17. De Punische oorlogen. — 264-146.
Reading edition
1. De rijkdom en macht van Karthago (blz. 25 en 26) maakte de ijverzucht der Romeinen gaande, welke spoedig tot den krijg leidde. Daar de Romeinen deze hunne vijanden Puniërs, d. i. Phoeniciërs noemden, worden hunne oorlogen met de Karthagers als de Punische aangeduid. Nog nooit hadden de Romeinen anders dan te land gestreden, maar naar ’t model van een gestrand Karthaagsch schip worden schepen gebouwd, door middel van enterbruggen de zeestrijd als in een landoorlog veranderd, ’t grootste gedeelte van ’t Karthaagsch gebied op Sicilië veroverd, en de eerste overwinning ter zee behaald 260. Nu wil de consul Regulus den vijand in diens eigen gebied bestoken, maar wordt geslagen en gevangen. Sedert blijft de strijd weêr beperkt tot de zee en Sicilië, waar de Karthagers nog een paar onneembare vestingen hadden. Maar de vredespartij in Karthago stond ook deze liever af dan den strijd voort te zetten. In 240 eindigde de eerste Punische oorlog; de Karthagers ontruimden hun gebied op Sicilië, dat het eerste Romeinsche wingewest (provincie) wordt. Weldra verkrijgt Rome nu ook Sardinië, Corsica, Illyrië gedeeltelijk en Cisalpijnsch Gallië. Maar ook Karthago zat niet stil; daar had eene andere partij dan de bovengenoemde doorgezet schadevergoeding te zoeken in Spanje, waar dan ook Hamilcar Barcas veel meer dan de helft van het land veroverde. Zijn zoon Hannibal had hij reeds als knaap meêgenomen naar Spanje en een eeuwigen haat tegen de Romeinen doen zweren. En zeker is nooit eenige eed ter wereld trouwer nagekomen dan deze. Toen de zoon, eenigen tijd na ’s vaders dood, het opperbevel kreeg, tastte hij opzettelijk het met de Romeinen bevriende Saguntum (blz. 32) aan, en gelijk enkelen waarschuwden, terwijl de senaat beraadslaagde, ging het verloren.
2. Nu eischte Rome van Karthago de uitlevering van Hannibal, en toen hieraan niet werd voldaan, wilde men hem in Spanje gaan beoorlogen en stak daartoe over zee. Hij wachtte hen echter niet af, maar waagde den stouten tocht over de Pyreneën, door Zuid-oost-Gallië en over de Alpen. Geen wonder dat men den tweeden Punischen krijg naar hem den Hannibalsoorlog (218-201) noemt. De Romeinen konden en wilden niet gelooven, dat een tocht van Hannibal over de Alpen mogelijk geweest was. Zij zagen het echter spoedig en rustten zich toe zoo goed zij konden. Hannibal had zich door een bondgenootschap met de Galliërs in Opper-Italië versterkt en sloeg de Romeinsche legers driemaal achter elkander, steeds dieper in Italië doordringend. Toen vreesde Rome, dat Hannibal voor de poorten zou verschijnen en de stad belegeren. Maar hij trok Rome voorbij naar Apulië, en bracht daar den Romeinen bij Cannae weêr zulk eene hevige nederlaag toe, als zij nog maar tweemaal, laatstelijk ruim een eeuw geleden, ondergaan hadden. Een groot deel van Zuid-Italië, Macedonië en Syracuse werden zijne bondgenooten.
Maar uit Karthago kreeg hij geen troepen en krijgsvoorraad genoeg, dat was te kostbaar voor de vredespartij, en zijne oude troepen verslapten door een te weelderig leven. Rome daarentegen spande zijne beste krachten in en waagde een stouten slag. Terwijl zij Macedonië door de Grieken lieten bezig houden, vermeden zij beslissende slagen in Zuid-Italië, en gingen Syracuse zelf belegeren. Zij besteedden daaraan 3 jaren. In die stad leefde de beroemde wiskundige Archimedes, die de verdediging tegen de Romeinen krachtig ondersteunde, daar hij machines vervaardigde, waardoor steenen en vuurkogels geslingerd werden en dergelijke. Maar de dapperste verdediging hielp de stad niet; zij moest zich eindelijk overgeven. De Romeinsche veldheer had bevolen, bij de bestorming van Syracuse, den wijzen Archimedes te sparen. Deze zat, onbekommerd om hetgeen er om hem voorviel, in zijn huis, en teekende figuren tot nieuwe uitvindingen in het zand. Toen drong een Romeinsch soldaat binnen, die den grooten man niet kende. „O, veeg mijne cirkels niet uit!” riep Archimedes den krijgsman toe. Maar deze versloeg hem.
3. Na den val der stad hadden de Romeinen geheel Sicilië in handen, en konden nu hunne volle kracht tegen Karthago zelf richten. Reeds waren zij het in Spanje gaan bestrijden, en van nu af werd dit door Scipio met zoo goed gevolg voortgezet, dat weldra bijna dat gansche schiereiland tot Romeinsche provincie (wingewest) werd. Hannibals jongere broeder, die daar als bevelhebber was gebleven, had op zijn broeders roepstem diens voetspoor gevolgd om hem in Zuid-Italië te gaan bijstaan, maar was onderweg door de Romeinen geslagen en met zijn leger vernield. Toen Hannibal dit vernam en het doodshoofd van zijn broeder aanschouwde, riep hij weenend uit: „Wee, nu zie ik het lot van Karthago naderen!”
En het naderde inderdaad, snel en zeker. Want de Romeinsche senaat had Scipio, wiens taak in Spanje zoo schitterend voltooid was, tot proconsul van Sicilië benoemd. En deze bestond op nieuw, wat een halve eeuw te voren aan Regulus mislukt was, den oorlog naar Afrika over te brengen, en dat, terwijl Hannibal nog in Zuid-Italië gelegerd was. Te laat zagen de Karthagers hunne tweede groote fout in, die van dezen grooten man niet naar behooren gesteund te hebben. Men zocht hem aan tot de leiding der verdediging van het vaderland, voor welks belang hij 36 jaar buiten af, de laatste 16 in Italië gekampt had, te weinig gesteund. En hij verloochende de liefde voor Karthago, den haat tegen Rome niet. Bij Zama, vijf dagreizen van Karthago, stiet hij op het Romeinsche leger. De groote beteekenis daarvan werd door Hannibal dadelijk begrepen, zoodat hij besloot, met Scipio te onderhandelen. Op een heuvel tusschen de beide legerplaatsen ontmoetten elkaâr de beide grootste veldheeren van hun tijd. Eene wijl stonden zij zwijgend tegenover elkander, Scipio in den bloei des levens en in den zonneglans van het geluk, Hannibal reeds verouderend en door tegenspoed ter neêr gedrukt. Toen ried Hannibal tot den vrede, terwijl hij zijn tegenstander aan de mogelijke wisseling van het geluk herinnerde, en bood hem als prijs van den vrede den afstand van Spanje en alle eilanden in de Middellandsche zee. Scipio echter eischte in het trotsche voorgevoel der zege onvoorwaardelijke onderwerping. Toen brak Hannibal de onderhandeling af en de strijd begon, die het lot van Karthago besliste. De Romeinen overwonnen en stelden harde vredesvoorwaarden: Karthago verloor alle bezittingen buiten Afrika, het moest alle schepen op tien na uitleveren, beloven geen oorlog te voeren zonder toestemming der Romeinen, en eene groote som als vergoeding van oorlogskosten betalen, in 50 termijnen van even zooveel jaren. Hoeveel gemakkelijker dit nu ook is dan eene groote som in eens af te doen, het is voor een staat des te meer vernederend, want door de verplichting dier jaarlijksche bijdrage gedurende een halve eeuw werd Karthago als ’t ware cijnsbaar aan Rome, welks wereldheerschappij in ’t westen reeds nu gevestigd was. 200.
4. De diepe vernedering van Karthago deed Hannibal niet inslapen. Hij bevorderde door uitmuntende verordeningen de welvaart zijner vaderstad en werkte ook naar buiten, daar hij den Romeinen in den Syrischen (blz. 65 en 66) koning Antiochus III den Grooten een machtigen vijand verwekte. Toen dit den Romeinen bekend werd, eischten zij van de Karthagers de uitlevering van Hannibal, en dezen bleef niets over, dan zijn vaderland te verlaten. Hij begaf zich naar Antiochus, die echter ook door de Romeinen overwonnen werd (190), en Hannibal moest naar Klein-Azië vluchten. Maar ook daar vonden hem zijne onverzoenlijke vijanden. Toen Hannibal zag, dat hij niet meer ontvluchten kon, nam hij vergif, dat hij reeds lang bij zich gedragen had, en stierf in den leeftijd van 64 jaren. Zoo was het uiteinde van een der grootste veldheeren der oudheid. Gelijk de Romeinen op Syrië overwonnen, zoo straften zij ook Macedonië voor zijn verbond met Hannibal na den slag bij Cannae (blz. 74). Herhaaldelijk geslagen, kwam het land eerst onder Romeinschen invloed, en werd vervolgens, evenals Illyrië en Epirus, als wingewest ingelijfd.
5. Even vóórdat dit voltooid was, had men den derden Punischen oorlog aangevangen (149). Want de Romeinen vreesden Karthago, ook na zijn diepen val. Een oud raadsheer, Cato, sloot elke rede die hij in den senaat hield, met de woorden: „Overigens ben ik van meening, dat Karthago moet verwoest worden.” Daar de wensch van Cato ook het verlangen der Romeinen was, liet zich een voorwendsel tot den oorlog licht vinden. Men handelde met afschuwelijke arglist. De Karthagers moesten eerst wegens een teruggeslagen aanval van roofzieke naburen 300 voorname jongelingen uitleveren. Daarop verlangde men alle schepen, wapens en krijgsgereedschap. Toen ook dit met weemoed was toegestaan, gaf men den Karthagers bevel, hunne stad te verlaten, deze te verwoesten en zich eenige mijlen van de kust nieuwe hutten te bouwen. Ontzettende eisch! De Karthagers geraakten in woede en vertwijfeling en zwoeren zich liever met hunne stad te laten begraven, dan zelf haar te vernietigen. Zij ontwikkelden een ijver, als nauwelijks ooit gezien was. — Een klein deel daarvan zou eens Hannibal de overwinning verschaft hebben. — Maar het was te laat! Nadat de Romeinen Karthago twee jaar lang belegerd hadden, verscheen de kleinzoon[4] van Scipio, die ruim een halve eeuw geleden den tweeden Punischen oorlog ten einde gebracht had, en drong met eene vreeselijke bestorming in de stad. Wat hier het zwaard en het vuur gewoed hebben, dat laat zich niet beschrijven. 17 dagen duurde de brand, en toen er geen ontkomen meer mogelijk was, wierp de bevolking zich liever in de vlammen dan in de handen der vijanden te vallen. En ook tegen de puinhoopen nog woedde de Romeinsche haat. Eene diepe voor werd gegraven en hierin zout gestrooid, als teeken van onvruchtbaarheid, waartoe men de plek doemde, terwijl het geheele gebied onder den naam Afrika Romeinsch wingewest werd 146. In hetzelfde jaar verwoestten de Romeinen ook de fraaie stad Korinthe, en maakten daarmeê Griekenland, waarvan zij het deel Hellas of het Aetolisch verbond (de Peloponnesus vormde het Achaeïsch verbond) reeds ingelijfd hadden, geheel tot Romeinsche provincie. Vele Grieken kwamen toen gedwongen of vrijwillig naar Rome en brachten hun barbaarschen overwinnaars de fijne helleensche beschaving mede, die thans nog meer bewonderd wordt dan alle krijgsdaden der Romeinen.