21. Octavianus Augustus.
Reading edition
1. Caesar had den kleinzoon zijner zuster[5], Octavianus, tot zijn hoofderfgenaam benoemd. Deze jongeling was juist in Klein-Azië, maar liet zich spoedig in Rome vinden en gedroeg zich hier zoo sluw, dat hij in korten tijd de gunsteling van senaat en volk werd. Intusschen gedroeg Antonius zich steeds aanmatigender en overmoediger. Toen trad Cicero op, een man van buitengewone redenaarsgaven, en donderde tegen Antonius, als den gevaarlijksten vijand des vaderlands. Reeds 20 jaar vroeger had hij den senaat de grootste diensten bewezen door ’t verijdelen der samenzwering van Catilina, die de heerschappij der optimaten wilde breken. Nu rustte hij niet, vóór Antonius beoorloogd werd. Dit geschiedde, en Antonius vluchtte naar Gallië, waar zijn trouwe aanhanger Lepidus hem nieuwe troepen toevoerde. Beiden rukten daarop gemeenschappelijk tegen Octavianus op, die aan de spits van ’t Romeinsche leger stond. Bij Bologna zou de strijd beginnen. Maar Octavianus had het anders besloten. Hij verzoende zich met Antonius en Lepidus en vereenigde zich met hen, om de oude vrijheid te vernietigen en het Romeinsche rijk te deelen. Dit verbond wordt het tweede driemanschap genoemd. De drie verbondenen trokken naar Rome en begonnen al hunne vijanden te verdelgen. Zoo keerden de schrikdagen van Marius en Sulla terug. De aanzienlijkste en rijkste mannen werden vermoord, op de hoofden der gevluchten hooge prijzen gesteld, de soldaten, als voltrekkers der moordbevelen, rijk beloond. Onder de tallooze ongelukkigen, die als offers van de heerschzucht der drie mannen vielen, was ook Cicero, die eenmaal de burgerkroon verkregen en den eernaam „Vader des Vaderlands” gedragen had. De wraakzuchtige Antonius liet hem dooden, ofschoon Octavianus het verhinderen wilde.
Terwijl zulke gruwelen in en om Rome voorvielen, stonden Brutus en Cassius, de stadhouders van Macedonië en Syrië, met hunne legers gereed voor de republiek te strijden, d. w. z. voor het behoud der senaatsmacht. Bij Philippi, in Macedonië, kwam het tot beslissing. De aanhangers der oude vrijheid streden zoo dapper, dat hun zeker de overwinning zou ten deel gevallen zijn. Maar toen Cassius, door een valsch bericht misleid, zich in zijn zwaard stortte, bezweek eindelijk ook Brutus en gaf zich, gelijk vele anderen, den dood. Zoo waren de laatste steunen van den vrijstaat gebroken, en Rome had drie heeren, van welken ieder naar de alleenheerschappij streefde. Toen de onbeduidende Lepidus door zijn leger in Afrika verlaten werd, verdeelden Octavianus en Antonius het Romeinsche rijk; de eerste nam de westelijke, de laatste de oostelijke landen.
2. Terwijl Octavianus, in Rome zetelend, er op bedacht was, Antonius spoedig van de heerschappij te verdringen, leefde deze zorgeloos aan het schitterende hof der Egyptische koningin Cleopatra, schonk aan haar en hare familie een groot gedeelte der Romeinsche provincie in Azië weg, en verstiet eindelijk zijne deugdzame echtgenoote Octavia, de zuster van Octavianus. Den slechten indruk, dien zulk eene vermetele handelwijze bij de Romeinen teweeg bracht, maakte Octavianus zich ten nutte. Hij bewerkte een senaatsbesluit, waarbij Antonius van zijne waardigheid ontzet, en aan de Egyptische koningin Cleopatra de oorlog verklaard werd. Toen verbond Antonius zich met Cleopatra, en beiden trokken vereenigd tot den beslissenden strijd naar Griekenland. Toen echter in den zeeslag bij kaap Actium (west. van Hellas) de koningin Cleopatra vluchtte 31, ging Antonius met haar naar Egypte terug en verliet zoo zijn leger, dat na lang dralen tot den verwonderden Octavianus overliep. Deze trok door Syrië naar Egypte en sloeg hier Antonius, die ook door Cleopatra verlaten werd. Zij liet hem zeggen, dat zij gestorven was, en bracht hem daardoor zoo in vertwijfeling, dat hij zich zelven vermoordde. De arglistige koningin had gehoopt, Octavianus voor zich te winnen. Toen dit echter vergeefsch was en zij nog vreesde in triomf naar Rome gevoerd te worden, gaf zij zich zelf den dood, door — zoo verhaalt men — eene vergiftige slang aan hare borst te zetten. Egypte werd nu eene Romeinsche provincie.
Octavianus was na den val van Antonius alleenheerscher van het monsterachtige Romeinsche rijk, en werd door den senaat met de hoogste titels beschonken. Men gaf hem den bijnaam Augustus, d. i. de verhevene of heilige, en droeg hem alle macht onbeperkt op. Octavianus liet echter in schijn de oude waardigheden voortbestaan en toonde zich, door het lot van Caesar gewaarschuwd, zeer ingetogen. Toch bezat hij koninklijk aanzien, en werd naar zijn oudoom ook Caesar genoemd, in ’t Grieksch Kaisar, van waar ons woord keizer komt. Augustus was inderdaad de eerste keizer; de republiek, hoewel hare vormen bleven, was in een keizerrijk veranderd.
3. Onder de regeering van Augustus had Rome het hoogste toppunt zijner macht bereikt. Het hoofdland, Italië, was maar een klein deel van het Romeinsche rijk, dat zich over de drie toen bekende werelddeelen uitstrekte, van de Atlantische zee tot aan den Eufraat, van den Rijn, den Donau en de Zwarte zee tot aan de Afrikaansche en Arabische woestijnen. In dezen wijden omvang lagen de schoonste landen der aarde, o. a. Portugal en Spanje, Gallië (Frankrijk), Italië, Griekenland en Macedonië, Klein-Azië, Syrië, Egypte en het Karthaagsche gebied. Op deze groote vlakteruimte leefden ongeveer 120 millioen menschen, waarvan de helft slaven waren. De grootste steden der toenmalige wereld waren behalve Rome nog Alexandrië en Antiochië. Haar pracht en rijkdom waren grootsch. In Rome waren 400 kostbare tempels, groote marktplaatsen, prachtige schouwburgen en paleizen, zuilenhallen, triomfbogen en dergelijke.
De Romeinen, door de vele burgeroorlogen verschrikt, herademden onder de verstandige regeering van Augustus. Zeer ontwikkelden zich de wetenschappen en kunsten, die vooral door Maecenas, den vriend en raadsman van Augustus, bevorderd werden. De groote rijkdom, die in Rome samenvloeide, veroorloofde een prachtig leven. De weelde van sommige burgers ging boven alle beschrijving. Men richtte de duurste gastmalen aan en tooide de woningen op de schitterendste wijze. Het aantal der slaven was ongehoord. Benevens de groote pracht maakte zich echter ook eene groote zedeloosheid baan. Het ontbrak aan ware beschaving, aan echte menschelijkheid.
4. Te dier tijde werd echter in het Joodsche land, waar Romeinsche stadhouders regeerden, Jezus, de stichter van ’t christendom, geboren. Met deze gebeurtenis, waarnaar wij den tijd berekenen, opent zich onder de volken een nieuw leven, dat wij nog nauwkeuriger beschouwen zullen. Met den opkomenden bloei van ’t christendom valt het optreden der Duitschers of Germanen samen, die van nu af met de Romeinen om de wereldheerschappij strijden. Augustus had zijn stiefzoon Drusus met een groot leger naar Duitschland gezonden en hier tot menige verovering den weg laten banen. Toen de dappere Drusus plotseling gestorven was, volgde zijn broeder Tiberius hem op, die meer door list dan door macht slaagde. Het verst bracht het de Romeinsche stadhouder Varus, die zonder schroom de Duitsche instellingen veranderde en geheel naar willekeur te werk ging. Toen dit echter eenige jaren geduurd had, verhief zich de vrijheidlievende geest der Duitschers, en een vorst van hen, Armin of Herman, verbrak het Romeinsche juk. Hij overwon Varus in het Teutoburgerwoud — 9 na Chr. — en werd zoo de bevrijder van Duitschland. De tijding daarvan bracht in Rome de grootste verwarring te weeg. Augustus riep in vertwijfeling uit: „Varus, Varus, geef mij mijne legioenen terug!” en liep als razend rond. Alle Duitschers moesten Rome verlaten, zelfs de Duitsche lijfwacht des keizers werd over de zee gebracht. De schrik, dien eens de Cimbren en Teutonen verwekt hadden, was weêr gekomen. Maar weldra bleek het, dat de Duitschers in de grootste rust t’huis bleven.
5. Augustus had in zijn huiselijk leven veel ongeluk. Zijne dochter Julia, zijn eenig kind, bezorgde hem door haar teugelloos leven veel kommer. Toen hare beide zonen gestorven waren, leidde Augustus’ derde gemalin, de listige Livia, het daarheên, dat haar zoon Tiberius, de bovengenoemde, een slecht mensch, tot keizer bestemd werd. Augustus stierf in ’t jaar 14 onzer jaartelling. Kort voor zijn dood zou hij tot de omstaande vrienden gezegd hebben: „Applaudisseert, want ik heb mijne rol goed gespeeld.” Deze woorden geven juist het karakter van den koelen man te kennen, die uit berekening eerst wreed, daarna zachtmoedig, maar steeds valsch en huichelachtig was. Desniettemin werd hij onder de goden opgenomen, en zelfs de laatste nakomelingen riepen elken nieuwen keizer bij den aanvang zijner regeering toe: „Regeer gelukkig als Augustus!”