← Table of contents
Algemeene Geschiedenis in Verhalen

14. Alexander van Macedonië — 333 v. Chr.

Reading edition

1. Terwijl de Grieken zich door hun binnenlandsche oorlogen altijd meer verzwakten, kwam er hoog uit het Noorden een zwaar onweder op hen aanzetten. Daar had zich aan de grens van Griekenland uit een zeer kleinen oorsprong het koninkrijk Macedonië gevormd, dat onder Philips II belangrijke macht verkreeg. Deze werkzame en sluwe vorst, die in Thebe bij Epaminondas opgevoed was, kende de Grieksche omstandigheden zoo goed, dat hij zich spoedig de opperheerschappij in Griekenland verwierf. Vergeefs had de beroemde redenaar Demosthenes te Athene op het gevaar gewezen, dat van Macedonië dreigde; de Grieken streden te laat: Philips was overwinnaar; hij behandelde echter de overwonnenen met veel verschooning en liet hun veel vrijheid. Hij bracht het zoover, dat de Grieken hem in een tocht tegen de Perzen wilden vergezellen en reeds dacht hij op te trekken, toen hij plotseling bij het bruiloftsfeest zijner dochter vermoord werd. Voor zijn zoon Alexander was het weggelegd het aangevangen werk te voltooien. Alexander bezat groote bekwaamheden en had het geluk door den beroemdsten geleerde van Griekenland, door Aristoteles, opgevoed te worden. Deze wijze behoorde tot de grootste geesten, die ooit op de aarde woonden. Wat hij nagevorscht en onderwezen heeft, is voor de menschheid een groote zegen geweest. Of hij veel van den oorlogzuchtigen zin van zijn kweekeling hield, is zeer te betwijfelen, maar zeker is het, dat de ijver van Alexander om de wetenschap te bevorderen door het verkeer met Aristoteles gewekt werd. Wat echter bij Alexander reeds in zijn vroege jeugd te voorschijn trad, dat was de zucht tot strijden en tot veroveren. Het liefste hoorde hij verhalen van de oude krijgshelden. Hoe klopte zijn hart, als hij de gezangen van Homerus las, waar de slagen van Troja zoo meesterlijk bezongen waren. Zijn hoogste wensch was een held te zijn als Achilles en ook eenmaal bezongen te worden.

2. Toen Alexander op zijn twintigste jaar koning werd, had hij dadelijk gelegenheid zijn strijdlust te bevredigen. Van alle kanten stonden de door Philips onderworpen volken op en dachten, dat de tijd voor hun bevrijding gunstig was. Maar Alexander was spoedig er bij en onderdrukte overal het oproer. De stad Thebe, die weigerde zich te onderwerpen, werd tot den grond verwoest. Slechts het huis van den dichter Pindarus bleef staan, daar hij zoo schoon de overwinnaars der Grieksche kampspelen bezongen had. Het lot van Thebe verbreidde schrik over geheel Griekenland. Allen bogen zich voor den jeugdigen heerscher en beloofden gehoorzaamheid. Alexander ging daarop naar Korinthe, naar de algemeene vergadering der Grieken, om zich, zooals vroeger zijn vader, tot aanvoerder tegen de Perzen te laten benoemen. Bij deze gelegenheid bezocht hij Diogenes, die beroemd was om zijn zonderlingheid. Diogenes hield zich aan den grondregel van Socrates, dat de mensch, hoe minder hij noodig heeft, des te gelukkiger is, en leefde daarom zoo streng, dat hij belachelijk werd. Zijn woning was een ton of vat. Als hij daaruit met zijn langen baard en gescheurden mantel te voorschijn kwam, trok hij ieders opmerkzaamheid. Hij bekommerde er zich echter weinig om en verachtte het volk. Eens liep hij op den helderen dag met eene brandende lantaarn op de markt van Athene rond. Toen men hem vroeg wat hij zocht, antwoordde hij: „Ik zoek menschen.”

Alexander kwam met zijn gevolg bij Diogenes en onderhield zich langen tijd met hem. Eindelijk vroeg hij hem: „Kan ik u eene gunst bewijzen?” Toen antwoordde Diogenes: „Ja, ga mij slechts een weinig uit de zon!” Daarom lachten de lieden uit Alexanders gevolg; deze echter keerde zich om en zeide: „Als ik niet Alexander was, zou ik wel Diogenes willen zijn.”

