de uren van het verraad het ongeluk steeds had weten te overwinnen. En dadelijk begon hij met de barones over administratieve dingen te spreken.
“Hebt u eindelijk met abbé Froment over dien Laveuve gesproken, dien hij ons zoo warm aanbevolen heeft? Alle formaliteiten zijn nu vervuld; hij kan komen, want we hebben sedert drie dagen een bed vrij.”
“Ja, dat weet ik, maar ik weet niet, wat er van abbé Froment geworden is; in geen maand heeft hij een teeken van leven gegeven. Ik heb hem daarom gisteren geschreven en gevraagd, of hij vandaag op den bazar wil komen. Op die manier kan ik hem persoonlijk de goede tijding mededeelen.”
“Om u die vreugde te laten, heb ik het hem niet langs administratieven weg laten weten. Een charmant priester, vindt u niet?”
“O, heel charmant. Wij mogen hem graag.”
Duvillard mengde zich nu in gesprek om te zeggen, dat ze niet op Dutheil behoefden te wachten, want dat hij een telegram van den jongen afgevaardigde gekregen had, die zich wegens dringende bezigheden verontschuldigde. Fonsègue, die opnieuw een vragenden blik op den baron wierp, werd weer ongerust. Maar deze glimlachte en stelde hem gerust met de half-fluisterend gesproken woorden:
“O, niets bijzonders. Een opdracht van mij, waarover hij mij strakjes antwoord zal komen brengen.”
En hem dan wat ter zijde nemend.
“Tusschen twee haakjes, vergeet het berichtje niet, waarover ik je gesproken heb.”
“Welk berichtje? O, ja, die soirée, waarop Silviane gedeclameerd heeft … Daar wou ik juist over spreken. De lofspraak daarin is wel wat al te erg.”
Duvillard, zooeven nog zoo kalm met zijn veroverende en minachtende manieren, werd nu bleek en door wanhoop aangegrepen.
“Maar ik wil beslist, dat het erin komt, waarde vriend. Je zoudt me in de grootste ongelegenheid brengen, want ik heb het Silviane uitdrukkelijk beloofd.”
In den angstigen blik van zijn oogen en het beven van zijn lippen was de geheele angst te lezen van een ouden, verwenden man, die bereid is het genot, waarvan men hem speent, met iederen prijs te betalen.
“Goed, goed!” zeide Fonsègue, die zich inwendig vroolijk maakte. “Als het zoo ernstig is, dan zal het berichtje erin komen, dat beloof ik u!”
Daar men niet op Gérard en Dutheil behoefde te wachten, waren alle gasten aanwezig. Eindelijk begaven zij zich naar de eetkamer, terwijl beneden de laatste hamerslagen gegeven werden. Eve zat tusschen generaal Bozonnet en Fonsègue; Duvillard tusschen madame Fonsègue en Rosemonde, terwijl Camille en Hyacinthe aan het hoofd- en benedeneinde der tafel zaten. Het déjeuner werd wat haastig en ongeregeld gebruikt, want tot driemaal toe kwamen dienstmeisjes inlichtingen en orders vragen. Deuren werden onophoudelijk open en dicht geslagen, de muren zelf schenen te dreunen onder het ongewone lawaai, waarmede de laatste voorbereidende maatregelen het huis vervulden. Allen werden door de koortsachtige opwinding medegesleept; het gesprek sprong van den hak op den tak, liep nu eens over het bal, dat den vorigen dag op het ministerie van Binnenlandsche Zaken gegeven was, dan weer over het volksfeest, dat den volgenden dag plaats hebben zou; steeds echter kwam men weer terug op den bazar, op den prijs, dien men voor de artikelen betaald had en waarvoor men ze weer verkoopen zou, op het waarschijnlijke cijfer van de totale opbrengst.
Toen generaal Bozonnet den naam van den rechter van instructie Amadieu noemde, zeide Eve, dat zij hem niet te dejeuneeren had durven vragen, omdat zij wist hoe druk hij het had, maar dat zij toch hoopte, dat hij ook zijn obool zou komen brengen. Fonsègue plaagde Rosemonde met haar japon van vuurroode zijde en beweerde, dat zij reeds in de vlammen der hel brandde, wat haar, daar het satanisme op dat oogenblik een passie van haar was, in den grond der zaak aanging. Duvillard gedroeg zich volkomen correct tegenover de stille madame Fonsègue, terwijl Hyacinthe—om zelfs de prinses te overbluffen—in uitgekozen woorden de magische operatie vertelde, waardoor men een reinen man, na hem van alle manlijkheid ontdaan te hebben, in een engel veranderde. Camille was zeer gelukkig en opgewekt en wierp nu en dan een brandenden blik op haar moeder, die steeds onrustiger werd naarmate zij voelde, dat haar dochter steeds agressiever werd en vastbesloten was tot een openlijken oorlog zonder genade.
Tegen het einde van het dessert hoorde de moeder, hoe Camille zeer luid op haar uitdagenden en doordringenden toon zeide:
“O, praat mij niet over die geschminkte, als communie-bruidjes gekleede oude dames, die nog met een pop schijnen te spelen. Ik walg ervan!”
Zenuwachtig stond Eve op en excuseerde zich.
“Neem mij niet kwalijk, dat ik u wat haast … Je weet werkelijk niet, of dit een dejeuner is … maar ik ben bang, dat men ons geen tijd zal laten een kop koffie te gebruiken.”
De koffie werd rondgediend in den blauw-zilveren salon, waarin een wondermooie mand met gele rozen geurde. Deze hartstocht voor bloemen van de barones veranderde het hôtel in een voortdurende lente. Duvillard nam dadelijk Fonsègue, terwijl zij beiden hun kopje dampende koffie nog in de hand hadden, mee naar zijn studeerkamer, om een sigaar te rooken en vrij te kunnen spreken; de deur bleef echter wijd open staan en men hoorde hun stemmen door elkaar klinken. Generaal de Bozonnet, die blij was in madame Fonsègue een ernstige en geduldige vrouw te hebben, die naar hem luisterde, zonder hem in de rede te vallen, vertelde haar de zeer lange geschiedenis van de vrouw van een officier, die haar man in 1870 in alle slagen gevolgd had. Hyacinthe dronk geen koffie; hij noemde die minachtend een drank voor conciërges. Hij maakte zich een oogenblik vrij van Rosemonde, die een glaasje kummel dronk, en ging naar zijn zuster:
“Zeg eens even, dat was ook dom wat je daarnet er voor mama uitgooide. Mij kan het niet schelen, maar ten slotte gaan de anderen het ook merken, en ik zeg je, gedistingeerd is het niet.”
Camille keek hem met haar donkere oogen strak aan:
“Wees zoo goed je niet met mijn zaken te bemoeien!”
Hij schrok, voelde, dat er een onweer op til was en ging met Rosemonde naar den grooten rooden salon ernaast, om haar een nieuwe schilderij te laten zien, die zijn vader den vorigen dag gekocht had. De generaal, dien hij riep, volgde met madame Fonsègue.
Moeder en dochter waren nu een oogenblik alleen. Als gebroken leunde Eve tegen een wandtafeltje. Het geringste verdriet maakte haar moe en mat en in haar naïef en volmaakt egoïsme kon zij bij de minste aanleiding in tranen uitbarsten. Waarom haatte haar dochter haar zoo? Waarom trachtte zij met zooveel hardnekkigheid haar laatste liefdesgeluk, waaraan zij met haar geheele hart hing, te vernietigen? Diep bedroefd en meer wanhopig dan verbitterd keek zij haar aan, en op het oogenblik, dat het jonge meisje ook naar den rooden salon wilde gaan, kwam zij op het ongelukkige denkbeeld haar terug te houden, om een opmerking over haar toilet te maken.
“Maar beste kind, waarom kleedt je je toch zoo hardnekkig als een oude vrouw? Je ziet er heusch niet voordeelig door uit.”
In haar teedere oogen van gevierde en aangebeden mooie vrouw was duidelijk het medelijden met dit leelijke en mismaakte schepseltje, dat zij nooit goed als haar dochter had kunnen erkennen, te lezen. De eene schouder hooger dan de andere, de lange armen van een bultenaar, een profiel van een zwarte geit—hoe was het mogelijk, dat zoo iets monsterachtigs voortgekomen was uit haar koninklijke schoonheid, de schoonheid, die zij haar geheele leven lang zelf lief gehad, met eerbiedige vroomheid verzorgd had, die de eenige godsdienst was, voor welken zij ooit iets gevoeld had. Haar verdriet en haar schaamte, dat zij zoo’n kind had, beefden in haar stem.
Camille bleef plotseling stokstijf staan, als had een zweepslag haar midden in haar gezicht gestriemd. Dan kwam zij naar haar moeder toe, en nu begon de vreeselijke verklaring tusschen die beiden met deze eenvoudige, halfgefluisterde woorden:
“U vindt, dat ik mij slecht kleed … Dan moet u zich eens wat meer met mij bemoeien, ervoor zorgen, dat mijn toiletten naar uw smaak zijn en mij uw geheim om mooi te zijn, leeren.”
Reeds had Eve spijt over haar uitval; zij had een afschuw van disputen met beleedigende woorden. Zij wilde er zich aan onttrekken, vooral op dit oogenblik, nu men haar beneden voor den bazar wachtte.
“Kom beste meid, maak geen scène, nu allen het kunnen hooren … Ik heb je lief gehad …”
Met een ingehouden, maar vreeselijk lachje viel Camille haar in de rede:
“U hebt mij lief gehad … Maar, arme mama, zeg toch niet zulke komische dingen! Hebt u ooit iemand lief gehad? U wilt, dat men u lief heeft; maar dat is heel wat anders. Maar uw kind, een kind … Weet u eigenlijk wel hoe men een kind lief heeft?… U hebt mij altijd aan mijn lot overgelaten, omdat u mij te leelijk vondt en bovendien geen dagen en nachten genoeg hadt om u zelf lief te hebben … Neen, moeder, lieg maar niet; u beschouwt me ook nu nog altijd als een monster, dat u afkeer inboezemt en u hindert.”
Nu was het uit, nu moest de scène ten einde gespeeld worden, in een koortsachtig fluisteren, van aangezicht tot aangezicht, met op elkaar geklemde tanden.
“Ik beveel je te zwijgen, Camille! Ik kan een dergelijke taal niet dulden!”
“Ik behoef niet te zwijgen, wanneer u tracht mij te kwetsen. Als ik er verkeerd aan doe mij als een oude vrouw te kleeden, dan komt dat misschien, omdat een ander zoo belachelijk is zich als een jong meisje, als een bruid te kleeden.”
“Als een bruid, ik begrijp je niet.”
“O, u begrijpt mij heel goed … Maar ik wil toch, dat u het weet: iedereen vindt mij niet zoo leelijk als u, naar het schijnt, mij wil laten gelooven.”
“Als je leelijk bent, dan komt dat, omdat je je slecht kleedt. Iets anders heb ik niet gezegd.”
“Ik kleed mij zooals ik wil, en ongetwijfeld goed, daar men van mij houdt zooals ik ben.”
“Zoo, houdt iemand van je? Dan moet hij het maar zeggen en met je trouwen.”
“Dat gebeurt ook, dat gebeurt ook! Dat zal een heele opluchting voor u zijn! En dan kunt u me nog als bruid zien ook!”
Haar stemmen werden onwillekeurig luider. Camille hield even op, haalde adem en ging dan weer met een fluisterende, fluitende stem door.
“Gérard zal u dezer dagen om mijn hand komen vragen.”
Bleek en met strakke oogen keek Eve haar aan; zij scheen het niet begrepen te hebben.
“Gérard … Waarom zeg je me dat?”
“Natuurlijk omdat Gérard mij liefheeft en met mij trouwen zal … U drijft mij tot het uiterste, u zegt steeds weer, dat ik leelijk ben, u behandelt mij als een monster, waarvan niemand iets weten wil. Dan moet ik mij toch verdedigen, moet ik u de waarheid zeggen, om u te bewijzen, dat niet iedereen uw smaak heeft.”
Er volgde een stilte; de strijd scheen door dat vreeselijke, dat plotseling tusschen haar oprees, geëindigd te zijn. Maar nu stonden niet meer moeder en dochter tegenover elkaar, doch twee mededingsters, die leden en streden.
Eve haalde diep adem en keek angstig rond, of niemand binnenkwam, die haar zou kunnen zien of hooren. Dan vastberaden:
“Je kan niet met Gérard trouwen.”
“En waarom niet?”
“Omdat ik het niet wil, omdat het onmogelijk is.”
“Dat is geen reden. Zeg me de reden.”
“De reden is, dat het huwelijk onmogelijk is. Dat is alles.”
“Neen, de reden zal ik u zeggen, omdat u mij ertoe dwingt … De reden is, dat Gérard uw minnaar is … Maar wat beteekent dat, daar ik het weet en hem toch hebben wil?”
En haar vlammende oogen voegden er aan toe: “En juist daarom wil ik hem hebben!” Haar lange marteling mismaakt te zijn, haar woede, dat zij van haar kinderjaren af haar mooie moeder zoo gevierd en aangebeden gezien had, doorschokte haar en wreekte zich in een boosaardigen triomf. Eindelijk ontroofde zij haar dan toch den minnaar, dien zij haar zoo lang benijd had.
“Ongelukkige,” stamelde Eve zwak en in haar hart getroffen. “Je weet niet wat je zegt en wat je me doet lijden.”
Maar zij moest weer zwijgen en glimlachen, want Rosemonde kwam zeggen, dat men beneden naar haar vroeg. De deuren van het hôtel zouden geopend worden en zij moest in haar “stand” zijn. Ja, zij kwam dadelijk naar beneden … Zij hield zich vast aan een wandtafeltje, dat achter haar stond, om niet te vallen.
“Zeg,” ging Hyacinthe tegen zijn zuster zeggen, “het is idioot, om zoo’n ruzie te maken. Je zoudt beter doen naar beneden te gaan.”
Camille zond hem ruw weg.
“Ga zelf en neem de anderen mede. Het is beter, wanneer wij geen last van hen hebben.”
Hyacinthe keek zijn moeder aan als een zoon, die wist en het belachelijk vond. Dan haalde hij, geërgerd haar zoo weinig krachtig te zien tegen zijn heks van een zuster, zooals hij haar noemde, zijn schouders op, liet haar beiden aan haar dwaasheid over en nam de anderen mede naar beneden. Men hoorde Rosemonde lachend weggaan, terwijl de generaal, die een nieuw verhaal begonnen was, madame Fonsègue begeleidde. Maar toen moeder en dochter zich alleen waanden, drongen andermaal stemmen tot haar ooren door, de stemmen van Duvillard en Fonsègue. De vader was er altijd nog, die haar kon hooren.
Eve voelde, dat zij weg had moeten gaan. Maar zij vond er de kracht niet toe; na het woord, dat haar als een zweepslag getroffen had, en in de wanhoop, waarin de vrees haar minnaar te verliezen, haar wierp, was haar dat onmogelijk.
“Gérard kan niet met je trouwen, hij heeft je niet lief.”
“Hij heeft me wel lief.”
“Je verbeeldt je, dat hij je lief heeft, omdat hij uit medelijden vriendelijk voor je geweest is … Hij heeft je niet lief.”
“Hij heeft mij lief … Hij heeft mij lief, in de eerste plaats, omdat ik niet dom ben, zooals zooveel anderen, en vooral heeft hij mij lief, omdat ik jong ben.”
Dat was een nieuwe wonde, en uit den wreeden spot, waarmede zij toegebracht werd, klonk de triompheerende vreugde eindelijk deze schoonheid, waaronder zij zoo geleden had, te zien verwelken.
“Jeugd, moeder, ja, u weet niet meer wat dat is … Al mag ik niet mooi zijn, jong ben ik; ik ruik nog lekker, heb heldere oogen, frissche lippen. Bovendien heb ik zooveel en zoo lang haar, dat ik me daarmede zou kunnen kleeden, als ik dat wilde … Kom, je bent nooit leelijk, wanneer je jong bent, maar wanneer je niet jong meer bent, arme mama, dan is het uit. Het helpt niet of je al mooi geweest bent, alles in het werk stelt, om het nog te zijn … er blijft niets over dan puinhoopen, schande en walging.”
Zij zeide het zoo scherp, dat iedere zin als een messteek in het hart van haar moeder drong. Tranen kwamen in de oogen van de ongelukkige, zoo diep gewonde vrouw. Ja, het was waar, zij stond machteloos tegenover de jeugd, zij leed slechts, omdat zij ouder werd, omdat zij voelde, hoe de liefde haar verliet, nu zij gelijk was aan een te rijpe, van haar tak gevallen vrucht.
“Nooit zal de moeder van Gérard haar toestemming tot een huwelijk met jou geven.”
“Hij zal haar overreden, dat is zijn zaak … Ik heb twee millioen, en met twee millioen doe je heel wat.”
“Wil je hem dan bezoedelen, zeggen, dat hij je om je geld trouwt?”
“Neen, neen, Gérard is een heel fatsoenlijke en nette jongen. Hij heeft mij lief, hij trouwt met me om me zelf … Maar hij is nu eenmaal niet rijk, heeft ondanks zijn zes-en-dertig jaar geen gevestigde positie, en dan is het zoo gek niet om een vrouw te nemen, die je met het geluk rijkdom brengt … Want, versta me goed, mama, ik breng hem het geluk, de wederkeerige, van de toekomst zekere liefde.”
Nogmaals stonden zij oog in oog tegenover elkaar. De verschrikkelijke scène, telkens onderbroken en weer opgevat, scheen geen einde te kunnen nemen; het was een drama van moorddadige heftigheid, maar gedempt, zonder lawaai, gesproken met verstikte stemmen. Geen van beiden wilde wijken, hoewel zij met al die open deuren ieder oogenblik overvallen konden worden, hoewel het personeel steeds binnen kon komen en de stem van den vader vroolijk naast haar klinken bleef.
“Hij heeft je lief, hij heeft je lief … Dat zeg jij … Hij heeft het je nooit gezegd.”
“Hij heeft het me wel twintigmaal gezegd. Hij zegt het telkens, als we alleen zijn.”
“Ja, zooals aan een klein meisje, dat men een plezier wil doen … Nooit heeft hij tegen je gezegd, dat hij met je trouwen wil.”
“Hij heeft het me den laatsten keer, dat hij hier was, nog gezegd. De zaak is beklonken—ik verwacht, dat hij eerstdaags mijn hand zal vragen.”
“Je liegt, je liegt, ongelukkige. Je wilt me pijnigen. Je liegt, je liegt!”
Eindelijk barstte haar smart in dezen kreet van protest uit; zij wist niet meer, dat zij moeder was, dat zij tot haar dochter sprak … alleen de verliefde, beleedigde, door een mededingster geprikkelde vrouw bleef nog over.
“Mij, mij heeft hij lief,” bekende zij snikkend. “Den laatsten keer heeft hij het mij gezworen, gezworen, versta je, dat hij je niet lief had en nooit met je trouwen zou.”
Camille begon scherp te lachen en nam een spottend-medelijdende houding aan.
“Mama, ik heb heusch met je te doen. Je bent nog zoo’n echt kind … Ja heusch, u bent het kind. Laat u, die toch zooveel ervaring heeft, u nog beetnemen door de verzekeringen van een man? Gérard is de kwaadste niet en daarom zweert hij u alles wat u wilt.”
“Je liegt! Je liegt!”
“Kom, wees nou verstandig. Dat hij niet meer komt, dat hij vandaag niet op het déjeuner verschenen is, vindt alleen zijn oorzaak hierin, dat u hem de keel uithangt. Hij laat u zitten, mama, u moet den moed hebben u dat goed voor te houden. Hij blijft vriendelijk, omdat hij goed opgevoed is en niet weet hoe hij met u breken moet. In het kort, hij heeft medelijden met u.”
“Je liegt! Je liegt!”
“Vraag het hem dan zelf als een goede moeder, die u zijn moest. Spreek openlijk met hem, vraag hem vriendschappelijk wat hij van plan is te doen. En wees u op uw beurt ook vriendelijk. Begrijp toch, dat, wanneer je hem lief hebt, je hem mij dadelijk zoudt moeten geven in zijn belang. Geef hem zijn vrijheid terug en je zult zien, dat hij slechts mij lief heeft!”
“Je liegt, ongelukkig kind. Je wilt me martelen en dooden.”
In haar woedende radeloosheid herinnerde Eve zich, dat zij de moeder was, dat zij deze onwaardige dochter een bestraffing toedienen moest. Zij vond geen stok en rukte nu uit de mand gele rozen, die haar beiden met haar sterken geur bedwelmden, een handvol van de langgesteelde, doornige rozen en sloeg daarmede Camille in haar gezicht. Een droppel bloed kwam te voorschijn op de linkerslaap, dicht bij het ooglid.
Onder dien slag sprong het jonge meisje, vuurrood en als krankzinnig, met haar hand omhoog als gereed, om ook te slaan, naar voren.
“Moeder, pas op … Ik zweer je, dat ik je als de eerste de beste deerne zal afranselen … En begrijp mij goed, ik wil Gérard, ik zal met Gérard trouwen, ik zal hem u ontnemen door een schandaal te maken, als u hem niet goedschiks geeft.”
Na haar woede-daad was Eve als gebroken en wanhopig op een fauteuil neergevallen. In haar drang naar een gelukkig leven en een egoïstisch genot om geliefkoosd, gevleid en aangebeden te worden, kwam al haar afschuw voor scènes terug. Camille daarentegen toonde, dronken door haar wreedheid, dreigend, verslindend, meedoogenloos eindelijk haar hardvochtige en zwarte ziel in haar volle naaktheid. Er ontstond een angstaanjagend zwijgen, waarin men opnieuw de vroolijke stem van Duvillard uit de studeerkamer hoorde komen.
De moeder was zacht begonnen te huilen, toen Hyacinthe den kleinen salon kwam binnen vliegen. Toen hij de beide vrouwen zag, haalde hij medelijdend-minachtend zijn schouders op.
“Zoo, hebben jullie nu je zin? Hadt je niet beter gedaan dadelijk naar beneden te gaan? Je weet toch, dat iedereen naar jullie vraagt. Het wordt te gek. Ga nou gauw mee.”
Misschien zouden Eve en Camille, in haar behoefte om elkaar nog meer te kwetsen en nog meer te lijden, hem nog niet gevolgd hebben, als Duvillard en Fonsègue, die hun sigaar gerookt hadden, niet uit de studeerkamer gekomen waren, om ook naar beneden te gaan. Eve moest opstaan en met droge oogen glimlachen, terwijl Camille voor den spiegel haar haar in orde bracht en met de punt van haar zakdoek den kleinen rooden droppel, die aan haar slaap parelde, afveegde.
In de drie reusachtige, met tapijten en groene planten versierde salons beneden verdrong zich reeds een dichte menigte. De “stands” waren met roode zijde gedrapeerd, wat aan de verschillende artikelen een schitterende omlijsting gaf. Geen bazar had met de duizenderlei hier opgehoopte voorwerpen kunnen wedijveren, want men vond er van alles: van schetsen van meesters en autographen van beroemde schrijvers tot schoentjes en kammen toe. Dit pêle-mêle op zichzelf was reeds een aantrekkelijkheid, geheel afgezien van het buffet, waar mooie, blanke handen champagne schonken, van de twee loterijen, een orgel en een met een pony bespannen Engelsch wagentje. Een zwerm van bekoorlijke jonge meisjes, die zich midden in het gewoel bewogen, verkocht de loten. Maar zooals Duvillard wel voorzien had, werd het groote succes van den bazar voornamelijk gevormd door de verrukkelijke rilling, welke de dames kregen bij het gaan onder de koetspoort, waar de bom gesprongen was. De toegebrachte schade was reeds grootendeels hersteld, maar de schilders waren nog bezig.
Toen barones Eve eindelijk met haar dochter Camille naar beneden ging, om haar plaats in haar “stand” in te nemen, vond zij de verkoopsters reeds koortsachtig bezig, onder leiding van prinses Rosemonde, die bij dergelijke gelegenheden buitengewoon listig en roofzuchtig was. Zij bestal de koopers met de grootste onbeschaamdheid.
“Ben je daar eindelijk!” riep zij. “Pas maar goed op, want er zijn hier een boel koopsters, die een goeden slag trachten te slaan. Ik ken ze, zij loeren op gelegenheidskoopjes, halen de etalages door elkaar en wachten, tot men het hoofd er bij verliest, om dan minder duur te koopen dan in gewone winkels … Maar ik zal ze fatsoenlijk afzetten, wacht maar!”
Eve, die een zeer slechte verkoopster was en er zich mede vergenoegde in haar “stand” te tronen, moest met de anderen mede lachen. Dan dwong zij zich ertoe Camille een paar raadgevingen te geven, welke deze glimlachend en gehoorzaam aanhoorde, maar de ongelukkige vrouw bezweek bijna bij de angstaanjagende gedachte, dat zij daar tot zeven uur blijven en zonder haar hart lucht te geven, voor al die menschen lijden moest. Het was dan ook een groote verlichting voor haar, toen zij abbé Pierre Froment zag, die op een roodfluweel tabouretje naast den “stand” op haar zat te wachten. Doodmoe kwam zij naast hem zitten.
“O, mijnheer de abbé, u hebt mijn brief dus gekregen … Ik heb een goede tijding voor u en wilde u het genoegen laten die zelf aan uw protégé, dien Laveuve, dien u mij zoo warm aanbevolen hebt, te brengen … Alle formaliteiten zijn vervuld; u kunt hem morgen naar het Asile laten transporteeren.”
Verbijsterd keek Pierre haar aan.
“Laveuve—maar die is dood!”
Nu verwonderde zij zich op haar beurt.
“Wat, is hij dood?… Maar waarom hebt u ons dat niet laten weten? Als u eens wist wat voor moeite we ons gegeven hebben, wat we er allemaal voor hebben moeten doen!… Weet u zeker, dat hij dood is?”
“Hij is dood, mevrouw … Een maand geleden is hij gestorven.”
“Al een maand! Maar dat konden wij niet weten. U hebt niets van u laten hooren … Lieve hemel, hoe vervelend, dat hij dood is … nu moeten we alles weer ongedaan maken.”
“Hij is dood, mevrouw. Het is waar, ik had u moeten waarschuwen … Maar wat is er aan te doen? Hij is dood.”
Dat steeds weer terugkomende woord “dood”, de geschiedenis van dezen “doode”, met wien zij zich nu sedert een maand bezig hield, deed haar rillen en bracht haar heelemaal tot wanhoop. Het klonk haar in het oor als een omen van den kouden dood, waarin zij zich in de doodswade van haar laatste liefde voelde nederdalen. Pierre moest daarentegen ondanks zichzelf bitter over zooveel wreede ironie glimlachen. O, deze hinkende naastenliefde, die altijd komt, wanneer de menschen reeds dood zijn.
De priester bleef op het bankje zitten, toen de barones opstaan moest, daar zij den rechter van instructie Amadieu komen zag. Hij was zeer gehaast, wilde maar even acte de présence geven en iets koopen, vóór hij naar het paleis van Justitie terugging. Maar de kleine Massot, de verslaggever van den Globe, die om de “stand” heen sloop, zag hem ook en vloog, tuk op inlichtingen, naar hem toe. Hij liet hem niet los en onderwierp hem aan een formeel verhoor, om te weten, hoe het stond met dien Salvat, dien men beschuldigde de bom onder de koetspoort gelegd te hebben. Was het niet een uitvinding der politie, zooals sommige bladen beweerden? Of was het werkelijk het goede spoor en zou de politie hem eindelijk arresteeren? Maar Amadieu gaf ontwijkende antwoorden en zeide terecht, dat de zaak hem nog niet aanging, dat hij er zich eerst mede te bemoeien had, wanneer die Salvat gearresteerd was en hij met de instructie belast werd. Maar in zijn sluw-gewichtige manier van doen, in zijn correcte houding van mondain magistraat waren allerlei aanduidingen te lezen, als was hij reeds op de hoogte van de kleinste bijzonderheden en als beloofde hij voor de eerstvolgende dagen de grootste gebeurtenissen. Dames vormden een kring om hem, een zwerm van knappe, van nieuwsgierigheid koortsachtige vrouwen verdrong zich om de geschiedenis van dien bandiet, welke haar het kippenvel deed krijgen. Toen Amadieu van prinses Rosemonde voor twintig francs een doosje sigaretten, dat misschien dertig sous waard was, gekocht had, maakte hij zich vlug uit de voeten.
Inmiddels was Massot, die Pierre herkend had, dezen de hand gaan drukken.
“Die Salvat zal al een heel eind weg zijn, wanneer hij goede beenen heeft, denkt u ook niet, mijnheer de abbé?… Ik moet altijd om de politie lachen.”
Maar op dat oogenblik kwam Rosemonde met Hyacinthe naar hem toe.
“Is een vreeselijke plaats, prinses. Ik zou er niet graag met een huzaar heengaan.”
“Maak nu geen gekheid, mijnheer Massot; ik spreek in vollen ernst. Een fatsoenlijke vrouw kan er heel goed in gezelschap van een heer heengaan, niet waar?”
En zonder hem tijd tot een antwoord te laten, wendde zij zich tot Hyacinthe:
“Zie je nu wel, dat mijnheer Massot niet neen zegt. Je gaat er vanavond met mij heen, dat is afgesproken!”
Zij vloog al weer weg, om aan een oude dame voor tien francs een pakje naalden te verkoopen, terwijl de jonge man met zijn geblaseerde stem slechts zeide:
“Zij lijkt wel niet wijs met haar Cabinet des Horreurs!”
Massot haalde wijsgeerig zijn schouders op. Een vrouw moest zich nu eenmaal amuseeren. Toen Hyacinthe zich verwijderd had en met zijn perverse minachting tusschen de mooie, loten verkoopende meisjes rondliep, veroorloofde hij zich te prevelen:
“De jongen heeft het hard noodig, dat een vrouw een man van hem maakt.”
Doch dan viel hij zichzelf in de rede en zeide, zich weer tot Pierre wendend:
“Kijk, daar heb je Dutheil … Wat kletste Sanier vanochtend toch, dat Dutheil vanavond in Mazas zou slapen?”
Inderdaad drong Dutheil zich haastig en glimlachend door de menigte heen, om bij Duvillard en Fonsègue, die nog altijd bij den “stand” der barones stonden te praten, te komen. Onmiddellijk wuifde hij met zijn hand ten teeken van overwinning, om te zeggen, dat hij in de delicate opdracht, waarmede men hem belast had, geslaagd was. Het ging om niets minder dan om een vermetele manoeuvre, ten einde de opneming van Silviane in de Comédie-Française te verhaasten. Zij was op het denkbeeld gekomen den baron ertoe te bewegen een invloedrijk criticus tot een diner in het Café Anglais uit te noodigen. Deze zou, zoo beweerde zij, wanneer hij haar had leeren kennen, de administratie wel dwingen de deuren wijd voor haar open te zetten. Het was geen gemakkelijke taak den criticus die uitnoodiging te doen aannemen, want hij ging voor een knorrig en streng heer door. Dutheil had dan ook drie dagen al zijn diplomatie moeten gebruiken en al zijn invloeden in het vuur brengen. Maar nu straalde hij: hij had overwonnen.
“Vanavond, waarde baron, vanavond om half acht. Bliksems, het heeft mij meer moeite gekost dan er een premieleening door te krijgen.”
Hij lachte met de vroolijke onbeschaamdheid van een pretmaker, die weinig last van zijn politiek geweten had. Zelfs had hij veel pleizier in zijn toespeling op de nieuwe publicatie van de Voix du Peuple.
“Maak geen gekheid,” fluisterde Fonsègue heel zacht, die het aardig vond Dutheil wat bang te maken. “Het staat heel slecht.”
Dutheil werd heel bleek en zag reeds den commissaris van politie en Mazas voor zich. Maar in zijn volkomen en naïef gemis aan iederen moreelen zin, stelde hij zich dadelijk gerust en begon weer te lachen. Lieve hemel, het leven was toch zoo mooi!
“Kom,” antwoordde hij vroolijk, terwijl hij in de richting van Duvillard knipoogde; “daar heb je mijn beschermer!”
Deze had hem dankbaar de hand gedrukt en gezegd, dat hij een aardige jongen was. En zich tot Fonsègue wendende:
“Zeg, je moet vanavond ook van de partij zijn. Ja, je moet, want ik wil, dat Silviane een imponeerenden indruk maakt. Dutheil zal de Kamer vertegenwoordigen, jij de journalistiek en ik de financiën.”
Hij viel zich plotseling in de rede, daar hij Gérard, die zich langzaam en met een ernstig gezicht een weg door al de vrouwenrokken baande, zag. Hij riep hem met een gebaar.
“Gérard, je moet me een dienst bewijzen.”
Dan vertelde hij waar het om ging—dat de invloedrijke criticus de uitnoodiging aangenomen had, dat het diner over Silviane’s toekomst beslissen zou, dat al haar vrienden verplicht waren zich om haar te scharen.
“Ik kan niet,” antwoordde de jonge man verlegen; “ik dineer bij mijn moeder, die zich vanochtend niet al te lekker voelde.”
“Je moeder is te verstandig, om niet te begrijpen, dat er dingen van buitengewoon en exceptioneel belang zijn. Ga weer naar huis terug, vertel haar het een of ander, zeg haar, dat het geluk van een vriend op het spel staat.”
En toen Gérard al zwak begon te worden, voegde hij er aan toe:
“Ik heb je noodig, beste jongen, ik heb een man uit de hooge kringen noodig. Je weet welk een groote macht de hooge kringen op het tooneel vormen. Als Silviane die op haar hand heeft, is haar overwinning verzekerd.”
Gérard beloofde te zullen komen en bleef dan nog een oogenblik met zijn oom, generaal de Bozonnet, staan praten, die dit gekrioel van vrouwen, waarin hij als een oud, afgetuigd schip ronddreef, heel aardig vond. Nadat hij madame Fonsègue voor haar welwillendheid, om naar hem te luisteren, bedankt had door voor honderd francs een autogram van monseigneur Martha van haar te koopen, raakte hij verdwaald onder den zwerm jonge meisjes, die hem elkaar als het ware toewierpen. Toen hij eruit kwam, had hij zijn handen vol loten.
“Jongen, ik raad je aan je niet onder die jonge dames te wagen. Je laatsten sou zou je erbij inschieten!… Kijk, mademoiselle Camille roept je!”
Inderdaad wachtte deze op Gérard, sedert zij hem gezien had. Zij glimlachte uit de verte tegen hem, en toen hun oogen elkaar ontmoetten, moest hij wel naar haar toe gaan, ofschoon hij op hetzelfde moment den wanhopigen blik van Eve, die hem ook smeekend riep, op zich voelde rusten. Camille, die merkte, dat haar moeder geen oog van haar af had, overdreef dadelijk haar vriendelijkheid als verkoopster en maakte van de kleine vrijheden, die de liefdadigheidskoorts toestond, gebruik, stopte de zakken van den jongen man vol met allerlei kleine voorwerpen, gaf hem andere in zijn handen, die zij tusschen de hare drukte—en dat alles met een jeugdigen overmoed, met een luid, frisch gelach, dat de andere, haar mededingster, martelde.
Eve leed er zeer onder, wilde naar hen toegaan, hen scheiden. Maar juist op dat oogenblik werd zij tegengehouden door Pierre, die op een denkbeeld gekomen was, dat hij, alvorens den bazar te verlaten, aan haar oordeel onderwerpen wilde.
“Nu Laveuve dood is en u zooveel moeite gegeven hebt voor het bed, dat nog vrij is, zou ik u willen vragen zoo goed te willen zijn er nog niet over te beschikken, voor ik abbé Rose gesproken heb. Ik zie hem vanavond, en hij, die zooveel ellende kent, zal zoo blij zijn er tenminste één te kunnen verlichten en een van zijn armen naar het Asile te kunnen brengen.”
“Natuurlijk,” stamelde de barones; “ik zal zoo gelukkig zijn … zooals u wilt … Ik zal nog wachten … Ongetwijfeld, ongetwijfeld, mijnheer de abbé!”
Heel haar arm, lijdend wezen beefde. Zij wist niet meer wat zij zeide, zij kon haar hartstocht niet overwinnen, liet den pastoor staan en merkte niet eens, dat hij daar stond, toen Gérard, gehoor gevend aan het smartelijke smeeken van haar blik, erin slaagde het jonge meisje te ontsnappen, om eindelijk naar de moeder te gaan.
“Wat kom je toch weinig, lieve vriend!” zeide zij hardop en glimlachend. “We zien je bijna niet meer!”
“O, ik voelde mij niet lekker,” antwoordde hij vriendelijk.
Hij ziek! Vol moederlijke bezorgdheid keek zij hem aan, en het kwam haar inderdaad voor dat zijn correct, knap mannegezicht ondanks de trotsche, voorname uitdrukking wat bleeker was, dat de edele buitenkant het onherstelbaar innerlijk verval minder verborg. Ja hij met zijn aangeboren goedheid moest wel lijden onder zijn onnut, mislukt leven, onder al het geld, dat hij aan zijn arme moeder kostte, wat hem ten slotte wel tot dit huwelijk met dit rijke, mismaakte meisje, dat hij was gaan beklagen, drijven zou. Zij voelde, dat hij zelf zóó zwak was, als een wrak door een storm zóó heen en weer geslingerd werd, dat haar hart volschoot en zij, nauwlijks fluisterend, vurig smeekte te midden van deze menigte, die alles hooren kon.
“Als jij lijdt—ik niet minder!… Gérard, we moeten elkaar spreken, ik wil het.”
“Neen, laten we nog wat wachten!” stamelde hij verlegen.
“Het moet, Gérard. Camille heeft me je plannen verteld. Je kunt niet weigeren me te zien. Ik wil je spreken.”
Bevend trachtte hij nogmaals de wreede verklaring te vermijden.
“Maar daar is het onmogelijk; ze kennen het adres.”
“Nu, dan morgen om vier uur in het kleine restaurant van het Bois de Boulogne, waar we al eens meer geweest zijn.”
Hij moest het beloven en zij namen afscheid. Camille draaide zich om en keek naar hen. Een groote menigte vrouwen belegerde den “stand” en de barones begon op haar nonchalante manier te verkoopen, terwijl Gérard zich weer bij Duvillard, Fonsègue en Dutheil voegde, die door het vooruitzicht op het diner zeer opgewonden waren.
Pierre had het gesprek gedeeltelijk gehoord. Hij kende de geheimen van het huis, de marteling, de physiologische en moreele ellende, die door den glans van zooveel rijkdom en macht verborgen werd. Het was een steeds dieper invretende, vergiftigde wond: een knagende ziekte verteerde vader, moeder, zoon en dochter, bij wie alle maatschappelijke banden losgeraakt waren. Om de salons te kunnen verlaten, moest Pierre zich een weg banen door de menigte der koopsters, die uit den triomf van den bazar een manifestatie wilden maken. En daar ergens in de verte, in het diepe donker rende Salvat onophoudelijk voort, terwijl Laveuve, de doode, als het ware een kaakslag van bittere ironie in het aangezicht der bedriegelijke, lawaaierige barmhartigheid was.
II.
Welk een heerlijke vrede heerschte daar bij den goeden abbé Rose in den kleinen, op een smallen tuin uitzienden rez-de-chaussée, welken hij in de rue Cortot bewoonde! Geen geratel van wagens, zelfs niet de ademhaling van het aan de andere zijde van den heuvel van Montmartre dreunende Parijs drong door tot de groote stille en de ingesluimerde rust van een afgelegen provinciestadje.
Het sloeg zeven uur, de schemering was langzaam ingevallen. Pierre zat in het eenvoudige eetkamertje te wachten, dat de huishoudster de soep op zou doen. De abbé, die zich ongerust maakte, dat hij hem in een maand—sedert hij zich met zijn broeder Guillaume in Neuilly had opgesloten—zoo goed als niet gezien had, had hem den vorigen dag een brief geschreven en gevraagd te komen eten, om eens kalm over hun zaken te spreken, want Pierre bleef hem geld voor hun gemeenschappelijke aalmoezen geven, en sedert de oprichting van hun asyl in de rue de Charonne hadden zij samen hun liefdadigheidsrekeningen, die zij van tijd tot tijd controleerden. Na het eten zouden zij erover spreken en nagaan of er niet iets beters te doen viel. De goede priester straalde van vreugde over dezen mooien, vreedzamen, goeden avond, dien hij zoo, met zijn lieve armen zich bezig houdend, doorbrengen zou; dat was ondanks alle onaangenaamheden, welke zijn ondoordachte naastenliefde hem reeds bezorgd had, zijn eenig genot, waartoe hij, uit hartstocht, als tot een zondige zwakheid steeds terugkeerde.
Pierre was blij hem dit genoegen te kunnen doen en vond ook zelf daardoor een opluchting, een rust van enkele uren in dit zoo eenvoudige middagmaal, in al die goedheid, welke hun omgaf; hij was nu ver van zijn vreeselijke marteling. Hij herinnerde zich het vrije bed in het Asile des Invalides du Travail en dat barones Duvillard hem beloofd had te zullen wachten tot hij aan abbé Rose gevraagd zou hebben, of hij niet ergens een groote ellende, die belangstelling verdiende, wist. Hij begon er dadelijk over, nog vóór zij aan tafel gingen.
“Een groote ellende, die belangstelling verdient? Maar beste jongen, die verdienen ze allemaal. Als je iemand gelukkig wilt maken, heb je, vooral wanneer het oude, werklooze arbeiders betreft, keus in overvloed, vraag je je alleen maar angstig af, wie de uitverkorene zal zijn, terwijl zooveel anderen in hun hel blijven.”
Toch dacht hij na, wond zich op, nam eindelijk ondanks den smartelijken strijd van zijn gewetensbezwaren, een besluit.
“Ik weet het al. Dat is beslist de ongelukkigste en bescheidenste van allen, een oude man van twee-en-zeventig jaar, een schrijnwerker, die sedert de acht of tien jaar, dat hij van de openbare liefdadigheid leeft, geen werk meer vinden kan. Zijn naam weet ik niet, iedereen noemt hem den grooten Oude. Dikwijls blijft hij weken lang van mijn Zaterdagsche uitdeelingen weg. Wanneer er haast is met de opneming, zullen we hem moeten gaan zoeken. Ik geloof, dat hij meermalen in het nachtasyl in de rue d’Orsel slaapt, wanneer plaatsgebrek hem ten minste niet dwingt achter het een of ander staketsel te gaan liggen. Willen we vanavond in de rue d’Orsel gaan kijken?”
Zijn oogen schitterden; voor hem waren die bezoeken aan de grootste ellende, die hij ondanks zijn overvloeiend apostelmedelijden niet meer durfde maken, zoo had men ze hem verweten en als een misdaad aangerekend, een orgie, de verboden vrucht.
“Is dat afgesproken, jongen? Alleen dezen éénen keer nog maar! Het is trouwens de eenige manier, om den grooten Oude te vinden. Je kunt tot elf uur bij mij blijven … En bovendien zou ik je graag laten zien, welk een verschrikkelijke ellende daar heerscht. Misschien hebben we het geluk, dat we den een of anderen armen stakkerd kunnen helpen.”
Pierre glimlachte om dien jeugdigen ijver bij dezen ouden man met zijn sneeuwwit haar.
“Afgesproken, waarde abbé! Ik vind het heerlijk den heelen avond hier bij u te blijven en het zal me goed doen u nog eens op een van onze oude drijfjachten te volgen, waarvan we altijd met een hart vol vreugde en smart terugkwamen.”
De huishoudster bracht de soep. Maar juist toen de beide priesters aan de tafel wilden gaan zitten, werd er zacht en bescheiden gebeld, en toen de abbé hoorde, dat het een buurvrouw, madame Mathis, was, die een antwoord kwam halen, liet hij haar binnenkomen.
“De arme vrouw had een voorschot van tien francs noodig, om een matras uit de bank van leening te krijgen,” legde hij Pierre uit. “Ik had ze niet, maar heb ze van een ander weten te krijgen. Zij woont hier in huis, in een vreeselijke, heimelijke ellende … Haar inkomsten zijn zoo klein, dat zij er niet van leven kan.”
“Maar,” vroeg Pierre, die zich den jongen man herinnerde, dien hij bij Salvat gezien had; “heeft zij geen grooten zoon van twintig jaar?”
“Ja juist … Ik geloof, dat haar ouders rijke provincialen waren. Zij is, naar men mij verteld heeft, getrouwd met een pianomeester, die haar te Nantes les gaf en haar geschaakt heeft. Zij is met hem naar Parijs gekomen, waar hij gauw gestorven is, een treurige liefdesroman. Door haar meubels te verkoopen en alles bij elkaar te scharrelen, had zij een rente van nog geen twee duizend francs en kon zij haar zoon op het gymnasium laten gaan en zelf bescheiden leven. Maar daar zij haar kapitaaltje in twijfelachtige waarden belegd had, is een groot deel van haar geld verdwenen en heeft zij nog maar een inkomen van achthonderd francs. Zij heeft tweehonderd francs huur te betalen, zoodat zij met vijftig francs per maand moet rondkomen. Anderhalf jaar geleden heeft haar zoon haar verlaten, om haar niet langer tot last te zijn, en tracht zijn eigen brood te verdienen, wat hem echter, naar ik geloof, niet gelukt.”
Madame Mathis kwam binnen, een kleine donkere vrouw met een treurig, zacht en kwijnend gezicht. Zij droeg altijd dezelfde zwarte japon, sprak nauwelijks en leefde in de ongeruste afzondering van een arm schepsel, dat steeds door den storm van het ongeluk getroffen wordt. Toen abbé Rose haar de fijngevoelig ingepakte tien francs gaf, kreeg zij een kleur, bedankte hem en beloofde ze terug te zullen geven, zoodra zij haar maandgeld ontving, want zij was geen bedelares en wilde niets afnemen van het deel, dat voor hongerlijders bestemd was.
“En heeft uw zoon Victor werk gevonden?” vroeg de abbé.
Zij aarzelde, want zij wist niet wat haar zoon deed, daar zij hem soms in weken niet zag. Zij antwoordde dan ook slechts:
“Hij is heel goed en houdt veel van mij … Het is zoo jammer, dat wij geruïneerd werden, voor hij op de École Normale was. Nou heeft hij zijn examen niet kunnen doen … Hij was zoo’n knappe en ijverige leerling op het gymnasium.”
“U hebt uw man verloren, toen uw zoon tien was, niet waar?”
Weer kreeg zij een kleur, dacht dat heel haar geschiedenis aan de beide priesters bekend was.
“Ja, mijn arme man heeft nooit geluk gehad. De tegenslag had hem verbitterd, zijn denkbeelden werden steeds geëxalteerder en hij is in de gevangenis gestorven—tengevolge van een vechtpartij in een volksvergadering, waarbij hij ongelukkigerwijze een politie-agent wondde … Tijdens de Commune had hij medegevochten … Maar toch was hij een heel zachtmoedig man, die mij aanbad.”
Tranen waren in haar oogen gekomen. En abbé Rose liet haar gaan met de troostgevende woorden:
“Laten we hopen, dat u nog plezier van uw zoon zult beleven en dat hij u alles zal vergoeden wat u voor hem gedaan hebt.”
Madame Mathis verwijderde zich langzaam met een gebaar van eindelooze triestheid. Zij wist niets van haar zoon, maar zij beefde voor de verbittering van het harde noodlot.
“Ik geloof niet,” zeide Pierre, toen zij weer alleen waren, “dat de arme vrouw veel op haar zoon kan rekenen. Ik heb den jongen maar eens gezien, maar zijn heldere oogen zijn zoo koud en snijdend als een mes.”
“Vindt je?” riep de oude priester verbaasd uit. “Hij leek mij een heel beleefde jongen, misschien een beetje genotzuchtig, maar onze tegenwoordige jeugd is nu eenmaal vroeg rijp … Maar laten we aan tafel gaan, de soep zal koud worden.”
Bijna op hetzelfde uur was het ook aan een ander einde van Parijs, in den salon van gravin de Quinsac, welken zij achter in den stillen en triesten rez-de-chaussée van een oud hôtel in de rue de Saint-Dominique had, langzaam donker geworden. Zij zat daar alleen met markies de Morigny, den trouwen vriend, aan den haard, waarin juist de gloed van het laatste blok hout uitdoofde. De dienstbode had de lamp nog niet gebracht en de gravin vergat te bellen; die toenemende donkerte gaf eenige verlichting voor haar onrust, maakte den heimelijken angst, dien zij bang was te veel op haar moe gezicht te zullen toonen, onzichtbaar. Nu eerst durfde zij spreken.
“Ja beste vriend, ik ben niet erg gerust omtrent de gezondheid van Gérard. Enfin, je zult hem straks zien, want hij heeft mij beloofd vroeg thuis te zullen komen en met mij te dineeren. O, zeker, ik weet heel goed, dat hij er flink en sterk uitziet, maar om hem goed te kennen, moet men voor hem gezorgd hebben zooals ik. Met hoeveel moeite heb ik hem niet grootgebracht! Steeds staat hij bloot aan allerlei kleine kwalen, die bij hem onmiddellijk erger worden … En het leven, dat hij leidt, is voor zijn gezondheid allesbehalve goed.”
Zij zweeg, zuchtte, durfde niet goed alles bekennen.
“Hij leidt het leven, dat hij leiden kan,” zeide langzaam markies de Morigny, wiens fijn profiel en voornaam, streng en teer gezicht in donkerte gedompeld was.
“Wat moest hij doen, nu hij het militaire leven niet heeft kunnen verdragen en u zelfs tegen de vermoeienissen van den diplomatieken dienst voor hem opziet. Hem blijft niet anders over dan op den achtergrond te leven en onder deze afschuwelijke Republiek, die Frankrijk naar het graf voert, den ondergang af te wachten.”
“Je hebt gelijk, beste vriend, maar juist dat leven van niets-doen maakt mij zoo bang. Daarin verliest hij al het goede en gezonde, dat hij nog heeft … Ik zeg dat niet alleen voor al de liaisons, die wij dulden moeten. De laatste, waarbij ik me zoo moeilijk kon neerleggen, omdat mijn denkbeelden en mijn geloof er zich zoo tegen verzetten, heeft, naar het mij voorkomt, een goeden invloed op hem gehad … Maar nu is hij bijna zes-en-dertig en hij kan toch niet op die wijze, zonder doel, verder blijven leven. Misschien is hij alleen maar ziek, omdat hij niets doet, niets is en voor niets deugt.”
Weer begaf haar stem haar even.
“En bovendien, beste vriend … nu je mij dwingt, alles te zeggen, ik zelf voel me ook niet erg goed … Ik heb in den laatsten tijd flauwtes gehad, den dokter daarover geraadpleegd … In het kort, iedere dag kan de laatste zijn.”
Bevend boog Morigny zich naar haar toe en wilde in de steeds toenemende duisternis haar handen in de zijne nemen.
“Wat, lieve vriendin, jou zou ik moeten verliezen, mijn laatsten afgod! Ik, die de oude wereld, waartoe ik behoor, ineen heb zien storten en nog slechts leef in de hoop, dat jij tenminste blijven zoudt om mij de oogen toe te drukken.”
Zij smeekte hem haar onrust nog niet grooter te maken.
“Neen, neen, kus mijn handen niet; blijf daar in het halfdonker zitten, waarin ik je nauwlijks zien kan … Dat wij elkander zoo lang zonder schande en wroeging lief gehad hebben, moet tot aan het graf onze goddelijke sterkte blijven … En als je me aanraakte, als ik je te dicht bij mij voelde, zou ik niet tot het einde toe kunnen spreken, want ik heb nog niet alles gezegd.”
En toen hij weer in zijn zwijgen en roerloosheid teruggevallen was, ging zij voort:
“Als ik morgen stierf, zou Gérard niet eens het kleine vermogen vinden, dat hij denkt, dat ik bezit. De lieve jongen heeft mij veel gekost, zonder dat hij het ooit vermoed heeft. Zeker, ik had strenger en verstandiger moeten zijn, maar mijn ongeluk is altijd geweest, dat ik een te zwakke moeder was … Begrijp je nu den angst, waarin ik leef, zoodra ik eraan denk, dat Gérard, als ik sterf, niet genoeg zal hebben, daar hij niet in staat is het wonder, dat ik iederen dag herhaal, te doen, om den bedriegelijken schijn van ons huis op te houden … Ik ken hem, ik weet hoe zwak en ziekelijk hij ondanks zijn gezond uiterlijk is. Wat moet er van hem worden? Zal hij niet tot de grootste armoede vervallen?”
Zij liet nu haar tranen den vrijen loop, haar verscheurd hart bloedde, als zij zich voor den geest riep wat er van haar aangebeden kind, waarin hun geslacht en een geheele wereld ineenstortten, na haar dood worden moest. Onbeweeglijk en diep ontroerd bleef de markies zitten; hij voelde wel, dat hij geen recht had zijn vermogen aan te bieden, en begreep op welk een nieuwen val dat ongeluk uitloopen zou.
“Arme vriendin,” zeide hij eindelijk met een van verzet en smart bevende stem; “is het al zoover gekomen, dat je aan dat huwelijk, aan dat afschuwelijke huwelijk met de dochter van die vrouw denkt? Nooit zou het gebeuren, heb je indertijd gezworen. Liever zou je alles dood zien gaan. En nu stem je toe, ik voel het!”
Nog steeds weende zij in den donkeren salon voor het uitgegane vuur. Was dat huwelijk van Gérard en Camille voor haar niet de gelukkige oplossing, de zekerheid, dat zij haar zoon rijk en gelukkig en voor haar geheele leven verzekerd achterliet? Maar een laatste verzet rees in haar op.
“Neen, neen, ik stem niet toe; ik zweer je, dat ik nog niet toestem. Ik strijd met al mijn krachten … een vreeselijken strijd, waarvan je de marteling niet begrijpen kunt.”
Maar oprecht voorzag zij haar nederlaag.
“Geloof mij, waarde vriend, dat ik, wanneer ik eenmaal toegeven mocht, het afschuwelijke van zoo’n huwelijk even goed voel als jij. Het is het einde van ons geslacht en van onze eer.”
Deze kreet ontroerde hem diep. Ook hij verwachtte in zijn intransigentie van Katholiek en hoogmoedigen royalist niets anders dan een laatste instorting. Maar welk een smartvolle gedachte was het voor hem, dat deze edele, zoo innig en zoo rein beminde vrouw het jammerlijkste slachtoffer in die catastrophe zijn zou! Nu de duisternis hen omgaf, waagde hij het voor haar neer te knielen, haar hand te nemen en te kussen.
Toen de dienstbode eindelijk een brandende lamp binnenbracht, kwam ook Gérard. De oude salon Louis XVI met het doffe beeldhouwwerk kreeg in het zwakke licht zijn ouderwetsche bekoring terug. De jonge man huichelde een groote opgewektheid, om zijn moeder gerust te stellen en niet al te bedroefd achter te laten, nu hij niet bij haar kon blijven dineeren. Toen hij haar uitgelegd had, dat een paar vrienden hem verwachtten, ontsloeg zij hem dadelijk van zijn belofte, blij hem zoo vroolijk te zien.
“Ga maar jongen, doch vermoei je niet te veel … Morigny zal nu blijven dineeren en om negen uur komen de generaal en Larombardière. Ik zal mij heusch niet vervelen.”
En zoo kon Gérard, na nog een oogenblik met den markies gepraat te hebben, naar het Café Anglais gaan.
Toen hij daar kwam, gingen reeds in bontmantels gehulde vrouwen de trap op; de zaaltjes vulden zich met vroolijke en weelderig gekleede gezelschappen, de electrische lampjes straalden, de beweging van de verblindende prostitutie der hoogere kringen begon de muren te schokken en te verhitten. In het door den baron besproken cabinet particulier vond hij een buitengewonen overvloed van alles, prachtige bloemen, kristal, zilver, als moest een galadiner gegeven worden. De tafel voor zes couverts was gedekt met een weelde, die een glimlach op zijn lippen riep; het menu en de wijnkaart beloofden wonderen: het zeldzaamste en duurste, dat men kiezen kon.
“Chic, hé?” riep Silviane, die er reeds met Duvillard, Fonsègue en Dutheil was. “Ik wil je invloedrijken criticus eens paf doen staan … Wanneer je een journalist zoo’n diner geeft, moet hij wel lief zijn, wat?”
Zij had, om te overwinnen, een extravagant toilet aangetrokken, een geelzijden japon met oude Alençon-kant, had zich gedecolleteerd en droeg al haar juweelen: een diadeem in het haar, een rivière om den hals, armbanden en ringen. Met haar kuisch, door prachtig haar omlijst madonnagezichtje leek zij op een met de offeranden der geheele Christenheid bedekte moeder Gods, de jonkvrouwelijke koningin.
“Nou je bent zóó mooi, dat je dit ook staat,” zeide Gérard, die haar dikwijls plaagde.
“O, jij vindt natuurlijk, dat ik maar een burgermeisje ben en dat een eenvoudig dinertje en een bescheiden toilet een teeken van meer smaak geweest zouden zijn,” antwoordde zij, zonder boos te worden. “Maar jij weet niet, beste jongen, hoe je de mannen vangen moet”
Duvillard gaf haar gelijk; hij was verrukt haar in haar volle glorie, als een afgodsbeeld opgetooid, te kunnen laten zien. Fonsègue sprak over diamanten en beweerde, dat het onzekere en wisselvallige waarden waren, sedert de wetenschap, dank zij de electriciteit, weldra in staat zou zijn ze tot iets alledaagsch te maken. Dutheil draaide met de sierlijke bewegingen van een kamenier om de jonge vrouw heen, om een plooi van de kant recht te leggen of een weerbarstig haarlokje op te steken.
“Nou, die criticus is ook een ongelikte beer, om zoo op zich te laten wachten!”
Inderdaad kwam de criticus een kwartier te laat, terwijl hij zich dadelijk verontschuldigde, dat hij tot zijn groot leedwezen weer om half tien weg moest, daar hij, of hij wilde of niet, acte de présence geven moest in een klein theater in de rue Pigalle. Het was een groote, breedgeschouderde vijftiger met een vol, behaard gezicht. Van de École Normale had hij een beperkt dogmatisme, een bekrompen schoolgeleerdheid overgehouden, waarvan niets hem had kunnen afbrengen, noch zijn herculische pogingen om sceptisch en oppervlakkig te zijn, noch zijn twintigjarig verkeer in alle Parijsche kringen. Een schoolvos was hij en een schoolvos bleef hij. Dadelijk bij zijn binnenkomen dwong hij zich verrukt over Silviane te zijn. Hij kende haar natuurlijk van gezicht, ja hij had zelfs naar aanleiding van de enkele rollen, waarin zij opgetreden was, in een paar regels heel minachtend over haar geschreven. Maar dit mooie, koninklijk gekleede, onder de bescherming van vier aanzienlijke mannen gepresenteerde jonge meisje maakte indruk op hem; de gedachte kwam in hem op, dat er niets Parijscher, niets vrijer van schoolvosserij zijn kon dan haar te steunen door in haar een talent te ontdekken.
Men zette zich aan tafel. Alles was prachtig, de bediening uitstekend. Op het sneeuwwitte tafellaken geurden de bloemen, schitterde het zilverwerk en het kristal, terwijl een overvloed van de zeldzaamste en duurste schotels geserveerd werd: Russische visch, verboden wild, de laatste, als eieren zoo groote truffels, primeurs, sappig als in het volle seizoen. Het was een geldverspilling alleen voor het genot om dat, wat men op die wijze slechts te eten kreeg, met waanzinnige prijzen te betalen, voor den roem tot zichzelf te zeggen, dat niemand meer uitgeven kon.
De criticus stond verbaasd, hoewel hij het air aannam van iemand, die aan alle feesten gewend is; hij werd dienstvaardig, beloofde zijn steun, verbond zich tot meer dan hij feitelijk gewild had. Verder was hij heel opgewekt, vond geestige woorden, overdreef zelfs zijn goede luim door ruwe grappen. Maar toen na het wild en de oude Bourgonje, de Champagne verscheen, geraakte hij in vuur en kwam, zonder dat hij er zich tegen verzetten kon, zijn ware natuur weer boven. Men had het gesprek op Polyeucte gebracht, op de rol van Pauline, die Silviane voor haar debuut in de Comédie-Française wilde spelen. Deze wonderlijke gril, die hem een week geleden woedend gemaakt had, scheen hem nu nog slechts een vermetele poging, die zij overwinnend doorstaan zou, als zij zijn raad wilde opvolgen. Nu was hij op zijn stokpaardje, hield een heel betoog over de rol, beweerde, dat geen enkele tragedienne tot nog toe die rol goed begrepen had, dat Pauline in den beginne slechts een braaf burgermeisje was en dat het mooie van haar bekeering bij de ontknooping juist lag in het wonder, in de genade, die van haar een goddelijke figuur maakte. Dat was niet de opvatting van Silviane, die van af de eerste verzen in haar de ideale heldin uit de een of andere symbolische legende zag. Hij sprak eindeloos door, zij deed, alsof zij overtuigd was, en hij was verrukt over een zoo mooie en zoo gewillige leerling. Doch toen het tien uur sloeg, verliet hij haastig het geurige, gloeiend-heete vertrek, om zijn plicht in de rue Pigalle te gaan doen.
“Jezus, kinderen, wat heeft die kerel mij verveeld!” riep Silviane uit. “Hij lijkt wel idioot met zijn Pauline als burgermeisje. Als ik hem niet noodig had, dan zou ik hem eens eventjes de waarheid gezegd hebben … Waarachtig, het is te gek! Schenk mij een glas champagne in, ik moet me wat opvroolijken.”
Terwijl uit de gangen en uit de cabinets particuliers gelach en geluid van kussen klonk, nam nu het feest tusschen de vier mannen en dit met diamanten opgetooide, gedecolleteerde, half naakte meisje een zeer intiem karakter aan. Onder het raam, op den boulevard, bewoog zich de stroom van rijtuigen en voetgangers, de koortsachtige genotzucht, het geschacher met liefde.
“Neen, het raam niet open zetten, je zult me nog verkouden maken,” zeide Silviane tegen Fonsègue, die naar het venster ging. “Heb je het zoo warm? Ik vind het hier heel lekker … Zeg, beste Duvillard, laat nog wat champagne komen. Het is verbazend zoo’n dorst als ik van dien criticus gekregen heb!”
Het was benauwd warm in de verblindende warmte der lampen, in den steeds drukkender wordenden geur der bloemen en der wijnen. Een onweerstaanbare drang om dronken te worden, om op een gemeene manier pleizier te maken zooals in vroegere dagen, maakte zich van haar meester: een paar glazen champagne deden de rest: zij werd door een overmoedige, luidruchtige, verdoovende vroolijkheid aangegrepen. Nooit nog hadden zij haar zoo grappig gezien, zoodat zij zelf ook pret begonnen te krijgen. Daar Fonsègue naar de courant terug moest, gaf zij hem een zoen—een dochterlijke zoen, zooals zij zeide, omdat hij altijd respect voor haar gehad had. Toen zij alleen met de drie anderen bleef, nam zij in het geheel geen blad meer voor haar mond, wat hen nog meer prikkelde en opwond. Naarmate zij meer dronken werd, kwam haar schaamteloosheid steeds meer te voorschijn; haar madonnagezichtje, haar ideaal-rein uiterlijk, waaronder zich de meest perverse, de monsterachtigste courtisane openbaarde, was haar grootste prikkel, zooals zij heel goed wist. Vooral wanneer zij dronken was, had zij, met haar onschuldige blauwe oogen en haar leliereinheid, duivelsche phantasieën, die de mannen razend maakten.
Duvillard liet haar dan ook kalm dronken worden, spoorde haar zelfs tot drinken aan, want hij koesterde het heimelijke plan haar naar huis te brengen, en wanneer de dronkenschap haar aan hem overleverde, bij haar te blijven. Maar zij doorzag hem en zeide glimlachend:
“Ik snap je wel, dikkerd! Je denkt, dat ik vanavond liever voor je zal zijn, omdat ik zoo vroolijk ben. Maar dan vergis je je, mijn hoofd is nog helder … Je zult mij niet aanraken voor je me in de Comédie hebt laten debuteeren.”
Duvillard, dien zij nu sedert zes weken speende, dwong zich tot een lachje; hij hoopte nog steeds, dat hij, wanneer hij maar geduldig wachtte, haar wel naar bed zou brengen. Gérard, dien zij in een herinnering aan de verliefde luim, welke zij al eens voor hem gehad had, vriendelijk toelonkte, liet zich in zijn gebroken wilskracht geheel door zijn begeerte naar een gelukkigen nacht beheerschen, terwijl Dutheil, die steeds op een gelegenheid loerde, welke haar aan hem overleveren zou, zich opwond bij de gedachte, dat, als hij handig wist te manoevreeren, eindelijk de beurt aan hem komen zou.
Toen zij merkte, dat zij zoo begeerd werd, verzon zij allerlei onmogelijke geschiedenissen, deed hun verhalen, waaruit een verwonderlijk vuile phantasie bleek. En zij vonden haar in haar schitterend toilet als van een jonkvrouwlijke koningin onbetaalbaar. Toen zij genoeg champagne gedronken had en half dol was, viel haar plotseling iets in.
“Zeg eens kinderen, we blijven toch niet hier, het wordt vervelend. We moeten wat doen … Weet je wat, jullie moesten tot besluit van den avond met me naar het Cabinet des Horreurs gaan. Ik wil La Chemise hooren, het lied, dat Legras zingt. Heel Parijs loopt er heen.”
Maar ditmaal verzette Duvillard zich.
“Neen, dat gaat niet. Dat lied is het vuilste, wat je denken kan. Nooit ga ik daar met je heen.”
Zij scheen hem niet te hooren; maar was al opgestaan en maakte lachend voor een spiegel haar kapsel in orde.
“Ik heb in Montmartre gewoond en wil er weer naar terug. En bovendien wil ik weten of die Legras dezelfde Legras is, dien ik vroeger gekend heb, o, al heel lang geleden … Vooruit met de geit!”
“Maar we kunnen je toch in zoo’n toilet niet in die kroeg brengen, lieve kind! Stel je voor dat je daar gedecolleteerd en met al je diamanten binnenkomt! Ze zullen je uitfluiten … Gérard, zeg haar toch, dat zij verstandig moet zijn!”
Gérard, dien de gedachte van zoo’n dolle onderneming eveneens hinderde, wilde tusschenbeide komen, maar zij sloot hem met haar reeds gehandschoende hand den mond en herhaalde met de vroolijke eigenzinnigheid van de dronkenschap.
“Als ze ons uitfluiten, zal het nog lolliger zijn … Laten we opschieten!”
Nu trok Dutheil, die glimlachend luisterde, galant haar partij.
“Maar beste baron, iedereen gaat naar het Cabinet des Horreurs. Ik ben er met heel voorname dames geweest en speciaal voor La Chemise, dat volstrekt niet gemeener is dan iets anders!”
“Hoor je wat Dutheil zegt, dikzak?” riep Silviane triomphantelijk uit. “En hij is afgevaardigde. Hij zou zijn eervolle positie niet graag compromitteeren.”
Toen Duvillard zich in zijn wanhoop, om zich op zoo’n plaats met haar te vertoonen, bleef verzetten, werd zij niet boos, maar integendeel nog vroolijker.
“Doe jij maar wat je wilt, dikzak! Ik heb je niet noodig. Ga jij maar met Gérard weg en tracht elkaar te troosten. Ik ga er met Dutheil naar toe. Jij wilt wel met me meegaan, nietwaar Dutheil?”
Maar dat was niet de ontknooping, die de baron wenschte. Hoewel de angst hem niet verliet, moest hij zich wel bij de luim van dit verschrikkelijke meisje, welks geur alleen reeds hem dol maakte, neerleggen. Hij vond slechts één uitweg—hij liet Gérard, die in een laatste opwelling van zijn waardigheid hardnekkig weigerde van de partij te zijn, niet gaan. Hij nam zijn beide handen, hield hem terug en smeekte hem op een zoo bijzonderen toon hem dien vriendendienst te bewijzen, dat de minnaar van de vrouw, de verloofde van de dochter eindelijk gedwongen was den echtgenoot en vader zijn zin te geven.
Silviane, die het heele tooneeltje gevolgd had, amuseerde zich dol en lachte tranen. Plotseling liet zij zich gaan, verried haar gril voor Gérard en zeide met een toespeling op zijn liaison met de barones.
“Kom, ga toch mee kerel; dat ben je hem werkelijk wel verplicht!”
Duvillard deed alsof hij het niet hoorde. Dutheil zeide, om hem gerust te stellen, dat er in een hoek van het Cabinet des Horreurs een soort loge was, waarin je je wat verdekt kon opstellen. Gelukkig stond het rijtuig van Silviane, een groote gesloten landauer te wachten; de koetsier, een mooie, flinke kerel, zat onbeweeglijk op den bok. In draf reden zij weg.
Het Cabinet des Horreurs was een vroeger failliet gegaan café op den boulevard Rochechouart. Het smalle, onregelmatige zaaltje met de donkere hoeken lag gedrukt onder een laag, berookt plafond. Men kon zich geen smakeloozer versiering denken: op de muren had men eenvoudig de gemeenste, vuilste en meest schreeuwende affiches geplakt. Achterin was voor een piano een soort estrade gemaakt, waarop een deur, die door een gordijn gemaskeerd was, uitkwam. Verder waren er slechts banken, zonder bekleeding of kussens, waarlangs gewone kroegtafeltjes stonden, waarop de glazen smerige kledderige plekken achterlieten. Geen kunst, geen luxe, zelfs geen zindelijkheid! Vleermuizen zonder bollen verhitten de door menschelijken adem en pijpenrook gevormde atmospheer. Onder dien sluier zag men zwetende, rood-opgeblazen gezichten, terwijl de scherpe uitwaseming van al die opgehoopte menschen den roes, het geschreeuw, waarmede het publiek zich bij ieder nieuw lied opzweepte, deed toenemen. Men had die estrade slechts behoeven op te slaan, dezen Legras er maar met een paar meiden op behoeven te zetten en hem er zijn repertoire van liederlijke vuiligheden laten zingen, en na dien avond was het reusachtige succes gekomen, stroomde heel Parijs erheen en verdrong zich in dat verdachte koffiehuis, dat de kleine renteniers, uit den omtrek, zoolang zij daar slechts hun partijtje domino mochten spelen, niet tot bloei hadden kunnen brengen.
Het was de geilheid van het onreine, de onweerstaanbare aantrekkingskracht van het walgelijke en liederlijke. Het genotzuchtige Parijs, de bourgeoisie, die meesteresse was van het geld en van de macht, waarvan zij langzamerhand beu werd, doch die zij niet loslaten wilde, stroomde er slechts om gemeenheden en beleedigingen in haar gezicht geslingerd te krijgen. Gehypnotiseerd door de verachting, voelde zij bij haar naderend verval den drang, dat men haar in het gezicht spuwde. Welk een verschrikkelijk symptoom: deze veroordeelden van morgen wierpen zich uit eigen beweging in de modder, verhaastten vrijwillig hun ontbinding—deze dorst naar het onreine bracht daar in de uitwerpselen van die kroeg mannen, die voor ernstig en respectabel doorgingen, teere, heerlijke vrouwen, die geurden van gratie en luxe.
Aan een der tafeltjes vlak bij de estrade zat stralend met woest fonkelende oogen en bevende neusvleugels de kleine prinses de Harth. Zij vond het heerlijk eindelijk haar vurige nieuwsgierigheid naar de onderste lagen van Parijs te kunnen bevredigen, terwijl de jonge Hyacinthe, die er zich bij neergelegd had haar te begeleiden wel zoo goed was zich niet al te zeer te vervelen. Zij hadden aan een tafeltje vlak naast zich een zoogenaamden Spanjaard, den coulissier Bergaz gevonden. Deze was hun voorgesteld door Janzen en bezocht trouw de feesten der prinses. Verder wist men niets van hem, zelfs niet of hij het geld, dat hij dikwijls met handen vol uitgaf, werkelijk op de Beurs verdiende. Hij was altijd gemaakt-elegant gekleed en had met zijn groote, slanke gestalte, zijn rooden, genotzuchtigen mond en zijn vurige roofdieroogen iets gedistingeerds over zich. Het heette, dat hij een liederlijke kerel was. Dezen avond zat hij in gezelschap van twee jongelui: Rossé, een kleinen donkeren Italiaan met stijf haar, die als model naar Parijs gekomen was, en Sanfaute, een Parijzenaar, een bleeke, zedelooze slungel zonder baard, die zijn blond haar, dat in lokken over zijn magere wangen viel, als een meisje kapte.
“O,” vroeg Rosemonde koortsachtig nieuwsgierig aan Bergaz, “jij kent hier alle menschen, wijs mij de beruchtste individuen eens aan, en vertel me eens, of er bijvoorbeeld geen dieven of moordenaars zijn.”
Hij lachte spottend en hield haar wat voor den gek.
“Maar u kent iedereen, mevrouw … Dat kleine, teere en rose vrouwtje is een Amerikaansche, de echtgenoote van een consul, die zeker dikwijls bij u geweest is. Die andere daar, die groote, majestueuze brunette, is een gravin, die u iederen dag in haar equipage in het Bois de Boulogne tegenkomt. En die magere achteraan, wier oogen gloeien als die van een wolvin, is de vriendin van een zeer voornamen, om zijn strengheid van zeden bekenden hoogwaardigheidsbekleder.”
“Dat weet ik, dat weet ik,” viel zij hem boos in de rede, “maar de anderen, degenen, voor wie je juist hier komt?”
Zij deed allerlei vragen en zocht naar angstaanjagende, mysterievolle gezichten. Ten slotte trokken twee jonge mannen, die in een hoek zaten, haar aandacht: de een nog heel jong met een bleek en gemaakt-deftig gezicht, terwijl men van den anderen niet kon zeggen hoe oud hij was; hij droeg een ouden, toegeknoopten paletot, die zelfs zijn boord verborg, en zijn pet was zoo diep in zijn oogen getrokken, dat men van zijn gezicht alleen een stuk van zijn baard zag. Zwijgend zaten zij voor hun glas bier, dat zij langzaam uitdronken.
“Als je hier verkleede bandieten komt zoeken, dan tref je net al heel slecht,” zeide Hyacinthe lachend. “Met dien armen bleeken, jongen, die wel niet iederen dag wat te eten zal hebben, ben ik nog op het gymnasium geweest.”
“Wat, heb je Mathis op het gymnasium gekend?” vroeg Bergaz verbaasd.
“Ja, hij heeft daar gestudeerd …”
“Zoo, heb je Mathis gekend? Een merkwaardige jongen, die het tegenwoordig heel beroerd heeft … Maar dien anderen, die bij hem zit, ken je dien niet?”
Hyacinthe keek den man met de in zijn oogen gedrukte pet aan en wilde reeds neen knikken, toen Bergaz hem plotseling een stoot met zijn elleboog gaf, ten teeken dat hij zwijgen moest.
“Stil, daar heb je Raphanel,” zeide hij heel zacht, als ter verklaring. “Zoodra hij er is, ruik je de politie.”
Raphanel was ook een van die vage en verdachte anarchistische figuren, die Janzen, om de voorbijgaande revolutionnaire passie der prinses te streelen, bij haar geïntroduceerd had. Deze, een kleine, vroolijke man met een poppengezichtje en een kinderneus, die schuil ging tusschen dikke wangen, ging door voor een hartstochtelijken dweper en eischte in volksvergaderingen met groot lawaai brandstichting en moord. Het vreemde echter aan hem was, dat hij, hoewel reeds verschillende malen aan groot gevaar blootgesteld, nog steeds den dans had weten te ontspringen, terwijl zijn makkers achter slot en grendel kwamen. Deze begonnen zich daarover te verwonderen.
Onmiddellijk drukte hij de prinses vroolijk de hand, ging, zonder dat het hem gevraagd werd, naast haar zitten en begon dadelijk te schelden op die vuile bourgeoisie, die zich op deze verdachte plaatsen verdrong. Verrukt moedigde Rosemonde hem aan, terwijl men om hem heen boos begon te worden. Bergaz keek hem met zijn doordringende oogen en zijn wantrouwend glimlachje aan als een verschrikkelijk man, die handelt en de anderen liet praten. Nu en dan wisselde hij een blik van verstandhouding met Rossé en Sanfaute, zijn beide zwijgende luitenants. Deze twee behoorden hem blijkbaar met lichaam en ziel toe en volgden hem trouw naar alle orgieën, naar alle aanslagen, waar hij hen beliefde te brengen. Zij alleen buitten de anarchie uit, beoefenden haar tot aan het einde, gebruikten de wreede logica der consequenties. Hyacinthe, die in zijn overspannenheid wel van ontucht droomde, maar er zich niet aan waagde, was erg jaloersch op de lokkenpracht van Sanfaute, ofschoon hij deed, alsof het iets heel gewoons was, waar hij reeds lang geblaseerd van was.
Intusschen waren op de estrade, in afwachting van Legras en zijn Fleurs du Pavé, achtereenvolgens twee zangeressen opgetreden, een dikke, die onnoozele romances zong met gemeene toespelingen, en een magere met ruwe refreinen, die als klappen in het gezicht striemden. Zij had te midden van een storm van toejuichingen haar laatste lied gezongen, toen plotseling het vroolijk gestemde, lachlustige publiek opnieuw losbarstte: Silviane was in de kleine loge verschenen. Toen zij daar half naakt, in haar geelsatijnen japon op een ster gelijkend, en stralend van juweelen in het volle licht stond, ging er een vreeselijk gejouw, gelach, geschreeuw en gefluit op. Maar het lawaai werd nog grooter, vloeken vlogen door de lucht, toen men achter haar Duvillard, Gérard en Dutheil in rok en witte das zag.
“Wat hebben we je nu gezegd?” prevelde Duvillard, die de heele geschiedenis zeer onaangenaam vond, terwijl Gérard in het donker trachtte te blijven.
Maar zij maakte glimlachend en verrukt front naar het publiek en ontving den storm met haar uitgelaten, rein madonnagezichtje zooals men op de hooge zee de levenwekkende lucht inademt. Hier was zij thuis, dit was haar geboortelucht.
“Nou wat dan?” antwoordde zij den baron, die wilde, dat zij ging zitten. “Ze zijn vroolijk—dat is toch heel aardig … Ik amuseer me kostelijk.”
“Zeker, het is heel aardig,” zeide Dutheil, die ook deed alsof hij zich hier thuis gevoelde. “Zij heeft groot gelijk.”
Te midden van het niet ophoudende lawaai was de kleine prinses de Harth opgestaan, om beter te kunnen zien. Dan gaf zij Hyacinthe een duw.
“Zeg, daar heb je je vader met die Silviane. Kijk eens, kijk eens … Wat een brutaliteit om zich hier met haar te vertoonen.”
Hyacinthe weigerde te kijken. Het interesseerde hem absoluut niet; zijn vader leek wel idioot: alleen een kwajongen kon zoo op een meisje verliefd worden. Zijn minachting voor de vrouw werd beleedigend.
“Je zoudt mij bijna boos maken,” zeide Rosemonde, die bijna op zijn knie ging zitten. Zij was vastbesloten zich dien avond, onder voorwendsel hem een kop thee te offreeren, door hem thuis te laten brengen en hem bij zich te houden. “Jij bent een kwajongen met je aanstellerij niets van ons te willen weten … Je vader heeft gelijk, dat hij van haar houdt. Zij is heel knap, ik vind haar aanbiddelijk.”
Nu grinnikte Hyacinthe en zeide met een toespeling op Silviane’s algemeen bekende perversiteit:
“Wil ik het haar soms gaan zeggen?… Papa zal jullie wel aan elkaar voorstellen. Jullie zoudt een aardig paartje vormen.”
Toen Rosemonde de toespeling begreep, begon zij eenvoudig te lachen.
“Neen, neen, ik ben wel nieuwsgierig naar alles, maar zoover is het nog niet met me.”
“Maar zoover zal het wel komen. Je moet alles kennen.”
“Lieve hemel, ja! Wie weet?”
Plotseling hield het lawaai op, iedereen ging weer zitten, slechts de vurige pols van het publiek klopte nog koortsachtig. Legras was op de estrade gekomen. Het was een dikke, bleeke jonge man in een fluweelen jasje, met een rood, zorgvuldig geschoren gezicht, harde oogen en den gulzigen mond van mannen, die zich door vrouwen laten aanbidden, terwijl zij haar terroriseeren. Het ontbrak hem niet aan talent en hij zong zuiver met een doordringende, buitengewoon pathetische metaalstem. Zijn repertoire, zijn Fleurs du Pavé verklaarden volkomen zijn succes. Het waren liederen, waarin het vuil en het lijden van de laagste volkslagen, de geheele afzichtelijke wonde van de maatschappelijke hel huilde en haar kwaal in gemeene woorden vol bloed en vuur uitspuwde.
De piano preludeerde; dan zong Legras La Chemise, het vreeselijke lied, dat heel Parijs trok. Met zweepslagen werd het laatste stuk linnen van het arme meisje, het prostitutie-vleesch, verscheurd en afgerukt. De geheele ontucht van de straat werd er in al haar vuilheid en haar scherp vergif tentoongesteld. En de misdaad der bourgeoisie schreeuwde luid ten hemel achter dat door de modder gesleepte, in het massagraf geworpen, vertrapte, onteerde, onbedekte vrouwenlichaam. Maar meer nog dan in de woorden lag de brandende beschimping in de wijze, waarop Legras dit den rijken, den gelukkigen, den mooien dames, die zich hier ophoopten om naar hem te luisteren, in het gezicht slingerde. Onder de lage zoldering, midden in de dikke pijpenrook, in den verblindenden gloed van het gaslicht gooide hij er zijn verzen als fluimen uit. Het was als een orkaan van gloeiende minachting. Toen hij klaar was, heerschte er een krankzinnige geestdrift, de dames veegden niet eens zooveel beleedigingen af, maar applaudiseerden als razenden. Het publiek stampte, schreeuwde zich heesch, wentelde zich als bezeten in zijn eigen vuil.
“Bravo! Bravo!” herhaalde de prinses met haar scherpe stem. “Wonderbaar, wonderbaar!”
Maar vooral Silviane, wier dronkenschap, sedert zij zich in dezen wit gloeiend gestookten oven opwond, erger werd, klapte als razend in haar handen en schreeuwde luid.
“Hij is het, het is mijn Legras! Ik moet hem een zoen geven. Hij heeft me zoo gelukkig gemaakt!”
Duvillard werd ten slotte boos en wilde haar met geweld medenemen. Zij klampte zich vast aan den rand der loge en schreeuwde nog harder, zonder echter boos te worden, integendeel zij bleef heel vroolijk. Duvillard moest wel aan het onderhandelen gaan. Zij wilde zich wel naar huis laten brengen, maar eerst moest zij Legras, haar ouden vriend, omhelzen. Dat had zij zich gezworen.
“Wachten jullie in het rijtuig. Ik kom dadelijk weer bij jullie.”
Toen het publiek eindelijk wat kalmer werd, zag Rosemonde, dat de loge verlaten was; en nu haar nieuwsgierigheid bevredigd was, dacht zij eraan zichzelf door Hyacinthe naar huis te laten brengen. Deze had onverschillig geluisterd en praatte nu met Bergaz, die beweerde in het Noorden gereisd te hebben, over Noorwegen. O, de fjorden, de ijsmeren, de reine, lelieachtige, kuische koude van den eeuwigen winter! Daar slechts, zeide Hyacinthe, kon hij zich de vrouw en de liefde, den sneeuwblanken kus begrijpen.
“Willen we er morgen naar toe gaan?” riep de prinses met haar brutale levendigheid. “Dan maken we daar onze huwelijksreis. Ik laat mijn hôtel in den steek en vertrek met de Noorderzon.”
Dan voegde zij eraan toe, dat zij het natuurlijk uit de grap zeide. Maar Bergaz wist, dat zij er best toe in staat was en had bij de gedachte, dat zij haar klein hôtel misschien zonder een bewaker achter zou laten, een vluggen blik gewisseld met Sanfaute en Rossé, die nog steeds zwijgend en glimlachend bij hen zaten. Wat een mooie slag was er dan te slaan! Wat een prachtige gelegenheid, om weer iets terug te krijgen van den gemeenschappelijken rijkdom, die door de infame bourgeoisie gestolen was.
Raphanel begon, nadat hij Legras toegejuicht had, met zijn kleine, grijze en doordringende oogen door de zaal te loeren. De twee mannen, Mathis en de andere, de slecht gekleede, van wien men slechts een stuk van zijn baard zag, hielden ten slotte zijn aandacht vast. Zij hadden niet gelachen, zij hadden niet in hun handen geklapt, zij zaten daar als zeer moede menschen, die uitrusten en overtuigd zijn, dat de beste manier om te verdwijnen was je in een groote menigte te begeven.
Plotseling wendde Raphanel zich tot Bergaz.
“Achterin zit de kleine Mathis. Wien heeft hij bij zich?”
Bergaz maakte een ontwijkend gebaar: hij wist het niet. Maar hij verloor Raphanel nu niet meer uit het oog, zag, dat deze deed, als interesseerde hem de zaak verder niet, zijn glas bier uitdronk en dan afscheid nam met de schertsende woorden, dat een dame op hem wachtte in het bureau der omnibussen. Zoodra hij verdwenen was, stond Bergaz op, sprong over de banken, duwde de menschen op zijde, en baande zich een weg naar den kleinen Mathis, wien hij iets influisterde. Onmiddellijk stond deze van zijn tafeltje op, nam zijn makker mede en bracht hem door een zijdeur naar buiten. Het was alles zoo vlug in zijn werk gegaan, dat niemand deze vlucht bemerkte.
“Wat is er toch?” vroeg de prinses aan Bergaz, toen deze weer kalm tusschen Rossé en Sanfaute kwam zitten.
“Niets—ik wou alleen Mathis, die wegging, goeden dag zeggen.”
Rosemonde zeide, dat zij Mathis’ voorbeeld wilde volgen. Dan eerst bleef zij nog een oogenblik zitten praten over Noorwegen, daar zij zag, dat alleen de gedachte aan de eeuwige sneeuw en de groote, reinigende koude, Hyacinthe opwond. In zijn gedicht La fin de la Femme, de dertig versregels, die hij nooit wilde afmaken, droomde hij zich als laatste decor een bevroren dennenbosch. Zij was opgestaan en herhaalde haar vorige scherts, dat zij hem naar huis wilde medenemen, om onder een kop thee het reisplan op te maken, toen Bergaz, die naar haar luisterde, zonder echter de deur uit het oog te verliezen, plotseling onwillekeurig uitriep:
“Mondésir! Ik wist het wel!”
Bij de deur vertoonde zich een kleine, gespierde man met een stevigen rug. Zijn rond gezicht met het bultige voorhoofd en de stompe neus had iets militair-hards. Men had hem voor een onderofficier in politiek kunnen houden. Hij keek de zaal rond, scheen echter teleurgesteld te zijn.
“Ik heb wel gezegd, dat het naar de politie ruikt,” zeide Bergaz, die zijn uitroep van daareven wilde doen vergeten, kalm. “Daar heb je er al een, Mondésir, een kranige kerel, die in dienst onaangenaamheden gehad heeft … Zie hem eens ruiken als een hond, die het spoor bijster is. Ach, beste jongen, als ze je gezegd hebben, dat hier wild is, dan kan je lang zoeken … De vogel is gevlogen.”
Toen Rosemonde Hyacinthe overgehaald had haar thuis te brengen, stapten zij lachend in het coupétje, dat op haar stond te wachten, want zij hadden den landauer van Silviane met den onbeweeglijk en statig op den bok zittenden koetsier gezien, terwijl Duvillard, Gérard en Dutheil nog steeds op het trottoir stonden. Meer dan twintig minuten wachtten zij nu reeds in het half donker van dien buitenboulevard, waarop de lage prostitutie en de gemeenste ondeugden der armenwijken rondzwierven. Dronken kerels waren tegen hen aangeloopen, schimmen van deernen, die fluisterend en onder de vloeken en slagen van haar souteneurs op en neer liepen, streken langs hen heen. Paren zochten het donker der boomen op, bleven op banken zitten. Zoo was de geheele wijk: verdachte huizen, smerige gemeubileerde kamers, de ellendige kamers van de ontucht, die geen ramen in de vensters, geen lakens op de matrassen hebben. De walging van die laag-gezonken, tot aan den vroegen morgen in die zwarte modder van Parijs krioelende menschheid omgaf hen, maar noch de baron, noch Gérard, noch Dutheil wilden weggaan. Hun hardnekkige hoop deed hen hier blijven; ieder van hen nam zich voor, dat hij het langst zou wachten en Silviane naar huis brengen en haar voor zich hebben, daar zij te dronken was, om zich te verzetten.
Eindelijk werd Duvillard ongeduldig en zeide tot den koetsier.
“Jules, ga eens hooren, waarom madame niet terugkomt!”
“En de paarden dan, mijnheer?”
“Daar zullen wij wel op letten.”
Er begon een fijne motregen te vallen. Het wachten scheen tot in de eeuwigheid te duren. Een onverwachte ontmoeting bracht echter eenige afleiding. Zij meenden een schim, een magere hoer in een zwarten rok langs zich te zien gaan. Doch dan herkenden zij tot hun verbazing een priester.
“Wat, u mijnheer Froment?” riep Gérard uit. “Op dit uur? En in deze wijk?”
Zonder zijn verwondering te laten blijken, dat hij hen zelf hier vond, en zonder te vragen wat zij hier deden, legde Pierre hun uit, dat hij zich met abbé Rose bij een bezoek aan een nachtasyl verlaat had. O, al de vreeselijke ellende, welke naar die verpeste slaaplokalen kwam, waar hij bijna flauw gevallen was van den stank. Alles, wat daar in een zware sluimering, als op den grond neergevallen dieren, van uitputting en wanhoop ineen stortte, om vergetelheid te zoeken voor de gruwelen van het leven!
Vergeefs hadden Pierre en abbé Rose in dien hoop ongelukkigen naar den grooten Oude, den vroegeren schrijnwerker, gezocht, om hem uit de goot op te visschen en den volgenden dag naar het Asile des Invalides du Travail te brengen. Hij had zich ’s avonds wel aangemeld, maar geen plaats meer gevonden—want deze hel was nog een uitverkoren plaats. Hij zou nu ergens tegen een paal geleund staan of achter een staketsel liggen. Wanhopig was abbé Rose weer naar de rue Cortot teruggegaan, terwijl Pierre een rijtuig zocht om naar Neuilly te rijden.
De motregen bleef vallen en werd koud. Eindelijk kwam Jules terug en onderbrak het verhaal van Pierre, die aan den baron en de beide anderen het vreeselijke, wat hij gezien had, schilderde.
“En waar is madame, Jules?” vroeg Duvillard, ongerust, hem alleen te zien.
Onverstaanbaar en eerbiedig, zonder eenige andere ironie te laten blijken dan dat zijn linker mondhoek wat scheef trok, antwoordde de koetsier met zijn kleurlooze stem:
“Madame laat zeggen, dat zij niet naar huis gaat en dat zij het rijtuig ter beschikking van de heeren stelt, als de heeren willen, dat ik hen naar huis rijd.”
Dat was te veel, de baron werd boos. Wat, hij had zich naar deze kroeg laten medenemen, hij had hier staan wachten in de hoop van haar dronkenschap gebruik te maken, en nu moest hij toezien, dat zij zich juist in die dronkenschap Legras om den hals wierp! Neen, neen, hij had er genoeg van, hij zou haar die schandelijke beleediging betaald zetten. Hij hield een rijtuig, dat voorbij kwam, aan, duwde er Gérard in en zeide:
“Jij moet mij thuis brengen.”
“Maar zij stelt toch haar landauer tot uw beschikking!” riep Dutheil, die reeds getroost was en in den grond der zaak over de geheele grap lachen moest. “Er is hier best plaats voor drie … Gaat u liever in dat aapje? Nou, zooals u zelf wilt!”
Hij stapte vroolijk in, strekte zich op de kussens uit en de twee groote koetspaarden draafden lustig voort, terwijl de baron in het hevig schuddende oude rijtuig aan zijn woede lucht gaf, zonder dat Gérard hem met een enkel woord in de rede viel. Zij, die hij met goedheid overladen had, die hem nu reeds bijna twee millioen gekost had, had hem die beleediging aangedaan, hem, hem, die de meester was, die over het geld en de menschen beschikte! Zij had het gewild—hij was nu vrij. En hij ademde diep als iemand, die uit het bagno komt.
Pierre keek de beide rijtuigen een oogenblik na. Dan ging hij onder de boomen loopen, om wat tegen den regen beschermd te zijn en te wachten, tot een ander rijtuig voorbijkwam. Zijn arme, strijdende ziel begon tot ijs te verstijven, alles drong erin binnen: de geheele afschuwelijke nacht van Parijs, alle ontucht en troosteloosheid, die daar snikte, de prostitutie uit hoogere kringen, die tot de laagste was afgedaald. Bleeke vrouwenschimmen slopen steeds nog rond, op zoek naar brood; daar streek een schaduw langs hem heen en een stem fluisterde hem in:
“Zeg aan uw broer, dat de politie Salvat op het spoor is en dat hij ieder oogenblik gearresteerd kan worden.”
De schim verdween reeds weer, maar Pierre meende bij het licht van een lantaarn het kleine, droge, bleeke en gemaakt-deftige gezicht van Victor Mathis te zien. En tegelijkertijd zag hij in de vreedzame kamer van abbé Rose het zachte, zoo treurige gezicht van madame Mathis, die nog slechts van de laatste bevende hoop op haar zoon leefde, verschijnen.
III.
Dien Halfvasten-Donderdag, dat alle bureaux van het reusachtige hôtel ledig waren, zat Monferrand, de minister van Binnenlandsche Zaken om acht uur reeds in zijn kabinet. Een deurwachter bewaakte zijn deur en twee loopjongens zaten in de eerste anti-chambre.
Monferrand had bij zijn ontwaken een alleronaangenaamste gewaarwording gehad. De Voix du Peuple, die den vorigen dag de zaak der Afrikaansche sporen weer begonnen was door Barroux, den tegenwoordigen minister van Financiën te beschuldigen tweehonderd duizend francs aangenomen te hebben, zette dezen ochtend de campagne voort en maakte het schandaal nog grooter door eindelijk de zoo lang beloofde lijst te publiceeren van de twee-en-dertig Kamerleden en senatoren, die hun stemmen verkocht hadden aan Hunter, den mythischen, thans verdwenen, onvindbaren strooman van Duvillard. Monferrand zag zich met een bedrag van tachtig duizend francs aan het hoofd der lijst, terwijl Fonsègue met vijftig duizend volgde en de cijfers vervolgens vielen tot tien duizend francs voor Dutheil en drie duizend voor Chaigneux, die het goedkoopst geweest was.
In de opwinding van Monferrand was noch verbazing noch woede merkbaar. Hij had eenvoudig niet geloofd, dat Sanier zijn zucht naar sensatie zoo ver drijven zou, dat hij deze lijst, dat zoogenaamd uit een notitieboekje van Hunter gescheurde blaadje met de onbegrijpelijke hiëroglyphen, die men zou moeten verklaren, om er de waarheid uit te krijgen, publiceeren zou. Anderzijds was hij, daar hij niets geschreven en niets onderteekend had, volkomen rustig, daar hij heel goed wist, dat men zich met brutaliteit en altijd door loochenen uit alle moeilijke gevallen redden kon. Maar welk een steen werd in den parlementairen poel geworpen! Onmiddellijk voelde hij het onvermijdelijke gevolg: deze nieuwe orkaan van onthullingen en verklapperijen zou het ministerie ten val brengen en wegvagen. Gelukkig zat de Kamer dien dag niet, maar morgen zou Mège zijn interpellatie natuurlijk weer opvatten, zouden Vignon en zijn vrienden van de gelegenheid gebruik maken, om een woedenden aanval te doen op de zoo vurig begeerde portefeuilles. Hij zag zich reeds gevallen, weggejaagd uit dit kabinet, waarin hij zich nu sedert acht maanden zoo op zijn gemak voelde. Hij kende geen dwaze ijdelheid, was slechts gelukkig, dat hij als regeeringsman, die zich voor sterk genoeg hield, om de menigte te temmen en te leiden, op zijn plaats was.
Hij had de couranten met een minachtend gebaar weggegooid, was opgestaan en rekte zich uit met het gebrom van een leeuw, die geplaagd wordt. Nu liep hij op en neer in het groote vertrek. Met zijn handen op zijn rug zoo loopend had hij niets meer van zijn vaderlijke manieren, van zijn glimlachend en eenigszins vulgaire gemoedelijkheid. De ruwe strijder, die hij was, kwam in zijn korte gestalte, in zijn breede schouders en in zijn harde gelaatstrekken duidelijk uit. De zinlijke mond, zijn dikke neus, zijn wreede oogen verrieden, dat hij geen geweten, maar een ijzersterken, tegen het moeilijkste werk opgewassen wil bezat. Wat zou hij doen? Zou hij zich met den fatsoenlijken en bombastischen Barroux in de débâcle laten meeslepen? Misschien stond zijn persoonlijk geval niet wanhopig. Maar hoe moest hij de anderen verlaten, om zelf den veiligen oever te bereiken? Het was een ernstig probleem, een moeilijke manoeuvre en het zoeken naar een oplossing maakte hem in zijn razend verlangen om de macht te behouden, woedend.
Hij kon niets vinden en vloekte tegen die aanvallen van deugd van deze dwaze Republiek, die volgens hem iedere regeering onmogelijk maakten. Een dergelijk dwaasheid zou een man van zijn verstand en van zijn kracht tegenhouden! Ga nou eens menschen regeeren, wanneer men je het geld, den voornaamsten scepter, uit de hand rukt! Hij moest in zijn eentje hardop lachen, zoo absurd scheen hem de gedachte aan een idyllisch land, waarin groote ondernemingen op fatsoenlijke manier tot stand kwamen. Daar hij niet wist, waartoe hij besluiten moest, kwam hij op de gedachte, dat het maar het verstandigst zijn zou de zaak met baron Duvillard te bespreken, dien hij sedert lang kende, het speet hem niet eerder aan hem gedacht te hebben, dan had hij hem wellicht kunnen overhalen Sanier’s stilzwijgen te koopen. Eerst wilde hij den baron een briefje schrijven en dat door een der loopers laten brengen. Maar dan gaf hij er in zijn wantrouwen voor geschreven stukken de voorkeur aan te telephoneeren.