10. Pericles — 444 v. Chr.
Reading edition
1. De oorlogen, die tot bevrijding der Grieken in Klein-Azië tegen de Perzen gevoerd werden, waren door Cimon, den zoon van Miltiades, tot een gelukkig einde gebracht. Tien jaren na de slagen van Plataeae en Mykale sloeg hij de Perzische zee- en landmacht bij de Eurymedon in Klein-Azië en twintig jaar later op nieuw bij de stad Salamis op Cyprus 449. De vier en veertigjarige Perzische oorlog was geeindigd, en Griekenland stond daar groot en machtig. Omstreeks dezen tijd trad te Athene een man op, die voor geheel Griekenland van de grootste beteekenis werd. Het was Pericles, de zoon van den beroemden Xanthippus, die bij Mykale de Perzische vloot vernield had. Pericles had eene innemende gestalte en was zeer beschaafd, even zoo uitstekend als veldheer als hij was als staatsman, en een redenaar, zooals Athene er nog geen gehoord had.
Aanvankelijk vond Pericles een geduchten tegenstander in Cimon, die zich aan het volk op alle wijze vriendelijk toonde. Toen echter Cimon eens de Atheensche troepen niet genoegzaam in bescherming nam tegen de plagerijen der Spartanen, verloor hij de gunst der menigte, en werd tot vreugde van Pericles een tijd lang verbannen. Nu trad de welsprekende staatsman op en wist zich het vertrouwen zijner medeburgers zoo te winnen, dat hij als een alleenheerscher regeeren kon, zonder zelfs ooit archont te zijn. Hij bevorderde den handel en de zeemacht, en sloot zulke voordeelige verbintenissen, dat Athene het toppunt van rijkdom en macht bereikte.
2. Pericles was ook een vriend van kunsten en wetenschappen. Van alle kanten riep hij de grootste kunstenaars en geleerden naar Athene en maakte zoo deze stad tot het middelpunt van alle streven van den geest. Men vond daar een glans, gelijk er nergens anders te zien was. De meesterwerken der bouwkunst, beeldhouw- en schilderkunst tooiden Athene op zoo grootsche wijze, dat men de overblijfselen daarvan nog heden bewondert. Geen volk van den ouden tijd heeft voor de schoone kunsten zooveel gedaan als de Grieken.
Onder de prachtige bouwwerken van Athene prijkte vooral de burg. Men besteeg dien langs trappen breed als straten, die beneden door een poort van zuilen met vijf bogen van marmer begrensd waren. Op het hoogste punt van den berg des burgs stond het reusachtige standbeeld van Athenes beschermgodin Pallas. Een goed oog kon het met zijn met struiken omgeven gouden helm reeds tien uur van Athene zien. Naast de prachtige hallen van den berg stond een tempel van wit marmer, een uitgelezen meesterwerk der oude bouwkunst, dat nog heden verbazing en bewondering opwekt. De voorhoven van dezen tempel waren met kostbare standbeelden versierd, en in het binnenste er van had Phidias, de vriend van Pericles, een afgodsbeeld gevestigd, dat van verblindend goud en elpenbeen was en in de hoogste mate beroemd werd.
De schilderkunst had in de tijden van Pericles den hoogsten graad van volkomenheid bereikt. Eens organiseerden Zeuxis en Parrhasius een wedstrijd in hunne kunst. Zeuxis schilderde, zoo verhaalt men, druiven zoo natuurlijk, dat de vogels er op toe vlogen en er aan pikten. Nu bracht ook Parrhasius zijn stuk; het was met een gordijn bedekt. Toen zeide Zeuxis: „Neem toch het gordijn weg.” Maar Parrhasius lachte: het gordijn was de schilderij zelf. Zoo had de eene kunstenaar slechts vogels, maar de andere menschen en wel een grooten kunstenaar bedrogen.
Nooit was in Athene zoo veel leven als in den tijd van Pericles. Op de markt en in de straten, in den schouwburg en in de scholen, aan de haven en in de hallen: overal zag men eene frissche en grootsche werkzaamheid, en Pericles was de ziel van ’t geheel. Het anders zoo heerschzuchtige volk liet zich gaarne door hem leiden. Wat hij aanried, geschiedde; wat hij sprak, dat gold. „Hij draagt den donder en bliksem op zijne tong,” zeiden de Atheners, en noemden hem niet anders, dan den Olympiër, d. i. den hemelschen.
3. De groote macht, die Athene onder Pericles bereikte, deed bij de andere staten van Griekenland nijd en haat ontstaan. Ook behandelden de Atheners hunne bondgenooten niet altijd zoo, als recht en billijk zou geweest zijn. Bovenal echter waren de Spartanen verbitterd, die niet vergeten konden, dat zij eens de opperheerschappij in Griekenland bezeten hadden. Zij stelden zich daarom aan de spits der ontevredene staten en begonnen een oorlog met Athene. Toen gelukte het Pericles, die den vrede liefhad, den Spartaanschen aanvoerder om te koopen en een wapenstilstand te sluiten, die 30 jaar gelden zou. Hij duurde echter slechts 14 jaar. De oude haat der Spartanen vond een geschikte gelegenheid, zich weer te openbaren, en de vreeselijke oorlog begon, die de Peloponnesische heet, omdat de geheele Peloponnesus zich met de Spartanen vereenigde tegen de Atheners en hun bondgenooten.
Pericles vertrouwde op Athenes zeemacht; toen echter een landleger van 60.000 man naderde, werd Athene door zooveel vluchtelingen bezocht, dat er spoedig ziekten ontstonden, die hoe langer hoe gevaarlijker werden, tot eindelijk de pest uitbrak en algemeenen schrik veroorzaakte. Alle banden van tucht en orde raakten los. De straten boden een ontzettend schouwspel. De vroeger zoo vroolijke stad was een zetel van smart en dood. En al de schuld van dit ongeluk werd op Pericles geworpen; hij was het, die alle verdediging te land afgeraden, en alle rondom-wonende genooten in de stad opgenomen had. Vergeefs beproefde Pericles de openbare orde te herstellen, zijn beste vrienden waren door de ziekte weggenomen. En toen hij zelf met een vloot ten strijde toog, moest hij onverrichter zake terugkeeren, want ook op de schepen woedde de pest.
Toen nam het wankelmoedige volk hem het opperbevel af, en veroordeelde hem tot eene geldboete van 15 talenten (ongeveer 37.500 gld., daar een talent ± 2500 gld. was).
Dit ongeval verdroeg Pericles met gelatenheid. Maar de pest naderde ook zijn familiekring. Eerst bezweken daaraan zijne beide oudste zonen en zijne zuster. Pericles bleef gelaten. Toen hij echter ook zijn jongsten zoon, die eveneens door de vreeselijke ziekte werd aangegrepen, naar Atheensch gebruik den doodenkrans opzette, toen overweldigde hem de bitterste smart, en hij brak in tranen uit, gelijk hij nooit in zijn leven gedaan had.
4. Eindelijk erkende het volk, dat het aan Pericles een onrecht begaan had. Het overtuigde zich van het gewicht van den diep gekrenkten man, en herstelde hem in zijne vorige waardigheid. Toch was het Pericles niet vergund, nog lang aan het hoofd van zijn vaderland te staan; ook hij werd door de vernielende pest aangetast. Toen hij den dood nabij was, roemden de rondom hem zittende burgers de grootheid zijner deugd en de veelvuldigheid zijner zegepralen, zonder dat zij dachten, nog door Pericles gehoord te worden. Toen verhief hij zijn hoofd en zeide: „Het verwondert mij, dat gij slechts dat vermeldt, waaraan het geluk gelijk aandeel met mij heeft, en wat ook anderen gelukt is; het schoonste en beste hebt gij vergeten: geen Athener heeft om mijnentwille een rouwkleed aangetrokken.”
Zoo stierf de groote staatsman, die bijna 40 jaar lang in Athene geheerscht had! Er was niemand in staat hem te vervangen. Met hem werden het aanzien, de macht en de glans van Athene ten grave gedragen.