22. Verscheidene keizers van ’t Romeinsche rijk.
Reading edition
1. Tiberius, die Augustus opvolgde, was een somber, hardvochtig en wreed mensch. Hij zond Germanicus, Drusus’ zoon, tot een krijg der wrake naar Duitschland, maar kon hier even weinig bereiken als Augustus. Wantrouwend over het aanzien van den dapperen Germanicus, riep hij dezen uit Duitschland terug en verplaatste hem naar Syrië, waar hij hem waarschijnlijk liet vergiftigen. De argwaan en de wreedheid van den tyran werden door zijne gemalin nog vermeerderd, zoodat hij ontzettend woedde, tot hij eindelijk door den overste zijner lijfwacht vermoord werd. Onder zijne regeering zijn de Friezen opgestaan, die eerst bijna 20 jaar later onder die van Claudius weêr onderdrukt zijn.
Onder de slechte vorsten in de eerste eeuw is Nero wel de vreeselijkste. Hij liet zijn stiefbroeder, zijne vrouw, ja zijne eigene moeder vermoorden. Zijn vroegere leermeester, de beroemde Seneca, werd gedwongen zich zelven te dooden. Met de schrikkelijkste wreedheid verbond Nero eene ijdelheid, die aan waanzin grensde. Hij hield zichzelven voor den eersten kunstenaar der wereld, en trok als harpspeler en wagenmenner geheel Italië en Griekenland door om zich te laten huldigen. Een groote brand in Rome zou hem aanleiding hebben gegeven om van de tinne van zijn paleis af den brand van Troje te bezingen. Toen zich daarop de haat van het volk ontwikkelde, schoof hij de schuld van den brand op de christenen, die in Rome slechts weinig in aanzien stonden, en begon de eerste christenvervolging. Vele aanhangers van Jezus werden gekruisigd, andere door dieren verscheurd, nog anderen verbrand. Toen eindelijk de eene stadhouder na den anderen oproerig werd, vluchtte de laffe tyran op een landgoed, waar hij zich, om zijne terechtstelling te ontgaan, door een vrijgelaten slaaf liet vermoorden. Zijne laatste woorden zouden geweest zijn: „Ach, welk een kunstenaar verliest de wereld in mij!”
2. Na Nero volgden in zeer korten tijd drie keizers, waarvan er geen een natuurlijken dood stierf. De soldaten, die nu gewoonlijk den keizer aanwezen, kregen eerst in Vespasianus een geduchten heerscher, onder wien weêr rust en orde heerschte. Van zijne oorlogen is ons met name die met de Joden opmerkenswaardig. Dit volk was reeds dikwijls tegen de Romeinen opgestaan, en was telkens eerst na veel bloedvergieten weêr onderworpen. In Nero’s tijd was andermaal een oproer ontstaan, en Vespasianus, die toen nog generaal was, trok tegen Jeruzalem op, om de stad te belegeren. Toen hij intusschen tot keizer werd uitgeroepen, droeg hij de onderwerping der Joden aan zijn zoon Titus op. Deze betoonde zich een menschenvriend, en beproefde lang de Joden door goedheid te winnen. Maar toen dat niets hielp, zette hij de belegering van Jeruzalem met grooten ijver voort en tastte het eene deel der stad na het andere aan. Daar zich hier wegens het paaschfeest eene groote menigte menschen bevond, brak er een ontzettende hongersnood uit, en daarop volgden verwoestende ziekten. Niettegenstaande dezen verschrikkelijken nood waagde niemand in de stad van overgave te spreken. Toen Titus het benedendeel van Jeruzalem stormenderhand genomen had, deed hij nogmaals eene goedwillige poging, die weêr afgewezen werd. Daarop veroverde hij den burg en den tempel, waar de Joden zich het hardnekkigst hadden gehandhaafd. Ofschoon Titus den tempel sparen wilde, werd dit prachtig gebouw toch in de woede van den strijd eene prooi der vlammen. Er bleef geen steen op den anderen. De groote stad Jerusalem zonk in asch. De inwoners werden gedood of tot gevangenen gemaakt. Men schat het aantal der omgekomen en weggesleepte Joden op meer dan een millioen. Het Israelietische volk verstrooide zich over den geheelen aardbodem. Zijne heilige stad bleef onder vreemde heerschers. 70.
3. Titus regeerde maar twee jaren als keizer, en toonde zich gedurende dien tijd zoo edel en wijs, dat men zijne vroegere gewelddadigheden en buitensporigheden geheel vergat. Het Romeinsche volk noemde hem „de vreugd en wellust van het menschelijk geslacht.” — Gedurende de regeering van Titus, in ’t jaar 79, had eene groote aardbeving plaats met een hevige uitbraak van den vuurspuwenden berg Vesuvius (bij Napels). Daardoor werden de steden Pompeji, Herculanum en Stabiae bedolven, zoodat men haar spoor niet meer zag. Eerst voor 100 jaren ontdekte men Herculanum en Pompeji weêr en begon men langzamerhand de oude steden weêr op te graven. Toen vond men alles nog zoo als het eenmaal begraven was, slechts was het door de heete asch verdroogd of tot stof geworden. In de goed gebleven woningen vond men het huisraad, de boeken, de spijzen op de tafel. Geraamten van menschen stonden en zaten in de houding, waarin de dood hen overvallen had.
