DERDE BOEK (continued 3)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
“De duivel mag weten wat eruit te voorschijn komt,” zeide Massot ten slotte. “Bah, wat een vuile rommel!”
Maar generaal de Bozonnet voorzag de ergste catastrophes. Ja, als men nog maar een leger gehad had! Dan zou men dat handjevol verkochte parlementariërs, die het land opvraten en ten gronde richtten, op een goeden morgen kunnen wegjagen. Volgens zijn meening beteekende het feit, dat een volk onder de wapenen geen leger vormde, het einde van alles.
“U zoekt immers stof voor een artikel,” zeide hij tegen Massot. “Daar hebt u een mooi onderwerp … Frankrijk, dat meer dan een millioen soldaten heeft, bezit geen leger. Ik zal u aanteekeningen geven, dan zult u eindelijk de waarheid kunnen zeggen.”
Onmiddellijk maakte hij zich meester van den journalist en begon een heele preek tegen hem. De oorlog moest een kasten-aangelegenheid zijn; aanvoerders bij Gods genade moesten huurlingen, betaalde of uitgekozen soldaten ten strijde voeren. Den oorlog democratiseeren stond gelijk met den oorlog dooden, en dat was een doorn in het oog van den held, die den krijg als de eenige nobele bezigheid beschouwde. Van het oogenblik af, dat iedereen gedwongen werd te strijden, wilde niemand meer vechten. Daarom zou de verplichte militaire dienst, de natie onder de wapenen, ongetwijfeld vroeger of later tot het einde van den oorlog leiden. Dat er sedert 1870 niet gevochten was kwam juist, omdat iedereen gereed stond om te vechten. Men aarzelde thans het eene volk tegen het andere in den strijd te werpen, daar men aan de vreeselijke vernietiging, aan de reusachtige verspilling van geld en bloed dacht. Het in een reusachtig versterkt kamp veranderde Europa vervulde hem met woede en walging; het was alsof de zekerheid, dat allen elkaar dadelijk bij den eersten slag vernietigen zouden, hem het genot vergalde, dat vroeger het oorlog voeren bood.
“Maar het zou toch niet zoo’n heele groote ramp zijn, wanneer de oorlog verdween,” zeide Pierre zacht.
“Het zou een mooie collectie volkeren worden, als er niet meer gevochten werd,” zeide de generaal, eerst geprikkeld; doch dan wilde hij laten zien, dat hij praktisch was. “Bedenk toch eens, dat de oorlog nooit zooveel geld gekost heeft als sedert hij niet meer mogelijk is. Onze gewapende vrede, onze volkeren onder de wapenen ruïneeren gewoonweg de staten. Als het geen nederlaag is, dan is het een zeker bankroet … In ieder geval is de militaire stand een verloren stand, waarbij niets meer te halen is; het geloof daarin verdwijnt, men zal hem langzamerhand verlaten, zooals men den priesterstand verlaat.”
Hij maakte een wanhopig gebaar, als vervloekte de soldaat van vroeger dit Parlement, deze republikeinsche Kamer, als verweet hij haar de dagen, die komen zouden, dat de soldaat nog slechts de burger zijn zou.
De kleine Massot schudde het hoofd; waarschijnlijk vond hij die stof te ernstig.
“Kijk, daar heb je monseigneur Martha met den Spaanschen gezant in de diplomatenloge,” viel hij den generaal kortaf in de rede. “Zooals u weet, zegt men, dat hij van zijn candidatuur in le Morbihan afziet. Hij is veel te slim, om zich als Kamerlid aan gevaar bloot te stellen, terwijl hij bovendien toch de draden in handen houdt, waarnaar de meeste met de republikeinsche regeering verzoende Katholieken dansen.”
Werkelijk zag Pierre het glimlachende gezicht van monseigneur Martha, die den vorigen dag in de antichambre van den minister zoo voorkomend voor hem geweest was. Het leek hem nu alsof die bisschop, hoe bescheiden hij zich ook voordeed, hier een grooten invloed had. Hij voelde hoe machtig en bezig hij was, hoewel hij zich volstrekt geen moeite gaf en alleen maar als een eenvoudige nieuwsgierige een kijkje nemen kwam. Pierre’s blik keerde steeds weer naar hem terug, alsof hij verwachtte, dat deze plotseling zou opstaan, om de handeling te leiden en de menschen en dingen te bevelen.
“Ha, daar heb je Mège,” zeide Massot weer. “De zitting zal beginnen.”
Langzamerhand liep de zaal beneden vol. Kamerleden kwamen door de deuren en liepen de nauwe gangetjes af. De meesten bleven in opgewonden gesprekken staan praten en brachten zoo de koortsachtige opwinding uit de wandelgangen naar de zaal. Anderen, die er reeds met vaalgrijze en vermoeide gezichten zaten, keken naar de zoldering, waar het halvemaanvormige glazen dak witachtig òplichtte.
Nu noemde Massot den naam van iederen binnenkomenden, invloedrijken afgevaardigde. Mège, die door een ander lid van de kleine socialistische groep staande gehouden werd, gesticuleerde opgewonden. Dan kwam Vignon, door eenige vrienden begeleid en een glimlachende kalmte bewarend, de treden af, om naar zijn plaats te gaan. Maar de tribunes wachtten vooral op de gecompromitteerde leden, wier naam op de lijst van Sanier stond; dezen waren interessant om te bestudeeren: enkelen huichelden een volkomen kalmte, waren vroolijk en maakten grappen; anderen daarentegen namen een ernstige, verontwaardigde houding aan. Chaigneux zag er aarzelend en weifelend uit, als werd hij neergedrukt onder het gewicht van een vreeselijke onrechtvaardigheid. Dutheil daarentegen had zijn kalme onbezorgdheid teruggevonden en zou volkomen vroolijk geweest zijn, indien niet een zenuwachtige spierbeweging zijn mond vertrokken had. Het meest bewonderde men Fonsègue; hij was zichzelf weer zóó volkomen meester, zijn gezicht had een zóó vastberaden, zijn blik een zóó onbevangen uitdrukking, dat al zijn collega’s en het geheele publiek een eed gedaan zouden hebben op zijn onschuld.
“O die patroon,” prevelde Massot geestdriftig. “Zoo bestaat er toch geen tweede … Kijk, daar heb je de ministers! Let vooral eens goed op de ontmoeting tusschen Barroux en Fonsègue na het artikel van vanochtend!”
Het toeval wilde, dat Barroux met opgeheven hoofd, heel bleek en bijna uitdagend, langs Fonsègue moest, om bij de ministerbank te komen. Hij zeide geen woord, maar keek hem aan als iemand, die voelt, dat hij verlaten wordt, dat een verrader hem een mes in den rug stoot. Fonsègue bleef echter naar alle kanten handen geven, alsof hij zelfs niets merkte van den zwaren blik, die op hem rustte. Verder deed hij eveneens alsof hij ook Monferrand niet zag, die kalm, alsof er geen wolkje aan de lucht was, achter Barroux liep. Zoodra hij op zijn plaats zat, keek hij op en glimlachte tegen monseigneur Martha, die dezen groet met een hoofdknikje beantwoordde. Dan begon hij zacht in zijn handen te wrijven, blij, dat de zaken precies zoo liepen als hij wilde.
“Wie is die grijze, trieste man op de ministersbank?” vroeg Pierre aan Massot.
“O dat is die goede Taboureau, de man zonder prestige, de minister van Openbaar Onderwijs. Je kent hem natuurlijk wel, maar je herkent hem nooit: hij ziet er precies uit als een oude, door het lange gebruik afgesleten sou. Dat is er ook een, die den patroon nu niet bepaald dankbaar gestemd zal zijn, want de Globe bevatte vanochtend een juist door zijn gematigdheid zoo fel artikel over zijn onbekwaamheid in alles wat de afdeeling Schoone Kunsten betreft. Het zou mij verwonderen, als hij daarboven opkomt.”
Maar een dof tromgeroffel kondigde de komst van den voorzitter in het bureau aan. Een deur ging open en een kleine stoet verscheen, terwijl een verward lawaai, geroep en geloop de halfcirkelvormige zaal vulden. De president stond, luidde lang met zijn bel en zeide, dat de zitting geopend was. Er trad echter geen stilte in, toen een secretaris, een groote, lange, donkere jongeman, met een scherpe stem de notulen voorlas. Nadat deze goedgekeurd en de brieven van verhindering voorgelezen waren, werd vlug een klein wetsontwerp met het opsteken der handen aangenomen. Daarna kwam eindelijk de groote zaak, de interpellatie van Mège te midden van een rilling in de zaal en de hartstochtelijke nieuwsgierigheid der tribunes. Nadat de regeering de interpellatie aanvaard had, besloot de Kamer, dat de discussie onmiddellijk beginnen zou. Ditmaal ontstond er een diepe stilte, waardoor nu en dan een korte rilling ging, waarin men den schrik, den haat, den hartstocht, de verslindende, ontketende begeerten voelde.
Op de tribune begon Mège gekunsteld-gematigd de quaestie te preciseeren en formuleeren. Hij was groot, mager, knoestig en krom als een boomtak en steunde zijn eenigszins gebogen gestalte met zijn beide handen, terwijl hij zijn rede dikwijls even onderbreken moest voor een teringhoestje. Maar achter zijn lorgnet schitterden zijn oogen van geestdrift; langzamerhand verhief zich zijn schrille, krijschende stem tot een donder, terwijl hij onder een heftig gebarenspel zijn grof gebouwd lichaam oprichtte. Hij herinnerde eraan, hoe hij twee maanden geleden bij de eerste onthullingen van de Voix du Peuple de regeering over die betreurenswaardige affaire der Afrikaansche sporen wilde interpelleeren, en maakte er niet ten onrechte opmerkzaam op, dat er, indien de Kamer, toegevend aan gevoelens, die hij op dit oogenblik niet verder beoordeelen wilde, zijn interpellatie niet verdaagd had, reeds lang licht zou zijn opgegaan, wat het weder opduiken van het schandaal, deze geheele heftige campagne van onthullingen, waaronder het geheele land leed, voorkomen zou hebben.
Nu echter begreep men, dat zwijgen onmogelijk geworden was, de beide met zooveel ophef van plichtverzaking beschuldigde ministers moesten antwoorden, hun volkomen onschuld bewijzen, het meest heldere licht over hun geval doen schijnen, geheel afgezien nog van het feit, dat het Parlement een dergelijke beschuldiging van onteerende omkoopbaarheid niet op zich mocht laten zitten. Hij rakelde de geheele geschiedenis der affaire op, sprak van de concessie, die aan den bankier Duvillard voor de Afrikaansche sporen gegeven was, over de beruchte emissie van premieloten, welke de Kamer—wanneer men de aanklagers gelooven mocht—goed gekend had dank zij een omkooperij, een geschacher met en een koopen van gewetens. Op dit punt van zijn rede, toen hij begon over den beruchten Hunter, Duvillard’s drijver, dien de politie had laten ontvluchten, om zich des te meer met de vervolging van socialistische afgevaardigden te kunnen vermoeien, geraakte hij in vuur en liet zich tot een onstuimige heftigheid verleiden.
Hij sloeg met zijn vuist op de tribune, sommeerde Barroux kategorisch tegen te spreken, dat hij van de tweehonderd duizend francs, waarmede zijn naam op de lijst voorkwam, ooit een centime gekregen had. Stemmen schreeuwden hem toe, dat hij de geheele lijst voor moest lezen; andere begonnen, toen hij haar voorlezen wilde, lawaai te maken en te brullen, dat het een schandaal was om zoo’n leugenachtig en lasterlijk pamphlet in een Fransche Kamer te brengen. Maar hij bleef geestdriftig doorgaan, gooide Sanier in de modder, ontkende beslist, dat hij iets met de aanklagers gemeen had, maar eischte, dat allen op denzelfden voet behandeld werden en dat, als er onder zijn collega’s omgekochten waren, men ze hedenavond nog in Mazas zou laten slapen.
De president stond achter zijn monumentale tafel en luidde machteloos als een loods, die den storm niet meer meester is. Te midden van de opgeblazen en schreeuwende gezichten bewaarden alleen die van de boden den onverstoorbaren ernst van hun functie. Tusschen het lawaai in bleef men de stem van den redenaar hooren, die in een plotselingen overgang een tegenstelling begon te maken tusschen de door hem gedroomde collectivistische maatschappij en de misdadige kapitalistische maatschappij, welke in staat was dergelijke schandalen te verwekken. Hij was als een apostel, die met een woeste halsstarrigheid de wereld naar zijn geloof wilde hervormen. Het collectivisme was een leer, een dogma geworden, waarbuiten geen heil te vinden was. De voorspelde dagen zouden weldra komen; hij wachtte ze met een glimlach vol vertrouwen af; hij behoefde nog slechts dit ministerie en misschien nog een tweede of een derde omver te werpen, om eindelijk zelf als hervormer, die vrede brengen zou aan de volkeren, de macht in handen te krijgen. Deze sectariër had—zooals de andere socialisten verwijtend beweerden—dictatorsbloed in zijn aderen. Weer luisterde men naar hem, want zijn koortsachtige, hardnekkige rhetoriek had ten slotte de schreeuwers uitgeput. Toen hij eindelijk de tribune verliet, weerklonken op sommige banken der linkerzijde luidruchtige toejuichingen.
“Een paar dagen geleden heb ik hem met zijn drie kinderen in den Jardin des Plantes gezien,” zeide Massot tegen den generaal. “Hij zorgde voor hen als een kindermeid. Hij lijkt mij een brave kerel, die zijn arm huishouden zooveel mogelijk tracht te verbergen.”
Maar een rilling was door de zaal gehuiverd. Barroux stond op om naar de tribune te gaan. Hij richtte met een hem eigen beweging, die zijn hoofd naar achteren wierp, zijn hooge gestalte op en begon dadelijk in een mooie, bloemrijke taal en met theatrale gebaren zijn zwaarmoedige verontwaardiging te schilderen. Het was een romantische tribune-welsprekendheid, waaruit men dadelijk den braven, weekhartigen, eenigszins dommen man, die hij per slot van rekening was, proeven kon. Toch beefde dien dag een echte, diepe ontroering in hem, want zijn hart bloedde over zijn ongelukkig lot en hij voelde met zich een geheele wereld instorten. O, hoe hield hij den kreet van wanhoop in, den kreet van den burger, dien de gebeurtenissen op den dag, dat hij door zijn toewijding recht meent te hebben op den triomf, in het gezicht slaan en terugwerpen.
Hoe vreeselijk, wanneer men zich sedert het keizerrijk met hart en ziel aan de Republiek gegeven, voor haar gestreden, voor haar geleden, haar vervolgens na de verschrikking van een nationalen en een burgeroorlog temidden van den dagelijkschen partijstrijd gegrondvest heeft, zich dan plotseling, wanneer zij eindelijk triompheert en sterk en onoverwinlijk is, als een vreemdeling uit een anderen tijd te voelen, te hooren, hoe nieuw aangekomenen een andere taal spreken, een ander ideaal verdedigen, getuige te moeten zijn van een instorting van alles wat men liefheeft en vereert, van alles, wat iemand de kracht tot overwinnen gegeven heeft. De machtige arbeiders van den eersten tijd waren er niet meer. Gambetta had gelijk gehad te sterven. Maar welk een bitterheid voor de laatste, temidden van de intelligente en handige jonge generatie overgebleven ouden, die zien moesten, hoe er om hun ouderwetsch geworden romantisme gelachen werd. Alles stortte ineen, zoodra de idee der vrijheid bankroet sloeg, zoodra de vrijheid niet meer het eenige goed, het fundament zelf der republiek was, die zij zoo duur en met zooveel inspanning van krachten gekocht hadden.
Zeer oprecht en zeer waardig bekende Barroux. De republiek was de heilige ark, en om haar te redden, zoodra zij in gevaar verkeeren kon, werden alle middelen, zelfs de ergste, geheiligd. Hij vertelde de geschiedenis heel eenvoudig: al het geld van de bank Duvillard zou, onder voorwendsel van publiciteit, naar de bladen der oppositie gaan, terwijl de republikeinsche bladen belachelijk kleine sommen kregen. Als minister van Binnenlandsche Zaken was hij toenmaals met de persaangelegenheden belast; en wat zou men gezegd hebben, indien hij niet getracht had het juiste evenwicht te herstellen, zoodat de macht van de tegenstanders niet vertienvoudigd werd. Alle handen strekten zich naar hem uit, tallooze bladen, en daaronder de meest verdienstelijke en meest getrouwe, eischten het hun rechtmatig toekomend deel. Dat deel nu had hij hun verzekerd door onder hen de tweehonderd duizend francs, waarmede zijn naam op de lijst voorkwam, te verdeelen. Geen centime daarvan was in zijn zak terechtgekomen; hij gaf niemand het recht aan zijn rechtschapenheid te twijfelen, zijn woord moest voldoende zijn. Op dat oogenblik was hij werkelijk bewonderenswaardig groot. Alles, zijn pralende middelmatigheid, zijn emphase verdween; niets was meer over dan de man van eer, die bevend zijn hart liet zien, wiens geweten bloedde door het uitrukken der waarheid, die begreep, dat de belooning uitblijven zou.
Inderdaad werd de rede met een ijskoude stilte ontvangen. Barroux, die in zijn naïveteit geloofd had, dat een uitbarsting van geestdrift volgen zou, werd langzamerhand zelf door die koude, welke uit alle banken opsteeg, aangegrepen. Plotseling voelde hij, dat hij alleen stond, dat het uit was met hem, dat de dood hem aangeraakt had. Het was de leegte als van een graf in hem. Toch sprak hij te midden van de angstaanjagende stilte verder met de bravoure van een arme, die zelfmoord pleegt en uit liefde voor mooie en edele houdingen, staande sterven wil. Het einde was een laatste, mooi gebaar. Toen hij de tribune verliet, was de stemming nog killer geworden, weerklonk er geen enkele toejuiching. Tot overmaat van ramp had hij een toespeling gemaakt op het heimelijke drijven van Rome en van de geestelijkheid, dat volgens hem geen ander doel had dan om de verloren posities te heroveren en vroeger of later de monarchie te herstellen.
“Wie is nou zoo stom om te bekennen?” prevelde Massot. “Hij ligt op zijn gat en het ministerie met hem.”
Nu betrad te midden van die tot ijs verstijfde zaal Monferrand zonder eenige aarzeling de tribune. Het was voor de zich allesbehalve op haar gemak gevoelende Kamer een groote opluchting, toen Monferrand dadelijk met een formeel en krachtig démenti begon. Hij sloeg met zijn eene vuist op de tribune, en gaf met de andere uit naam van zijn beleedigde eer, harde slagen op zijn borst. Met zijn korte, ineengedrongen gestalte, zijn vooruitstekend gezicht, zijn dikken, sensueelen en eerzuchtigen neus, zijn breede schouders, waarachter hij zijn groote handigheid verborg, was hij een oogenblik prachtig om aan te zien. Hij ontkende alles. Niet alleen wist hij niet, wat die achter zijn naam geschreven tachtig duizend francs beteekenden, maar hij daagde de geheele wereld uit, om te bewijzen, dat hij ooit een sou van dat geld aangeraakt had. Zijn verontwaardiging kookte en stroomde zóó over, dat hij er zich niet mede tevreden stelde in zijn naam alles te loochenen, maar ook in den naam van alle tegenwoordige en vroegere Kamers, alsof deze monstruositeit van een volksvertegenwoordiger, die zijn stem verkocht, alle denkbare smadelijke misdaden overtrof. De bijval barstte los, de weer verwarmde, bevrijde Kamer juichte hem toe.
Toch riepen op de socialistische banken enkele stemmen, dat hij een verklaring moest geven van de affaire der Afrikaansche sporen, herinnerden hem er aan, dat hij minister van Openbare Werken was, toen de premieleening goedgekeurd werd, eischten eindelijk te weten wat hij van plan was heden als minister van Binnenlandsche Zaken tegenover de onthullingen te doen, om het geweten van het land gerust te stellen. Maar hij moffelde de vraag weg en zeide, dat, wanneer er schuldigen waren, de gerechtigheid haar loop moest hebben: niemand behoefde hem aan zijn plicht te herinneren. Dan voerde hij plotseling met een onvergelijkelijke kracht en handigheid de afleidende beweging uit, die hij sinds den vorigen dag voorbereidde. Zijn plicht vergat hij nooit, hij deed dien steeds als een trouw soldaat der natie met evenveel waakzaamheid als voorzichtigheid. Had men hem zooeven niet beschuldigd de politie te gebruiken voor God weet wat voor lage spionnagediensten, waardoor het den beruchten Hunter mogelijk geweest was te ontvluchten? Welnu, hij kon aan de Kamer mededeelen, waarvoor hij den vorigen dag die belasterde politie gebruikt had, wat zij voor de gerechtigheid en de openbare orde gedaan had. Den vorigen dag had zij in het Bois de Boulogne den gevaarlijksten misdadiger gearresteerd, den dader van den bomaanslag in de rue Godot-de-Mauroy, dien anarchistischen werkman, dien Salvat, die meer dan zes weken met alle nasporingen gespot had. In den loop van den avond had de onverlaat een volledige bekentenis afgelegd; de gerechtigheid zou nu spoedig haar werk doen. Eindelijk was de openbare moraal gewroken, kon Parijs zijn langen schrik van zich afwentelen, was de anarchie getroffen in haar zwakste punt. Dat had hij, de minister, voor de eer en het heil van het land gedaan, terwijl vuile lasteraars vergeefs zijn naam trachtten te bezoedelen door dien op een lijst, het werk van de laagste politieke manoeuvres, te plaatsen.
Met open mond en rillend luisterde de Kamer. Deze uit den hemel vallende arrestatie, waarover geen enkel ochtendblad gesproken had; dit geschenk, dat Monferrand in dien verschrikkelijken Salvat, welke reeds een misdadigers-mythe begon te worden, aan de Kamer scheen te geven; deze geheele ensceneering pakte haar als een lang op zijn voltooiing gewacht hebbend drama, welks ontknooping zich nu plotseling voor haar afspeelde. Diep ontroerd en gevleid bracht zij een lange ovatie aan den redenaar, die echter door bleef gaan om zijn energieke daad, de redding der maatschappij, de bestraffing der misdaad te verheerlijken, zonder daarbij te vergeten de belofte af te leggen, dat hij steeds de man met de krachtige vuist, de man van de openbare orde zou zijn. Ja, hij veroverde zelfs de bank der rechterzijde, toen hij, zich losmakend van Barroux, eindigde met het uitspreken van sympathie voor de geallieerde Katholieken, met een beroep op de eendracht van de verschillende geloofsbelijdenissen tegen den gemeenschappelijken vijand, het woeste socialisme, dat alles wilde vernietigen.
Toen Monferrand de tribune verliet, was de truc gelukt: hij had zichzelf weer uit het troebele water opgevischt. De geheele Kamer, rechts en links dooreen, juichte en overstemde de protesten van de enkele socialisten, wier lawaai dit triomfgeschreeuw slechts verhoogde. Vele handen werden naar hem uitgestoken; hij bleef een oogenblik glimlachend staan, maar het was een glimlach, waarachter zich een toenemende onrust verborg. Zijn succes begon hem bang te maken. Zou hij te goed gesproken hebben? Zou hij, in plaats van zichzelf alleen te redden, ook het ministerie gered hebben? Dat zou zijn geheele plan in duigen hebben doen vallen. De Kamer moest niet stemmen onder den indruk van deze redevoering, die haar zoo geschokt had. Hij doorleefde twee of drie minuten van werkelijken angst, terwijl hij nog steeds glimlachend afwachtte of niemand opstaan zou, om hem te beantwoorden.
Op de tribunes was het succes even groot. Men had dames zien juichen. Zelfs monseigneur Martha gaf teekenen van levendige voldoening.
“Dat zijn nu onze tegenwoordige krijgers, generaal,” zeide Massot met een spottend grijnslachje. “En die daar is een haantje de voorste. Dat is je handig uit een moeilijke positie redden. Maar het is een kranig werkje.”
Eindelijk zag Monferrand, dat Vignon, aangespoord door zijn vrienden, opstond en naar de tribune ging. Nu keerde zijn spottend-gemoedelijk glimlachje terug; en hij ging weer op de ministerbank zitten, om schijnheilig te luisteren.
Met Vignon kreeg de Kamer dadelijk een geheel ander aspect. Met zijn mooien blonden baard, zijn blauwe oogen, zijn slanke, jeugdige houding stond hij flink en correct op de tribune. Hij sprak als een praktisch man met een eenvoudige en onmiddellijk zijn gehoor treffende welsprekendheid, die de holle rhetoriek van zijn voorgangers nog leeger en pralender deed schijnen. Door zijn korte werkzaamheid in de administratie had hij een levendig begrip voor zaken gekregen, kon hij de meest ingewikkelde quaesties makkelijk formuleeren en oplossen. Steeds in de weer, dapper en zeker van zijn geluksster ging hij de toekomst tegemoet; hij had het geluk om nog te jong en te handig te zijn om zich in iets te hebben gecompromitteerd. Zijn programma was iets vooruitstrevender dan dat van Barroux en Monferrand, opdat hij, wanneer hij het ministerie had doen vallen, hun plaats zou kunnen innemen. Verder was hij heel goed in staat dit programma uit te voeren door de reeds zoo lang beloofde hervormingen te beproeven.
Dus zeide hij met zijn heldere stem zeer beslist wat hij te zeggen had, wat het gezond verstand, het heimelijke geweten zelf der Kamer verwachtte. Zeker hij was de eerste om zich te verheugen over een arrestatie, die het geheele land geruststellen zou. Maar hij zag niet in welk verband er bestaan kon tusschen die arrestatie en de droevige zaak, die thans aan het oordeel der Kamer onderworpen werd. Dat waren twee totaal verschillende quaesties en hij bezwoer zijn collega’s niet te stemmen in de voorbijgaande opwinding, waarin hij hen thans zag. Er moest een volkomen en helder licht over de zaak ontstoken worden, en dat konden de twee aangeklaagde ministers natuurlijk niet doen. Verder verklaarde hij zich tegen een enquête-commissie, hij was van meening, dat men de schuldigen, als die er waren, naar de rechtbank behoorde te verwijzen. Ook hij eindigde met een discrete toespeling op den toenemenden invloed van de geestelijkheid en zeide, dat hij geen enkel compromis van welken aard dan ook aanvaardde en de dictatuur van den Staat even goed verwierp als een herleving van den ouden theocratischen geest.
Goedkeurend gemompel ging door de geheele zaal. Toen Vignon weer ging zitten, weerklonken slechts enkele toejuichingen. Maar de Kamer had haar gewone kalmte weer teruggekregen; de toestand was zoo duidelijk, de uitslag der stemming zoo zeker, dat Mège, die eerst nog had willen repliceeren, het verstandiger vond van het woord af te zien, hoe zwaar hem dat ook viel. Vooral de kalme houding van Monferrand, die steeds door aandachtig naar de rede van Vignon had zitten luisteren, als wilde hij aan het talent van zijn tegenstander de noodige eer geven, viel op; Barroux daarentegen zat na de ijzige koude, waarmede zijn rede opgenomen was, onbeweeglijk en doodsbleek op zijn bank, als had de instorting der oude wereld ook hem getroffen en verpletterd.
“Het ministerie is gevallen,” begon Massot weer. “Ja, die kleine Vignon zal het ver brengen. Men zegt, dat hij van het Elysée droomt. In ieder geval is hij op dit oogenblik de aangewezen kabinetsformateur.”
Toen hij te midden van het lawaai der nu volgende stemmingen weg wilde gaan, hield de generaal hem terug.
“Wacht nog even, mijnheer Massot … Wat een walgelijke boel is die parlementaire keuken! U moest dat eens in een artikel zeggen en aantoonen hoe het land langzamerhand verzwakt en tot in het merg bedorven wordt door zulke dagen van nuttelooze en vuile discussies. Een slag, waarin vijftig duizend man vallen, zou ons minder uitputten, meer leven in ons hart achterlaten dan tien jaar van dit afschuwelijk parlementarisme … Loop eens een ochtend bij mij op. Ik zal u een militair wetsontwerp laten zien: wij moeten tot ons vroeger beperkt beroepsleger terugkeeren, wanneer we niet willen, dat ons zoo verburgerd nationaal leger, dat een zoo illusoire massa vormt, het doode gewicht wordt, dat de natie ten gronde richt.”
Sedert de opening der zitting had Pierre geen woord gezegd. Hij luisterde aandachtig, eerst in het onmiddellijke belang van zijn broer, dan langzamerhand ook zelf medegesleept door de koortsachtige opwinding, die zich van de zaal meester maakte. Hij kwam hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat Guillaume niets meer te vreezen had, maar hoe ging hier de eene gebeurtenis over in de andere, welk een indruk maakte hier de arrestatie van Salvat! De feiten vereenigden, verwarden, veranderden zich onophoudelijk! Terwijl hij zich over de woelige zaal heenboog, kon hij er de tallooze botsingen van hartstochten en belangen als het ware zien.
Hij had den grooten strijd tusschen Barroux, Monferrand en Vignon gevolgd, hij merkte de kinderlijke vreugde van Mège op, die gelukkig was, dat hij den modderigen grond van dit water, waarin hij nooit anders dan voor anderen vischte, aan het roeren gebracht had; nu was hij vol belangstelling voor Fonsègue, die, uiterst kalm en ingewijd in de geheimen der toekomst, Dutheil en Chaigneux trachtte gerust te stellen. Doch steeds weer keerde zijn blik terug tot monseigneur Martha, hem had hij geen oogenblik uit het oog verloren, terwijl hij de emoties der zitting volgde op zijn kalm en glimlachend gezicht, alsof deze geheele dramatische parlementaire comedie slechts gespeeld werd voor den toekomstigen triomf, waarop deze priester hoopte. In afwachting van den uitslag der stemming hoorde hij naast zich niets meer dan de gesprekken tusschen den generaal en Massot over taktiek, kader en recruteering, dan hun discussie over de noodzakelijkheid van een bloedbad voor geheel Europa. O, wanneer zou deze jammerlijke menschheid, die in de parlementen en in veldslagen niets dan vechten en elkaar vernietigen wil, eindelijk tot ontwapening overgaan, om naar de geboden van gerechtigheid en rede te luisteren?
De verwarring ten opzichte van de moties van orde scheen eeuwig te duren; het was een regen van moties, die liepen van de zeer heftige van Mège tot de strenge van Vignon. Het ministerie aanvaardde slechts een eenvoudig overgaan tot de orde van den dag en werd verslagen; de motie van Vignon werd eindelijk met een meerderheid van vijf-en-twintig stemmen aangenomen. Een gedeelte van de rechterzijde had zich met de linkerzijde en de socialisten vereenigd. Een lang aangehouden lawaai, dat uit de zaal opsteeg en op de tribunes overging, begroette dit resultaat.
“Ziezoo, nu hebben wij een ministerie-Vignon,” zeide Massot, toen hij met den generaal en Pierre wegging. “Maar Monferrand heeft er zich toch aardig uitgewerkt. Als ik Vignon was, zou ik maar goed uit mijn oogen kijken.”
’s Avonds had in het kleine huisje te Neuilly een in al zijn eenvoud roerend afscheid plaats. Nadat Pierre treurig, maar volkomen gerustgesteld, thuis gekomen was, had Guillaume besloten den volgenden dag weer naar Montmartre terug te gaan. En daar ook Nicolas Barthès vertrekken moest, zou het kleine huisje weer in zijn vroegere troostelooze eenzaamheid terugzinken.
Théophile Morin, aan wien Pierre de treurige tijding had medegedeeld, was gekomen; en toen de vier mannen zich om zeven uur aan tafel zetten, wist Barthès nog niets. Den geheelen dag had hij met zijn zwaren stap van een gevangen leeuw in zijn kamer op en neer geloopen; hij leefde in dit door een vriend aangeboden asyl als een heldhaftig groot kind, dat zich nooit om verhoudingen van het heden noch om de bedreigingen van de toekomst bekommert. Zijn leven was altijd een grenzenlooze hoop geweest, die zich steeds te pletter liep tegen de hoeksteenen der werkelijkheid. Al wat hij liefgehad had, al wat hij door vijftig jaren van gevangenisstraf en verbanning meende bereikt te hebben—de allen gelijk makende vrijheid—de broederlijke republiek—mocht ingestort zijn en aan zijn droom het hardste démenti gegeven hebben, toch was zijn geloof, het reine geloof van zijn jeugd, dat zeker was van de toekomst, gebleven. Een hemelsch glimlachje speelde om zijn lippen, wanneer de jongeren, de dwepers met hem spotten en hem een goeden ouden kerel noemden. Hij zelf begreep niets van de nieuwe secten, maakte zich boos over haar gebrek aan menschelijkheid; trotsch en stijfhoofdig bleef hij bij zijn denkbeeld de wereld door het eenzijdige begrip van louter van nature goede, vrije en broederlijk gezinde menschen te hervormen.
Dien avond was hij onder het eten, nu hij zich door werkelijke vrienden omgeven voelde, heel opgewekt en toonde de onschuld van zijn ziel door de volkomen zekerheid, waarin hij verkeerde, dat hij ondanks alles zijn ideaal in de naaste toekomst verwezenlijkt zou zien. Dan vertelde hij kostelijke geschiedenissen over zijn verschillende gevangenissen; wanneer hij praten wilde, was hij een gezellig verteller. Hij kende alle gevangenissen, Sainte-Pélagie, Mont-Saint-Michel, Belle-Ile-en-Mer en Clairvaux, lachte nog over sommige herinneringen en schilderde het asyl, dat hij overal in zijn vrij geweten gevonden had.
De drie mannen, die naar hem luisterden, waren verrukt, niettegenstaande de angst bij de gedachte, dat deze eeuwige gevangene, deze eeuwige balling weer opnieuw op moest staan en zijn stok weer opnemen om verder te gaan, hun hart samenkneep.
Eerst bij het dessert sprak Pierre. Hij vertelde hoe de minister hem ontboden had en Barthès acht-en-veertig uur gaf om over de grens te gaan, als hij niet gearresteerd wilde worden. De oude man met zijn lang wit haar, zijn arendsneus en zijn nog altijd jeugdig schitterende oogen stond ernstig op en wilde dadelijk vertrekken.
“Wat, beste jongen, je weet dat alles sedert gisteren en je hebt me toch bij je gehouden en mij aan het gevaar blootgesteld je, door in je huis te blijven, nog meer te compromitteeren … Je moet het me niet kwalijk nemen, ik dacht niet aan de moeilijkheden, waarin ik je bracht, ik meende, dat alles zoo goed ging … Maar ik dank Guillaume en ik dank jou voor de rustige dagen, die je aan den ouden zwerver, den ouden dwaas, die ik ben, gegeven hebt!”
Ze smeekten hem nog tot den volgenden ochtend te blijven, maar daarvan wilde hij niets hooren. Tegen middernacht ging er een trein naar Brussel; dien kon hij nog makkelijk halen. Zelfs weigerde hij beslist, dat Morin met hem mede zou gaan. Morin was niet rijk en had zijn bezigheden: zou hij hem zijn tijd ontnomen hebben, terwijl het toch zoo eenvoudig was, dat hij alleen ging? Hij keerde als een wandelende Jood der vrijheid, dien zijn legendarisch martelaarschap eeuwig door de wijde wereld drijft, naar de verbanning terug.
Toen hij om tien uur in de kleine, ingeslapen straat van zijn gastheeren afscheid nam, stonden er tranen in zijn oogen.
“Ik ben niet jong meer; ditmaal is het uit! Ik zal niet meer terugkeeren; mijn gebeente zal daar ergens in een hoekje rusten.”
Maar nadat hij Guillaume en Pierre liefdevol een kus op hun wangen gedrukt had, richtte zijn ontembaar en trotsch wezen zich weer op, kon hij een laatsten kreet van hoop niet onderdrukken.
“Kom, wie weet, morgen is het misschien reeds de dag van den triomf. De toekomst behoort aan hem, die haar maakt en haar verwacht!”
Hij was reeds lang uit het gezicht verdwenen, toen zij nog zijn krachtigen, flinken stap langzaam hoorden wegsterven in de verte, in den helderen nacht.