1. Inleiding.
Reading edition
1. Het ligt volstrekt niet in onze bedoeling, hier van het ontstaan der wereld en der menschen te spreken. Wat daarover door geleerde mannen geschreven is, laat zich niet zoo licht begrijpelijk maken. Zooveel schijnt echter duidelijk, dat eerstens de aarde reeds sedert duizenden jaren bestaat, dat zij verder merkwaardige veranderingen ondergaan heeft, en dat ook de menschen reeds zeer lang daarop aanwezig zijn en zich eerst langzamerhand ontwikkeld hebben.
Door de opgravingen, die steeds ijverig worden voortgezet, heeft men omtrent de ontwikkeling der aarde zeer belangrijke ervaringen opgedaan. Daarbij heeft men bevonden, dat er in overoude tijden reeds menschen waren, en dat dezen hunne woonplaatsen dikwijls op palen in ’t water bouwden, weshalve men van bewoners van paaldorpen spreekt. Dezen hadden aanvankelijk slechts steenen gereedschappen, en er verliepen vrij lange tijdperken, eer men door middel van het vuur de metalen, vooral het ijzer, verwerkte. De oudste werktuigen zijn in elk geval de wapenen, waaronder hamer en speer den oudsten rang bekleedden. Met pijl en boog werd de grond gelegd tot de jacht; de bijl en het mes dienden ook tot vreedzame doeleinden.
2. Ofschoon de mensch aan lichamelijke kracht bij de dieren achterstaat, overtreft hij hen toch door zijn verstand zoo, dat hij ze aan zich dienstbaar kan maken. Terwijl hij nuttige dieren aan zich gewende en die aankweekte, legde hij den grond tot de veeteelt; en door de vruchten der planten te verzamelen en de zaden uit te strooien, leerde hij langzamerhand den akkerbouw, die eene bron van den rijksten zegen werd. Want terwijl de herder om den wil der weilanden dikwijls verhuizen moet en weinig vormenden of ontwikkelenden arbeid heeft, is de landman die den oogst afwacht, aan een bepaalde woonplaats gebonden en moet bij zijn doen op het veld en te huis bestendig nadenken en zoodoende ook tot betere inrichtingen geraken. De rondtrekkende herder wil weinig genooten, om aan zijne kudde veel plaats te verzekeren; de gezeten landman ziet gaarne, dat naast zijne woning nog andere bestaan. De akkerbouw bevorderde dus het vreedzame samenleven der menschen, en dit bracht de maatschappelijke ordeningen, gemeenten en stammen, volken en staten te voorschijn. Daarmeê ontstonden tevens rechters en aanvoerders, hoofdmannen en vorsten, die gewoonlijk allen gekozen werden. Bij verscheidene volken traden echter ook de sterksten op den voorgrond en verlangden de onderwerping der anderen. Dat waren de tyrannen, die men in de geschiedenis zoo veelvuldig vindt, en die tot zooveel oorlogen aanleiding gaven.
3. Door het onderling verkeer der menschen moest zich ook noodzakelijk de taal ontwikkelen. Er is geen menschelijke stam, die zonder taal is, al zou deze dan ook nog zoo beperkt zijn. Gelijk echter de menschen naar kleur, gestalte en levenswijze zeer verscheiden zijn, zoo hebben zij ook zeer verschillende talen.
Zoodra de menschen in verkeer traden, moest ook de handel ontstaan, die waarschijnlijk eerst slechts eene ruiling van voorwerpen was. Deze soort van handel is ook nu nog bij wilde volken te vinden. Daar echter het ruilen niet altijd mogelijk is, zoo moest men zekere dingen als maatstaf van waarde nemen, aanvankelijk wel schelpen, vruchten en dergelijke, later ook metalen stukken, waardoor ten laatste het geld ontstond.
De handel kreeg eerst zijne rechte uitbreiding en verbetering, toen men schepen ging bouwen en zich op de zee wagen. De scheepvaart is over ’t algemeen voor de ontwikkeling der wereld van de hoogste beteekenis. Dit blijkt reeds daaruit, dat de volken, die aan de zee wonen, zich sneller ontwikkelen en eerder machtig worden dan de andere, die daarvan verwijderd zijn en geen zeehandel hebben.
Er ligt ten zuiden van ons werelddeel, midden tusschen Europa, Azië en Afrika, eene groote zee, de Middellandsche genoemd. Aan de oevers van deze woonden de oudste en beschaafdste volkeren, die wij kennen. Wij beginnen met de Egyptenaren, wier berichten tot in de hoogste oudheid opklimmen.