16. Pyrrhus en Fabricius.
Reading edition
1. Nog hadden de Romeinen een geduchten nabuur te bestrijden, de Samnieten, in Samnium, oostelijk van Etrurië. In den tweeden oorlog tegen hen leden zij eene even geduchte nederlaag als de Galliërs hun 70 jaar vroeger hadden toegebracht; het Romeinsche leger moest de vernedering lijden van onder ’t vijandelijk juk door te gaan. Maar weldra herstelde zich Rome en 30 jaar later was Samnium geheel onderworpen, en daarmeê geheel Midden-Italië. Nu richtten zij hunne blikken begeerig naar Beneden-Italië of Groot-Griekenland, waar zich spoedig eene gelegenheid tot strijden aanbood. De machtige stad Tarente had Romeinsche schepen den toegang tot haar haven geweigerd, wat zeer gegrond was. Toen nu de Romeinen, die strijd zochten, den oorlog begonnen, riepen de Tarentijnen Pyrrhus, koning van Epirus, bij Macedonië, te hulp. Deze vorst had zich Alexander tot voorbeeld gesteld en was een voortreffelijk veldheer met een wel toegerust leger. Hij hielp de bevriende Grieken gaarne en verscheen ras met 25000 man, waarbij nog 20 afgerichte olifanten kwamen, die houten torentjes met soldaten droegen en zelf geducht streden. De Romeinen wisten geen middel om deze dieren te bestrijden, waarop zij volstrekt niet voorbereid waren. Zij werden geslagen 280, maar hadden zoo dapper gestreden, dat Pyrrhus vol bewondering uitriep: „Met zulke soldaten zou ik de geheele wereld veroveren”.
2. Om de gevangenen te bevrijden, zonden de Romeinen den ouden, eerwaardigen senator Fabricius naar Pyrrhus. Daar de koning wist, hoe groot het aanzien van den bescheiden, maar niet rijken, man was, zocht hij hem te winnen om door hem den vrede te bewerken, dien hij dringend wenschte. Hij bood hem als teeken zijner hoogachting rijke geschenken aan, maar te vergeefs. Fabricius verklaarde: „Ik behoef geen geld. Mijn geluk bestaat in de achting mijner medeburgers.” Den volgenden morgen wilde de koning de onverschrokkenheid van Fabricius op de proef stellen. Hij liet achter het gordijn zijner tent een olifant plaatsen, en zorgde, dat Fabricius vlak daarvóór zat. Toen het gesprek afgeloopen was, vloog het gordijn in de hoogte, en de olifant strekte brullend zijn snuit over Fabricius uit. Deze bleef echter heel rustig en zeide lachend tot Pyrrhus: „Even weinig als gisteren uw geld mij bekoorde, even weinig verschrikt mij heden uw olifant. Wij zullen niet over den vrede onderhandelen, vóór gij Italië ontruimd hebt.”
In het volgende jaar kwam het nogmaals tot een treffen, waarbij de Romeinen weêr het onderspit dolven, maar Pyrrhus zooveel man verloor, dat hij zou hebben uitgeroepen: „Nog één zoodanige zegepraal, en ik ben verloren.” Nu kreeg Fabricius het opperbevel bij de Romeinen, en betoonde zich op nieuw als een man van eer. Hij kreeg een brief van Pyrrhus’ lijfarts, waarin deze aanbood tegen eene belooning zijn koning te vergiftigen en zoo de Romeinen van hun gevaarlijksten vijand te bevrijden. Fabricius zond den brief aan Pyrrhus, opdat deze tegen het verraad van zijn arts op zijne hoede zou kunnen zijn. Toen riep de koning: „Het is lichter de zon uit hare baan, dan Fabricius van het pad van deugd en rechtschapenheid af te brengen.” Hij liet daarop den trouweloozen arts straffen en gaf uit dankbaarheid alle gevangene Romeinen zonder losgeld terug, terwijl hij bij herhaling den vrede aanbood. Maar de Romeinen zonden voor de uitgeleverde gevangenen even zoo veel Grieken terug en lieten zich tot geene vredesonderhandeling in.
Daarop trok Pyrrhus naar Sicilië, waar hij met geluk tegen de Karthagers streed. Naar Beneden-Italië teruggekeerd, raakte hij nogmaals met de Romeinen slaags, die hem nu overwonnen. Zij hadden namelijk bedacht, de olifanten van Pyrrhus door pektoortsen en geschreeuw in verwarring te brengen, en dat was voor het leger der Grieken verderfelijk. Pyrrhus ijlde naar Epirus terug, en de Romeinen bezetten Tarente en geheel Groot-Griekenland, dus het gansche schiereiland. Dit feit was voor de Romeinsche ontwikkeling van zeer veel belang. De kostbare kunstwerken, die men uit de veroverde steden naar Rome bracht, dienden tot vormende modellen. De krijgshaftige Romeinen leerden nu Grieksche beschaving en zeden kennen.