TWEEDE BOEK (continued 3)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
En zachter ging hij met een oneindige teederheid voort:
“Kijk eens, onze arme moeder en onze arme vader zetten hun verschrikkelijken strijd in jou voort. Jij was nog te jong, je kon niet alles weten. Ik, ik wist hoe ellendig zij waren—hij ongelukkig door haar, die hem voor een verdoemde hield—zij ongelukkig door hem, wiens ongeloof haar kwelde. Toen een ontploffing hem in deze kamer zelf doodde, heeft zij daarin een straf Gods gezien, is hij het zondige, door het huis ronddwalende spook gebleven! En toch, welk een edel man was hij, welk een goed en groot hart had hij, welk een naar waarheid dorstende arbeider was hij! Hij wilde niets dan liefde en het geluk van allen!… Sedert wij hier ’s avonds zitten, heb ik een gevoel, alsof hij terugkeert; zijn schim omgeeft ons, hij is om en in ons opnieuw ontwaakt. Maar ook zij, de vrome, aan smarten zoo rijke vrouw, herleeft, is steeds om ons, baadt ons in haar liefde, weent en wil ons maar niet begrijpen. Misschien zijn zij het, die mij zoo lang hier gehouden hebben, die ook op dit oogenblik aanwezig zijn, om jouw handen in de mijne te leggen.”
Inderdaad meende Pierre den ademtocht van waakzame teederheid, die Guillaume voor hem opriep, over hen beiden te voelen strijken. Het verleden, hun jeugd herleefde.
“Jij moet ze verzoenen, Pierre, want zij kunnen zich slechts verzoenen in jou. Jij hebt zijn voorhoofd, dat sterk is als een niet in te nemen toren, en je hebt haar mond, haar oogen, vol niet te verwezenlijken teederheid. Tracht ze tot overeenstemming te brengen door dezen eeuwigen honger naar liefde, overgave en leven, waaraan je ten gronde gaat, omdat je hem niet hebt kunnen stillen, eenmaal overeenkomstig je verstand te bevredigen. Jouw vreeselijke ellende heeft geen andere oorzaak. Keer tot het leven terug, heb lief, geef je geheel, wees een man!”
“Neen, neen,” riep Pierre wanhopig uit. “De dood van den twijfel is over mij heen gestreken en heeft alles verdroogd en vernietigd; in dit koude stof kan niets meer herleven. Het is de totale onmacht!”
“Maar zoover, tot zoo’n absolute verloochening kan het toch niet met je gekomen zijn,” ging Guillaume, wiens broederhart bloedde, voort. “Niemand komt zoover, zelfs de meest gedesillussionneerde heeft nog zijn hoekje van chimères en hoop. De naastenliefde, de barmhartigheid, het van de liefde te verwachten wonder loochenen, neen zoover ga ik niet! Maar waarom zou ik, nu je jouw wond voor mij bloot gelegd hebt, jou mijn droom, mijn wanhoopswaanzin, die mij in het leven houdt, niet vertellen? Zullen de geleerden dan de laatste droomende groote kinderen zijn? Zal het geloof weldra alleen nog maar in de laboratoria der chemici opgroeien?”
Een tot het uiterste gespannen ontroering doorschokte hem: een heftige strijd werd in zijn brein en in zijn hart gevoerd; dan overwon de innige liefde voor zijn broeder: hij gaf aan het groote medelijden, dat zich van hem meester gemaakt had, toe en begon te spreken. Maar hij was nog dichter bij Pierre komen zitten, sloeg zijn arm om zijn middel, drukte hem tegen zich aan; en in deze omarming biechtte hij op zijn beurt, terwijl hij zijn stem liet dalen als was hij bang, dat iemand zijn geheim afluisteren zou.
“Waarom zou jij het niet mogen weten? Zelfs mijn zoons weten er niets van, maar jij bent een man, jij bent mijn broeder, en daar je geen priester meer bent, biecht ik aan mijn broer. Daardoor zal ik nog meer van je gaan houden en misschien zal het jou goed doen.”
Toen vertelde hij hem zijn uitvinding, een nieuwe springstof, een kruit van een zóó buitengewone kracht, dat de uitwerking ervan onberekenbaar was. En voor dat kruit had hij een bijzonder oorlogswerktuig, bommen, die door een speciaal vervaardigd kanon weggeslingerd werden en aan het leger, dat er gebruik van zou maken, een verpletterende overwinning verzekerden. Het vijandelijke leger zou in enkele uren totaal vernietigd zijn, de belegerde steden bij het geringste bombardement in stof vallen. Lang had hij gezocht, getwijfeld, berekeningen gemaakt en proeven genomen; maar thans was alles gereed: de juiste formule van het kruit, de teekeningen voor het kanon en de bommen, een kostbaar dossier, dat op een veilige plaats verborgen was. En na maanden van pijnlijk nadenken had hij besloten zijn uitvinding aan Frankrijk te geven, om het de overwinning in den komenden oorlog met Duitschland te verzekeren. Toch voelde hij geen enghartige vaderlandsliefde in zich, integendeel, hij had een zeer breede, internationale opvatting omtrent de toekomstige libertaire beschaving. Maar hij geloofde in de zending van Frankrijk, hij geloofde vooral in Parijs, het brein van de hedendaagsche en toekomstige wereld, waaruit alle wetenschap, alle gerechtigheid ontspruiten zouden. Reeds was bij den sterken adem der Revolutie de idee van vrijheid en gelijkheid uit de wereldstad opgestegen, en ook van haar genie, van haar moed zou de finale bevrijding uit moeten gaan. Parijs moest overwinnen, wilde de wereld gered worden.