3. Toen Alexander met een klein, maar wel toegerust leger naar Azië ging, om de Perzen te beoorlogen, zocht hij de plaatsen op, waar hij zoo dikwijls in den geest vertoefd had, als hij de gedichten van Homerus las. Op het slagveld van Troje tooide hij het gedenkteeken van Achilles en wenschte niets meer, dan dat eens een dichter als Homerus ook zijne daden verheerlijken mocht. Toen voerde hij zijn leger oostwaarts naar de nabijzijnde rivier Granikus. Daar wachtte hem een machtig Perzisch leger. Zonder toeven leverde Alexander met zijne manschappen een slag, die hem tot heer van Klein-Azië maakte. Spoedig daarop stiet hij op een tweede leger der Perzen, dat door hun koning Darius Kodomannus zelf werd aangevoerd. Deze werd echter zoo geslagen bij Issus 333, dat hij ijlings vluchtte en zijne familie in handen van den overwinnaar liet, die haar echter vriendelijk behandelde.

Hierop trok Alexander door Syrië en Phoenicië, waar de eene stad na de andere zich overgaf. Alleen Nieuw-Tyrus bood tegenstand en werd daarom aan de verwoesting prijs gegeven. Op zijn verderen tocht kwam Alexander ook naar Jeruzalem. Hier ontvingen hem de voornaamste Joden met den hoogepriester aan het hoofd, en leidden hem ook in den tempel. De Egyptenaren, die de Perzische heerschappij lang gedragen en gehaat hadden (blz. 13), ontvingen Alexander vriendelijk, en kregen daarvoor groote gunstbewijzen. Zoo stichtte hij Alexandrië (blz. 6).

Door nieuwe krijgsvolken versterkt, ging Alexander naar Azië terug, om nogmaals de Perzen te bestrijden. Darius bood eene schikking aan, maar Alexander wilde alleenheerscher zijn. Toen kwam het bij Gaugamela en Arbela tot een geduchten slag, waarin de Perzen volkomen geslagen werden. Darius vluchtte en werd door Alexander vervolgd. Vóór deze hem echter bereikte, was Darius op last van een Perzischen satraap gedood. Deze daad werd door Alexander streng gestraft, terwijl hij het lijk van Darius in de koninklijke groeve te Persepolis plechtig liet bijzetten.

Alexander had zijn doel bereikt: hij was de beheerscher van het groote rijk der Perzen geworden door de inname der verschillende hoofdsteden Babylon, Susa, Persepolis en Ecbatana. De eerstvolgende jaren werden besteed aan het onderwerpen van al de oostelijke deelen van het Perzische rijk, de uitgestrekte landen tusschen het eigenlijke Medo-Perzië en den Indus, en daarop drong men tot Indië door.

4. Dit door de natuur zoo rijk begiftigde land had wel reeds veel van zich doen spreken, maar toch was de kennis er van nog zeer gering. De Indiërs hadden reeds vroeg eene hooge mate van ontwikkeling bereikt, zooals blijkt uit hunne heilige taal, het Sanskriet, de oudste zuster aller Indo-Germaansche talen, tevens de sleutel tot hare studie. Zij hadden vele instellingen gelijk de Egyptenaren, vooral die der kasten. Hunne priesters heetten Braminen of Brahmanen. Dezen werd zoo groote eerbied bewezen, dat de koning geen Brahmaan, al had hij de grootste misdaden bedreven, mocht laten ter dood brengen. Hunne heilige boeken, Vedas (d. i. Weten) genaamd, zijn in ’t Sanskriet geschreven. Hunne hoofdgodheid was Brahma, de schepper, die met Vishnoe, den onderhouder, en Civa, den verdelger, eene drieëenheid vormde, waarvan echter eerst in den lateren tijd gesproken wordt. Een hoofddenkbeeld hunner leer was de onsterfelijkheid der ziel. De zielsverhuizing was een toestand, waarin de boozen na hun dood tijdelijk verkeerden. Het tegenovergestelde van onsterfelijkheid leerde het Boeddhisme, een godsdienst, die omstreeks 600 of 500 v. C. in Vóór-Indië ontstond, en genoemd is naar den stichter. Deze, een koningszoon, had zich, na eenigen tijd van weelderig leven, jaren lang aan de eenzaamheid en het nadenken gewijd en was toen tot de meening gekomen, dat er voor den mensch niets ongelukkiger kon wezen, dan altijd voort te leven. Integendeel, eeuwige rust, gevoelloosheid, Nirvana, moest het einddoel van elks wenschen en streven zijn. Die zaligheid kon men verwerven door de beoefening van een aantal deugden. Zijne aanhangers noemden hem den wijzen, Boeddha. Hij maakte de grenslijnen tusschen de eerste kaste en de drie andere, die der krijgers, handelaars en werklieden veel minder scherp dan het brahmaïsme. Hierom reeds, en vooral om de tegenovergestelde meening ten aanzien van het al of niet sterfelijke der ziel bestonden de twee godsdiensten volstrekt niet, zooals velen meenen, eendrachtig naast elkander, maar stonden integendeel hevig vijandig tegenover elkander. De onderlinge haat voerde tot hevige oorlogen, van de 3de tot de 7de eeuw onzer jaartelling, ten gevolge waarvan het boeddhisme uit Indië zoo goed als geheel verdrongen werd. Maar het had een uitgebreiden aanhang gevonden in China, Japan e. a. l., en breidde zich voortdurend zoo uit, dat het tegenwoordig 500 millioen belijders telt.

Verder dan den noordwestelijken hoek van Vóór-Indië is Alexander met zijne troepen niet geweest. In dien hoek ontstaat de Indus uit de samenvloeiing van vijf rivieren, waarnaar de landstreek Pendsjab, het vijfstroomenland, heet. Bij een van de oostelijkste dier rivieren, de Hyphasis, sloegen zijne Macedoniërs aan het morren en verklaarden, niettegenstaande alle verzoeken en bedreigingen, niet verder te willen trekken. Zoo was Alexander genoodzaakt, zijne plannen ten aanzien van Indië op te geven en terug te keeren. Een groot deel van het leger zeilde onder den bekwamen Nearchus den Indus af en over de kustenzee naar den mond van Tiger en Eufraat, terwijl Alexander met het andere deel langs den Indus naar het zuiden trok, en vervolgens over Gedrosië enz. terugkeerde naar Babylon.

5. Hier rustend, wilde de beheerscher van het grootste rijk, dat de wereld ooit aanschouwd had, alle onderworpene volken tot één groot geheel samensmelten en uit de oude hoofdstad aan den Eufraat den ganschen staat besturen, waartoe hij de Perzische indeeling in satrapieën had overgenomen. Om de harten zijner nieuwe onderdanen te winnen, leefde hij geheel naar Perzisch gebruik. Daarbij werd hij, als een Perzisch grootmachtig koning, dikwijls overmoedig en wreed. Zijne vleiers verhieven hem ten hemel, zonder dat iemand daartegen iets durfde inbrengen. Toen dit toch eens door den veldheer Clitus, die bij de Granicus Alexanders leven gered had, geschiedde, werd Alexander zoo door toorn overweldigd, dat hij eene lans greep en zijn ouden vriend doorboorde. Hierop ontnuchterd, want het feit was gepleegd op eene partij, waar men te veel aan god Bacchus had geofferd, betreurde de koning zijne daad ten zeerste. Vóórdat hij de beoogde eenheid in het groote wereldrijk had kunnen tot stand brengen, nam een hevige koorts, die hij zich door inspanningen en zwelgerijen op den hals gehaald had, hem weg, 10 jaar na ’t feit bij Issus, nauwelijks 33 jaar oud. Nu was het onder de grootwaardigheidsbekleeders een algemeen streven van den een om in Alexanders plaats te treden, van den ander om zich onafhankelijk te maken. Het meest traden de satrapen in ’t westen op den voorgrond, als die van Macedonië, Lysimachus van Thracië, Ptolemaeus van Egypte, Seleucus van Syrië, vooral Antigonus van Phrygië, die over de anderen wilde heerschen. Daarom verbonden dezen zich tegen hem en in 301 werd hij bij Ipsus[3] in zijn eigen land geslagen. Hij stierf en zijne landen werden verdeeld tusschen Thracië en Syrië. Twintig jaar later werd Lysimachus eveneens verslagen door Seleucus, die de Aziatische landen van zijn overwonneling annexeerde, terwijl Thracië zelf bij Macedonië kwam. Zoo waren er dus nu van Alexanders wereldrijk in elk der drie werelddeelen hoofdzakelijk even zooveel groote staten overgebleven, want de Grieksche landen stonden in betrekking tot Macedonië, al vormden de deelen van Hellas het Aetolisch, die van den Peloponnesus het Achaeïsch verbond.

Van het Syrische rijk, dat zich uitstrekte van de Aegaeische zee tot aan den Indus, scheidden zich achtereenvolgens verschillende deelen af, als Pergamus, Parthië en Bactrië. Het laatste werd anderhalve eeuw vóór onze jaartelling met het voorlaatste vereenigd, en machtig werd het rijk der Parthen, tusschen Tiger en Indus. Daar het eerst in ’t midden der 7de eeuw onzer jaartelling bezweek voor de Arabische macht, weêrstond het zelfs de machtige heerschappij der Romeinen, in welke overigens alle bovengenoemde staten opgingen, als: het Aetolisch verbond 189, het Achaeisch 146, twee jaar na Macedonië, Pergamus 133, Syrië 64, Egypte 31 v. C.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings