4. De Phoeniciërs.
Reading edition
1. Naast de Joden, aan de bergachtige kust der Middellandsche zee, woonden de Phoeniciërs, die in den bijbel dikwijls vermeld worden. Hun geheele landje was nauwelijks dertig mijlen lang en hoogstens vijf mijlen breed. Van het overige Azië was het door het hooge gebergte van den Libanon gescheiden, die het in den vorm van een halven cirkel omringt. Daar het land grootendeels onvruchtbaar, de zee daarentegen zeer vischrijk was, zoo moesten de Phoeniciërs reeds vroegtijdig ter zee zich begeven. De prachtvolle cederen van den Libanon gaven hun het noodige hout tot den bouw der schepen. Hun smalle landje had voortreffelijke havens. Zoo kon het niet missen, of de Phoeniciërs moesten spoedig tot scheepvaart geraken. Zij waagden zich stoutweg op de open voor hen liggende Middellandsche zee en dreven belangrijken handel. Daar zij echter de magneetnaald, die steeds naar ’t noorden wijst en zoo de hemelstreken aangeeft, nog niet hadden, moesten zij op hunne vaarten vaak landen en zich rustplaatsen kiezen. Daardoor ontstonden nederzettingen of koloniën, die voor den handel buitengewoon belangrijk werden.
2. De eerste landingsplaats der Phoeniciërs was wel het nabij liggende eiland Cyprus, waar zij zeer vroeg koperbergwerken ontdekten. Voorts voeren zij naar Creta, het tegenwoordige Candia, dat van hooge krijtrotsen doortrokken is. Van hier zeilden zij naar de eilanden en kusten van Griekenland en Klein-Azië. Toen echter de Grieken zelf een machtig volk werden en scheepvaart dreven, wendden de Phoeniciërs zich naar Noord-Afrika. Hier stichtten zij vele steden, onder andere Hippo, Tunis en vooral Karthago. Tegenover deze legden zij ook op de eilanden Sicilië en Sardinië koloniën aan.
Het gewichtigst was echter de Phoenicische handel op Spanje. Hier was goud, zilver en andere kostbare metalen in groote menigte. De oude inwoners, die de waarde van hunne bezitting niet kenden, ruilden gaarne met de Phoeniciërs, en dezen verzuimden niet hun voordeel op het schoone land te zoeken. De hoofdzetel van hun Spaansche koloniën was in het Zuiden, waar zij veel steden stichtten, b. v. Gades (Kadix), Malaka, enz. De Phoeniciërs zouden ook door de zeeëngte van Gibraltar naar den Atlantischen Oceaan gevaren zijn en uit de Engelsche eilanden tin, ja zelfs uit de Oostzee het barnsteen gehaald hebben.
Behalve hun scheepvaart dreven zij een grooten handel te land, naar Egypte, Arabië, naar den Euphraat en verder; ook bezaten zij koloniën aan de Roode en Perzische zee en zelfs in Indië.
3. De werkzaamheid der Phoeniciërs was voor de ontwikkeling van verkeer en beschaving zeer zegenrijk. Zij verbreidden veel nuttige wetenschappen en verbeterden de uitvindingen, die zij bij andere volken aantroffen, zooals het letterschrift, dat zij van de Egyptenaren leerden. De glasbereiding, die het eerst door hen uitgevonden zou zijn, was reeds vroeger bij de Egyptenaren bekend. De Phoeniciërs hebben echter de verdienste, dat zij deze en andere nijverheidstakken vlijtig dreven en in grootere kringen bekend maakten. Zij vervaardigden uit glas verschillende vaatwerken en versierselen, bebouwden de bergen, bewerkten het erts, maakten afbeeldingen en stikwerken en waren vooral bekwaam in weven en verven. Zij hadden de purperkleur, die, zooals men vertelt, door een herdershond ontdekt en in den ouden tijd zeer duur betaald werd. Hoe veel andere uitvindingen en ontdekkingen zouden er wel door dat werkzame, nijvere volkje uitgevonden of volmaakt en verbreid zijn! De rekenkunst wordt nog uitdrukkelijk als hun uitvinding aangewezen; de handel moest ook noodwendig tot deze leiden. Zoo is het ook met de vervaardiging van geldstukken of munten.
4. De Phoeniciërs waren door hun uitgebreiden handel langzamerhand het rijkste en aanzienlijkste volk geworden. Hun vroeger zoo arm landje scheen een schoone lusthof. Alle 4 uren was een schoone hoofdstad met voortloopende plantsoenen tot aan de volgende. Iedere stad met haar gebied maakte een afzonderlijken staat uit. Zij hielden echter ook gemeenschappelijke beraadslagingen en verbonden zich tot grootere ondernemingen. De hoofden der afzonderlijke staten werden dikwijls koningen genoemd; zij waren echter waarschijnlijk slechts hooge beambten. De oudste stad van het land was Sidon. Beroemder dan zij, ja de beroemdste handelstad der oude wereld was Tyrus, een kolonie der Sidoniërs, daarom ook dochter van Sidon geheeten. In den tijd van den Joodschen koning David stond Tyrus onder zijn koning Hiram op het toppunt zijner macht. Het verdrag, dat Hiram met Salomo wegens den tempelbouw te Jeruzalem sloot, is om zijne hooge oudheid zeer merkwaardig.
Phoenicië was toen de markt van de geheele bekende wereld. Alles wat men om te leven of tot vermaak noodig had, kwam uit de hand der Phoeniciërs. Welk leven was er in de steden en aan de kusten! Daar waaiden de zeilen, daar snorden de raderen, daar gingen de hamers; alles leefde, bewoog zich en handelde. Steden en oevers wemelden van bezige menschen. Het land was een gelukkig land te noemen. Maar rondom woonden volken, die oorlogzuchtig waren en dikwijls den vrede der Phoeniciërs stoorden. Salmanassar, de strijdlustige koning van Assyrië, die het rijk Israël vernietigde, onderwierp de Phoenicische steden en verdrukte ze hard. Later kwam Nebukadnezar van Babylon en bestreed Tyrus zooals Jeruzalem. De inwoners van Tyrus verdedigden zich dapper, zoodat de belegering, zooals men verhaalt, bijna 13 jaren duurde, en toen Nebukadnezar eindelijk de stad veroverd had, vond hij ze zonder menschen. De inwoners hadden ze met al hun have verlaten en waren naar een naburig eiland gevlucht, waar zij spoedig weder een nieuw Tyrus oprichtten met al de pracht van ’t oude. Dit werd de hoofdzetel van den wereldhandel en bleef het, tot dat, 300 jaar later, de koning Alexander van Macedonië kwam en de stad na eene belegering van zeven maanden veroverde. Hij liet haar wegens haar wanhopigen tegenstand in puinhoopen verkeeren. De inwoners werden neergesabeld, aan het kruis geslagen of als slaven verkocht. Alexander liet Tyrus wel weder opbouwen, maar de oude heerlijkheid was voorbij, want hij grondde nog in ’t zelfde jaar een stad aan den mond van den Nijl, naar hem Alexandrië geheeten, die den handel van Tyrus wegtrok. Sedert dien tijd is het Phoenicische kustenland door voortdurende verzandingen tot een ware zandwoestijn geworden en armelijke visschershutten staan heden daar, waar vroeger de volkrijkste steden bloeiden.
Verreweg de belangrijkste van alle Phoenicische koloniën was Karthago, op de noordkust van Afrika, oorspronkelijk eene Sidonische nederzetting, maar die van Tyrus nieuw bloed en leven kreeg, en na de rampen dezer stad op hare beurt eeuwen lang bloeide. Haar gebied strekte zich rechts en links uit en reikte diep landwaarts in. Naar ’t voorbeeld van ’t moederland coloniseerende, kwamen Sardinië, Corsica en de grootste westelijke helft van Sicilië in haar bezit. Later zullen we het in den kamp tegen Rome zien ondergaan.