Dank zij Bertheroy’s voordracht over de springstoffen had Pierre alles begrepen. De matelooze grootschheid van dit plan, van dezen droom greep hem aan. In het bliksemen en donderen der bommen zou zich voor het overwinnende Parijs een buitengewoon lot openen. Maar ook was hij getroffen door den adel, dien de nu reeds een maand durende angst van zijn broeder in zijn oogen aannam. Deze had slechts gebeefd uit vrees, dat zijn uitvinding door den aanslag van Salvat wereldkundig zou worden. De kleinste indiscretie kon alles in gevaar brengen; zou dat kleine gestolen bommetje, waarover de geleerden zich verbaasden, zijn geheim niet openbaar maken? Hij wilde zijn eigen weg kiezen, want hij voelde de noodzakelijkheid in het geheim te handelen, totdat de dag zou komen. Tot op dat oogenblik zou het geheim rusten in de aan de hoede van Grootmoeder toevertrouwde schuilplaats, van Grootmoeder, die de noodige orders had en wist wat zij te doen had, wanneer hij zelf door een plotseling ongeval verdwijnen zou. Hij verliet zich op haar als op zijn eigen moed, en niemand zou de hand erop leggen, zoolang zij er als zwijgende hoedster over waken zou.
“Nu je mijn hoop en mijn angst kent, zal je me kunnen helpen,” zoo ging Guillaume voort; “zal je mijn plaats kunnen innemen, wanneer ik mijn taak niet tot het einde zou kunnen afmaken … Tot het einde afmaken, tot het einde afmaken! Sedert ik hier opgesloten ben en nadenk en door ongerustheid en ongeduld verteerd word, zijn er uren, dat ik den weg niet duidelijk meer voor mij zie. Die Salvat, die ongelukkige, aan wiens misdaad wij allen schuld hebben en die als een wild dier vervolgd wordt! Die waanzinnige, nooit verzadigde bourgeoisie, welke zich liever zal laten verpletteren door den val van het oude, wankele huis dan de geringste reparatie erin te dulden! Die hebzuchtige, afschuwelijke, voor de kleinen zoo harde, voor de verlatenen zoo beleedigende pers, die geld slaat uit algemeene rampen en bereid is den toch al besmettelijken waanzin aan te wakkeren, ten einde haar oplaag te vertiendubbelen. Waar is de waarheid, de gerechtigheid, de logische, gezonde hand, die men met den bliksem bewapenen moet? Zal het overwinnende, de volkeren beheerschende Parijs de verwachte rechter, de verwachte redder zijn? O, deze angst, wanneer men de meester van het wereldnoodlot meent te zijn, en dan te moeten kiezen, te moeten beslissen!”
Hij was opgestaan; een hevige rilling, woede en vrees, dat zooveel menschelijke ellende de verwezenlijking van zijn droom beletten zou, doorhuiverde hem. En te midden van de diepe stilte, die nu ontstond, dreunde het kleine huisje door een regelmatigen, aanhoudenden stap.
“Ja, de menschen redden, ze liefhebben, ze allen gelijk en vrij willen,” prevelde Pierre bitter. “Hoor, daar heb je boven ons hoofd weer den stap van Barthès! Hij geeft je antwoord uit de eeuwige gevangenis, waarin zijn liefde voor de vrijheid hem geworpen heeft!”
Maar Guillaume had zijn zelfbeheersching weer teruggekregen, ging met de geestdrift van zijn geloof weer terug naar zijn broer en nam als een groote broer, die zich geheel gaf, zijn jongeren broeder in zijn liefderijke, redding brengende armen.
Tranen rezen weer op in de oogen van Pierre; die innige liefde doordrong hem en hief hem op.
“O, wat zou ik je graag gelooven, een genezing beproeven! Het is waar, dat er reeds een onbestemd ontwaken in mij plaats gegrepen heeft. Maar herleven, neen! Dat zou ik niet kunnen; de priester in mij is dood, een ledig graf!”
Een zoo hevig snikken doorschokte hem, dat ook Guillaume’s oogen zich met tranen vulden. Arm in arm, dicht tegen elkaar aangedrukt, weenden de beide broeders lang in dit huis, waarin de vader en de moeder terugkeerden en wederom rondspookten, in afwachting, dat hunne schimmen weer verzoend en aan den vrede der aarde teruggegeven zouden worden. Door de openstaande deur drong het zachte donker van den tuin, terwijl daar in de verte, aan den horizont, Parijs ingeslapen was in de vreeselijke, onbekende duisternis, onder den rustigen, met sterren bezaaiden hemel.