Na de aardbeving ontstond een hongersnood, die van ziekten vergezeld was. Een groot gedeelte van Rome werd door een brand verwoest. Bij deze ongelukken toonde Titus zich van de welwillendste zijde. Den dag, waarop hij niets goeds gedaan had, hield hij voor verloren. Hij wilde ook, dat niemand treurig van zijn troon wegging. Hoe jammer toch, dat zulk eene goede regeering slechts twee jaar duurde! Domitianus, de broeder van Titus, heerschte als een monster in alle ondeugden omtrent 15 jaar. Maar op hem volgden gelukkig verscheidene goede keizers.
4. Trajanus, een Spanjaard van geboorte, verwierf zich de liefde der Romeinen in zoo groote mate, dat men hem den „besten” noemde, en dat men nog 250 jaar na zijn’ dood den nieuwgekozen keizer toeriep: „Heersch gelukkig als Augustus, mild als Trajanus!” Overigens mag niet onopgemerkt blijven, dat ook Trajanus de Christenen vervolgde. Zijn opvolger Hadrianus beminde den vrede, en bevorderde kunsten en wetenschappen, maar toonde bij groote ijdelheid ook wreeden zin. Hij bouwde de stad Hadrianopel (in het tegenwoordige Turkijë) en liet ook Jerusalem weêr verrijzen. Toen hij echter hier aan den Romeinschen god Jupiter liet offeren, werden de Joden oproerig, en er ontstond een driejarige strijd, waarin ongeveer 500,000 man gedood werden. Daarbij werd Jerusalem nogmaals de vernieling ten prooi, werd toen opnieuw opgebouwd en voor elk Israëliet gesloten.
Antoninus, genaamd Pius d. i. de vrome, toonde zich gedurende zijne lange regeering (138-161) een der beste keizers. Hij vermeed den oorlog, terwijl hij den schoonen grondregel volgde: „Ik wil liever één burger het leven behouden, dan duizend vijanden dooden.” Hij verbreidde overal geluk en zegen, en was zoo geacht, dat de verwijderdste volken hem als hun scheidsrechter kozen. Eeuwen lang bleef zijn aandenken bij het volk in gedachtenis. Verscheidene latere keizers voegden zich zijn naam toe, om zich bemind te maken. Zijn pleegzoon Marcus Aurelius, ook Antoninus genaamd, regeerde in denzelfden geest (161-180). Hij kreeg den bijnaam „philosoof” d. i. wijsgeer[6], daar hij door eigene beschouwingen het rechte inzicht over het leven in zijne menigvuldige betrekkingen zocht te verkrijgen en te verbreiden. Ook onder dezen edelen keizer ontstond echter helaas eene christenvervolging. Daarenboven werd de regeering van Marcus Aurelius door den grooten krijg tegen de Markomannen, een Duitschen volkenbond in het tegenwoordige Bohemen, zeer verontrust. Veertien jaar lang streden de Romeinen tegen de geduchte vijanden, en aan het einde daarvan zag men den vrede nog niet verzekerd. Marcus Aurelius stierf te Vindobona, het tegenwoordige Weenen.
Op de glorierijke regeering der beide edele Antonijnen, volgde een tijd van verval. Commodus, de dwaze zoon van den wijzen Marcus Aurelius, regeerde zoo slecht, dat hij vermoord werd. De meeste Romeinsche keizers van ’t jaar 180 af waren boosaardige lieden, die oneindig veel jammer over de menschheid brachten. Van hen heerschten er tot het jaar 300 niet minder dan 36, van welken er 27 vermoord werden en drie in den krijg vielen. Het leger stelde naar welgevallen keizers aan en af en doodde de weinige beteren, die de poging waagden, de vervallen discipline te herstellen. Bij deze soldatenheerschappij ging het rijk met snelle schreden zijn ondergang te gemoet, te meer daar behalve bovengenoemden zich nog verschillende andere bonden onder de Germaansche stammen gevormd hadden ter verdediging tegen en ter bestoking van het Romeinsche rijk. Zoo moest keizer Aurelianus het door Trajanus veroverde Dacië (275) aan de West-Gothen afstaan, een der weinige onder de Germaansche stammen, die toen reeds het christendom aangenomen hadden. Hunne voorouders hadden reeds eeuwen vóór onze jaartelling benoorden de Zwarte zee gewoond en hadden daar een belangrijken stoot van de Grieksche (blz. 32) beschaving ondervonden. Zoo waren zij andere verwante stammen in ontwikkeling ver vooruit, blijkbaar o. a. uit hunne taal, die ons bekend is uit eene bijbeloverzetting van hun bisschop Ulfilas.