REGISTER Vande particuliere VERHALINGEN.
Reading edition
I. Verhael. Hiſtorie van een Spaenſe Geeſtelijcke Perſoon, die tot Argiers Slaaf was. 117
II. Vande Manhaftigheydt van een Hollantſe Capiteyn, die ſich defendeerde alleen tegens vijf Turckſe Galeyen, ende twee Brigantijns, ende haer verſtroyde. 124
III. De volſtandigheydt van een Chriſten Slavinne, om in haer Gheloof te blijven. 132
IV. De onwetende Lieden imagineren haer ſelven in vreemde dingen. 134
V. Van vijf Turckſe Slaven, die door een wonderlijcke practijck haer ſalveerden, ende vande reſcontre van een Schip van Duynkercke. 137
VI. Een wonderlijck effect van een vervloeckte Liefde. 139
VII. Van twee ongeluckige Slaven, die inde Mamore van Tituan gheſteldt wierden. 141
VIII. Van een Portugijſe Edelman, die gevanghen wierde ende tot Argiers gebracht. 146
IX. Een nieuwe Slaef moet ſich van een yeder miſvertrouwen. 153
X. Van twee nieuwe getrouden, die vande Turcken ghenomen, ende tot Argiers tot Slaven ghebracht wierden. 157
XI. Vande ondanckbaerheydt van een Portugijſe Slaef. 160
XII. De maniere vande Dooden tot Argiers te begraven. 164
XIII. Van den onbedachten yver, ende van den voorſichtigen yver. 166
XIV. Twee exempelen van mildadigheydt ende erkenteniſſe. 169
XV. Vande maniere van Trouwen tot Argiers. 174
XVI. De nootſaeckelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheydt ende vande vernuftigheydt. 178
XVII. Van een Pater Carmelijt die Slaef was, ende van Alli Pegelin. 183
XVIII. Het gebruyck van Vergift is ſeer gemeen in Africa. 193
XIX. De Turcken houden haer woordt. 197
XX. De Vrouwen ende de Wijn bedriegen de looſte die der ſijn. 202
XXI. De maniere om de Pocken tot Argiers ſonder Chirurgijn te geneſen. 207
XXII. Van een Fransman die ſich Turcx wilde maecken, ende een Chriſten bleef tegen ſijn danck. 209
XXIII. Vande openhertigheyt van een Ioodſe Dochter. 211
XXIV. Van het wijs retireren van een Zee-Roover. 213
XXV. Godt geleydt door ſijn voorſienigheyt den ghenen die een goede intentie hebben. 216
XXVI. De openhertigheyt van een Duynkerckſe Slaef. 220
XXVII. Kluchtighe reſcontren vande Fortuyne der Slaven. 222
XXVIII. Een Slaef dient ſich van alles om te leven. 230
XXIX. Vande getrouwigheyt van een Man, ende vande ontrouwigheydt van ſijn Vrouw. 233
XXX. Krackeel tuſſchen Spaenſe ende Portugijſe Slaven. 238
XXXI. Een Slaef moet niet al te ſeer betrouwen op de al te groote courtoiſie van ſijn Patroon. 241
XXXII. Van een Religieus die ſijn Geloof door ſwackheydt verſaeckte wanneer hy binnen Argiers Slaef was, ende die door ſijn betrouw een Martelaer wierde. 244
XXXIII. Van het voornemen dat wy gheformeert hadden, om ons Meeſter te maecken van het Schip ’t welck ons na Tituan brocht. 251
XXXIV. De curieuſheydt wordt voldaen met de tijdt ende patientie. 256
XXXV. De onnoſele beſchuldight. 263
XXXVI. Ghetrouwigheydt, ſtantvaſtigheydt, vergeldinghe ende danckbaerheydt. 267
XXXVII. Schip-braeck in de Haven. 270