← Table of contents
Algemeene Geschiedenis in Verhalen

3. Kores en de Perzen.

Reading edition

1. De Perzen stonden in overouden tijd onder de heerschappij der Meden, en ook dezen waren eens, gelijk ook de Babyloniërs, onderdanen van Assyrië. Deze Semietische staat toch had sedert ± 1300 v. Chr. verschillende omliggende landen onderworpen en eeuwen lang beheerscht. De hoofdstad Nineveh was een toonbeeld van pracht en rijkdom. Zij lag aan den Tigris of Tiger, had 12 mijlen in omvang, en werd omringd door muren met 1500 torens. Naar den naam dier stad heeft men zich een stichter gedacht, Ninus, gelijk er ook een Assur als grondlegger van den staat verdicht is. Maar terwijl de een Ninus 9 à 10 eeuwen later plaatst dan de ander, is er geen historisch bewijs voor zijn bestaan. De legende kende hem eene echtgenoote toe, Semiramis, eerst gehuwd met een’ zijner generaals, nog vroeger slavin, later heerscheres door schoonheid en geest over vorst en staat. Aan haar werden al de bovengenoemde veroveringen van Armenië, Bactrië, Mesopotamië, enz. enz. toegedicht, even als de hangende tuinen van Babylon. Van deze is echter de historische oorsprong anders, zooals wij beneden zullen zien. Maar hoe mythisch deze tijd ook is, d. w. z. hoezeer waarheid en verdichting vermengd zijn en ofschoon het onmogelijk is deze van elkander te onderscheiden, daarmeê is de machtsuitbreiding en eeuwen lange heerschappij van Assyrië over allerlei aangrenzende en meer verwijderde volken niet geloochend. Eene reeks van vorsten uit verschillende dynastieën worden ons genoemd, o. a. Salmanassar, die ± 725 v. Chr. Israël, het rijk der 10 stammen (blz. 21), en Phoenicië onderwierp. Toen echter zijn opvolger Sanherib een ongelukkigen veldtocht naar Egypte ondernomen en ook bij de belegering van Jeruzalem een groot leger verloren had, maakten zich achtereenvolgens verschillende onderworpene landen vrij. Zoo zien wij in het Arische Medië 712 à 710 v. Chr. een koning Dejoces aan ’t bewind, en in deze schoone bergstreek de sterke hoofdstad Ecbatana gesticht. Zijn opvolger Phraortes onderwierp 640 v. Chr. de stamverwante Perzen. En, even als Medië, werd ook Babylonië vrij van Assyrië, volgens de overlevering, doordien de stadhouder Nabopolassar zich onafhankelijk maakte. Nu was dus het groote Assyrische rijk opgelost niet alleen, maar zelfs bestemd om op zijn beurt de buit der vroeger onderworpene landen te worden. Nabopolassars zoon en mederegent toch, Nebukadnezar van Babylonië, en de derde koning van Medië, Cyaxares, verbonden zich tegen Niniveh, namen en verwoestten die beroemde hoofdstad, waarvan eerst sedert 35 jaren overblijfselen zijn gevonden, en verdeelden het Assyrische rijk, zoodat de Tiger de grens werd. De oostelijke of linkeroever kwam bij Medië, de andere, dus ook de Israëlieten, bij Babylonië. De laatstgenoemde vorst hiervan veroverde ook Juda, het rijk der twee stammen. Maar onder zijne opvolgers ging ook zijn rijk ten gronde, zooals straks blijken zal.

2. De opvolger van Cyaxares was Astyages, onder wiens regeering de Pers Cyrus of Kores geboren werd, over wiens geboorte en opvoeding zeer wonderlijke sagen bestaan. Zijne moeder zou eene dochter van den koning geweest zijn, en deze laatste door een droom verschrikt had hem willen doen ombrengen. Maar de knaap was door een’ herder opgevoed en toen toevallig bij den koning gekomen, die nu geen haat meer koesterde. Wat hiervan waar zij, zooveel is zeker, dat Kores zijne landgenooten, de Perzen, bevrijdde van de Meden en Astyages onttroonde, 558. Het lag niet in zijn plan alleen den Perzen de vrijheid te hergeven en de Meden zelfstandig te laten bestaan. Neen, de vroegere heerschers moesten op hunne beurt gehoorzamen, de Perzen het hoofdvolk, hij machtiger monarch dan iemand vóór hem worden. Na zich van de heerschappij en van de Medische onderwerping verzekerd te hebben, besteedde hij eenige jaren aan de ten onder brenging van een aantal oostwaarts gelegen landen, Parthië, Bactrië, Sogdiana, enz. enz. zoodat zijn scepter tot aan den Indus reikte. Daarna onderwierp hij aan de westzijde de Armenische landen tot aan den Kaukasus en den Halys (midden in Klein-Azië, aan de noordzijde). Aan de overzijde van deze rivier lag het Lydische rijk, voortgekomen uit een gedeelte van West-Klein-Azië, Lydië, welks vorsten de omliggende landen onderworpen hadden, namelijk de geheele westelijke helft van Klein-Azië, waar zich zeer veel Grieken hadden nedergezet, als in Ephesus, Smyrna, enz. In dit rijk heerschte nu koning Croesus, die met schrik Kores’ macht tot aan zijne grenzen zag naderen. Hij waagde het hem weerstand te bieden, maar leed eene geduchte nederlaag en werd gevangen genomen. Daarop wilde Kores den rijken Croesus laten verbranden. Reeds was de brandstapel opgericht en Croesus geboeid daarop gebracht. Toen liet hij plotseling den doordringenden kreet hooren: „O Solon, Solon, Solon!” en Kores was begeerig te weten, wien hij riep. Hij liet daarom Croesus afstijgen van den mutserd, en verlangde van hem te weten, wat die roep beteekende. Eerst wilde Croesus niets bekennen, maar verhaalde daarop het volgende:

„Eens kwam tot mij een wijs man uit Griekenland, met name Solon. Ik liet hem al mijne schatten toonen, en hoopte, dat hij mij gelukkig zou noemen. Toen hij echter zweeg, zeide ik tot hem: „Solon, gij hebt zoo ver in de wereld rondgereisd en zooveel menschen gezien; zeg mij, wien houdt gij wel voor den gelukkigsten?” Daarop noemde Solon mij een’ burger van Athene, met name Tellus, die veel vreugde aan zijne kinderen beleefde en voor het vaderland stierf, dat hem een eerzuil liet oprichten. Ik vroeg nog verder naar gelukkigen en hoorde van twee Grieksche jongelingen, die hunne moeder innig vereerden; van mij echter zeî Solon niets. Toen kon ik mijn verdriet niet langer verbergen en sprak: „O vreemdeling, acht gij dan mijn geluk zoo gering, dat gij mij niet eens met gemeene burgers in vergelijking stelt?” En Solon antwoordde: „Dikwijls is een arm man veel gelukkiger dan een rijke. En dan bedenk ik altijd, dat er in een menschelijk leven veel veranderen kan. Gij zijt nu zeer rijk en koning over een groot volk; ik kan u echter niet den gelukkigsten mensch noemen, vóór dat ik verneem, dat gij uw leven ook gelukkig ten einde gebracht hebt. Bij alle dingen moet men op het einde letten, en vóór den dood mag men niemand gelukkig roemen.”

Zoo sprak de wijze Solon; maar ik verachtte hem en liet hem nooit weêr vóór mij komen. Sedert heb ik reeds veel ongeluk gehad, en heden, in den grootsten nood, is Solon mij in de gedachte gekomen. Nu weet gij, o Kores, waarom ik dezen naam riep.”

Kores was diep geroerd. Hij schonk Croesus het leven en hield hem als vriend en raadgever bij zich. Maar de landen, waarover Croesus geheerscht had, kwamen bij Kores’ rijk, ± 549. Nu was er van het bekende land van Azië maar één groote staat over, die nog niet tot de Perzische heerschappij behoorde, Babylonië. Reeds had het geheimzinnige schrift aan den wand Belsazar verkondigd, dat zijn rijk Upharsin, aan de Perzen, zou komen. Maar de hoofdstad, Babylon, was sterk en groot. Prachtig lag zij aan beide zijden van den beneden-Eufraat en had 9 mijlen in omtrek. De haar omringende muur was als een toren zoo hoog en zoo breed, dat op haar kruin meerdere rijtuigen elkaar passeeren konden. Tot ingang waren er 100 koperen poorten. Ook de oevers van de rivier waren aan beide zijden door een hoogen muur besloten, die zooveel poorten had, als er straten op uitliepen. De brug, die over den Eufraat leidde, was 9 meters breed en aan elke zijde met een groot paleis getooid. Deze paleizen droegen op gewelfde terrassen de fraaiste tuinen, die met hun prachtigen aanleg vrij in de lucht schenen te zweven. Men noemde ze daarom de zwevende of hangende tuinen en telde ze tot de wonderwerken der oude wereld. Kende de legende ze toe aan Semiramis (blz. 14), de geschiedenis leert, dat Nebukadnezar ze had laten vervaardigen, om door den rijzenden en dalenden grond de glooiingen der bergen na te bootsen. Zijne vrouw was eene Medische prinses, dochter van Cyaxares, en verlangde in het vlakke Babylonië terug naar de berggezichten uit haar geboorteland. — In een deel der stad, dat eene geduchte ruimte insloot, verhief zich een groote toren, die met den tempel aan zijn voet aan den zonnegod Baal of Bel gewijd was. Hij heette daarom toren van Baal, maar later ook Nimrodsburg, en bestond uit 8 verdiepingen, die naar boven altijd nauwer werden en met een trap voorzien waren.

Deze reuzenstad, van welke nog slechts puinhoopen voorhanden zijn, kon Kores niet met geweld veroveren, hij nam ze echter met list. Toen eens in Babylon een groot feest gevierd werd, liet hij in de duisternis van den nacht het water van den Eufraat afleiden. Daarop marcheerden de Perzen in de rivierbedding onder den muur door en overvielen de inwoners, die slechts aan hunne feestelijkheid gedacht hadden. Zoo werd Kores meester van Babylon en het geheele Babylonische rijk, 538, en gaf den Israelieten verlof naar het heilige land terug te gaan, waarmeê hunne 70 jarige Babylonische ballingschap eindigde.

3. Kores’ veroveringstochten werden voortgezet door zijn zoon Cambyses. Deze, als zeer wreed afgeschilderd, was de onderwerper van Egypte, 525 (blz. 13). Spoedig daarna stierf hij en zou, bij ontstentenis van een zoon, opgevolgd zijn door een’ jonger’ broeder, hadde hij dien niet reeds vroeger in ’t geheim laten vermoorden. Nu nam een Medisch priester de rol van dezen op, en, als hij zich had kunnen handhaven, dan waren de Meden weêr het hoofdvolk geworden. Maar nadat Pseudo-Smerdis, zoo noemt het Grieksche verhaal hem, eenige maanden geregeerd had, werd hij door saamgezworenen van den troon gestooten, en Darius, de naaste bloedverwant van Cambyses, werd heerscher. Hij kwam in Europa, trok den Donau over tegen de Scythen, onderwierp op zijn terugtocht Thracie en Macedonië gedeeltelijk (dit werd de 20ste satrapie[1] van zijn groot rijk), bedwong de opgestane Grieken in het westen van Klein-Azië, ± 500, en vond in de hulp, die dezen uit het moederland ontvangen hadden, voorwendsel en aanleiding om ook Griekenland aan te vallen. Dit stiet het Perzische rijk van het toppunt zijner macht af, zooals wij later bij de Grieken zullen zien.

4. De Perzen waren een dapper en vrijheidlievend volk en hadden veel overeenkomst met de oude Duitschers. Zij zorgden voor eene krachtige opvoeding van hunne kinderen, en haatten den leugen als de grootste ondeugd. Het krijgswezen was bij hen ver ontwikkeld. De sterkte van het leger lag in de ruiterij. Met het 20ste jaar werd elk man, in staat de wapenen te dragen, aan eene bepaalde legerafdeeling toegevoegd, en bleef dan tot zijn 50ste jaar in krijgsdienst. De Perzische koningen regeerden geheel onbeperkt; maar toch wisten de priesters, magi genoemd, hun invloed te doen gelden.

De godsdienst der oude Perzen was eene vereering der natuur. Zij hielden hun’ godsdienst op de wijs der oude Germanen, zonder tempels of beelden, in de vrije natuur, en aanbaden vooral het vuur. Toen zich later veel afgoderij ontwikkeld had, trad een wijs man op, Zoroaster, en werd de eigenlijke stichter van het geloof, dat in de heilige boeken Zendavesta, d. w. z. tekstverklaring, is ontwikkeld. Volgens deze is er naast den goeden wereldschepper Ormuzd nog een booze geest Ahriman, en vele aan hen ondergeschikte wezens, goede en kwade engelen. Ook Ahriman was aanvankelijk goed en werd eerst door nijd omgekeerd. Zijn element is de duisternis, gelijk dat van Ormuzd het licht is. Na langen tijd en zware boete zal hij weêr heilig en goed worden. Als eenmaal de beheerscher van het booze geheel overwonnen is, volgt de opstanding der dooden en de verjonging der wereld.

De belijder van deze leer moet deugdzaam, weldadig en gastvrij zijn; nooit mag hij het streven der boozen onverschillig en zorgeloos aanzien; hij zal zich rein houden ook in zijne gedachten. Dit schoone voorschrift betrekkelijk de innerlijke reinheid werd later geheel uiterlijk opgevat. Er ontstonden zonderlinge manieren van reiniging; eindelijk gold zelfs al het menschelijke voor onrein, terwijl het vuur voor zoo heilig verklaard werd, dat men het niet aanblazen mocht, en dat men het tot geene bezigheid aanwenden moest. Daarbij kwamen nog andere bevreemdende stellingen, die de godsdienstleer van Zoroaster zeer verbijsterden. Desniettemin handhaafde zij zich langen tijd, en de vuurdienst duurt bij een klein gedeelte der Perzen, bij de Parsen of Gebers, nog thans voort.

De geschiedenis der Joden mag als bekend verondersteld worden; daarom volgen hier slechts de voornaamste jaartallen: Abraham ± 2000 v. Chr.; Jozef 1800; Mozes 1500; Salomo 1000; verdeeling van het rijk in 10 en 2 stammen 986; verwoesting van het rijk Israël door Salmanasser, koning van Assyrië aan den Tigris, ± 725, (blz. 14); verwoesting van ’t rijk van Juda 586 door Nebukadnezar, koning van Babylonië, aan den Eufraat (blz. 15); terugkeering uit de gevangenschap 536, door Kores, koning van Perzië (blz. 19).

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings