← Table of contents
Algemeene Geschiedenis in Verhalen

12. Socrates.

Reading edition

1. Terwijl Griekenland aan inwendige twisten zijne beste krachten verspilde, werd een man beroemd, wiens wijsheid wij evenzeer bewonderen, als wij zijn einde beklagen moeten. Het was Socrates in Athene. Zijn vader was een beeldhouwer, en als jongeling wijdde Socrates zich ook aan deze kunst; maar deze bezigheid voldeed niet aan den drang zijner ziel. Hij bestudeerde de schriften der wijzen en deed zijn voordeel met het onderwijs der beste leeraars. Hij wilde echter de waarheid niet alleen daarom kennen, dat hij, gelijk de meeste Atheners, er over zou kunnen twisten, maar hij beoefende ze in ’t leven en ging overal met een goed voorbeeld voor.

Het eerste streven van Socrates was, zich van de uitwendige goederen zoo onafhankelijk mogelijk te maken, opdat hij geheel voor de wetenschap leven kon. „Niets behoeven”, zeide hij, „is goddelijk, en wie het minst behoeft, komt het naast bij de godheid”. Hij nam slechts zooveel spijs als tot zijne nooddruft vereischt werd, en dronk nooit meer dan tot lessching van den dorst noodig was. Zijne kleeding was eenvoudig en onaanzienlijk.

Ofschoon Socrates van nature heftig was, had hij toch door gestrengheid tegenover zich zelven eene edele gelijkmoedigheid verkregen, die door niets verstoord kon worden. De meeste oefening van geduld had Socrates in zijn eigen huis, daar zijne vrouw Xanthippe, zeer luimig en twistziek was. Desniettegenstaande zag men hem nooit morrende of ontstemd. Als hij beleedigd werd, bewaarde hij de grootste kalmte en gelatenheid. Zijne burgerplichten vervulde Socrates met grooten ijver. Hij streed dikwijls voor zijn vaderland en was steeds onder de dappersten. Door zijne onverschrokkenheid redde hij in een slag den stouten Alcibiades, die hem zeer genegen was. Deze wankelmoedige jongeling bekende dikwijls: „Door de redeneeringen van Socrates word ik zoo aangegrepen, dat mij het hart klopt en de tranen mij uit de oogen vloeien”.

2. Socrates sprak met lieden uit alle standen, en verzamelde langzamerhand een kring van weetgierige leerlingen om zich, die hem met groote belangstelling aanhoorden en meerendeels beroemde mannen werden. Zij verlieten gaarne de vermakelijkheden, om slechts bij hun geliefden leermeester te zijn. Euclides van Megara kwam vier mijlen ver tot Socrates. En toen eens de Atheners tegen de Megarensers oorlog voerden en elk van hen op straffe des doods verboden in de stad te komen, sloop Euclides dikwijls in vrouwenkleêren door de poort, om naar Socrates te hooren. Xenophon, een ander leerling, dien Socrates op den openbaren weg voor zijn onderwijs gewonnen had, verzekerde later van zijn meester: „Niets kon nuttiger zijn dan zijn gezelschap en zijn omgang. Zelfs als hij afwezig was, strekte nog zijn aandenken hun, die bij hem geweest waren, tot versterking en kracht in al wat goed is.”

Socrates verstond de kunst, op de gemakkelijkste en eenvoudigste manier te onderwijzen. Hij stelde vragen, waardoor hij tot nadenken dwong, en leidde het in gesprekken daarheên, dat men de diepste leeringen opdeed. Zijn onderwijs was gratis en daarom voor allen toegankelijk. Socrates sprak ook tot de volwassenen op de markt en op de straten, en werd daardoor zeer bekend. Zijn roemde verbreidde zich zoo ver, dat de priesters te Delphi hem voor den wijsten der menschen verklaarden.

3. Het was vooruit te zien, dat Socrates zich door zijne uitstekende wijsheid en deugd de haat en den nijd zijner verdorvene medeburgers moest op den hals halen. Zij lasterden hem ook en trachtten hem belachelijk te maken. En toen hun dat niet hielp, klaagden zij hem openlijk aan. Zij beschuldigden hem, dat hij niet geloofde aan de goden van het land, en dat hij ook door zijne leer de jeugd bedierf. Socrates, een grijsaard van 70 jaar geworden, vond het zijner onwaardig, zich tegen zulke aanklachten wijdloopig te verdedigen. Hij wees terug op zijn openbaar leven en bezwoer dat sedert 30 jaar niets hem meer aan het harte gelegen had, dan zijne medeburgers deugdzamer en gelukkiger te maken, en dat hij hiertoe de goddelijke roeping in zich gevoeld had. Eene zoo vrijmoedige verdediging verbitterde de rechters. Zij zonden hem voorloopig weêr naar de gevangenis. Hier bracht een vriend, Lysias, hem eene schoone verdedigingsrede (apologie); die moest hij uitspreken. Socrates las ze en vond ze schoon. „Maar, zeide hij, als gij mij zachte en prachtige sokken bracht, zou ik ze niet aantrekken, omdat ik ze voor onmannelijk houd.” Daarmeê gaf hij de rede terug. In de eerstvolgende vergadering van ’t gerecht werd het lot van Socrates beslist. Eene meerderheid van drie stemmen slechts veroordeelde hem tot den dood. Socrates bleef rustig, maar zijne leerlingen niet. Zij drongen met tranen in de oogen tot de rechters door en smeekten om de vrijheid van hun leeraar; maar zij werden afgewezen. Socrates nam afscheid van de rechters, die te zijnen gunste gestemd hadden, en vergaf diegenen, die hem veroordeeld hadden. Met opgewekt gelaat, vasten tred en edele houding verwijderde hij zich hierop uit het gerechtshuis en ging naar de gevangenis terug. Zijne vrienden geleidden hem en waren van nu af dagelijks om hem.

4. Aangezien wegens een openbaar feest geen doodvonnis mocht voltrokken worden, hadden de leerlingen van Socrates den troost, nog korten tijd, omtrent dertig dagen, met hun leermeester te kunnen spreken. Dat was een kostbare tijd, want Socrates, vrij van vrees voor den dood, werd met elken dag opgewekter en sprak de schoonste woorden van troost en wijsheid. De leerlingen echter konden zich in ’t geheel niet gewennen aan het denkbeeld, dat hun raadsman en vriend hun zou ontscheurd worden. Zij spraken met den gevangenbewaarder, die een medelijdend hart had, en richtten alles zoo in, dat Socrates ontvluchten kon. Maar deze weigerde beslist, zulks te doen, en zeide, dat men altijd aan de wetten gehoorzamen moest. Toen snikte een leerling: „Ach, gij sterft toch zoo onschuldig”, en Socrates antwoordde lachend: „Wildet gij dan liever, dat ik schuldig stierve?”

Toen op den laatsten avond alle vrienden bijeen waren, nam Krito het woord en zeide: „Zeg ons, welke opdracht laat gij mij en dezen uwen vrienden na? Waarmeê kunnen wij naar uw welgevallen leven?” De grijsaard antwoordde: „Als gij zoo leeft, als ik u sedert lang aanbevolen heb. Ik behoef hier niets meer bij te voegen.” Nu kwamen nog zijne vrouw met de drie kinderen, en weenden luid. Toen nam Socrates afscheid, en verzocht, zijne vrouw naar huis te geleiden, opdat het laatste uur hem niet verzwaard zou worden. Hierop sprak hij nog met zijne vrienden over leven en dood en over zijne hoop, dat ’s menschen ziel onsterfelijk is.

Intusschen neigde de zon zich tot den ondergang. De gerechtsdienaar verscheen met den gifbeker, en Socrates bereidde zich tot den dood. Hij nam den kelk met opgewekt gelaat, en dronk dien krachtig uit. Terwijl zijne vrienden jammerden, zeide hij: „Ik genees; offert Aesculaap — den god der geneeskunde — een haan!” Daarop verscheidde hij — 400 v. C.

Eerst na den dood van den grooten wijze, zagen de Atheners hun ongelijk in. Zij dreven grooten rouw, veroordeelden den voornaamsten beschuldiger ter dood en joegen de overigen uit het land. Ook richtten zij eene prachtige zuil op, en vereerden hem bijna als een god. Maar zijne leerlingen, vooral Plato en Xenophon, verbreidden schriftelijk en mondeling zijne voortreffelijke leeringen, en stichtten zoo hun’ grooten meester een gedenkteeken, dat duurzamer is dan metaal en overal bekend is, waar vrienden der wijsheid wonen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings